Log in

Activering van het activeringsbeleid?

WAT MET NIEUWE VLAAMSE BEVOEGDHEDEN?

Door de zesde staatshervorming worden heel wat nieuwe bevoegdheden én hefbomen op vlak van arbeidsmarkt- en werkgelegenheidsbeleid overgeheveld naar de deelstaten. Het betreft hier ook een belangrijke budgettaire massa. Het opzet van deze bevoegdheidsoverdracht is om de deelstaten toe te laten een sterker activeringsbeleid uit te bouwen op maat van de arbeidsmarktbehoeften van elke regio. Vandaag bestaat er nog geen politieke duidelijkheid hoe de nieuwe bevoegdheden in Vlaanderen zullen worden uitgeoefend. De Vlaamse regering keurde wel een Groenboek goed waarin diverse nevengeschikte scenario’s staan die door de administratie werden uitgewerkt. In deze bijdrage schets ik hoe ik de uitrol van de nieuwe bevoegdheden zie in functie van de behoeften op de Vlaamse arbeidsmarkt.1

WAT MET NIEUWE VLAAMSE BEVOEGDHEDEN?

Afbouw woonbonus: nu of nooit
Pascal De Decker
De kinderbijslag van de toekomst
Wim Van Lancker
Activering van het activeringsbeleid?
Fons Leroy
Eerstelijnsgezondheidszorg: klaar voor de uitdaging?
Yvo Nuyens en Jan De Maeseneer

We schetsen eerst de uitdagingen waar deze Vlaamse arbeidsmarkt voor staat. Vervolgens zoemen we in op drie hoofdaspecten van de nieuwe bevoegdheden, namelijk het actief zoekgedrag van werkzoekenden, de doelgroepmaatregelen én de opleidingsstimuli. Tot slot worden een aantal relevante randvoorwaarden behandeld die een invloed zullen hebben op de effectiviteit van de uitvoering van de nieuwe bevoegdheden.

UITDAGINGEN VAN DE VLAAMSE ARBEIDSMARKT

Op basis van de twee kernindicatoren voor de arbeidsmarkt, de werkzaamheid en de werkloosheid, kan men stellen dat de Vlaamse arbeidsmarkt vrij goed presteert in internationaal perspectief. In 2012 werkt 71,5% van de totale bevolking op beroepsactieve leeftijd (20-64 jaar) en is slechts 4,3% van de beroepsbevolking werkloos2, (veel) beter dan de EU-gemiddelden van respectievelijk 68,5% en 10%. Wanneer men de analyse echter verruimt met indicatoren voor specifieke groepen en de recente evolutie (2006-2011) meeneemt, dan bekleedt Vlaanderen slechts een middenpositie binnen de 95 EU-regio’s.3 De voorbije jaren is de kloof in de werkzaamheid met de Europese topregio’s nauwelijks verkleind. Vlaanderen kampt met een bijzonder lage werkzaamheid voor àlle kansengroepen, in het algemeen de laaggeschoolden, in het bijzonder de 55-plussers, de allochtonen en de arbeidsgehandicapten. Om de doelstellingen in het kader van het EU2020-groeipact te bereiken, zal nog harder ingezet moeten worden op het langer werken en de integratie van oudere en allochtone werkzoekenden, voor de meerderheid laaggeschoolden. De sterke polarisatie is een typisch kenmerk van de Vlaamse (en Belgische) arbeidsmarkt, met een zeer grote afstand tussen ‘jong’ en oud’, ‘laag’ en ‘hooggeschoold’, ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.

De totale werkzaamheid stabiliseert reeds sinds 2006 rond 71% en het is zeer de vraag of de 76%-doelstelling tegen 2020 haalbaar is. De verdere toename van de beroepsbevolking maar ook de slechts gedeeltelijke vervanging van de oudere uitstromers oefenen, in de huidige periode van dalende werkgelegenheid, een neerwaartse druk uit zodat de werkzaamheid tegen 2020 nauwelijks zou toenemen.

