Abonneer Log in

Naar een 'democratisch marktsysteem'?

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 25

Naar een democratisch marktsysteem in de moderne welvaartstaten?

De voorbije jaren werd in diverse kringen vaak gezegd dat de tijd van de grote ideologische verhalen definitief voorbij is. Ik betwijfel dit ten zeerste. Veel mensen ‘ter linkerzijde’ blijven zoeken naar een nieuwe, normatieve boodschap. Het is essentieel dat progressieve groepen een eigen(tijdse) visie ontwikkelen op de maatschappij en op het marktsysteem, zowel conceptueel als normatief. Men moet duidelijk formuleren hoe men het marktsysteem bekijkt, wat de plaats is van bedrijven, verenigingen, gezinnen en de overheden.
De progressieve groepen staan voor een belangrijke tweesprong. Ofwel blijft men verstrikt in een ‘moderne’, min of meer acceptabele versie van het oude model van de ‘gecorrigeerde vrije markt’, met het gevaar dat men te veel in het defensief blijft en achter de andere strekkingen aanholt. Men gaat dan uit van een bepaalde variant van de ‘vrije markt’ die op diverse manieren wordt ‘gecorrigeerd’ in het licht van een aantal normatieve doelstellingen. Ofwel werkt men consequent aan een duidelijke alternatieve benadering waarbij het marktsysteem als een inherent maatschappelijk instrument wordt erkend, maar waarbij een ‘ander soort marktsysteem’ voor ogen wordt gesteld. Dat ‘ander soort marktsysteem’ gaat dan uit van een ander waardensysteem waarbij niet langer de ‘vrije keuze’ en de economische efficiëntie de dominante waarden zijn, maar dat evenmin kan worden geassocieerd of geïdentificeerd met een collectivistisch en centralistisch economisch systeem waarbij de ‘markt’ grotendeels wordt weggedacht en waarbij de overheid te veel maatschappelijke taken op zich neemt.

We willen hier een pleidooi houden om het concept ‘democratisch marktsysteem’ uit te werken en als normatieve kapstok te gebruiken voor een nieuwe visie op het marktsysteem in een democratische maatschappij. In het verlengde daarvan kan men aanverwante normatieve begrippen formuleren, bijvoorbeeld ‘democratische economie’, ‘democratische arbeidsverdeling’, ‘democratisch bedrijfsleven’, ‘democratisch gezinsleven’ en ‘democratisch verenigingsleven’.

Het uitgangspunt is dat elke maatschappij een bepaald marktsysteem heeft dat bestaat uit diverse deelsystemen en marktvormen, op basis van de graad van vrijheid, openheid, gelijkheid, decentralisatie, productsegmentatie, registratie, concurrentiedruk, planning, enz. (Polanyi, 1957, 1977; Kruithof, 1980; Van Dongen, 1993, 2008). In elke maatschappij bestaan diverse soorten marktwerking naast elkaar, afhankelijk van de wijze waarop de diverse soorten activiteiten worden gecombineerd. In dat opzicht kan er nooit sprake zijn van ‘één algemene vrije markt’, maar van diverse soorten markten met verschillende niveaus van vrijheid, gelijkheid, openheid en efficiëntie. De overheid is een centrale en actieve deelnemer aan het marktsysteem, die vooral instaat voor de meer complexe, collectieve diensten.
Het concept ‘vrije markt’ is een algemene term voor een breed gamma van min of meer vrije marktsystemen. Men kan een gradueel onderscheid maken tussen een zeer vrije en een zeer onvrije markt, maar dit geeft onvoldoende informatie over de betekenis en het gewicht van de basiswaarden gelijkheid, solidariteit en efficiëntie in het marktsysteem. Een vrij marktsysteem kan gepaard gaan met voldoende gelijkheid, solidariteit en efficiëntie maar ook met een gebrek aan gelijkheid, solidariteit en efficiëntie. Alle soorten combinaties zijn feitelijk mogelijk en het concept vrijheid volstaat niet om de diverse soorten marktsystemen correct te beschrijven. Bijgevolg is het concept onbruikbaar voor een correcte empirische en normatieve discussie over de maatschappij en het marktsysteem.
Het concept democratie wordt hier gehanteerd als een breed normatief concept voor de maatschappij dat vier basiswaarden op een graduele wijze combineert. Het niveau van democratie wordt dan bepaald door de gecombineerde score voor deze waarden. Dit levert een consistent normatief concept op voor de karakterisering van de maatschappij en het marktsysteem. De operationalisering en praktische toepassing van het concept is zeker niet eenvoudig maar het is per definitie vollediger en correcter dan een ééndimensionaal concept dat steunt op één basiswaarde en dat de andere basiswaarden grotendeels negeert en/of onduidelijk weergeeft. Met het graduele concept als combinatie van vier basiswaarden kan de feitelijke en toekomstige situatie (van een onderdeel) van de maatschappij worden voorgesteld. We verwijzen ter illustratie naar het boeiende boek van Linda Gratton (2004) met de eenvoudige titel De democratische onderneming. In dit boek gebruikt Gratton het concept ‘democratie’ voor de vergelijkende evaluatie van grote multinationale ondernemingen.

