Abonneer Log in

De verzorgingsstaat: stevig en gegeerd, maar kwetsbaar

SOLIDARITEIT ONDER DRUK?

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 10 (december), pagina 40 tot 50

De kritiek op de verzorgingsstaat, na de jaren 1980 uit de Verenigde Staten van Ronald Reagan en het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher tot bij ons overgewaaid, heeft zich ook hier ondertussen diep ingenesteld. De mate waarin de verschillende stellingen van die kritiek inmiddels tot de Vlaamse bevolking zijn doorgedrongen, werd onderzocht in een grootschalig bevolkingsonderzoek in opdracht van het Socialistisch Ziekenfonds en in een aantal rapporten besproken. Het onderzoek werd afgenomen bij een door het Rijksregister getrokken toevalsteekproef van 6.000 inwoners van het Vlaams Gewest van 18 tot 75 jaar oud; 2.639 inwoners van Vlaanderen vulden de vragenlijst in. Dit artikel vat een aantal markante bevindingen uit die rapporten samen en trekt daar politieke conclusies uit. De rapporten zelf kunnen worden geraadpleegd op: www.socmut.be (onder brochures, publicaties, studies).

SOLIDARITEIT ONDER DRUK?

Armoede bestrijden: de oplossing ligt bij de mensen zelf?
Frederic Vanhauwaert
De verzorgingsstaat: stevig en gegeerd, maar kwetsbaar
Paul Callewaert, Evelyne Hens en Mark Elchardus
Samen voor ons eigen
Jill Coene en Danielle Dierckx
De nieuwe beroepsziektes
Paul Verhaeghe

DE ‘CRISIS’ VAN DE VERZORGINGSSTAAT

Na de Tweede Wereldoorlog, en tot in de jaren 1970, kent de verzorgingsstaat in alle westerse landen een gestage, en in een aantal landen een spectaculaire groei. Dit past in wat men de sociaaldemocratische decennia kan noemen, van de jaren 1930 tot de jaren 1970, als in vele westerse landen een beleid wordt gevoerd dat de gelijkheid, de welvaart en het welzijn van de mensen spectaculair doet toenemen. Die periode werd afgelost door vier neoliberale decennia die in de meeste landen de ongelijkheid deden toenemen en het welzijn deden stagneren of dalen. De omslag kwam in de jaren 1970 en 1980. Eén uiting ervan was het spreken over de ‘crisis van de verzorgingsstaat’. De scherpste, meest radicale kritiek duikt op in de Angelsaksische landen, meer bepaald in de Verenigde Staten van Ronald Reagan en het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. In de kritieken keren een aantal argumenten voortdurend terug:
- in een verzorgingsstaat worden de armen betaald om niets te doen en dus aangemoedigd om niets te blijven doen en arm te blijven;
- omdat ze niet bloot staan aan de pijnen van échte armoede, wordt hun verlangen om uit hun positie te geraken niet gestimuleerd;
- de daaruit voortvloeiende langdurige werkloosheid en afhankelijkheid ten opzichte van de overheid, leiden tot een armoedecultuur die zichzelf bestendigt;
- deze cultuur wordt getypeerd door een gevoel van nutteloosheid, een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, zwakke gezinswaarden, gezinsontbinding en een overvloed aan tijd;
- die dan weer op hun beurt leiden naar geweld, misdaad en druggebruik.1

Heel populair worden de notie van ‘uitkeringsverslaafden’ en de metafoor van de ‘hangmat’: de sociale zekerheid zorgt niet voor een vangnet, maar levert een hangmat waarin mensen wegdrijven in onverantwoordelijkheid en criminaliteit. Impliciet in de kritiek zijn een reeks opvattingen die een welbepaald mensbeeld uittekenen: dat de mensen zelf en niet de omstandigheden verantwoordelijk zijn voor armoede, dat afhankelijkheid van uitkeringen een teken is van luiheid en moreel verval, dat mensen enkel maar het goede zullen doen als zij daar met dreiging en beloning, met wortel en stok toe worden aangezet, dus niet in staat zijn tot ethisch handelen zonder dergelijke incentives.

