Log in

Er is dringend nood aan een duurzaam migratiebeleid

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 5 tot 12

In deze bijdrage behandelen we de vraag hoe de Belgische overheid op een duurzame en verantwoordelijke manier kan omgaan met individuen en gezinnen die migratieaspiraties hebben ten aanzien van ons land, én wat haar eigen aspiraties zijn ten aanzien van migranten. Natuurlijk stuiten we dan op de vraag of een afstemming tussen beide wenselijk en mogelijk is. Met deze tekst wil het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (Centrum) niet meteen een officieel standpunt innemen over het migratiebeleid, maar het debat aanzwengelen.

Inleiding

In 2003 gaf de wetgever aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding (Centrum) een reeks bijkomende opdrachten, waaronder ‘waken over het respect van de grondrechten van de vreemdelingen’; en ‘de overheid informeren over de aard en de grootte van de migratiestromen’. Waar sommige openbare diensten (Binnenlandse Zaken, Werk) vooral - en geheel terecht - de legitieme belangen van de Staat en de samenleving nastreven, kreeg een andere openbare dienst - het Centrum - de rol om waakzaam te zijn voor de grondrechten van de vreemdelingen. Beide benaderingen hebben hun rechten, vaak zijn ze complementair, maar altijd moet men afwegen of (een maatregel binnen) het migratiebeleid geen te verregaande inbreuk op de grondrechten pleegt. In een democratie hoort een dergelijke afweging het resultaat te zijn van een politiek én van een publiek debat.
Vandaag horen we van politieke verantwoordelijkheidsdragers in het migratiedebat vaak twee stellingen, die bij nader inzien twee zijden zijn van éénzelfde benadering van migratie. De eerste stelling gaat over de humanitaire migratie naar ons land en luidt: ‘Het komt er vooral op aan de socio-economische omstandigheden in de herkomstlanden te verbeteren, zodat mensen zich niet meer genoodzaakt zien tot migratie’. Deze stelling horen we aan zowat alle kanten van het politieke spectrum, maar wellicht het meest bij politici aan de rechterzijde. De tweede stelling gaat over de economische migratie naar ons land en luidt: ‘We moeten eerst en vooral de socio-economische vaardigheden activeren van hen die vandaag beschikbaar zijn op onze arbeidsmarkt, en pas dan kunnen we denken aan migratie’. Ook deze stelling horen we doorheen zowat het hele politieke spectrum, maar het meest bij politici aan de linkerzijde. Beide stellingen zijn verschillend, maar hebben eenzelfde grondtoon: we moeten migratie vermijden.

Deze stellingen wekken enigszins verwondering. Ze lijken voorbij te gaan aan de enorme migratiegeschiedenis die ons land de laatste vijftig jaar heeft meegemaakt. Vandaag heeft tussen de 20 en 25% van de bewoners van dit land ofwel niet de Belgische nationaliteit (zowat 900.000); ofwel niet de Belgische nationaliteit bij de geboorte (zowat 700.000 erbij); ofwel minstens één ouder die niet geboren werd met de Belgische nationaliteit (nog eens minstens 500.000 er bovenop). Wie deze migratiecijfers ziet, zou denken dat België dus al lang een goed migratiebeleid uitgebouwd heeft, met een heldere visie en duidelijke doelstellingen, met goede instrumenten en met een ruim assortiment aan cijfergegevens om dit beleid te onderbouwen én te monitoren. Dat is niet het geval. Daardoor ontstaan ook stellingen als hierboven, die mee het resultaat lijken van een soort migratietrauma dat nog niet verwerkt is. De migratie van de voorbije 50 jaar heeft - naast manifeste voordelen - ook samenlevingsproblemen voortgebracht, en die hebben een deel van het linkse electoraat van haar traditionele politieke vertegenwoordigers vervreemd. Tegelijkertijd heeft de invoering van het gemeentelijk stemrecht voor niet-EU-onderdanen de geloofwaardigheid van het eerder rechtse politieke project ondergraven.
De ingrijpende effecten van migratie op onze samenleving moeten ons minstens aanzetten om deze fenomenen te willen begrijpen. De vervreemding die met migratie gepaard ging, is echter niet uitsluitend negatief. Er bestaat bijvoorbeeld geen zelfrealisatie zonder een stuk vervreemding, om maar iets te noemen. Wellicht is er rond migratie tot op heden onvoldoende gecommuniceerd en gedebatteerd over visie, doelstellingen en realisaties. Er heerst eerder een zweem van défaitisme aan de buitenkant van het beleid, en een in alle stilte maar soms erg deskundig werkende bureaucratie aan de binnenkant van het beleid.

