Abonneer Log in

Welke migratie voor welke integratie?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 1 (januari), pagina 20 tot 28

Het probleem van de huidige migratie tekent zich in alle scherpte af op verschillende domeinen: de quasi ongelimiteerde instroom via huwelijksmigratie/gezinshereniging en arbeidsmigratie, de opvangcrisis bij de asielzoekers, het cyclisch regularisatiebeleid en het gebrek aan een uitstroombeleid. Daartegenover staan de uitdagingen voor het integratiebeleid en de draagkracht van de overheden op dit vlak. Het eerste gaat vooral over de kwantitatieve toename van nieuwkomers, het tweede over de kwaliteit van het leven van deze nieuwkomers en van het samenleven in een stad.

DE INSTROOM

In 2007 dienden zich 109.000 buitenlandse nieuwkomers in België aan. Hiermee werden de vorige recordcijfers, die dateren van 1948 en 1964, ruim overtroffen. Zoals het zich thans aandient, zal dat cijfer ook in 2009 en 2010 worden overtroffen.

Nieuwkomers in de stad Antwerpen

Tussen januari en september van 2010 noteerde de stad Antwerpen 10.606 nieuwe inschrijvingen in het vreemdelingenregister. Sinds september registreert de stad in het ‘centraal loket vreemdelingen’ 70 aanvragen voor inschrijving per dag. Het gaat om vreemdelingen die zich voor de eerste keer in België inschrijven. Op jaarbasis betekent dit een toename van circa 17.000 à 18.000 nieuwkomers. De vastgestelde instroom gaat over heel verschillende situaties: zakenlui die hier tijdelijk komen werken en wonen, vreemde studenten, EU-burgers die hier werk komen zoeken, illegalen die (medisch) geregulariseerd werden, partners en familieleden die zich hier vestigen op basis van gezinshereniging, enzovoort.

Asielzoekers en de opvangcrisis

Sinds de in 1974 afgekondigde immigratiestop proberen mensen via tal van andere kanalen West-Europa binnen te komen. Via een asielaanvraag bijvoorbeeld. België heeft vier keer meer asielaanvragen dan het Europees gemiddelde en beduidend meer dan de ons omringende landen die een vergelijkbaar welvaartspeil en niveau van sociale bescherming hebben. Schattingen geven aan dat 80% van de asielaanvragen is ingegeven door economische motieven.

Bij de asielaanvragen van de laatste jaren vallen twee zaken op: enerzijds een groeiend aantal aanvragen uit Europese Balkanlanden en anderzijds een toenemend aantal meervoudige aanvragen.
Als men de aanvragen van 2009 en 2010 bekijkt dan prijken binnen de top 10 verschillende Europese landen uit de Balkan. Landen ook die door de afschaffing van de visumplicht vlotter toegang kregen tot de EU (Kosovo, Servië, Macedonië). Recent werd ook de visumplicht voor Albanië en Bosnië-Herzegovina opgeheven en mag een nieuwe stroom van asielzoekers uit die landen worden verwacht.
Ook de indiening van meervoudige asielaanvragen is in België de laatste jaren sterk toegenomen (van 2.187 in 2006 tot 4.261 in 2009). Pas recent werd een daling vastgesteld. Deze meervoudige aanvragen lijken veelal gericht op de verlenging van de verblijfsduur tot een regularisatie mogelijk is. Die wensdroom is niet enkel ingegeven door de twee collectieve regularisaties die België in tien jaar heeft doorgevoerd, maar ook door het ontbreken van een uitwijsbeleid. Wie een bevel krijgt om het grondgebied te verlaten, geeft daar zelden vrijwillig gehoor aan en duikt onder in de illegaliteit.

Op basis van het vroegere asielbeleid, gebaseerd op spreidingsplannen en materiële opvang, kreeg de stad Antwerpen geen asielzoekers rechtstreeks toegewezen. Dit kon niet verhinderen dat aan andere gemeenten toegewezen en (financieel) ondersteunde asielzoekers zich toch in Antwerpen vestigden. Steden zijn immers aantrekkelijk voor nieuwkomers. Je vindt er land-, familie- en geloofsgenoten, er zijn tal van medische voorzieningen, er zijn sociale en culturele organisaties, er is (zwart)werk en er is anonimiteit.
Vandaag bestaan de spreidingsplannen niet meer en slaagt Fedasil er niet in voor alle asielzoekers materiële opvang te voorzien. Het resultaat is dat asielzoekers in de steden rondhangen, vooral in Brussel maar hoe langer hoe meer ook in Luik, Charleroi, Gent en Antwerpen. Die steden moeten de asielzoekers bovendien financieel ondersteunen, huisvesting voorzien en een huurwaarborg betalen.