DE TRANSLATLANTISCHE INSPIRATIE VAN VLAAMSE POLITICI

Tegen het midden van de jaren 1990 is de mare van de radicale Amerikaanse kritiek ook in Vlaanderen doorgedrongen. Het hoeft niet te verbazen dat we hem horen doorklinken bij de voormannen van het Vlaams Blok, die af en toe te rade gaan bij het lunatieke franje van de Amerikaanse Republikeinse partij. Filip Dewinter introduceert de term ‘uitkeringsverslaafden’ in het Vlaams Parlement (Vlaams parlement, Handelingen, 01.04.1998). Guy Verhofstadt doet zijn reputatie van baby-Thatcher ook in dit verband alle eer aan. In zijn Tweede Burgermanifest, De weg naar de politieke vernieuwing klinkt de Amerikaanse kritiek sterk door. Hij gebruikt ook een argument dat minder vaak in de Angelsaksische landen wordt gebezigd, maar in de continentale, Europese vertaling van de radicale kritiek wel een centrale plaats krijgt: het geld komt niet terecht bij wie het echt nodig heeft, armoede blijft bestaan, terwijl profiteurs ‘royaal genieten’ van de sociale zekerheid. Die kritiek blijft, spijtig genoeg, niet beperkt tot neoliberaal rechts. Hij wordt ook overgenomen door mensen die zich als progressief profileren. In zijn boek De vergeten vernieuwing stelt Bert Anciaux (1992) het bestaande stelsel van sociale zekerheid in vraag. Ook hier vindt men het idee dat de begunstigden van het stelsel profiteren, dat het geld bij de verkeerde mensen terechtkomt (niet alleen bij de profiterende notarisvrouwen met de Chrysler Le Baron Convertible, die door Bert Anciaux in zijn boek wordt opgevoerd, maar ook door de ‘stinkrijke’ vakbonden en mutualiteiten).

HET STEVIGE DRAAGVLAK VAN DE VERZORGINGSSTAAT

De houding ten opzichte van de verzorgingsstaat wordt sterk beïnvloed door de houding ten opzichte van gelijkheid. Mensen die van oordeel zijn dat er nog te veel ongelijkheid is in deze samenleving en dat de overheid daarom herverdelend moet optreden om de ongelijkheid te drukken, tonen zich een groter voorstander van de verzorgingsstaat. Vlamingen zijn gewonnen voor een meer gelijke samenleving. Bijna drie kwart van hen is overtuigd dat de klassenverschillen kleiner zouden moeten zijn en bij de 60% vindt dat gewone mensen nog onvoldoende in de welvaart delen. Slechts 10% is van oordeel dat de verschillen tussen de hoge en lage inkomens kunnen blijven zoals ze zijn.

Voor het reduceren van grote ongelijkheden worden verschillende actoren belangrijk geacht. De mensen die van oordeel zijn dat de overheid herverdelend moet optreden, zijn meer dan twee keer talrijker dan degenen die dit verwerpen: 48 versus 21%. 52% is van oordeel dat we nood hebben aan sterke vakbonden om de belangen van werknemers te verdedigen. 81% is van oordeel dat we nood hebben aan sterke ziekenfondsen om de belangen van patiënten te verdedigen.

Tijdens de laatste 20 jaar van de 20ste eeuw hebben de reële en/of vermeende negatieve effecten van de verzorgingsstaat zoveel belangstelling gekregen dat de positieve gevolgen ervan in de vergeethoek dreigden te geraken. De verzorgingsstaat was, zeker in de Noordwest Europese landen, een vanzelfsprekendheid geworden, die geen verdediging behoefde. De verzorgingsstaat en zijn voorzieningen werden door vele mensen beschouwd als een evident recht. Toch blijken de mensen erg bewust van de positieve gevolgen van de verzorgingsstaat. 46% meent dat de verzorgingsstaat onrust voorkomt, volgens 52% geeft het iedereen een kans iets te maken van zijn of haar leven, 62% is van oordeel dat de verzorgingsstaat het leven vrijer en aangenamer maakt en 65% vindt dat het grootschalige armoede vermijdt. Met positieve uitspraken over de verzorgingsstaat gaan 2,5 tot 7 keer meer mensen akkoord dan niet akkoord.