In een ‘democratisch marktsysteem’ (eveneens met varianten) is de vrijheid van de actoren niet langer de dominante waarde, maar staat die op dezelfde hoogte als de andere basiswaarden: gelijkheid, solidariteit, verantwoordelijkheid en efficiëntie (in de brede zin van het woord). Uiteraard moet iedere speler (individu, gezin, vereniging, bedrijven, overheidsinstanties) voldoende vrijheid hebben om initiatieven te nemen en zijn bestaan of werking te organiseren, maar er moet tegelijkertijd op alle niveaus voldoende gelijkheid en solidariteit zijn. Bovendien moeten alle spelers voldoende efficiënt zijn in hun activiteiten (in de ruime zin van het woord) om tot een positieve ontwikkeling te komen. Deze basiswaarden moeten elkaar begrenzen maar tegelijk ook ondersteunen. Op die manier hanteren we een ander normatief kader voor het marktsysteem van een land, een regio, een continent of de hele wereld.
Het concept ‘democratisch marktsysteem’ is een nieuw ideaaltypisch normatief concept, dat als omvattend richtsnoer kan worden gebruikt voor de toekomstige zingeving en ontwikkeling van de maatschappij (op lokaal, nationaal, internationaal en mondiaal niveau). De uitdaging is het concept te vertalen naar een pragmatische politieke strategie en concrete beleidsacties in alle geledingen van de maatschappij. Daarbij zijn alle actoren beperkt door de bestaande restricties en machtsverhoudingen. In dit artikel willen we het concept toelichten, niet de praktische werkwijze waarop het kan of moet worden gerealiseerd.
Het concept ‘democratisch marktsysteem’ biedt een uitweg uit het conceptuele en ideologische dilemma van diverse democratische groepen die het moeilijk hebben met het dubbelzinnige concept van de ‘vrije markt’. Zo kan de diepgewortelde angst voor en de afkeer van de markt als een maatschappelijk mechanisme (de facto een bepaald soort ‘vrije markt’) worden weggenomen doordat men het bestaan van een marktsysteem in elke soort maatschappij erkent maar tegelijk fundamenteel kiest voor een ander soort marktsysteem. Tegelijkertijd biedt het concept een nieuwe kapstok voor iedereen die afstand neemt van een overmatig centralisme of collectivisme dat vaak een principiële vijandige houding tegenover (het bestaan van) markten of marktsystemen impliceert. Of omgekeerd, voor iedereen die het wenselijk acht dat alle maatschappelijke actoren voldoende vrijheid genieten en initiatief kunnen nemen in het economisch leven, zonder de vrijheid van de andere te vernietigen. Ten slotte kan het concept eveneens een uitweg bieden voor personen en groepen die traditioneel voorstander zijn van een vrije markt, maar die meer en meer kiezen voor een vrije markt die ook de andere basiswaarden in voldoende mate respecteert.