Van medische naar collectieve regularisatie

Medische regularisatie is één van de nieuwe kanalen om aan een verblijfsvergunning te komen. Om een aanvraag te doen volstaat het dat één persoon van een familie een doktersbewijs kan voorleggen. Op basis hiervan ontvangt de aanvrager een voorlopige medische regularisatie die aanleiding geeft tot OCMW-steun en medische verzorging. Een definitieve beslissing komt er pas nadat DVZ een controleonderzoek heeft uitgevoerd. In december 2009 waren er in België 9.291 lopende dossiers voor medische regularisatie. In 2009 alleen werden er nog eens 8.575 nieuwe dossiers ingediend. DVZ behandelde hiervan 4.604 aanvragen, amper de helft dus, wegens een tekort aan controleartsen. Van de uitgevoerde controleonderzoeken resulteerde de helft in een positieve beslissing. Meer en meer aanvragen, zo’n 40%, gebeuren op basis van psychische problemen die veel moeilijker te controleren zijn.

In juli 2009 kondigde de federale regering een nieuwe collectieve regularisatie aan die zou lopen van 15 september tot en met 15 december 2009.
De stad Antwerpen nam tijdens die regularisatieperiode in totaal 7.168 regularisatieaanvragen in ontvangst. Op basis van vaststellingen tijdens woonstcontroles, besliste het College van Burgemeester en Schepenen op 16 juli 2010 om, zoals voorzien in de omzendbrief van 21 juni 2007, een advies te geven voor die aanvragen die zich uitsluitend beroepen op het criterium ‘duurzame lokale verankering’.
De eerste controles hadden immers aangetoond dat het merendeel van de aanvragen ingediend was door alleenstaanden (81%), mannen (75%), tussen 18 en 40 jaar (75%). Dit beeld van de regularisatieaanvrager week dus sterk af van ‘de gezinnen met schoolgaande kinderen die reeds lang in een asielprocedure zaten’ waarover de politieke discussie in de aanloop van de campagne steeds was gevoerd. Zo’n 2.055 van die aanvragen beriepen zich uitsluitend op het criterium ‘duurzame lokale verankering’ en kregen van de stad een advies mee: 947 (46,1%) een positief en 1.108 (53,9%) een negatief advies.
De aanvragen werden getoetst op de stavingsdocumenten die de kennis van de Nederlandse taal, werk of werkbereidheid en sociale verankering moesten aantonen. In 418 van de 947 aanvragen met een positief advies vond de stad bovendien geen feitelijke gegevens die een verblijf van 2,5 of 5 jaar aantonen. Deze informatie werd ook meegegeven in de adviezen. Redelijkerwijs kan dus worden aangenomen dat slechts 529 (25,8%) van deze 2.055 aanvragen een positief gevolg zullen krijgen.

Een partner uit het land van herkomst

Het onderzoekscentrum CEMIS (Centrum voor Migratiestudies) van de Antwerpse Universiteit heeft in het kader van een onderzoek rond gezinshereniging van Turkse en Marokkaanse jongeren twee opvallende zaken aangetoond.

Vooreerst is het aantal huwelijken dat wordt afgesloten met een ‘importpartner’ fors toegenomen (van 41% in 1979 tot 65% tussen 2000-2003). Vandaag zoekt nog meer dan 50% van de Marokkaanse en Turkse jongeren een huwelijkspartner in het land van oorsprong. Dit lijkt er op te wijzen dat de strengere migratiewetgeving tot gevolg heeft dat het huwelijk als immigratie-instrument populairder wordt.
Ten tweede en opvallender nog is dat in meer dan de helft van de gevallen de beslissing om een buitenlandse partner te huwen gebaseerd is op een negatieve motivatie. Allochtone meisjes hier vinden dat hun mannelijke leeftijdsgenoten te traditioneel en te laag opgeleid zijn, allochtone jongens vinden meisjes in het Westen te modern en te vrijgevochten.