Met negatieve uitspraken gaan daarentegen bij de 3 tot 6 keer meer mensen niet akkoord dan wel akkoord. Met de uitspraak ‘niemand verdient een sociale uitkering, iedereen moet eerst voor zichzelf zorgen’ gaat slechts 4% akkoord en 88% niet akkoord. Uitspraken die stellen dat de verzorgingsstaat de mensen lui en onverschillig maakt en niet meer in staat om voor zichzelf te zorgen, krijgen minder dan 20% van de mensen mee en telkens ongeveer de helft tegen. Het gaat bij die uitspraken om de kern van de radicale kritiek die dus, in die vorm, duidelijk niet aanslaat. Kortom, het gelijkheidsstreven en de verzorgingsstaat hebben een bijzonder sterk draagvlak in Vlaanderen.

Dat draagvlak werd over het laatste decennium nog sterker. De mate van gelijkheidsstreven bleef over de periode van 2001 tot 2012 ongeveer gelijk. Dat geldt eveneens voor de mate waarin de positieve effecten van de verzorgingsstaat worden onderkend. Het akkoord met negatieve gevolgen van de verzorgingsstaat is over die periode echter sterk, ja zelfs spectaculair gedaald. Met de uitspraak ‘De verzorgingsstaat zorgt ervoor dat mensen lui worden’ ging in 2001 35% van de ondervraagden akkoord, in 2012 nog 19%. De uitspraak ‘De verzorgingsstaat zorgt ervoor dat mensen niet meer om elkaar geven’ kreeg elf jaar geleden 27% van de mensen achter zich, vandaag nog 19%. En ‘De verzorgingsstaat zorgt ervoor dat mensen niet meer voor zichzelf zorgen’ kon in 2001 rekenen op de instemming van 22% van de bevolking, vandaag nog op die van 16%. In vergelijking met 2001 worden vandaag door veel minder mensen negatieve gevolgen aan het bestaan van de verzorgingsstaat gekoppeld. De radicale Angelsaksische kritiek, die in ons land via het pleidooi voor een neoliberaal beleid werd binnengeloodst, leefde rond de eeuwwisseling sterker bij de bevolking dan vandaag. De radicale kritiek heeft de matige bijval die hij genoot over de laatste tien jaar nog zien slinken. Waarschijnlijk gebeurde dat onder meer omdat de verzorgingsstaat en de instellingen die hem in eerste lijn uitdragen zoals de mutualiteiten, er in slagen de deugdelijkheid van die instelling dagdagelijks voor vele mensen duidelijk te maken.

MAAR, IS DE VERZORGINGSSTAAT WEL DOELTREFFEND EN RECHTVAARDIG?

Een ruime meerderheid van de ondervraagden, 61%, is van oordeel dat de ‘meeste mensen die een uitkering krijgen, zwaar zouden lijden indien ze geen uitkering zouden krijgen’, en slechts 11% is het daar niet mee eens. Dat, alsook de grote en toenemende steun voor de verzorgingsstaat, verhinderen echter niet dat heel wat mensen vragen hebben bij en twijfels over de doeltreffendheid van die instelling. Het geloof in misbruik van de voorzieningen is betrekkelijk hoog: 52% is van oordeel dat veel mensen die vervanginkomens krijgen die eigenlijk niet verdienen, 56% meent dat als de sociale uitkeringen niet zo gul zouden zijn, mensen sneller op eigen benen zouden leren staan en 65% is van oordeel dat werklozen gemakkelijk werk zouden vinden als ze echt de moeite zouden doen om werk te zoeken. Dat zijn solide meerderheden, drie à vier keer groter dan de proportie mensen die deze stellingen verwerpen. Heel veel mensen geloven dus dat het principe van de wederkerigheid - voor wat hoort wat - waarop oorspronkelijk de sociaaldemocratische steun voor de verzorgingsstaat gestoeld was, onvoldoende wordt gerespecteerd, met omvangrijke sociale fraude tot gevolg.

Over de stelling dat de sociale uitkeringen grotendeels ten goede komen aan mensen die het niet echt nodig hebben, zijn de mensen verdeeld: 29% deelt dat standpunt, 34% verwerpt het en 37% houdt zich in dit verband op de vlakte.

