Log in

Vóór burgerdeliberatie

boekessay

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 66 tot 73

Vorige maand verscheen het essay Tegen verkiezingen van schrijver en historicus David Van Reybrouck. In dit anti-electorale betoog lezen we ferme kritiek op onze democratische routine. De oorsprong van ons bestuurlijk systeem wordt er goed onderbouwd, het Democratisch Vermoeidheidssyndroom puik neergeschreven. Ons waardevolle politieke stelsel is diep in de problemen geraakt. Het is inderdaad tijd dat we de zoektocht naar nieuwe praktijken van democratie intensifiëren. Voor Van Reybrouck krijgt loting een prominente plek in dat nieuwe systeem. Het leverde hem heel wat schampere reacties op. Toch zouden we de representatieve en deliberatieve componenten in ons politiek systeem beter als meer gelijkwaardig beschouwen.

OORSPRONG

In 2007 verscheen bij de Parijse uitgeverij Les nuits rouges Précis d’anti-électoralisme, een bloemlezing van 120 korte teksten door diverse auteurs over evenveel motieven om niet te gaan stemmen. Het was verfrissende lectuur, deze veelzijdige kritiek van de democratische routine zoals we haar gewoon zijn. In 2011 publiceerde de gereputeerde uitgeverij du Seuil, opnieuw in Parijs, het boek L’oligarchie ça suffit, vive la démocratie van Le Monde-journalist Hervé Kempf. Is Frankrijk een dictatuur?, vroeg hij zich af. Neen, maar evenmin is het een democratie, want zoals in alle westerse landen heerst ook in zijn land een oligarchisch regime dat de democratie onder druk zet en financiële, sociale en ecologische crisissen in de hand werkt. Dit is een politiek stelsel, schreef de auteur, dat door de Oude Grieken is bedacht. Tijd om er komaf mee te maken.

Enkele weken geleden publiceerde David Van Reybrouck het essay Tegen verkiezingen, zijn eigen anti-electoraal betoog. In tegenstelling tot Kempf ziet hij in de oude Atheense democratie echter net een deel van de remedie. Zoveel moge duidelijk zijn: het is een heikele kwestie om pleidooien voor koerswijzigingen in het huidige democratische bestel te onderbouwen met verwijzingen naar een archaïsch tijdperk.

Veiliger is het om dat te doen aan de hand van beschouwingen over bestuursvormen in recentere en maatschappelijk meer nabije culturen. Gelukkig doet de cultuurhistoricus in Van Reybrouck ook dat. Zijn gids daarbij is de Franse politicoloog Bernard Manin, die onderzocht waarom verkiezingen zo centraal gingen staan in onze invulling van wat democratie is. In Principes du gouvernement représentatif (1995) legt Manin uit waarom en hoe op het einde van de 18de eeuw in de Verenigde Staten en Frankrijk werd gekozen voor een electoraal-representatief stelsel van bestuur. In beide landen vond een aristocratisering van de revoluties plaats door een burgerlijke elite die ‘orde op zaken’ wilde stellen. Verkiezingen werden ingevoerd om alsnog de sociale standenverschillen weerspiegeld te zien in de nieuwe bestuursvormen. Inspraak werd verengd tot stemrecht dat verleend werd aan het ‘betere’ deel van de bevolking. Preselectie van kandidaat-verkozenen én kiezers moest ervoor zorgen dat de macht in handen van dit deel bleef.

‘De Franse Revolutie, net zoals de Amerikaanse, verjoeg geen aristocratie om haar te vervangen door een democratie,’ schrijft Van Reybrouck, ‘maar verjoeg een erfelijke aristocratie om haar te vervangen door een verkozen aristocratie.’ Het is nuttig dat Van Reybrouck wijst op die aristocratische oorsprong én blijvende onderbouw van ons bestuurlijk systeem. In de politicologie wordt dit verband vaak gelegd, maar in het publieke debat over onze democratie wordt dat maar zelden gedaan. Daardoor is het concept van de representatieve democratie zoals we die vandaag kennen - zeker in de westerse wereld - bijna een religie geworden, met de verkiezingen als hoogmis.