Een gevolg van deze huwelijksmigratie en gezinshereniging is dat gezinnen steeds opnieuw geconfronteerd worden met de problemen van de eerstegeneratiemigranten. Kinderen worden geboren in gezinnen waar Nederlands niet de voertaal is en dit is nu net een van de grote oorzaken van de achterstand die migrantenkinderen oplopen in het onderwijs. Het bevorderen van relaties en huwelijken tussen Nederlanders van allochtone origine net zoals een beperking van de immigratie, lag trouwens mee aan de basis voor de strengere wetgeving in Nederland.

Arbeidsmigratie uit EU-landen: de grote trek noordwestwaards

Sinds midden 2009 werden de laatste beperkingen voor immigratie binnen de EU opgeheven. Hierdoor ontstond een interne migratiestroom van Oost- en Zuid-Europa, naar Noord- en West-Europa. De instroom vanuit Oosterse EU-landen levert in Antwerpen voorlopig geen al te grote samenlevingsproblemen op. Toch stellen we een toename vast van dakloze, gemarginaliseerde EU-ers, die al langer in West-Europa verblijven, door de crisis hun (witte of zwarte) baan zijn kwijtgeraakt en daardoor in financiële problemen komen.

DE UITSTROOM

Een terugkeer naar het land van herkomst is een logisch gevolg van elke rechtvaardige asielprocedure die niet resulteert in een erkenning als vluchteling. Gegevens van het juridisch centrum van de Brusselse Foyer tonen aan dat het aantal gedwongen en vrijwillige repatriëringen de laatste jaren sterk is gedaald. In 2008 betroffen het er nog geen 7.000. De uitstroom blijft daarmee jaar na jaar verder onder de instroom van asielaanvragen.

INTEGRATIE

Toenemende diversiteit in de steden

De hoge instroom van nieuwkomers leidt tot meer diversiteit in de steden. Antwerpen telt 484.850 inwoners, 15% daarvan heeft een vreemde nationaliteit (in Vlaanderen 6%) en 30,8% van de inwoners is van vreemde origine. Het aantal inwoners met allochtone roots is in 10 jaar tijd gestegen van minder dan één kwart naar bijna één derde. In Antwerpen wonen vandaag meer dan 41.000 EU-burgers, meer dan 100.000 inwoners afkomstig van buiten Europa en meer dan 5.000 erkende vluchtelingen.
In de stad leven meer dan 100.000 kinderen en jongeren (20,8%); één derde daarvan heeft een allochtone herkomst. In Antwerpen leven ook 88.000 overwegend autochtone senioren (18% van de bevolking). Nagenoeg de helft van de huishoudens bestaat uit alleenstaanden of éénoudergezinnen. De allochtone bevolking is gemiddeld jonger en kent een hogere fertiliteit. De diversiteit zal de komende jaren dus verder en versneld toenemen.

Bevolkingsprognoses voor de stad Antwerpen voor 2030 gaan uit van een bevolkingstoename tot tussen 587.000 en 606.000 inwoners (uitgaande van een positief migratiesaldo en gelijkblijvende of toenemende fertiliteit). Volgens dezelfde prognoses komen er de komende 20 jaar tussen de 40.000 en 60.000 kinderen en jongeren bij, neemt de beroepsactieve bevolking weliswaar toe met 50.000 inwoners maar daalt het aandeel van de beroepsactieven in de totale bevolking en komen er tot slot ook 10.000 senioren bij.

De toekomst van de stedelijke bevolking dient zich aan met trends als verjonging of vergroening, verkleuring en vergrijzing. Deze demografische ontwikkelingen op zich plaatsen de stad voor grote uitdagingen. Infrastructureel vooral voor woningbouw, scholenbouw en kinderopvang maar ook voor aangepaste woon- en zorgvoorzieningen voor ouderen. Op sociaal en maatschappelijk vlak zijn de opdrachten enorm inzake harmonieus samenleven met verschillende leeftijden en culturen op een relatief kleine oppervlakte die de stad is.