Via die weg, het vermoeden dat het geld niet terecht komt waar het zou moeten terecht komen en vooral het geloof in een gebrek aan wederkerigheid en het bestaan van uitgebreide sociale fraude, wordt de bereidheid om bij te dragen aan het stelsel ook enigszins aangetast. Mensen die van oordeel zijn dat er onvoldoende wederkerigheid is, te veel sociale fraude en dat het geld niet terecht komt bij wie het echt nodig heeft, zijn in mindere mate bereid bij te dragen aan het stelsel. In het algemeen is die bereidheid nochtans vrij groot. Twee wezenlijke kenmerken van ons stelsel krijgen bijzonder veel steun. Dat geldt voor het principe dat de ‘sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen’ waarmee 67% van de Vlamingen instemt en slechts 17% niet akkoord gaat. De kernidee dat een sociaal zekerheidsstelsel moet steunen op een verplichte verzekering en niet op een vrijwillige verzekering, wordt door een overweldigende meerderheid gesteund: 75% is van oordeel dat de bijdragen nooit een persoonlijke keuze mogen worden. Slechts 9% zou de mogelijkheid willen hebben ‘uit de staat te stappen’ zoals Verhofstadt dat ooit formuleerde.

Een meerderheid (51%) is ook van oordeel dat de sociale uitkeringen op peil moeten blijven, ‘ook al betekent dat voor sommigen extra financiële offers’; 22% verwerpt dat principe. Voor een aantal van de mensen die het steunen moeten die offers wel door iemand anders dan zijzelf worden gebracht. 22% is bereid ‘meer belastingen te betalen om de uitkeringen van de sociale zekerheid in de toekomst even hoog te houden als nu’. 47% wil dat niet doen. Men kan natuurlijk een ironische kanttekening maken bij het verschil tussen de 51% die van oordeel is dat ‘sommigen’ financiële offers moeten maken en de 22% die bereid is dat zelf te doen. Minstens even opmerkelijk is toch dat in een land met een bijzonder hoge gemiddelde aanslagvoet nog meer dan één op vijf van de mensen zich bereid verklaart meer belastingen te betalen om een stevige sociale zekerheid in stand te houden. Er zijn trouwens ook meer mensen die langer willen werken om de pensioenen in stand te houden dan er mensen zijn die dat niet willen doen: 43% versus 30%. Ter vergelijking: in 2006 was nog maar 25% van de Vlamingen bereid langer te werken om de pensioenen in stand te houden. Het helpt dus wel degelijk een maatschappelijke kwestie op de agenda te plaatsen en daar een debat over te voeren. Het is verdomd spijtig dat delen van de socialistische beweging zich tegen deze levensnoodzakelijke mentaliteitswijziging hebben gekant en verzet.

DE UITDAGINGEN

De kernprincipes van het sociale zekerheidstelsel kunnen op een grote, ja zelfs overweldigende bijval rekenen. Een sociaaldemocratische partij zou de mensen veel duidelijker moeten laten weten dat zij die principes en het stelsel met hand en tand gaan verdedigen. Maar ondanks de grote steun tekenen zich een viertal duidelijke uitdagingen af, die de sociaaldemocratie evenveel opdrachten geeft.

Leefstijldifferentiatie

Een kwart tot 40% van de bevolking wil mensen op basis van hun leefstijl persoonlijk verantwoordelijk stellen voor hun ziekte of ongeval. Zij zijn voorstander van een leefstijldifferentiatie van de premie en/of de terugbetaling door de verplichte ziekteverzekering.
De steun voor leefstijldifferentiatie neemt snel toe. In 2001 pleitte 19 à 34% voor een dergelijke differentiatie (afhankelijk van het gedrag), in 2012 24 tot 42%. Aangezien een aantal mensen zich in dat verband op de vlakte houdt, zitten we bij degenen die zich uitspreken niet ver van een 50/50-verdeling tussen voor- en tegenstanders van leefstijldifferentiatie.

Hier tekent zich een eerste belangrijke opdracht af voor sociale organisaties. Zij moeten de mensen overtuigen van de onzin en het gevaar van een dergelijke differentiatie. Meteen stelt zich immers de vraag waar we ze toepassen: wie niet kan bewijzen steeds zonnecrème factor 50+ te hebben gebruikt, krijgt de behandeling voor huidkanker niet terugbetaald, hardlopers krijgen geen terugbetaling bij knieproblemen, beoefenaars van gevaarlijke sporten geen terugbetaling bij letsels, workaholics geen terugbetaling bij stress gerelateerde ziektes, gevaarlijk speelgoed in huis betekent geen terugbetaling bij een ongeluk van het kind, te luide muziek geen terugbetaling bij gehoorproblemen, enzovoort. Misschien is het eenvoudiger de verplichte ziekteverzekering dan maar meteen op te doeken.