DEMOCRATISCH VERMOEIDHEIDSSYNDROOM

Van Reybrouck heeft het over een ‘blind geloof in de stembusgang als ultieme sokkel van de volkssoevereiniteit’. Tegelijk stelt hij een groeiend wantrouwen jegens de politici vast en een toenemende afkeer van de politieke praktijk ‘achter de schermen van het electorale spelletje’. Die praktijk wijkt niet alleen sterk af van het gekoesterde ideaalbeeld van de democratie maar blijkt ook weinig efficiënt. De democratie raakt daardoor steeds meer in crisis. Conclusie van Van Reybrouck: ‘Hier ligt de grondoorzaak van het Democratisch Vermoeidheidssyndroom: we zijn allemaal electorale fundamentalisten geworden. Wij minachten de gekozenen, maar aanbidden de verkiezingen.’
Het is moedig van Van Reybrouck om de founding fathers van ons bestel enigszins van hun voetstuk te halen en te durven wijzen op een mogelijke constructiefout in de democratische machine. Door die constructiefout - we slaan een paar stappen over - zitten we inmiddels in de postdemocratie, een term die door de Britse socioloog Colin Crouch is bedacht om de gedwongen passiviteit van de toeschouwer-kiezer in het democratische proces te benadrukken. De werking van de massamedia hebben die passieve rol van de burger nog versterkt. Van Reybrouck heeft het zelfs over apathie die louter bestaat uit het reageren op de signalen die worden voorgeschoteld. Je zou de oppervlakkigheid van veel berichtgeving over de dagelijkse politique politicienne als een pendant hiervan kunnen beschouwen.

Ik sluit me tweemaal bij Van Reybrouck aan. Ja, de adellijke elite werd in de 18de eeuw vervangen door een volksvertegenwoordigende. En ja, het periodieke verkiezen van die nieuwe aristocratie blijkt steeds minder toereikend als instrument om efficiënt en geloofwaardig bestuur te garanderen. In een essay voor het Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement (VTOM, april 2012) weet ik dat laatste onder andere aan een conflict tussen de gedateerde wetmatigheden van de bestuurlijke elite en nieuwe verwachtingen bij delen van de bevolking over wat goed bestuur inhoudt. Net zoals in de 18de eeuw, gebeurt de politieke besluitvorming vandaag nog steeds in kleine kring, binnen hiërarchische organisatievormen en met het oog op particulier belang (herverkozen worden). Die beperkte invulling van de democratie ‘creëert een permanent democratisch conflict tussen de oligarchie en de massa, in die mate zelfs dat beide groepen elkaar finaal gaan wantrouwen’, schreef ik toen. ‘Het is een uitgeleefd bestuursmodel, ongeschikt voor de vernetwerkte samenleving waarin open planningsprocessen en collectieve expertise primeren.’

Van Reybrouck wijst op hetzelfde probleem: ‘Hun (=politieke partijen) klassiek, patriarchaal model van belangenbehartiging werkt niet langer in een tijd dat de burger mondiger is dan ooit tevoren. De representatieve democratie is in essentie een verticaal model, maar de eenentwintigste eeuw wordt steeds horizontaler.’

Aan de hand van de Oosterweel-casus bracht ik vervolgens in het boek Stilstand (maart 2013) het concrete onvermogen van een generatie politici om zich aan de huidige eeuw aan te passen in kaart. In deze eeuw van medezeggenschap, gedeelde kennis, transparantie en horizontale besluitvorming blijft de Vlaamse regering dit zo cruciale mobiliteitsdossier in eerste instantie bekijken door de bril van de partijpolitieke en dus electorale logica. De betrokken bestuurders en veel journalisten focussen in de aanloop naar verkiezingen telkens weer op het politiseren van het dossier, waarbij posities en stellingnamen worden gehanteerd als breekijzer, strategische pasmunt of chantagemiddel tussen partijen. Deze reductie van het dossier tot een instrument in het electorale strijdperk gaat ten koste van de brede debatvoering over mobiliteit, stadsontwikkeling en gezondheid.