‘Met zijn allen langer werken’ is alleszins een must tegen de achtergrond van de demografische evoluties: de dalende vervangingsgraad van ‘oud’ door ‘jong’ en de toenemende veroudering van de bevolking op beroepsactieve leeftijd, die normaal moet resulteren in een sterke vervangingsvraag van oudere ‘uitstromers’. In 2007 is het aantal jongeren (15-24) kleiner geworden dan het aantal ouderen (55-64) en deze verhouding daalt stelselmatig naar minder dan 80% tegen 2020. Voor de periode 2012-2017 wordt de vervangingsvraag op 325.000 geraamd, maar dit zal afhangen van de conjunctuur en de druk om te besparen op de loonkosten, die tot op heden de vervangingsvraag tempert. Het wordt ook een uitdaging om het ‘langer werken’ bij de 55-plussers te realiseren zonder de jeugdwerkloosheid te doen toenemen. Ondanks de stijgende trend blijft de Vlaamse jeugdwerkloosheid relatief laag (13%), maar ook de jongeren zien de laatste jaren hun jobkansen verminderen door de aanhoudende crisis.

Het verminderen van de ‘kloven’ in de werkzaamheid tussen de ‘sterkere’ groepen en de ‘kansengroepen’ is eveneens een prioriteit. De werkzaamheid bij de 55-plussers haalt met 40% nog niet de helft van die bij de 25-54 jarigen (85%). Ook bij de laaggeschoolden is er een dalende werkzaamheid sinds de crisis, slechts 52% werkenden tegenover 81% bij de hooggeschoolden. Vooral bij de laaggeschoolden, in mindere mate ook bij de middengeschoolden, is er een enorm hoge inactiviteit door de (zeer) vroege stopzetting van de loopbaan. Dit verklaart meteen waarom de Vlaamse werkloosheid zo laag is: liefst één op vier van de personen tussen 20 en 64 jaar is niet eens (nog niet, niet meer of nooit) aanwezig op de arbeidsmarkt (noch werkend, noch werkzoekend), bij de laaggeschoolden is dit bijna de helft. Dit wijst op het massale arbeidstekort, vooral maar niet uitsluitend aan de onderkant van de arbeidsmarkt.

Naast deze algemene kwantitatieve aspecten is er in tweede orde ook het matching-probleem waarbij vele beschikbare jobs niet of laattijdig ingevuld geraken omdat er, door de onvoldoende uitstroom uit het onderwijs, kwantitatieve tekorten zijn voor specifieke beroepsgroepen (vooral technische en ICT-profielen) of een deel van de werkzoekenden niet de juiste competenties hebben om de jobs in te vullen, de kwalitatieve mismatch. Zeker bij hoogconjunctuur leidt dit tot een knelpunteconomie waarbij een groot aantal sectoren en bedrijven hun vacatures niet ingevuld krijgen.

De kwalitatieve mismatch wordt jaarlijks ‘gevoed’ door de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs, waarbij nog steeds een belangrijke minderheid van de jongeren (11% in 2010, 14% bij de jongens en 9% bij de meisjes), zonder kwalificerend einddiploma de arbeidsmarkt betreedt. Het moet de ambitie zijn om de ongekwalificeerde uitstroom van jongeren (ver) beneden het EU-streefdoel van 10% te krijgen. Zowel preventieve als curatieve acties moeten deze voedingsbodem van de oplopende jeugdwerkloosheid droogleggen om te vermijden dat er een NEET4-generatie ontstaat van werkloze en inactieve jongeren.

UITROL VAN DE NIEUWE BEVOEGDHEDEN

Navolgend worden drie aspecten van het arbeidsmarktbeleid uitgediept in functie van de nieuwe bevoegdheden. Binnen het bestek van deze bijdrage was het onmogelijk om exhaustief alle items te bespreken. De gekozen items sluiten evenwel aan op de uitdagingen van de Vlaamse arbeidsmarkt en illustreren welke keuzes kunnen worden gemaakt.