Als we toch dat pad zouden opgaan, hoe gaan we de leefstijl dan controleren? Een leefstijlpolitie die elk moment bij jou kan binnenvallen? Of stellen we vertrouwen in de mensen en vragen we gewoon ‘rookt u, hebt u gerookt?’. De persoon die ‘neen’ antwoordt, krijgt toch longkanker. Wat doen we dan? Hier stelt zich een ander probleem. Het is niet omdat er een heel duidelijke statistische relatie tussen roken en longkanker wordt waargenomen dat elke longkanker het gevolg van roken is. Een argument dat dikwijls voor leefstijldifferentiatie wordt gegeven, is dat het preventief werkt. Het wetenschappelijk onderzoek ter zake is echter allesbehalve eenduidig. Er is veel twijfel of individuele negatieve prikkels doeltreffend zijn. Soms wordt leefstijldifferentiatie verdedigd met het argument dat wie kosten maakt daar ook maar moet voor opdraaien. Maar ook daarover is er veel onenigheid. Kosten mensen die ongezond leven meer aan de ziekteverzekering? Dat is verre van zeker. Volgens een aantal onderzoekers kosten ze minder omdat ze minder lang leven, minder lang zorgafhankelijk zijn, minder lang pensioen trekken. Ten gronde, moeten we ons ook afvragen of er wel echt een keuze is. Wordt de leefstijl van mensen niet heel sterk beïnvloed? Er worden jaarlijks ettelijke miljoenen besteed aan het mensen aanpraten van ongezonde eetgewoonten.

Dus, wat zou dat zijn, een premie- of terugbetalingsdifferentiatie op basis van leefstijl: het bestraffen van een arbitrair gekozen reeks gedragingen, die heel moeilijk kunnen worden nagegaan en gecontroleerd, waarvan het heel onzeker is of zij wel aan een persoonlijke keuze kunnen worden toegeschreven, die waarschijnlijk niet meer kosten aan de ziekteverzekering en waarvan het bestraffen waarschijnlijk ook geen preventief effect zou hebben, maar die bepaalde groepen van mensen hard en meedogenloos zou treffen op een moment in hun leven dat zij steun nodig hebben. Er zijn anderzijds veel maatregelen die kunnen worden genomen om de mensen gezonder te maken: mensen aanzetten gezonder te eten, gezonder te leven, de reclame voor schadelijke producten beperken, echt schadelijke producten gewoon verbieden, mensen een gezondere omgeving geven om in te leven en kinderen in groot te brengen.

Rantsoeneren en uitsluiten

Een groot aantal experts is het erover eens dat een aantal kostenbesparende maatregelen in de ziekteverzekering mogelijk zijn, zonder de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg te treffen, van zodra de individuele keuzevrijheid enigszins aan banden wordt gelegd. In het onderzoek werd ervoor geopteerd het draagvlak voor zulke maatregelen te evalueren, omdat de mensen hun eigen gehechtheid aan hun vrijheid heel goed kunnen inschatten. De vraag werd gesteld of ze bereid waren meer te betalen om van die vrijheid te kunnen blijven genieten.

De antwoorden wijzen op grote verdeeldheid en een eerder zwak draagvlak voor rationalisering door vrijheidsbeperking. Die vaststelling bevestigt het grote belang dat in onze cultuur aan individuele keuzevrijheid wordt gehecht, alsook de socialiserende rol die werd vervuld door een gezondheidszorg met een, in internationaal perspectief beschouwd, verbazend grote mate van vrijheid van patiënt en zorgverlener. Rationaliseren wordt in een dergelijk systeem een zware opdracht.