‘Doordat we de democratie gereduceerd hebben tot representatieve democratie en de representatieve democratie tot verkiezingen, is een waardevol stelsel diep in de problemen geraakt,’ schrijft Van Reybrouck. Uit de Oosterweel-casus blijkt alvast dat de voor politici centrale vraag welke partij beter of slechter wordt van welke beslissing een al te primitieve vraag is. Ze helpt ons simpelweg niet vooruit, en dat in een mobiliteitsdossier.

LOTING

Het is inderdaad hoog tijd dat we de zoektocht naar nieuwe praktijken van democratie intensifiëren. Van Reybrouck doet dit op een meer genuanceerde manier dan zijn provocerende titel laat vermoeden. Hij schreef geen pamflet, wel een informatief essay dat nogal wat clichés doorprikt.

Hij schetst hoe na de Amerikaanse en Franse Revolutie van 1776 en 1789 de opstandige burgerij opteerde voor de formele procedure van verkiezingen, ‘een procedure die tot dan toe vooral voor het aanwijzen van nieuwe pausen was gebruikt.’ Die keuze lag minder voor de hand dan we vandaag denken. Ze was in zekere zin zelfs een restauratie van het oude regime, noteerde de democratische Verlichtingsfilosoof par excellence Montesquieu in De l’esprit des lois (1748): ‘Kiezen door loting hoort bij de aard van de democratie, gericht kiezen hoort bij de aard van de aristocratie.’ Ook Rousseau dacht er zo over.

‘Nauwelijks één generatie na de verschijning van De l’esprit des lois en Du contrat social lijkt de aanstelling van bestuurders door het lot plotseling spoorloos verdwenen,’ stelt Bernard Manin in zijn studie vast. Dat kwam omdat de grondleggers van de representatieve democratie een onderscheid maakten tussen bekwame bestuurders en het onbekwame volk. Met bekwaam werd ook bedoeld: in staat tot het verdedigen van de economische privileges van een beperkte elite. In een electoraal-representatief stelsel met specifieke rekruteringsregels kon de aanstelling van machthebbers nog min of meer gestuurd worden. Het loten van bestuurders uit het geheel van de bevolking was met het oog daarop te riskant.

Zowel in de Verenigde Staten als in Frankrijk was de tendens duidelijk, schrijft Van Reybrouck: ‘De republiek die de revolutionaire leiders in gedachten hadden en zouden vormgeven, moest eerder aristocratisch worden dan democratisch.’ Het concept ‘democratie’ associeerden deze grondleggers met chaos en de tirannie van de armen. Ze meden aanvankelijk zelfs de term, documenteerde politicoloog Francis Dupuis-Déri in zijn Démocratie, Histoire politique d’un mot (2013). Pas in de loop van de 19de eeuw recupereerde de politieke elite beetje bij beetje het begrip, ‘en lui attribuant un sens nouveau’, namelijk dat van een electoraal regime dat beweert de macht uit te oefenen in naam van het soevereine volk.

Van Reybrouck lanceert vervolgens deze interessante vraag: ‘Stel dat er vandaag een procedure zou moeten worden ontworpen om de volkswil te leren kennen, zou het beste idee dan werkelijk zijn om mensen eens in de vier of vijf jaar met een kartonnetje in de hand te laten aanschuiven bij een stemlokaal, waar ze in het schemerduister van een stemhokje een bolletje mogen kleuren, niet naast een idee, maar naast namen op een lijst, waarover maandenlang rusteloos is bericht in een commerciële omgeving die baat heeft bij rusteloosheid?’ Voortbordurend op zijn historische analyse en steunend op positieve ervaringen in de praktijk opteert Van Reybrouck voor een ander regime, waarin loting opnieuw een plek krijgt en collectieve beraadslaging - lees: deliberatie - als methode centraal staat.