In het concept ‘democratische markt’ worden de vier basiswaarden intrinsiek gekoppeld aan het marktsysteem of de economie. Gelijkheid en solidariteit staan dan niet buiten de markt of het marktsysteem, maar vormen wezenlijke, evenwaardige normatieve condities voor het functioneren ervan. Zo is voldoende vrijheid onmogelijk zonder voldoende gelijkheid en solidariteit. Evenmin is voldoende efficiëntie mogelijk zonder voldoende gelijkheid en solidariteit. Maar hetzelfde geldt in omgekeerde zin. Een marktsysteem is dus pas voldoende democratisch als er tegelijkertijd voldoende vrijheid, gelijkheid, solidariteit en efficiëntie bestaat in alle geledingen van de maatschappij. Het doel van een democratisch marktsysteem is niet eerst zoveel mogelijk welvaart produceren en die daarna zo goed mogelijk (her)verdelen, maar wel tegelijkertijd voldoende waardevolle goederen en diensten produceren en deze voldoende gelijk verdelen, in alle fasen van het maatschappelijk proces. Bij de diverse stappen van de productie en verdeling van goederen en diensten moeten bijgevolg alle actoren voldoende worden betrokken.
Het concept ‘democratische markteconomie’ is veel krachtiger dan andere begrippen zoals ‘rechtvaardige economie’, ‘sociale markteconomie’ of ‘duurzame economie’. Het maakt immers een duidelijke normatieve invulling van het algemene begrip ‘rechtvaardigheid’ mogelijk (Van Parijs, 1992, 1995; Vandenbroucke, 1999, 2000), aan de hand van de combinatie van de basiswaarden, met een aantal mogelijke varianten. Het geeft duidelijk een normatieve richting aan en kan niet in twee tegengestelde richtingen worden ingevuld. Het heeft een ruime wervingskracht omdat alle democratische strekkingen worden aangesproken op hun algemeen ‘democratisch’ uitgangspunt en engagement. Ze worden gedwongen hun visie ten aanzien van het concept te formuleren. Zo kunnen meer ‘varianten’ tot stand komen, die samen een voldoende gemeenschappelijke basis bieden tegenover het eenzijdige concept ‘vrije markt’ en die tevens voldoende differentiatie bieden in de dagelijkse praktijk van de diverse landen en regio’s.
In een ‘democratisch marktsysteem’ is ‘gelijkheid’ opnieuw een basiswaarde, in de volle betekenis van het woord en op dezelfde hoogte als de andere basiswaarden. De waarde ‘gelijkheid’ moet worden toegepast op alle relevante aspecten van de dagelijkse leefsituatie van alle doelgroepen: verdeling van beroepsarbeid, gezinsarbeid, vrije tijd, verdeling van de diverse middelen en besluitvorming. Gelijkheid en ongelijkheid kan men dan gradueel uitdrukken in de vorm van verdelingsfuncties. Binnen deze benadering van gelijkheid kan ook het begrip ‘diversiteit’ correct worden voorgesteld. Diversiteit drukt dan de mate van ongelijkheid uit voor diverse aspecten van de leefsituatie en is dan in graduele zin het omgekeerde van gelijkheid. Het kernprobleem is dus niet of er al dan niet diversiteit is of moet zijn, maar wel de mate en aard van de diversiteit.

Naar een democratische arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen, in gezinnen en organisaties

Het concept (sterke) democratie kan worden toegepast op de dagelijkse arbeidsverdeling van mannen en vrouwen, binnen gezinnen en professionele organisaties (Van Dongen, 2008). De toepassing verwijst in de eerste plaats naar de conceptuele benadering van het Combinatiemodel en naar de feitelijke ontwikkeling van het traditionele Kostwinnersmodel in de periode rond 1950 naar het Matige Combinatiemodel tijdens de voorbije twee decennia. Het tweede deel van de toepassing betreft de ontwikkeling van bruikbare normatieve modellen voor de toekomstige verdeling van beroeps- en gezinsarbeid. Op basis daarvan kan dan het meest wenselijke en meest geschikte toekomstmodel worden bepaald, dat de basis vormt voor het uittekenen van doelmatige beleidsperspectieven.