Indien niet via rationalisering naar een grotere mate van doeltreffendheid en efficiëntie kan worden gestreefd, dient de rantsoenering zich aan: het uitsluiten van terugbetaling in het kader van de verplichte ziekteverzekering, van bepaalde groepen van mensen of van bepaalde behandelingen. Om de opvattingen van de Vlamingen over de aanvaardbaarheid van de rantsoenering van dure behandelingen te meten, werden respondenten eerst attent gemaakt op het feit dat gezondheidszorgen duur en de middelen beperkt zijn. Hen werd gezegd dat sommige mensen vragen stellen bij de mate waarin bepaalde behandelingen verantwoord zijn. Daarna werd gevraagd in welke mate ze van oordeel zijn dat vijf (dure) behandelingen volgens hen (a) in alle gevallen, (b) bij mensen jonger dan 85 of (c) nooit verantwoord zijn. De kostprijs van de behandelingen was telkens identiek, namelijk 50.000 euro. De voorgestelde behandelingen hebben allen met elkaar gemeen dat ze zeer belangrijk zijn voor de patiënt, in een aantal gevallen levensnoodzakelijk.

De antwoorden uit Tabel 2 wijzen erop dat het draagvlak voor rantsoenering groot is. Dat is zeker het geval voor patiënten boven de 85. Het is duidelijk dat ‘ageism’ een belangrijke rol speelt bij het bepalen van deze standpunten en dat zich hier een heel belangrijke bedreiging voor de solidariteit stelt.

De analyse van die antwoorden maakt duidelijk dat deze problematiek nog niet behoort tot het (politieke) bewustzijn van de burger. Dat blijkt onder meer uit het feit dat men geen keuze maakt tussen rationaliseren en rantsoeneren. De bevolking verdeelt zich niet in voorstanders van rationalisering en voorstanders van rantsoenering. De verdeling die zich voordoet, scheidt voorstanders van beperkingen (rantsoenering of rationalisering) en tegenstanders van beperkingen. Op die manier wordt de bevolking ongeveer in twee gelijke helften verdeeld. Dat betekent dat ongeveer de helft van de bevolking weigerachtig zal staan tegen bijna alle vormen van kostenbesparing. Dat zou niet erg zijn, mocht kostenbesparing te vermijden zijn, maar dat zal het niet zijn en in dat geval zal de keuze zich toch grofweg stellen tussen rationalisering en rantsoenering. Op dit ogenblik zou een grotere groep voor rantsoenering, uitsluiting en extreme vormen van ‘ageism’ kiezen, eerder dan voor rationalisering, terwijl rationaliseren door het beperken (of begeleiden) van de individuele keuzevrijheid van patiënt en therapeut, toch de solidaire, linkse oplossing is. De mogelijkheden van rationaliseren moeten aan de mensen duidelijk worden gemaakt. Dat werd tot nog toe onvoldoende gedaan.

Komt het geld goed terecht?

We zagen ook dat er verdeeldheid heerst over de vraag of de steun terechtkomt bij wie het echt nodig heeft. Ongeveer een derde van de mensen gelooft van wel, een derde van niet, een derde twijfelt. Het is best mogelijk dat de juiste aard van de verzorgingsstaat onvoldoende duidelijk is voor een aantal mensen en dat sociale organisaties ook op dit vlak een belangrijke voorlichtingsopdracht hebben. Onze sociale zekerheid is niet enkel een solidariteitsstelsel dat moet beletten dat mensen in armoede verzeilen. Het is ook een verzekering die alle Belgen afdoende wil beschermen tegen sociale risico’s en wil vermijden dat iemand te snel terugvalt op de sociale ladder. Zonder de sociale zekerheid zou het armoederisico in België stijgen van 15 naar 44%. Dat betekent dat het stelsel de middenklasse redt en behoedt voor armoede. En dat is ook een wezenlijke opdracht van dat stelsel. Het geld dat bij die mensen terechtkomt, komt goed terecht. De ziekteverzekering is geen basisverzekering voor de armsten, maar een goede ziekteverzekering voor iedereen, arm en rijk. Dat is de sociale keuze die we moeten blijven verdedigen en waarvan een groot deel van de bevolking zich bewust is en die door een groot deel van de bevolking ook wordt gesteund. Dat blijkt uit het gegeven dat 62% akkoord is met de uitspraak ‘Door sociale zekerheid krijgt iedereen een kans om iets van zijn leven te maken’. Slechts 9% is het daar niet mee eens.