De kernopdrachten

Wat zijn voor het Centrum de kernopdrachten bij de uitwerking van een migratiebeleid? Er moet ons inziens een viervoudige benadering zijn:
· een mission-based approach: een goed migratiebeleid heeft een duidelijke visie en formuleert heldere doelstellingen;
· een rights-based approach: het migratiebeleid moet zich situeren ten aanzien van de grondrechten, waar ook arbeidsrechten en sociale rechten deel van uitmaken;
· een evidence-based approach: een beleid uitstippelen vraagt dat men weet waarover men praat, en een beleid bijsturen en evalueren vraagt indicatoren en nauwkeurige meetgegevens;
· een tools-based approach: een beleid zonder de instrumenten, de middelen en de mensen is geen beleid.

Een mission-based approach

Een migratiebeleid moet een duidelijke visie en heldere doelstellingen formuleren. Dit houdt ook in dat er een duidelijke afstemming is - een integratie zelfs - met andere beleidsdoelstellingen rond werk, huisvesting, onderwijs en vorming, enz. Dit betekent ook een duidelijke afstemming tussen de verschillende beleidsniveaus, van lokaal tot internationaal, en in elk geval tussen de federale overheid en de gewesten en gemeenschappen.
Dergelijke visie mag ook een stuk ‘utopie’ in zich houden. Net zoals we de utopie koesteren dat vrouwen en mannen ooit werkelijk gelijke rechten hebben en dat er een wereld komt zonder economische uitbuiting. Het Artikel 13 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens verdient het om volledig geciteerd te worden: ‘Eenieder heeft het recht zich vrijelijk te verplaatsen en te vertoeven binnen de grenzen van elke staat. Eenieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten en naar zijn land terug te keren’. Voor ons mag het migratiebeleid als visie hebben om dit Artikel zo volledig mogelijk te realiseren.

Zo volledig mogelijk, inderdaad, want zelfs binnen Europa is het vrij verkeer van personen gebonden aan voorwaarden. Nationale overheden kunnen - in het kader van het Europese Mensenrechtenverdrag - maatregelen nemen die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn om de openbare veiligheid, het economisch welzijn, e.d. te vrijwaren. Maar het blijft de missie om, waar mogelijk én in de mate van het mogelijke, steeds weer het vrij verkeer zo sterk mogelijk te realiseren, bijvoorbeeld door te streven naar een zo groot mogelijke visumvrije ruimte.
Natuurlijk zijn we niet naïef: dit is niet voor morgen. En ook op een ander punt zijn we niet naïef: soms beroepen mensen zich op grondrechten om ze vervolgens te misbruiken voor een oneigenlijk voordeel. Een voorbeeld: bij schijnhuwelijken beroept men zich op het recht op gezinsvorming of gezinsleven, met louter de eigen migratie als oogmerk. De strijd tegen dergelijke misbruiken is helemaal op zijn plaats, maar mag niet als verborgen agenda hebben om te strijden tegen migratie op zich. Een beleidsmaker mailde ons onlangs nog dat ‘elk stukje gezinshereniging een stapje terug is inzake integratie’. Wanneer zo’n standpunt de strijd tegen schijnhuwelijken mee gaat aansturen, dan sluit men mensen uit van het recht op huwelijk louter omdat ze een relatie aangaan met een persoon van de ‘verkeerde’ afkomst.
Een migratievisie moet van wat gezond verstand getuigen. Migratie is van alle tijden en is een geheel natuurlijk fenomeen. Zoals kinderen krijgen dat ook is. Merkwaardig hoe sommigen migratie afwijzen omdat dit telkens opnieuw een investering vergt qua integratie. Vergt elk nieuw geboren kind dan geen nieuwe investering in onderwijs? Kinderen, migratie en vergrijzing zijn maatschappelijke fenomenen waar het niet de vraag is of men ‘voor’ of ‘tegen’ is, maar waar de vraag is hoe men er verstandig en toekomstgericht mee omgaat.