Actief zoekgedrag van werkzoekenden

De Gewesten verwerven de volledige beslissings- en uitvoeringsbevoegdheid om de actieve en passieve beschikbaarheid van de werklozen te controleren en de daarbij behorende sancties op te leggen. Deze nieuwe bevoegdheid houdt een unieke opportuniteit in om het activeringsbeleid éénduidiger, coherenter en effectiever te maken. Vandaag is de vormgeving van het toezicht op het actief zoekgedrag bijzonder inefficiënt ingericht. Dit is geen verwijt aan de RVA want dit is één van de best werkende federale entiteiten. Het is wel een beoordeling van het systeem van vandaag. Zo zijn vandaag de wortel en de stok gespreid over twee overheidséchelons. Eenieder zal direct begrijpen dat dit suboptimaal is in een individueel activeringsproces waarbij de VDAB-consulent alle incentives moet bezitten om een werkzoekende te activeren in functie van de individuele mogelijkheden, beperkingen en gedragingen. Daarmee pleit ik niet voor een harde aanpak, noch voor een zachte maar wel voor een consequente. Hierbij moeten we steeds de finaliteit van dit soort incentives voor ogen houden. Deze finaliteit betekent zoveel mogelijk mensen duurzaam aan het werk krijgen. Als het dreigen met of het hanteren van een negatieve prikkel hiertoe kan bijdragen, is de finaliteit gerealiseerd en hoeft dit ook niet langer te betekenen dat de sanctieprocedure wordt verdergezet. Uit evaluaties van het jeugdwerkplan in Oostende is gebleken dat billijk en doordachtzaam omgaan met negatieve prikkels met name jonge werkzoekenden vlugger over de drempel van de werkbereidheid brengt en dat het dan niet meer nodig is om hen te sanctioneren. Als dit institutioneel in één hand zit, kan dit proces transparanter en effectiever verlopen. Een bijkomende inefficiëntie in de actuele inrichting is dat er niet steeds meer een direct verband wordt ervaren door de werkzoekende omwille van het tijdsbestek tussen het ‘ten laste gelegde feit’ (bijvoorbeeld een werkweigering) en de sanctie. Er is immers een lange administratieve procedure met gegevenstransmissie tussen VDAB en RVA, gegegevensverificatie door RVA, het doorlopen van de controle-, verhoor- en sanctioneringsprocedures. Door deze elementen in één instelling te brengen kan dit proces ingekort worden. Verder is er vandaag een parallel proces waarbij de werkzoekende geactiveerd wordt door de VDAB én door de RVA. Immers omdat de RVA institutioneel geen controle op de VDAB mag en kan uitoefenen (en dus ook de autonomie van de VDAB moet respecteren m.b.t. de afspraken die deze instelling met elke werkzoekende in een trajectovereenkomst maakt), heeft de RVA zelf een opvolgingscircuit opgezet om het actief zoekgedrag - naast dat besproken tussen VDAB en werkzoekende - te evalueren. Nog los van de vaststelling dat de RVA-facilitatoren te weinig (of geen) voeling hebben met de vraagzijde van de arbeidsmarkt (vacatures, competentiegericht matchen, verwachtingen van werkgevers,…) geldt de vaststelling dat deze werkwijze een hoop onnodige planlast veroorzaakt voor werkzoekenden én werkgevers. Werkzoekenden worden aangemaand om bewijzen van actief zoekgedrag voor te leggen aan de RVA en gaan daarom attestjes inzamelen. Werkgevers worden geconfronteerd met werkzoekenden die attesten komen laten invullen. Niet alleen veel planlast voor de werkgever maar hij krijgt daardoor ook geen transparant zicht op werkzoekenden die zich in functie van een vacature aanmelden, al dan niet door de VDAB verwezen, én werkzoekenden die in eerste instantie een bewijs willen van actief zoekgedrag. Een ander gevolg is dat het uiterst moeilijk is voor VDAB om sollicitatiefeedback te vragen van de werkgever over de werkzoekende die zij verwezen heeft omdat dit als nog bijkomende planlast door de werkgever wordt ervaren. Deze systeemdeficiënties kunnen worden weggewerkt door de bevoegdheidsoverdracht.