Wederkerigheid, voor wat hoort wat

Meerderheden zijn van oordeel dat veel mensen die ‘van de sociale zekerheid trekken’ dat eigenlijk niet verdienen en dat als de uitkeringen niet zo gul zouden zijn, mensen sneller zouden leren op eigen benen te staan. Degenen die met die uitspraken akkoord gaan zijn meer dan drie keer talrijker dan degenen die er niet mee akkoord gaan. Vooral over de werklozen is het oordeel hard: 65% is van oordeel dat de werklozen werk zouden vinden, mochten ze echt zoeken en slechts 13% is het daar niet mee eens. Die uitspraken wijzen op de verwachting dat in de sociale zekerheid het principe van de wederkerigheid geldt - voor wat hoort wat. Blijkbaar zijn vele mensen van oordeel dat die wederkerigheid onvoldoende wordt gerespecteerd. Nochtans zijn verschillende hervormingen van de sociale zekerheid er precies op gericht geweest het principe van de wederkerigheid te versterken. Het is trouwens niet uitgesloten dat die hervormingen, samen met de goede werking van het stelsel, het draagvlak heeft versterkt en het aantal mensen dat negatieve effecten van de verzorgingsstaat ziet, heeft doen afnemen.

Toch blijft bij vele mensen het gevoel bestaan dat er nog onvoldoende wederkerigheid is, dat veel mensen van de sociale zekerheid profiteren, dat er veel sociale fraude is, dat er veel mensen zijn die gemakkelijk werk zouden kunnen vinden, maar liever werkloosheidsuitkeringen trekken... en dat geloof ondergraaft het draagvlak van de sociale zekerheid. Wederkerigheid is een belangrijk sociaaldemocratisch principe. Daarom moet deze kritiek op het stelsel heel ernstig worden genomen. Sociale fraude bestaat en moet, net als fiscale fraude, kordaat bestreden worden. En dit ongeacht inkomen, leeftijd, geslacht of afkomst.

Drie pistes moeten hier worden bewandeld. Het is, ten eerste, heel waarschijnlijk dat de mensen, geïnspireerd door straffe verhalen en misschien ook wel door ware maar niet representatieve verhalen, de omvang van de sociale fraude overschatten. Betere informatie daarover zou kunnen helpen. Ten tweede, zijn de bestaande controlemechanismen waarschijnlijk onvoldoende gekend. Er wordt al veel en soms hard gecontroleerd. Door de toegenomen mogelijkheden van datamatching en -monitoring worden de mazen van het net ook gestaag kleiner. De bevolking daar beter over inlichten zou zeker helpen. Ten derde is het de opdracht van iedereen die de verzorgingsstaat genegen is, te streven naar een rechtvaardige vorm van wederkerigheid. Dat is de manier waarop de verzorgingsstaat aansluiting vindt bij het rechtvaardigheidsgevoel van de mensen.

Mark Elchardus
Emeritus professor Sociologie

Paul Callewaert
Algemeen secretaris Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten

Evelyne Hens
Stafmedewerker Studiedienst Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten

Noten
1/ Men vindt die kritieken in onder meer: Gilder, 1981, 1985; Murray, 1984; Tanner, 1994, 1995; Steffen, 2002.

Bibliografie
- Anciaux, B. (1992) De vergeten vernieuwing. Antwerpen, Baarn: Hadewijch.
- Frum, D. (1994) Dead Right, Washington: Basic Books.
- Gilder, G. (1981). Wealth and Poverty. New York: Basic Books.
- Gilder, G. (1995). End welfare reform as we know it. American Spectator, 28(6).
- Murray, C. (1984). Losing Ground. New York: Basic Books.
- Steffen, C. (2002). The ideological debate over the social welfare system. (http://tiss.zdv.uni-tuebingen.de/webroot/sp/spsba01\_W98\_1/usa2.htm).
- Tanner, M. (1994). Ending Welfare as We Know it. Policy Analysis, 212, 1-25.
- Tanner, M. (1995). Ending welfare as we know it. USA Today Magazine, 123(2598), 16.
- Verhofstadt, G. (1992) De weg naar politieke vernieuwing. Het tweede burgermanifest, Antwerpen: Hadewijch.

solidariteit - welvaartsstaat - verzorgingsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 10 (december), pagina 40 tot 50