Een rights-based approach

Ons lijkt het dat élk beleid, en bij uitstek een migratiebeleid, de mens en dus de grondrechten centraal moet stellen. We zeggen dat zonder naïviteit, en evenzeer zonder cynisme. Deze grondrechten liggen vast in mensenrechtenverdragen, die de overheden tot op vandaag marges bieden om beperkingen in te voeren. Vandaar dat in een democratie het parlement toezicht houdt op de wijze waarop de overheid deze rechten beperkt, wanneer zij bijvoorbeeld mensen zonder papieren vasthoudt in detentiecentra; wanneer zij het recht op gezinsleven beperkt door de volgmigratie aan voorwaarden te onderwerpen; wanneer zij de asielprocedure te formalistisch zou benaderen; wanneer zij het vrij verkeer van personen binnen de EU beperkt voor werknemers uit nieuwe lidstaten; enz. Het beperken van de grondrechten kan slechts mits duidelijke en legitieme doelstellingen, op basis van een goede kennis van de gehele context, mits een monitoring gebaseerd op goed cijfermateriaal en mits een strikte evaluatie.
Wij willen in dit onderdeel heel bewust wat langer stilstaan bij de economische en sociale rechten. Op dit vlak heeft de Europese Unie met de eenheidsmarkt een krachtig paradigma geboden: het vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal én personen. Individuen die zich op basis van die vrijheden in ons land willen vestigen, moeten aantonen dat ze EU-burger zijn en bewijzen dat ze naar ons land komen om werk te zoeken, om te werken als werknemer, om te werken als zelfstandige, of om niet te werken (maar dan geldt de voorwaarde dat zij over voldoende bestaansmiddelen moeten beschikken en niet ten laste vallen van de Belgische sociale zekerheid en sociale bijstand). Die voorwaarden gelden slechts tijdens een ‘stageperiode’. Eens er een definitief verblijfsrecht is, kan de EU-burger niet meer uitgesloten worden van de Belgische sociale bijstand en wordt hij/zij volop lid van onze samenleving.
Bij de uitbreiding van de Europese Unie heeft België erg defensief gereageerd en vastgehouden aan stringente overgangsmaatregelen voor werknemers uit Oost-Europa, waarvan de tweede van drie fasen afloopt op 30 april 2009, en met een regeling voor knelpuntberoepen als voornaamste opening. De volledige toegang tot onze arbeidsmarkt van werknemers uit deze nieuwe lidstaten zou betekenen dat wij hen als volwaardige medeburgers erkennen. Het zou de ruggengraat vormen van een goede samenwerking tussen de oude en de nieuwe lidstaten, ook in de strijd tegen wanpraktijken en uitbuiting.
Die ruggengraat is tot op vandaag niet gerealiseerd, en werknemers zijn nog altijd bijzonder kwetsbaar. Politiek gezien wilde men de beperkingen niet opheffen voordat alle beschermende maatregelen klaar waren, maar daarmee zijn de bestaande misbruiken niet verdwenen. De harde concurrentie tussen dienstverleners, uitzendkantoren, aannemers en zelfstandigen gebeurt op de kap van werknemers van de Unie die al lang toegang hadden kunnen krijgen tot de reguliere arbeidsmarkt. Men onderschat hoe de neerwaartse druk op de arbeidsvoorwaarden al aanzienlijk afneemt van zodra werknemers zélf actor worden van hun migratietraject. Tal van vakbondsinitiatieven illustreren dit. Door de overgangsperiode heeft de Europese handel in diensten jarenlang vrij spel gehad om schijnconstructies op te zetten, en deze zullen ook na de vrijmaking van het personenverkeer nog jarenlang verder blijven bestaan.