Een sterk democratische arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen impliceert dan een voldoende hoge score van en een goed evenwicht tussen de basiswaarden (vrijheid, gelijkheid, solidariteit en efficiëntie). Alle waarden moeten dus tegelijkertijd in voldoende hoge mate worden gerealiseerd, waarbij ze elkaar tegelijk stimuleren en begrenzen.
1) Op microniveau moeten individuen en gezinnen voldoende vrijheid hebben om een specifieke arbeidsverdeling te kiezen die voldoende aansluit bij de eigen achtergrond en ontwikkeling, binnen de maatschappelijke grenzen en condities. Een democratische maatschappij heeft nood aan voldoende diversiteit in de dagelijkse arbeidsverdeling, op individueel en op gezinsniveau. We zoeken een model dat expliciet streeft naar voldoende vrije keuze en diversiteit, in combinatie met voldoende gelijkheid en solidariteit onder de actoren, evenals voldoende efficiëntie.
2) Gelijkheid tussen mannen en vrouwen (algemeen, in gezinnen en in organisaties) is zeer belangrijk, maar die moet in graduele zin worden voorgesteld zodat voor alle mogelijke opties in zekere mate ruimte blijft. De logische doelstelling is dat mannen en vrouwen gemiddeld een gelijke verdeling hebben van beroepsarbeid, gezinsarbeid en de andere basisactiviteiten, uitgedrukt in het aantal uren per week en de kwaliteit van de activiteiten. Maar tegelijk moet er voldoende diversiteit bestaan binnen de twee groepen. Bovendien moeten in de meeste paargezinnen de hoofdactiviteiten voldoende gelijk verdeeld zijn, zij het in graduele zin, zodat er genoeg ruimte is voor persoonlijke keuzes.
3) Het normatief toekomstmodel moet ook voldoen aan de waarde solidariteit. Bijgevolg moeten voldoende mannen en vrouwen beroepsactief zijn gedurende voldoende uren en dagen per week en gedurende voldoende jaren van hun loopbaan. Zo kan een sterke collectieve (financiële) basis worden gerealiseerd voor de diverse (noodzakelijke) collectieve investeringen, onder meer voor financieel afhankelijke personen en gezinnen. Tegelijkertijd moet het solidariteitssysteem zelf voldoende stimulansen geven aan niet-beroepsactieve en financieel afhankelijke personen om in de toekomst minder afhankelijk te worden, via deelname aan betaalde arbeid en/of aan vrijwillige sociale arbeid.
4) Ten slotte moet ook de basiswaarde efficiëntie voldoende worden verwezenlijkt om van een democratische arbeidsverdeling te kunnen spreken. Dit impliceert dat het menselijk en niet-menselijk kapitaal van alle mannen en vrouwen op een efficiënte manier moet worden ontwikkeld en gebruikt, voor alle basisactiviteiten. Alle activiteiten moeten voldoende efficiënt worden uitgevoerd in termen van de combinatie van de persoonlijke, sociale, materiële en financiële middelen aan de input- en de outputzijde. De efficiëntie van een activiteit is ook afhankelijk van de concrete inhoud van de andere basiswaarden, bijvoorbeeld een gelijke beschikbaarheid van een bepaalde voorziening voor alle leden van de doelgroep.
We hanteren een breed efficiëntieconcept voor de evaluatie van de activiteiten met het oog op een goed evenwicht tussen persoonlijke, sociale, materiële en financiële resultaten, voor alle actoren. Het brede efficiëntiecriterium is ook van toepassing op de andere activiteiten. Alle activiteiten moeten voldoende efficiënt zijn, als basis voor een positieve ontwikkeling van individuen, gezinnen en organisaties. Een (te) lage efficiëntie leidt tot een lagere kwaliteit van de output en dus tot een lagere kwaliteit van de input voor andere activiteiten.

Naar een gradueel onderscheid tussen particuliere en collectieve goederen/diensten

Een centraal onderdeel van de maatschappijvisie betreft het onderscheid tussen particuliere en collectieve goederen en de manier waarop collectieve goederen (moeten) worden voortgebracht en gefinancierd in een democratische maatschappij. In dit perspectief past het debat over het al dan niet ‘gratis aanbieden’ van collectieve goederen aan de gebruikers, zoals onderwijs, openbaar vervoer, veiligheid, gezondheidszorg en televisie (Van Dongen, 1993, 2008; Vandenbroucke, 2002). De visies van de politieke strekkingen lopen uiteen, maar ook binnen de politieke strekkingen is er geen eensgezindheid. De centrale vraag is of een (meer) samenhangende benadering en een praktische toepassing ervan mogelijk is, zodat de meningsverschillen en tegenstrijdigheden (bij de linkerzijde) grotendeels kunnen worden weggenomen.

We gaan uit van een gradueel onderscheid tussen maximaal particuliere goederen of diensten aan de ene kant en maximaal collectieve goederen/diensten aan de andere kant, waarbij de extremen per definitie niet bestaan maar de diverse tussenvormen relevant zijn. In principe zijn alle goederen en diensten in zekere mate ‘collectief’, aangezien voor de productie ervan in bepaalde mate collectieve goederen worden gebruikt. Gemiddeld gezien komt dit overeen met de totale belastingdruk, in België ruim 45% van het bbp (OECD, 2005). Voor deze collectieve diensten moet de ‘juiste’ prijs worden aangerekend, via belastingen en/of bijdragen voor de sociale (‘collectieve’) zekerheid. Bepaalde diensten zijn in een veel hogere mate collectief en worden in grotere mate gefinancierd via collectieve middelen: nationale defensie, ruimtelijke ordening, nationale wateren, verkeersnet, onderwijs en gezondheidszorg. Het is niet eenvoudig om correct te bepalen in welke mate een dienst collectief is of zou moeten zijn. Dit is deels een empirische en deels een normatieve opdracht, waarvoor men drie formele criteria kan hanteren die gradueel worden toegepast (Van Dongen, 1993, 2008). Goederen en diensten zijn dan gradueel gezien meer collectief
1) naarmate de beschikbaarheid voor de doelgroep in grotere mate gelijk is, m.a.w. naarmate het gebruik door bepaalde actoren het gebruik voor andere leden van de doelgroep minder beperkt, of naarmate minder mensen van de doelgroep (kunnen) worden uitgesloten;
2) naarmate ze minder deelbaar zijn vanuit het oogpunt van het gebruik, d.w.z. ze zijn voor de gebruiker maar zinvol als een complex geheel;
3) naarmate het maximale gebruik voor de doelgroep begrensd is zodat overconsumptie wordt geminimaliseerd.