HOEVEEL INSTROOM EN WAARVOOR

De instroom van tienduizenden nieuwkomers is vooral ingegeven vanuit economische motieven. Een beter leven voor zichzelf en zijn kinderen nastreven is een natuurlijke menselijke reflex. Er wordt bovendien vaak geargumenteerd dat het Westen nieuwe arbeidskrachten nodig heeft om de vergrijzing en de pensioneringsgolf van de babyboomers op te vangen. Dat klopt ook, maar de vraag is of de instroom die we vandaag kennen via gezinshereniging, via asiel, via EU-migratie en via clandestiene migratie spoort met de toekomstige arbeidsbehoeften. De mate waarin nieuwkomers zich in onze steden kunnen ontplooien en een daadwerkelijke bijdrage kunnen leveren aan onze samenleving, zal enerzijds afhangen van hun competenties en de ervaring en deskundigheid die ze meebrengen uit hun thuisland en anderzijds van de mate waarin wij erin slagen om nieuwkomers snel en efficiënt te integreren.

Hoe staat het vandaag met de integratie van nieuwkomers?

Wie maatschappelijk geïntegreerd is, heeft de beste kansen om volwaardig aan de samenleving te participeren. Wie een succesvolle schoolloopbaan kan verzilveren via een diploma heeft de meeste mogelijkheden op de arbeidsmarkt en loopt veel minder risico op werkloosheid en armoede. Wie de Nederlandse taal machtig is, heeft vlotter toegang tot diverse vormen van dienstverlening zoals de burgerlijke stand, een bezoek aan een dokter, ziekenhuis, mutualiteit, bibliotheek,… Wie de Nederlandse taal spreekt, kan vlotter sociale contacten leggen buiten de eigen gemeenschap en deelnemen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten.

Nederlands als tweede taal

Antwerpen ontvangt van de Vlaamse overheid middelen om cursussen inburgering te voorzien voor nieuwkomers en sommige oudkomers (migranten die al langere tijd in België wonen). Op jaarbasis worden ongeveer 4.800 inburgeringstrajecten gefinancierd. Omwille van de wachtlijsten voor Nederlandse taal kan de stad niet voldoen aan de decretale bepalingen om binnen de drie maanden een inburgeringstraject aan te bieden.

Het aantal aanmeldingen voor Nederlandse taal is tussen 2008 en 2010 gestegen met 37%. De stijging in 2009 kan vooral verklaard worden door het groot aantal cursisten dat zich in het kader van een dossier regularisatie kwam inschrijven, maar de toename zette zich in 2010 verder. Waar in september 2009, 709 cursisten niet konden starten met volwassenenonderwijs was dit in september 2010 al opgelopen tot 1.083. Nog schrijnender is het gesteld voor cursisten met een laag opleidingsniveau die aangewezen zijn op basiseducatie (stijging van 2.025 naar 3.481). Door de enorme toename van de cursisten lopen de wachttijden soms op tot verschillende maanden of zelfs een jaar ondanks het feit dat er sterk geïnvesteerd werd in bijkomend aanbod.

Dankzij een recente beslissing van de Vlaamse regering op voorstel van Onderwijsminister Pascal Smet kan het aanbod vanaf volgend jaar worden uitgebreid met 39 leerkrachten en circa 3.000 opleidingen. Hiervoor hebben verschillende centra voor volwassenenonderwijs in de rest van Vlaanderen wel uren moeten inleveren.

_De schoolcarrière _

In 2007 volgden ongeveer 51.000 kinderen basisonderwijs in de stad Antwerpen. Aangenomen wordt dat bij de helft daarvan Nederlands niet de thuistaal is. In de lagere school hadden bijna 3 op 10 leerlingen schoolse vertraging opgelopen (één of meermaals blijven zitten). In 2007 liepen ook 32.500 leerlingen secundair onderwijs in de stad. Hier zou bij ongeveer 1 op 3 Nederlands niet de thuistaal zijn. In het secundair onderwijs heeft meer dan de helft van de leerlingen een schoolse vertraging van 1 tot 2 jaar. Vlaanderen scoort goed qua niet-gekwalificeerde uitstroom uit het secundair onderwijs (nl. onder de door Europa vooropgestelde 10%). Antwerpen doet het veel slechter met circa 16 à 17%. Taalachterstand wordt algemeen aangewezen als de belangrijkste oorzaak voor zowel zittenblijven als schoolverlaten zonder diploma.

_De arbeidsmarkt _

Antwerpen telt momenteel 29.881 niet-werkende werkzoekenden (nwwz). Dit is een lichte daling tegenover de 32.898 van enkele maanden geleden. De werkloosheidsgraad bedraagt met 14,6% meer dan het dubbele van die van Vlaanderen. Van de niet-werkende werkzoekenden is 47% allochtoon, 54% kort geschoold, 32% midden geschoold en 14% hoog geschoold.
De werkloosheidsdruk (verhouding nwwz t.o.v. beroepsactieve bevolking) is voor Belgen ongeveer 10% (9,6), voor EU-onderdanen 12,4% en voor niet-EU-ers 19,2%. Allochtonen worden in verhouding veel meer getroffenen door werkloosheid.