In de schaduw van de uitbreiding van de EU voltrekt zich vandaag een andere maatregel die veel innovatiever is en waar we uitkijken naar de resultaten op langere termijn. Niet-Europese vreemdelingen, die in één lidstaat een verblijfstitel verwerven als langdurig ingezetene, genieten voortaan ook het recht om zich in een andere lidstaat te vestigen met het oog op werk. Zopas bereikte de Belgische adviesraad voor tewerkstelling van buitenlandse werknemers hierover een consensus. Langdurig ingezetenen zouden in een eerste fase toegelaten worden tot knelpuntberoepen met een arbeidskaart B, waarop zij na één jaar een arbeidskaart zouden kunnen krijgen zonder arbeidsmarktonderzoek. Op korte termijn, eens de overgangsmaatregelen voor burgers van de tien nieuwe Lidstaten zijn opgeheven, hopen we dus dat dit recht geldt voor niet-Europese vreemdelingen die hier duurzaam verblijven en werknemer zijn. Het Centrum pleitte er van meet af aan voor dat België deze werknemers zou toelaten zonder een voorafgaand arbeidsmarktonderzoek. Pas na de volledige invoering van deze maatregelen (vrij verkeer van burgers van de nieuwe lidstaten; toelating voor langdurig ingezeten derdelanders; én een regularisatie om economische redenen) kan men zich een volledig beeld vormen van wat er nog rest aan arbeidsmarktbehoeften. Zeker ten gevolge van de eerste twee van deze drie maatregelen is het niet uitgesloten dat ook hooggeschoolden hiermee de weg naar onze arbeidsmarkt vinden, wat toch de bedoeling lijkt te zijn.

Voor de rechten van niet-Europese onderdanen op het vlak van werk en sociale zekerheid kan ons inziens de VN-Conventie ter bescherming van migrerende werknemers en hun gezinsleden als richtsnoer dienen. Deze Conventie voorziet onder meer dat niet-EU-werknemers maximaal twee jaar kunnen worden verplicht om binnen dezelfde sector te blijven werken. Voor een kortere tewerkstelling in ons land, tot maximaal twee jaar, moet men ernstig overwegen om hen bij een definitief vertrek een fatsoenlijk bedrag mee te geven. Zij hebben bijgedragen aan onze welvaart, economie en fiscaliteit. Tegelijkertijd hebben zij - en hun werkgevers - verzekeringsbijdragen betaald binnen de sociale zekerheid voor risico’s waarvoor zij na hun vertrek uit België geen bescherming meer kunnen genieten op grond van onze sociale zekerheid. Het lijkt ons dus het onderzoeken waard of personen die hier kortstondig werken bij hun vertrek geen premie kunnen ontvangen waarmee zij zich opnieuw in hun land van herkomst kunnen installeren en de risico’s die zij daar gaan lopen - soms net wegens hun tijdelijk vertrek - beter te lijf kunnen gaan. Deze maatregel kan concreet bestaan in de aanleg van een fonds waaruit zij bij terugkeer kunnen putten.
Voor wie hier langer dan twee jaar werkt en daardoor toegang krijgt tot de volledige arbeidsmarkt, kunnen we denken aan specifieke regels, zoals de invoering van de verblijfsstatus voor langdurig ingezetenen. Niet-Europese werknemers die voor onbepaalde duur gemachtigd zijn tot verblijf in ons land en hier een relevant aantal jaren hebben gewerkt, hebben misschien allen recht op dezelfde garanties op vlak van sociale bescherming en -zekerheid.
Een rechtenbenadering houdt in dat een toekomstige economische migratie ook de sociale rechten van de migranten beschermt. Dit was het geval in de jaren 1960, toen België bilaterale conventies afsloot met de toenmalige ‘gastarbeiderlanden’, die ook akkoorden inhielden over de sociale zekerheid. Het belang van die conventies geldt tot de dag van vandaag, de waarde ervan kan nauwelijks overschat worden. Een aantal bepalingen daaruit kunnen als basis gelden voor de niet-EU-arbeidsmigranten van de toekomst.