De toepassing van deze criteria maakt het mogelijk maximaal collectieve goederen gradueel te onderscheiden van de minder collectieve goederen en van de meer particuliere goederen. Maximaal collectieve goederen en diensten worden dan het best volledig via algemene collectieve inkomsten gefinancierd en ‘gratis’ aangeboden aan de gebruiker. Hierdoor wordt voor elk lid van de doelgroep (ongeveer) een gelijke beschikbaarheid gegarandeerd. Bovendien is overconsumptie (grotendeels) onmogelijk. Voor minder collectieve goederen is het doelmatiger (gradueel) een directe prijs aan te rekenen aan de gebruiker om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Naarmate de nood aan gelijk gebruik groter is en het gevaar van overconsumptie kleiner, moet men de prijzen voor de gebruikers verlagen en het aandeel van de collectieve financiering verhogen. Wanneer hecht gelijk gebruik minder belangrijk is en het gevaar van overconsumptie groter, moet men de prijzen voor de gebruikers verhogen en het aandeel van de collectieve financiering verlagen.
We kunnen deze benadering toepassen op alle maatschappelijke diensten. Een eerste opdracht is empirisch na te gaan in welke mate ze als collectieve dienst worden aangeboden en in welke mate dit overeenstemt met de vermelde criteria. In het verlengde daarvan volgt dan de normatieve vraag in welke mate ze als ‘collectieve’ diensten zouden moeten worden beschouwd en gefinancierd. We geven hier enkele voorbeelden.

Dagonderwijs voor kinderen en jongeren

Het dagonderwijs voor kinderen en jongeren is een maximaal collectief goed volgens de drie criteria. Het gebruik van het dagonderwijs is goed toewijsbaar aan een goed afbakenbare groep. Dagonderwijs is een investering vanwege de maatschappij in het menselijk kapitaal van alle kinderen en jongeren, die samen het productief menselijk kapitaal van de toekomstige maatschappij vormen. Het maximale gebruik door de doelgroep kan goed worden bepaald en het gebruik van een kind beperkt het gebruik van andere kinderen niet of slechts minimaal. Het maximale gebruik van dagonderwijs door de doelgroep is begrensd waardoor overconsumptie tot een minimum beperkt is. Binnen deze benadering kan alle dagonderwijs voor kinderen en jongeren het best gratis worden aangeboden, gefinancierd met collectieve middelen. De meeste politieke strekkingen onderschrijven expliciet deze keuze voor het basisonderwijs dat (bijna) gratis wordt aangeboden aan alle kinderen van de doelgroep, gefinancierd met algemene fiscale inkomsten. Het secundair onderwijs is feitelijk gezien bijna een collectieve dienstverlening met een iets hogere persoonlijke bijdrage voor de gebruikers (gezinnen). Een soortgelijke redenering is mogelijk voor het hoger onderwijs, uitgaande van het feit dat de particuliere kosten voor gezinnen feitelijk hoger liggen.
De dagopvang voor kinderen jonger dan drie jaar wordt daarentegen feitelijk niet als een maximaal collectieve dienst aangeboden, hoewel dagopvang wezenlijk dezelfde basisfuncties heeft voor de betrokken kinderen en ouders en voor de maatschappij, namelijk als brede dageducatie ter aanvulling en verrijking van de opvoeding thuis (Van Dongen, 2004; Vandenbroeck, 2003). De meningen van de politieke strekkingen hierover zijn verdeeld. Volgens de genoemde criteria zou de dagopvang voor kinderen jonger dan drie jaar logischerwijs op een zelfde manier moeten worden aangeboden en gefinancierd als het basisonderwijs, uiteraard met een pedagogisch project dat is aangepast aan de noden van elke leeftijdsgroep.