OCMW-steun

In augustus 2010 keerde OCMW Antwerpen financiële steun uit aan 7.674 gezinnen. Zo’n 63% daarvan waren direct gelinkt aan migratie en asiel. In december 2008 was dit nog maar 46%. Ongeveer 60% van de steungerechtigden in 2009 heeft een vreemde nationaliteit.
De sociale dienst van het OCWM evolueerde in de afgelopen jaren meer en meer van een eerstelijnsdienst voor heel de bevolking naar een integratiedienst voor nieuwkomers. Via een doorgedreven activeringsbeleid van taallessen, technische opleidingen en sociale tewerkstelling (1.400 per dag) worden nieuwkomers maximaal ingeschakeld. Met dit activeringsbeleid slaagt het OCMW er trouwens in om in zijn regulier personeelsbestand 15% medewerkers te hebben met een allochtone achtergrond.

Het failliet van de multiculturele samenleving?

Het integratiebeleid van de afgelopen tientallen jaren heeft de bestaande achterstand en achterstelling van allochtonen niet weggewerkt. Armoedecijfers liegen er niet om, ook armoede verkleurt. Wellicht is men er te lang vanuit gegaan dat de integratie wel vanzelf zou gaan en is tolerantie jegens anderen te lang een excuus geweest om geen verwachtingen te stellen of ambities te koesteren. Inmiddels is die mentaliteit een stuk gewijzigd en worden grotere inspanningen geleverd op tal van vlakken zoals verplichte inburgering, taalkennis, extra financiële middelen voor scholen met veel kansarme en allochtonen leerlingen, meer nadruk op activering van werkzoekenden.

Toch moeten we ons de vraag durven stellen of we niet tegen onze limieten opboksen. Limieten op vlak van capaciteit zoals het tekort aan betaalbare woningen, plaatsen in de kinderopvang en in scholen aantonen. Limieten ook op vlak van methodiek om niet-Nederlands sprekende kinderen een diploma te laten halen en te laten doorstromen naar het universitair en hoger onderwijs, om laaggeschoolde allochtone werkzoekenden, ook vrouwen, op te leiden en te bemiddelen naar duurzaam werk, om hooggeschoolde allochtonen carrière te laten maken in het bedrijfsleven en bij de overheid.

Een maatschappelijk draagvlak voor nieuwkomers vraagt integratie en draagkracht van steden en gemeenten

Tegenover de legitieme wensdroom van velen, die een instroom in Europese en vooral Belgische steden op gang brengt, staat het recht van deze steden en bij uitbreiding van hun landen om de draagkracht van lokale besturen en het maatschappelijk draagvlak bij de bevolking nauwlettend in de gaten te houden en te bewaken.
De draagkracht van steden hangt nauw samen met de mate waarin steden erin slagen voor al deze nieuwkomers te voorzien in passende huisvesting, kwaliteitsvolle kinderopvang, hoogstaand onderwijs, integratietrajecten in taal en naar opleiding en werk. Draagkracht gaat dus over de mate waarin nieuwkomers snel kunnen worden geïntegreerd en volwaardig aan de samenleving kunnen participeren. Draagkracht gaat over benodigde capaciteit om dit integratieproces te realiseren. Die capaciteit om jaarlijks 10.000 à 20.000 nieuwkomers in Antwerpen te laten integreren, bestaat vandaag niet.
Capaciteitstekorten dienen zich vandaag op tal van domeinen aan: op het vlak van betaalbare huisvesting (vooral op de huurmarkt), inzake kinderopvang en vrije schoolkeuze, voor Nederlandse taallessen met oplopende wachttijden, inzake beroepsopleidingen bij de VDAB en inzake werk.

De keuze, hoewel moreel zwaar, is voor de hand liggend. Ofwel laten we de ongecontroleerde instroom aanhouden en slagen we er niet in mensen volwaardig te integreren overeenkomstig onze normen en waarden van een menswaardig bestaan, ofwel zorgen we voor een gestroomlijnd immigratiebeleid dat nieuwkomers echte kansen biedt op een beter leven.
Er is echter nog een bijkomende zeer fundamentele reden voor een gestroomlijnd migratiebeleid.