Een evidence-based approach

Elke maatregel in het migratiebeleid zou moeten vertrekken van een zeer goede kennis van de huidige situatie, van zo precies mogelijke cijfergegevens over het fenomeen dat men wil bevorderen, in stand houden of juist wil tegengaan. Elke maatregel die een impact kan hebben op migratie zou voorafgaand een ‘migratie-impact-analyse’ moeten ondergaan. Net zoals de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen, is een beleid dat alleen maar gebaseerd is op goede intenties een non-beleid. Beleid moet objectieven formuleren, dus zeggen wat het nastreeft, ook cijfermatig, en moet dan meten of wat men wilde bereiken ook effectief gerealiseerd werd. Goed beleid moet ook incalculeren dat er mogelijks ‘ontwijkings-mechanismen’ kunnen ontstaan na invoering van een maatregel, en evalueren of we per slot van rekening niet beter af waren zonder die maatregel.

Vandaag is er een schrijnend gebrek aan cijfers, maar blijkbaar belet dat niemand om met steeds maar nieuwe beleidsmaatregelen te komen aandragen, soms nog voordat het effect van een voorgaande maatregel zelfs maar meetbaar is. Een voorbeeld: het is al een tijdje bon ton om te stellen dat gezinsvorming- en hereniging met derdelanders moet worden beperkt. Het Centrum vroeg naar cijfers over gezinsmigratie, en om bijvoorbeeld een eenvoudig tabelletje van 9 vakjes in te vullen (met op de ene as het statuut van de persoon die in België zal worden vervoegd - Belg, EU-er, derdelander; en op de andere as de positie van wie naar België komt ten aanzien van de persoon die vervoegd wordt - ouder, partner, kind). Blijkt dat niemand dit kan. De volgende vraag is natuurlijk welke van deze 9 vormen van gezinsmigratie men precies wil beperken, en waarom. Daarna komt onontkoombaar de vraag met hoeveel % men deze of die soort gezinsmigratie wil beperken, en waarom dan eigenlijk precies met dat percentage. Om dan te eindigen met de vraag of deze maatregel - met misschien maar een heel beperkt effect op de totale migratiecijfers - dan wel zo nodig is, terwijl die toch een ernstige beknotting kan betekenen van één van de grondrechten van elke mens: het recht op een gezinsleven.
Neen, in de praktijk zagen we de invoering van een leeftijdsvoorwaarde (21 jaar) voor huwelijken van derdelanders met derdelanders, zonder ook maar één instrument van evaluatie. Deze leeftijdsvoorwaarde belet niemand om hier of elders in het huwelijk te treden vanaf de leeftijd van 18 jaar, alleen mogen zij niet met hun partner in België wonen. Het lijkt ons geen overbodige vraag dat de overheid nagaat of de betrokkenen nu hun huwelijk al dan niet uitstellen, en zoniet wat zij dan doen vermits ze niet het recht hebben om hier samen te wonen. Op de koop toe geldt deze leeftijdsvoorwaarde niet voor onderdanen van onder meer Marokko en Turkije, wegens de reeds hoger vernoemde bilaterale akkoorden uit de jaren 1960. Wat dus de reële impact is van deze leeftijdsvoorwaarde, kan niemand ons zeggen.