Gezondheidszorg

Voorts kan men verdedigen dat in de gezondheidszorg ‘doelmatige’ remgelden of persoonlijke bijdragen van de patiënt wenselijk zijn om een voldoende consumptie mogelijk te maken voor iedereen en om de overconsumptie tegen te gaan (grote kans op overconsumptie door de druk van de aanbodzijde).
Gezondheidszorg is in hoge mate een collectief goed, maar zeker geen maximaal collectief goed omdat het gebruik ervan door bepaalde actoren het gebruik voor de andere actoren van de doelgroep kan beperken. Het is dan ook essentieel dat via een gezonde concurrentie tussen de ‘producenten’ en via een doelmatige controle de prijzen tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht.
Wel kan men bepaalde onderdelen van de gezondheidszorg strikt afbakenen zodat ze een maximaal collectief goed worden, binnen het geheel van de gezondheidszorg. Zo zou men elke inwoner per jaar enkele bezoeken bij de huisarts gratis kunnen aanbieden, als basis van de preventieve en opbouwende gezondheidszorg. Eventueel kan men het aantal gratis bezoeken verhogen voor specifieke doelgroepen.

Openbaar vervoer

In de eerste plaats moet een onderscheid worden gemaakt tussen de diverse vormen van openbaar vervoer. We mogen niet vergeten dat ook het wegverkeer met de wagen in grote mate ‘openbaar of collectief vervoer’ is, met name het gebruik van particuliere vervoermiddelen op een (hoofdzakelijk) collectief gefinancierd wegennet.
Het wegverkeer met de wagen is een duidelijk voorbeeld van een gedeeltelijk collectief goed dat in grote mate ontspoord is, met vrijbuiterschap, overconsumptie, congestie en schadelijke neveneffecten. Het gebruik van het wegennet en de verwerking van de schadelijke effecten worden te weinig aangerekend, zoals geargumenteerd door De Borger en Proost (1997). Er zullen op termijn wellicht drastische maatregelen moeten worden genomen om het autoverkeer te beheersen of te verminderen. Eén ervan is het aanrekenen van de reële maatschappelijke kosten van het particuliere vervoer. Dit impliceert een relatief sterke stijging van de variabele kosten.
Openbaar vervoer per bus, tram of trein kan algemeen gezien evenmin als een maximaal collectief goed worden beschouwd. Graduele (lage) persoonlijke bijdragen van de gebruiker zijn wenselijk om een voldoende gebruik voor iedereen mogelijk te maken en om overconsumptie tegen te gaan.
Indien men de doelgroep en het goed strikt afbakent, kan men ‘maximale collectieve vormen van openbaar vervoer’ (trein, tram, bus) afbakenen, bijvoorbeeld openbaar vervoer voor kinderen van en naar school, op voorwaarde dat er voor alle kinderen voldoende openbaar vervoer beschikbaar is dat voldoende kwaliteit biedt. In dat geval kan men het ook (bijna) gratis aanbieden.
Volledig gratis openbaar vervoer voor alle gepensioneerden lijkt ons niet zinvol omdat noch de vraag noch het aanbod voldoende gekend is en overconsumptie eveneens mogelijk is. Het is wel in hoge mate collectief zodat lage persoonlijke bijdragen wenselijk zijn om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen.
In dit verband is het zinvol om de financiering van het vervoer naar en van het werk te hervormen. De echte (eind)gebruiker van het woon-werkverkeer is de organisatie waar iemand werkt. De verplaatsingskosten van en naar het werk kunnen bijgevolg als bedrijfskosten worden beschouwd, die door de bedrijven geheel worden doorgerekend in de verkoopsprijs van hun producten. De bedrijven zouden dan sterker gemotiveerd zijn om samen met hun werknemers de meest geschikte en goedkoopste vervoerswijze te zoeken. De bedoeling moet zijn om de totale financiële en tijdskosten van bedrijven, gezinnen en de overheid voor vervoer te verminderen.