Solidaire samenlevingen zijn gestoeld op rechtvaardigheid en wederkerigheid

West-Europese democratieën en vooral linkse partijen hebben er steeds naar gestreefd om solidaire samenlevingen uit te bouwen. Een solidaire samenleving is gestoeld op rechtvaardigheid en wederkerigheid. Rechtvaardigheid in de zin dat iedereen bijdraagt naar capaciteit en draagkracht. Wederkerigheid in de zin dat solidariteit wordt opgebracht in de wetenschap dat anderen ook solidair zullen zijn als we zelf oud, ziek, arm of in nood zijn. België kan bogen op een hoog niveau van sociale bescherming. De ongeremde toegang van nieuwkomers, die vrijwel onmiddellijk en zonder enige inbreng van de voordelen van de sociale bescherming genieten, tast zowel het maatschappelijk draagvlak voor nieuwe immigratie als de draagkracht van het systeem zelf aan. Nationaal gefinancierde stelsels, zoals de sociale zekerheid en de sociale bijstand, kunnen geen internationale solidariteit schragen.

Wederkerigheid ook in de zin dat ieder lid van de samenleving rechten en plichten heeft. Mensen moeten kansen krijgen om aan de samenleving deel te nemen en er in te integreren maar hebben ook de verantwoordelijkheid om die kansen te benutten in zijn of haar eigen belang maar ook in dat van de samenleving als geheel. In die optiek betekent wederkerigheid: ‘voor wat, hoort wat’. Omwille van de grote toestroom van nieuwkomers en de hogere nataliteit slagen we er niet langer in om de kansen te bieden die noodzakelijk zijn om te integreren en te participeren en dus slagen we er evenmin in om nieuwkomers op hun plichten en verantwoordelijkheden te wijzen. Dit houdt twee grote gevaren in: enerzijds lopen we het risico om een gemarginaliseerde onderklasse te creëren, anderzijds wordt ook wederkerigheid als fundament van een solidaire samenleving onderuit gehaald.

Economische migratie en asiel zijn twee verschillende zaken. Dat vandaag 80% van de asielzoekers economische migranten blijken te zijn, doet geen recht aan wie terecht een veilige thuishaven zoekt. Voor echte politieke vluchtelingen moet Europa altijd een toevluchtsoord blijven. Asielprocedures moeten daarom kort, streng en rechtvaardig zijn en wie geen vluchteling is en onder valse voorwendselen asiel aanvroeg, moet naar zijn herkomstland terugkeren, vrijwillig of gedwongen.

Er is behoefte aan economische migratie om de vergrijzing in het Westen op te vangen maar die moet zich dan wel richten op geschoolde en gemotiveerde arbeidskrachten. Om hieraan te voldoen zullen quota nodig zijn en zullen we moeten investeren in de laaggeschoolde, langdurige werkzoekenden die hier al zijn, zonder ons de illusie te maken dat we van hen allemaal ingenieurs, leraars of verpleegkundigen kunnen maken. Ons systeem van werk op basis van diploma’s inzonderheid bij de overheid zullen we in vraag moeten durven stellen om te investeren in de ontwikkeling van competenties.

De reglementering inzake gezinshereniging en huwelijksmigratie vandaag is dermate soepel dat het nog te vaak en te gemakkelijk als louter immigratiekanaal gebruikt kan worden, zeker als men op 18 kan huwen en de druk van ouders en familieleden in het buitenland moeilijker kan weerstaan. Strengere regels voor volg- en huwelijksmigratie komen vooral jonge mensen hier en hun toekomstige kinderen ten goede.

Toenemende diversiteit hoeft geen onoplosbaar probleem te zijn, in de mate dat we ervoor zorgen dat iedereen kan deelnemen en bijdragen aan de samenleving. Daarvoor moeten we de mate van immigratie afstemmen op de mogelijkheden van integratie. Maar hiervoor moeten we een stabiele federale regering hebben, immers die is bevoegd voor asiel- en migratiebeleid, terwijl de regio’s en de lokale besturen de instrumenten voor integratie in handen hebben.

Monica De Coninck
Voorzitter OCMW Antwerpen

integratie migratie asielopvang asiel asielcrisis

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 1 (januari), pagina 20 tot 28