Een ander voorbeeld is de nationaliteitswetgeving. Het is een aanvaard principe - ook door het Centrum - dat deze wetgeving ‘migratieneutraal’ zou moeten zijn, en dus geen bijkomende migratie mag veroorzaken. Tot op vandaag laat de wet toe (artikel 40 van de verblijfswet) dat meerderjarige kinderen van Belgen (en Europeanen), maar die zélf géén Belg zijn, zich in ons land mogen vestigen op voorwaarde dat de ouder(s) aantonen over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen te beschikken en hun meerderjarige kinderen ten laste hebben. Men wil nu in het Wetboek van Belgische Nationaliteit het artikel afschaffen waarmee diezelfde niet-Belgische kinderen in het buitenland de Belgische nationaliteit kunnen aanvragen. Het paradoxale is dat dergelijke afschaffing net tot het omgekeerde zou kunnen leiden, namelijk méér migratie naar België. Hoe dat kan? Vandaag hebben deze kinderen géén garanties om op een vlotte manier, en telkens wanneer gewenst of nodig, een visum voor kort verblijf te krijgen om hun normale familierelaties te onderhouden met hun Belgische ouders. Als zij Belg worden, kunnen zij natuurlijk op gelijk welk ogenblik vrijelijk naar België komen én terug het land verlaten, zonder de zorg dat zij misschien niet meer toegelaten zouden worden. Met de afschaffing van het bewuste artikel worden zij - om hun recht veilig te stellen in België te verblijven - gedwongen om effectief in België te komen wonen, tijdens de periode dat hun ouders nog beroepsactief zijn, terwijl de huidige wetgeving hen bewegingsvrijheid biedt maar hen geenszins dwingt om zich in België te vestigen. De huidige nationaliteitswetgeving lijkt dus migratieneutraler te zijn dan wat men voor ogen heeft, wat mee een gevolg is van de vreemdelingenwetgeving die deze kinderen geen garanties biedt voor een visum voor kort verblijf.

Ten slotte: waar het Centrum van droomt is dat België - net als Canada - ‘bezeten’ wordt om te weten wat er van zijn migranten terecht komt. Een longitudinale opvolging van migratietrajecten dus, waarbij zelfs tot 25 jaar na aankomst wordt gepeild naar de economische en sociale ontwikkeling van elke migrant. Niet om de migrant te achtervolgen, wél om als land van aankomst precies in te schatten wat het effect van het ontwikkelde migratie- én integratiebeleid is. Om tijdig te ontdekken waar een extra duwtje nodig is om de migrant aan te zetten zichzelf volop te ontplooien, in zijn/haar eigen belang én vanuit het welbegrepen eigenbelang van de samenleving als geheel. Met projecten als Before & After (te vinden op www.diversiteit.be) en het lopende project ROUTE wil het Centrum de fundamenten leggen voor dergelijke ‘bezetenheid’.

Een tools-based approach

Een migratiebeleid met de beste visie, met groot respect voor de grondrechten en met duidelijke cijfers, staat nergens als er geen goede uitvoeringsinstrumenten voorhanden zijn.
Nederland ontwikkelde een beleidsnotitie ‘Naar een modern migratiebeleid’ en op basis daarvan een blauwdrukdocument. Dit document formuleert doelstellingen, en werkt die uit in herkenbare beleidskolommen. Het beschrijft kenmerken van verblijfsvergunningen, en het ontwikkelt voorstellen om procedures te vereenvoudigen. Het exploreert innovatieve elementen, en het zet aan tot nadenken over toezicht en handhaving.
Een goede praktijk uit ons land is het DIMONA-systeem, dat in relatie staat met de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid. Daarin moet elke in- en uitdiensttreding van werknemers verklaard worden, ongeacht of ze aan ons of aan een ander socialezekerheidsstelsel onderworpen zijn. Dit systeem, in combinatie met het meldingssysteem Limosa voor de vreemdeling die beroepsactief wil zijn, zou een performant systeem moeten opleveren.
Informatie moet toegankelijk zijn. Als voorbeeld kan het CNAI in Lissabon gelden, een one-stop-shop voor alle met migratie gelieerde vragen en voorzieningen. Dergelijk instrument zou in de Brusselse context niet misstaan, waar er een grote migratiedynamiek is, waar de maatschappelijke voorzieningen overbevraagd zijn, waar er 19 autonome gemeenten actief zijn en de klassieke - maar daarom niet minder dramatische - bottleneck van woonstcontroles gekend is. Ook in Lissabon was het vertrekpunt de overbevraging en de nood aan centralisering op één punt van alle diensten en informatie van alle migratiegerelateerde kwesties. De Portugese vreemdelingendiensten hebben er ook een bureau en er zijn met hen stevige afspraken gemaakt dat personen in onwettig of precair verblijf die informatie inwinnen over terugkeer of regularisatie niet onderworpen worden aan identiteitscontroles in dat dienstencentrum.