De noodzaak van correcte en doelmatige ‘fiscale tarieven’

Zoals gezegd zijn alle meer particuliere goederen en diensten gedeeltelijk voortgebracht met collectieve goederen. Daarom moet de ‘juiste of correcte prijs’ worden aangerekend door de overheid die verantwoordelijk is voor het aanbod van de collectieve goederen (gemeente, provincie, Vlaamse gewest, België, Europa). De economische en politieke discussie over correcte en doelmatige fiscale tarieven is al eeuwenoud en is altijd gebonden aan de normatieve visie op het marktsysteem, en als gevolg daarvan, aan de normatieve criteria die men hanteert.
In een ‘(liberaal) vrije marktsysteem’ worden eveneens normatieve criteria gehanteerd, maar die worden vaak voorgesteld als universele, objectieve criteria, alsof ze voor elk soort marktsysteem gelden. Dit is een van de grote problemen van de huidige internationalisering van de economie, en dus ook van de Europese Unie. De normatieve criteria van de ‘vrije markt’ van de grote multinationals worden voorgesteld als objectief en universeel en worden zo opgedrongen aan alle deelmarkten. Het streven naar een ‘uniforme vrije markt’ is een gevaarlijke ideologische optie die de variabiliteit en het aanpassingsvermogen van de diverse deelsystemen aantast of zelfs vernietigt. Dit streven leidt feitelijk naar een minder vrij, gelijk, solidair en efficiënt marktsysteem voor veel individuen, gezinnen, verenigingen en bedrijven.
In een ‘democratisch marktsysteem’ hanteert men doelmatige en correcte fiscale tarieven, die de basiswaarden van een democratisch systeem uitdrukken en ondersteunen: voldoende vrijheid, gelijkheid, solidariteit én efficiëntie. Tegelijkertijd moeten ze verwijzen naar de centrale aspecten van de arbeidsprocessen en het marktsysteem: de verhouding tussen menselijke en materiële arbeid in de activiteiten, de mate van collectieve schade van de activiteiten en de complexiteit van de organisatie. De centrale uitdaging voor de progressieve democratische partijen is een samenhangend geheel van criteria uit te werken op basis waarvan het bestaande tariefsysteem stap voor stap (decennium na decennium) kan worden omgevormd tot een (voldoende) ‘democratisch tariefsysteem’ (Van Dongen, 1993; Van Dongen et al., 2001; 2003).

In de eerste plaats moet men nagaan in welke mate de totale belastingdruk in België kan/moet worden verminderd, bijvoorbeeld tot het Europese gemiddelde van 42 à 43%. Dit is geen gemakkelijke maar ook geen onmogelijke opdracht. Voor een kleine, zeer open welvaartsstaat is het belangrijk om in Europa een gezonde middenpositie in te nemen. De concurrentiepositie wordt dan niet geschaad door te hoge tarieven en tegelijk kan een voldoende krachtig sociaal beleid worden gevoerd.
Voorts moet in het fiscale systeem een nieuw evenwicht worden gecreëerd inzake de relatieve belasting op menselijke arbeid en op materiële arbeid of middelen (grondstoffen, goederen, machines, energie). Op die manier kan de structurele achterstelling van mensintensieve activiteiten en investeringen in menselijk kapitaal en het buitensporig gebruik van grondstoffen, goederen en energie (de ‘natuur’ of het ‘milieu’) worden tegengegaan. Zo wordt een positieve dynamiek ontwikkeld in het aanbod van arbeidsplaatsen, vooral in ‘mensintensieve’ organisaties.
Ten derde moeten alle forfaitaire belastingen die geen rekening houden met het gebruik en/of de draagkracht worden vervangen door een meer doelmatige en correcte belastingvorm.
Bovendien moet de collectieve schade van de arbeidsprocessen en de resultaten ervan correct(er) worden verrekend in het fiscaal systeem, zowel preventief als correctief. Het doel is dat individuen, gezinnen, bedrijven, verenigingen en overheidsinstanties in hun markttransacties zoveel mogelijk met de reële maatschappelijke kosten en baten worden geconfronteerd, zodat de verborgen inefficiënties worden vermeden en/of gecorrigeerd. Hierbij moet een evenwicht worden gevonden met de nood aan voldoende gelijkheid.
Ten slotte is het belangrijk dat de progressieve belastingen correct en doelmatig wordt toegepast. Ze mogen niet worden uitgehold via te weinig (graduele) tarieven en via allerlei aftrekmogelijkheden die voor groepen met hogere inkomens in hogere mate toepasbaar zijn. In dit verband is het wenselijk dat in de sociale zekerheid als collectief verzekeringssysteem ook progressieve tarieven worden gehanteerd. Voorts kan men rekening houden met het aantal uren beroepsarbeid van mannen en vrouwen, bijvoorbeeld door de progressieve fiscale tarieven te baseren op het inkomen per uur, zodat men uitgaat van de feitelijke verdiencapaciteit van mannen en vrouwen.