Hij is ook hierbij genuanceerd: ‘Het gebruik van het lot is geen wondermiddel, geen perfect recept, net zomin als verkiezingen dat ooit waren, maar het kan wel een aantal euvels van het huidige systeem verhelpen.’ Hij bepleit geen klakkeloze transpositie van het Atheense of Firenzische model, want dat zou vandaag niet kunnen werken. Hij wijst erop dat zelfs in deze stedelijke republieken loting nooit op zichzelf stond, maar verliep in combinatie met verkiezingen.

DELIBERATIEVE DEMOCRATIE

De grondslag voor deliberatie als drager van een moderne democratie werd gelegd in de jaren 1980. In 1980 publiceerde politicologe Jane Mansbridge Beyond Adversary Democracy, waarin ze twee democratietradities tegenover elkaar plaatste: een vijandige (adversary) van elkaar bestrijdende partijen en een respectvolle (unitary) van overleg tussen burgers. In 1984 volgde Strong Democracy van politicoloog Benjamin Barber, waarin hij dat vijandige, conflictueuze karakter van de representatieve democratie als een kenmerk van zwak bestuur beschouwde. Nog eens vier jaar later stelde politicoloog James Fishkin in een artikel in The Atlantic Monthly voor om de ‘sterkte’ van dat overleg tussen burgers in de praktijk uit te testen. Waarom geen 1500 burgers uit heel Amerika voor twee weken bijeenbrengen om de presidentskandidaten uit te horen en te overleggen over de kwaliteit van hun plannen? De term ‘deliberatieve democratie’ was geboren, schrijft Van Reybrouck, ‘een democratie waarbij burgers niet alleen stemmen op politici, maar ook spreken met elkaar en met experts’. Sindsdien organiseerde Fishkin tientallen deliberatieve peilingen over de hele wereld. Zijn werk bracht volgens Van Reybrouck een ‘deliberative turn’ teweeg in de politieke wetenschappen. ‘De electoraal-representatieve democratie werd verrijkt met een vorm van aleatorisch-representatieve democratie.’

Zelf ben ik erg onder de indruk van Deliberative Democracy and Beyond van de Australische politicoloog John Dryzek (2000, herdruk 2009), het voorlopige standaardwerk over die ‘deliberative turn’ in de politieke theorie. Zijn hoofdlijn is simpel: een collectieve beslissing verkrijgt slechts legitimiteit tijdens authentieke deliberatie onder degenen die erdoor getroffen worden. Daarin schuilt de essentie van de democratie. Het boek is verplichte lectuur voor wie obligate weerstand tegen processen van deliberatieve democratie weerlegd wil zien.

SCHAMPERE REACTIES

De weerstand leeft vooral bij politici en journalisten, die objectieve bondgenoten én onderling gegijzelden blijken te zijn, stelt Van Reybrouck vast: ‘In plaats van ootmoedig de gewijzigde machtsverhoudingen te erkennen en op zoek te gaan naar nieuwe vormen van zinvol bestuur, moet de politicus het electoraal-mediatieke spel blijven spelen, vaak tegen zijn wil én die van de burger, die het allemaal een beetje vermoeiend begint te vinden.’

‘Het is vreemd dat de politieke wereld vrijwel apathisch reageert op het geringe vertrouwen dat ze geniet, en niet haastig en intensief werk maakt van het heruitvinden van de democratie,’ schreef ik in Stilstand. Tegelijk is die politieke weerzin tegen democratische nieuwlichterij niet vreemd, want - zo leert de analyse van Bernard Manin - elites zijn nu eenmaal niet geneigd hun verworvenheden op het spel te zetten, ook niet in naam van de democratie.