Zijn regularisatieoperaties een goed instrument? Van deze operaties wordt over het algemeen gezegd dat ze een aanzuigeffect hebben. Het is effectief aangetoond dat er speculatieve migraties gebeuren in functie van op til zijnde regularisatiecampagnes. Maar wetenschappelijk onderzoek heeft op afdoende wijze aangetoond dat irreguliere arbeidsmarkten illegale arbeidskrachten aantrekken, en dat een regularisatie als gevolg heeft dat de plaatsen gedeeltelijk worden heringenomen door nieuwe illegale arbeidskrachten. Dit effect van regularisatie is overigens sterker en duurzamer dan dat van de speculatieve regularisatiebewegingen. Daarom is de handhaving van het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht van primordiaal belang voor elk land dat een geloofwaardig beleid wil voeren op vlak van arbeid, migratie en sociale rechtvaardigheid. Het Centrum kreeg inzage in recent onderzoek naar een grote groep personen in onwettig verblijf van éénzelfde nationaliteit: een meerderheid van hen bleek illegaal te werken, een grote groep hiervan werkte meer dan veertig uur per week, zonder arbeidsovereenkomst.
Het volstaat dus niet om te roepen dat voortaan alleen de voordeur nog zal openstaan en de achterdeur onherroepelijk dichtgaat, zolang de garagepoort wijd blijft openstaan voor illegale, irreguliere en semi-legale arbeid en arbeidsmigratie. Dat maakt elk redelijk debat over een voldragen economisch migratiebeleid onmogelijk. Meer controles dus. Maar ook een meer gediversifieerde aanpak. Er moeten betere garanties komen voor illegale arbeidskrachten: zij moeten hun loon en hun bezittingen kunnen recupereren én men moet nagaan of ze geen slachtoffer zijn van mensenhandel vooraleer ze worden uitgewezen. Ook regularisaties voor specifieke arbeidsrelaties moeten mogelijk zijn. Maar illegale tewerkstelling moet veel systematischer en doortastender worden aangepakt dan tot op vandaag het geval is. Arbeidsregels en socialezekerheidsregels kunnen slechts gehandhaafd worden als de regelgeving op een duidelijke leest geschoeid is en als er een performant handhavingsapparaat is dat kan optreden tegen alle vormen van misbruik van en door vreemde werknemers.

Conclusie

Het Centrum pleit voor een ruim politiek én publiek debat om, stap voor stap, te komen tot wat we een ‘duurzaam’ migratiebeleid zouden durven noemen. Een migratiebeleid dat rekening houdt met de legitieme belangen van alle actoren (de landen van herkomst, het land van aankomst en de migranten zélf). Een beleid ook dat rekening houdt met de legitieme belangen van de huidige én van de toekomstige generaties, en op geen enkele wijze roofbouw pleegt. Dat de uitbouw van een dergelijk beleid niet in een splendid isolation kan gebeuren, spreekt voor zich. Dus is er nood aan bijzonder goed overleg tussen de federale overheid en die van gewesten en gemeenschappen, met oog voor wat er lokaal én op EU-vlak gebeurt.

Maar wat dan concreet, zo voor meteen, vraagt u? We pleiten voor de toegang tot het vrije personenverkeer voor alle burgers van de Unie vanaf ten laatste 1 mei 2009. We pleiten voor de toegang van langdurig EU-ingezeten derdelanders tot ons land, die komen met het oog op een zelfstandige beroepsactiviteit of op werk in loondienst, op voorwaarde dat ze een arbeidsovereenkomst kunnen voorleggen, en zonder voorafgaand arbeidsmarktonderzoek. We pleiten voor de ratificatie van de VN-conventie ter bescherming van migrerende werknemers en hun gezinnen om de arbeidsmarkt- en socialezekerheidspositie van niet-Europese onderdanen veilig te stellen als zij op ons grondgebied verblijven of wensen te verblijven, en om hen eenzelfde bescherming te bieden als onder de bilaterale akkoorden uit de jaren 1950 en 1960.

Jozef De Witte
Directeur Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding
Koen Dewulf
Stafmedewerker bij het departement Migraties van het Centrum

migratie - asiel - regularisatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 15, 2008, nr. 10 (december), pagina 5 tot 12