Ter afsluiting

Indien het concept ‘democratisch marktsysteem’ door de diverse progressieve groepen aanvaard kan worden als normatief basisconcept, is het wenselijk dat een breed onderzoeks- en discussieforum wordt opgericht voor de concrete invulling ervan en voor de operationalisering ervan. Zo’n forum zal op korte en op lange termijn vruchten afwerpen. Op korte termijn, omdat het brede publiek dan weer ziet dat de progressieve, democratische groepen echt een nieuwe maatschappijvisie kunnen aanreiken. Op langere termijn, wanneer een aantal concrete hervormingen kunnen worden gerealiseerd die gestoeld zijn op het basisconcept.

Walter Van Dongen
Studiedienst van de Vlaamse Regering (SVR) - Brussel1

Bibliografie
- Blommaert J. (2007), De crisis van de democratie, Antwerpen, EPO.
- Cantillon B. (red.) (1999), De welvaartsstaat in de kering, Kapellen, Pelckmans.
- Cantillon B., Marx I. en Van Den Bosch K. (2002), The puzzle of egalitarianism. Welke strategieën om inkomensarmoede terug te dringen?, CSB Berichten, december 2002, Antwerpen, Universiteit Antwerpen.
- De Borger B. en Proost S. (1997), Mobiliteit: de juiste prijs, Leuven-Apeldoorn, Garant.
- De Grauwe P. (2007), De onvoltooide globalisering, Tielt, Lannoo.
- Gratton L. (2004), The Democratic Enterprise. Liberating your business with freedom, flexibility and commitment, London-New York, FT Prentice Hall, Financial Times.
- Mareels G. (2003), Wie betaalt wat gratis is?, In: Samenleving en politiek, 10, 7, pp. 14-22.
- OECD, (2005), Revenue Statistics of OECD member countries, 1965-2004, New York, OECD.
- Polanyi K. (1957), The great transformation. The political and economic origins of our time, Boston.
- Polanyi K. (1977), The livelyhood of man, New York, London, Academic Press.
- Vandenbroeck M. (2003), De kinderopvang als opvoedingsmilieu tussen gezin en samenleving. Onderzoek naar een eigentijds sociaal-pedagogisch concept voor de kinderopvang, doctoraal proefschrift, Gent, Universiteit Gent.
- Vandenbroucke F. (2000), Op zoek naar een redelijke utopie. De actieve welvaartsstaat in perspectief, Leuven-Apeldoorn, Garant.
- Vandenbroucke F. (2002), De partij van het publieke goed, De Morgen, 21 mei 2002, p. 29.
- Van Dongen W. (1993), Nieuwe Krijtlijnen voor Gezin, Markt en maatschappij. Een geïntegreerde benadering, Leuven-Apeldoorn, Garant.
- Van Dongen W. (2004), Kinderopvang als basisvoorziening in een democratische samenleving. Scenario’s voor de toekomstige ontwikkeling van de dagopvang voor kinderen jonger dan drie jaar, Brussel, CBGS, te verschijnen.
- Van Dongen W. (2008), Naar een democratische arbeidsverdeling? Het Combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid in Vlaanderen en Europa, SVR-Studie, 2008/1, Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
- Van Dongen W. (2008), Doelmatige overheidsdiensten in een democratische samenleving: analysemodel en evaluatie-instrumenten. Paper voor het Politicologenetmaal 2008, 30-31 mei 2008, Beleidsevaluatie: doel of middel?
- Vanhaute E. (2002), Breadwinner models and historical models. Transitions in labour relations and labour markets in Belgium, in: Jensen H. (ed.), The welfare state. Past, present and future, Edizioni Plus, University of Pisa, pp. 59-76.
- Vanhaute E. (2003), Leven, wonen en werken in onzekere tijden. Patronen van bevolking en arbeid in België in de lange 19de eeuw, te verschijnen.
- Van Parijs Ph. (ed.) (1992), Arguing for Basic Income. Ethical foundations for a radical reform, London, New York, Verso.
- Van Parijs Ph. (1995), Real Freedom for All. What (if anything) can justify Capitalism?, Oxford, Oxford University Press.

Noot
1/ Op vrijdag 6 juni organiseerde de studiedienst van de Vlaamse Regering de studiedag ‘Combinatie beroeps-en gezinsarbeid: nieuwe inzichten en toekomstperspectieven’. Dit gebeurde naar aanleiding van de publicatie van een studie van Walter Van Dongen, Naar een democratische arbeidsverdeling in Vlaanderen en Europa? Het combinatiemodel als basis voor een geïntegreerd beleid, 2008/1, Brussel, Studiedienst Vlaamse Overheid.

democratie - democratisch marktsysteem - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 25