Eenzelfde logica schuilt wellicht achter de doorgaans schampere benadering van deliberatieve processen in de media. Je zou verwachten dat de pers, als poortwachter van de publieke opinie en als belangrijke observator van een democratie in crisis, de positieve praktijkvoorbeelden van burgerpanels her en der genegen zou zijn. Maar het tegendeel blijkt veelal waar. Volgens Van Reybrouck is het niet uitgesloten dat net dat voorrecht van poortwachterschap de pers parten speelt. Ook hier kan sprake zijn van een reflex die het behoud van een verworven positie beoogt. Deliberatieprocessen verlopen alleszins minder polemisch dan het (weliswaar voorspelbare) partijpolitieke debat. Van Reybrouck: ‘Het gaat traag, er zijn geen tenoren, geen bekende koppen, geen grote conflicten.’ Binnen de huidige mediaformat kunnen politieke verslaggevers er maar weinig mee aanvangen, de deliberatieve democratie vereist een ander soort journalistiek.

REPRESENTATIVITEIT?

Politici en journalisten schermen ook vaak met het argument van de representativiteit. Is loting wel democratischer dan het huidige stelsel? Uit empirisch onderzoek zou blijken dat bij loting evengoed een elite (van hoger opgeleiden) aan zet komt. Daartegenover staat de bewering dat bijvoorbeeld bij de gelote samenstelling van assisenjury’s net die hoger opgeleiden ‘slim genoeg’ zijn om zich aan de plicht te onttrekken. Wat is het nu?

De indruk bestaat bovendien dat de hoger vermelde critici van loting en deliberatie deze processen toetsen aan een imaginair ideaalbeeld van het eigen democratische voorkeursscenario. In werkelijkheid hanteren de diverse landen een brede waaier van verkiezingssystemen en bijgevolg bestaan er dus veel soorten electorale democratieën. Meer zelfs: geen enkel land komt op een identieke wijze tot de samenstelling van het ‘representatieve’ parlement. Zijn die parlementen desalniettemin dan toch allemaal even representatief? Overigens kun je verkiezingen ook vertalen als een rauwe strijd tussen belangengroepen, die zich daarna omzet in een numeriek gebaseerd politiek conflict tussen partijen.

Een ideaalbeeld is precies dat: slechts een ideaalbeeld. Het zou het politieke debat over alternatieven voor het huidige democratische bestel vooruithelpen, wanneer politici en pers dit erkennen. ‘De democratie heeft de belofte in zich van een volledige representatie, maar kan dat nooit waarmaken,’ schrijft de Nederlandse socioloog Willem Schinkel in Een nieuwe democratie (2012). De Amerikaanse ex-politicus Terrill Bouricius hanteert deze nuttige benadering bij zijn onderzoek naar deliberatieve democratie en experimenten met loting. Van Reybrouck baseert er zijn blauwdruk voor zo’n democratie op. Er is geen ideaal, zegt Bouricius, ook niet bij loting. Om machtsconcentratie tegen te gaan moet ook dan een systeem van checks and balances worden voorzien. Van Reybrouck hierover: ‘Je kunt veel beter een model ontwerpen dat uit meerdere organen bestaat: zo kunnen de voordelen van diverse opties elkaar versterken en de nadelen elkaar afzwakken.’ In Interest Panels kunnen ervaringsdeskundigen hun expertise samenbrengen, op basis waarvan gelote Review Panels wetsvoorstellen formuleren die ter stemming worden voorgelegd aan een eveneens gelote Policy Jury. Waarom zou een dergelijk getrapt systeem van besluitvorming door burgers een minder representatief resultaat opleveren dan wetgeving die tot stand komt in de huidige Angelsaksische ‘winner takes it all’-democratie of in onze parlementen met relatief grote verschillen tussen het vereiste stemmenaantal voor elke zetel (waardoor grote politieke families worden bevoordeeld) en met politieke dynastieën die herinneren aan de oude erfelijke aristocratie?

In mijn essay voor het Vlaams Tijdschrift voor Overheidsmanagement bepleitte ik een systeem van besluitvorming waarbij de representatieve en participatieve (of deliberatieve) componenten als gelijkwaardig worden beschouwd. Ik noemde dat systeem de representatieve technocratie. Het voorstel van Bouricius/Van Reybrouck gaat een heel eind in die richting. Essentieel in hun benadering vind ik deze notitie van Van Reybrouck: ‘Het incorporeert tevens het beste uit de technocratische traditie (de waardering voor technische expertise van niet-gekozen professionals), zonder hen het laatste woord te geven.’

LACUNES

Gelet op de constructieve en genuanceerde teneur van Van Reybroucks betoog is de titel van zijn boek misleidend. De indruk wordt gewekt dat hij ‘tegen’ iets schreef, terwijl ik eerder een pleidooi ‘voor’ iets las. Door de titel is ook de perceptie ontstaan van een rechttoe-rechtaan pamflet pro loting in plaats van een essay over het belang van deliberatieve processen in de politieke besluitvoering - zeker bij wie het boek niet las maar toch meningen erover ventileerde in de pers. Dat is jammer, want relevanter dan het pleidooi pro loting lijkt me het promoten van die deliberatieve processen, op alle vlakken, met alle middelen. Daar ligt mijns inziens het gewicht van de toekomst, daarover moeten we kennis verzamelen en verspreiden.

Er zijn ook lacunes in het boek, wat onvermijdelijk is in een relatief kort essay. Over de rol van klassiek activisme buiten de deliberatie om en de onderlinge verhouding tussen beide lezen we weinig in Tegen verkiezingen. Zich activistisch opstellen is nochtans evengoed een manier om de verenging van democratie tot verkiezingen te doorbreken, er bestaat een breed palet aan pistes waarmee geëxperimenteerd wordt. Het recente standaardwerk over de democratie van onderop is The democratic imagination, envisioning popular power in the twenty-first century van James Cairns en Alan Sears (2012).

Van Reybrouck gaat ook nauwelijks in op de rol van de uitvoerende macht. Hij vindt het zinvol om de wetgevende macht in deze fase van de geschiedenis van de democratie ‘niet langer enkel en alleen toe te vertrouwen aan gekozen burgers, maar ook aan gelote burgers’, maar zegt weinig over deliberatie en de concrete politieke beleidsvoering van alledag, bijvoorbeeld bij beslissingen over bouwprojecten, het energiebeleid, het redden van banken, het opmaken van een begroting, een meerjarenplan, een bestuursakkoord. Om de burger werkelijk een meer centrale rol te geven in de democratie moet deliberatie uiteindelijk ook rechtstreeks worden geïntegreerd in de politieke besluitvoering, moet ook op dat bestuursniveau deliberatie het kunnen halen van politieke logica.

Meer nog dan in een parlementaire democratie leven we immers in een regeringsdemocratie. Daar en in de ministeriële kabinetten worden de lijnen uitgezet en de knopen doorgehakt, daar zit de echte macht. In de praktijk zullen wetgevende deliberatieve burgerpanels marginaal blijven, zolang de evident partijstrategische allianties tussen het verkozen maar tandeloze parlement en de bestuurders niet worden doorgeknipt. Zelf associeer ik burgerdeliberatie daarom in eerste instantie met de actieradius van de uitvoerende macht. Om de efficiëntie van die macht te verhogen is het depolitiseren ervan - lees: het ontsnappen aan de dominantie van partijpolitieke logica - essentieel. ‘Voor bijdetijdse technocratische besturen zijn open processen net welkom, omdat ze het belang van brede expertise onderschrijven,’ stelde ik in het voornoemde VTOM-essay. Het parlement verdient het dan weer om gerepolitiseerd te worden, als forum voor ideologische debatten en plek waar de politieke dissensus wordt erkend. Loting van de leden lijkt daar eerder haaks op te staan.

Manu Claeys
Schrijver, voorzitter van het Antwerpse bewonerscollectief stRaten-generaal

democratie - deliberatieve democratie - participatieve democratie

Tegen verkiezingen

David van Reybrouck
De Bezige Bij, Antwerpen, 2013

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 66 tot 73