Vooraleer de nieuwe mogelijke werkwijze te schetsen past het toch eerst een fundamenteel uitgangsprincipe te verduidelijken. Het is meer dan ooit van prioritair belang dat de bemiddelaarsfunctie van de VDAB het absolute uitgangspunt is én blijft. De problemen van de Vlaamse arbeidsmarkt vereisen een sterke bemiddelingsfunctie. Het kan en mag niet de bedoeling zijn dat - in de mooie bewoordingen van de Nationale Tewerkstellingsconferentie van 1972 - de bemiddelaar opnieuw ‘de gendarme der werkloosheidsuitkeringen’ wordt. Juist deze rolontdubbeling lag toen aan de basis van de latere splitsing tussen RVA en VDAB. Daarom ook mogen we deze inefficiënte dubbele rolverdeling ook nu niet opnieuw introduceren. De controlefunctie vooropstellen leidt immers tot afschrikking van werkwillige werkzoekenden, bureaucratisch gedrag en een afzwakking van de positie van de VDAB als centrale regisseur én bemiddelaar van de Vlaamse arbeidsmarkt. Het is goed om hierbij ook terug te grijpen naar inzonderheid de werkgeversstandpunten in de al genoemde Nationale Tewerkstellingsconferentie. Zij waarschuwen voor ondoelmatige bemiddelingsprocessen wanneer deze aangestuurd worden vanuit een controle-perspectief; alsook voor een verminderde slagkracht van de publieke bemiddelingsdiensten wegens een risico op afnemend vacature-aanbod. Deze bekommernissen mogen dan al gedateerd zijn, ze blijven niet alleen overeind maar worden nog versterkt door enerzijds de hiervoor geschetste uitdagingen op de arbeidsmarkt en anderzijds de evoluties binnen de organisatie van de arbeidsmarkt en de economie, zoals de toegenomen flexibiliteit, de segmentering, just-in-time processen, enzovoort. ‘Bemiddelen en matchen’ moeten dus in de vitrine van de VDAB blijven staan. Dit lijkt me trouwens ook de beste waarborg voor de sociale zekerheid en de samenleving. Zo brengt een geplaatste werkzoekende circa 33.440 euro5 op aan ‘inkomsten’ omwille van minder uitgaven inzake uitkeringen en meer inkomsten voor de fiscaliteit en sociale zekerheid. Hierbij wordt dan nog geen rekening gehouden met andere opbrengsten die vandaag vaak met het werkloosheidsrisico verbonden zijn, zoals een slechtere gezondheidstoestand, meer psychosociale problemen, enzovoort. Bij een geschorste werkzoekende valt de uitkering weliswaar weg maar blijven de meeste andere directe of indirecte kosten doorlopen. Reden te meer om alles in te zetten op een actief plaatsingsbeleid.

Hoe zien we dan die coherente aanpak van wortel en stok? Omwille van haar kerntaak en opgebouwde expertise moet de VDAB de ambitie hebben om voor elke werkzoekende op een professionele manier de beste weg naar werk te bepalen. Hierin past méér dan ooit een actief verwijzingsbeleid naar openstaande (knelpunt) vacatures. Als we het activeringsbeleid uitrollen, moeten we werkzoekenden niet vragen of verplichten andere wegen te bewandelen maar consequent mee te werken aan de uitgestippelde weg. Dat is het verhaal van rechten en plichten... maar ook van minder planlast voor werkzoekenden. Ze moeten niet meer ‘in het wilde weg’ gaan solliciteren. Vermits we enkel nog geschikte werkzoekenden verwijzen, kunnen we aan de werkgevers, die met veel minder planlast geconfronteerd zullen worden, vragen om VDAB systematisch sollicitatiefeedback te geven omtrent de verwezen kandidaten. Dit kan op een ‘lichtvoetige’, elektronische wijze. Deze feedback moet dienen om uit te maken waarom de werkzoekende niet werd aangenomen: gebrek aan sollicitatievaardigheden?, nog nood aan een technische opleiding?, gebrek aan werkervaring?, niet werkwillig?,... In functie van deze redenen kan de VDAB dan positief remediërend (jobclub, beroepsopleiding, werkplekleren) of sanctionerend (werkonwilligheid) optreden.

Naast de controle op het actief zoekgedrag wordt ook een deel van het vrijstellingsbeleid in het kader van het activeringsbeleid naar de Gewesten overgeheveld. Het betreft hier inzonderheid de vrijstellingsmogelijkheden om een opleiding te volgen of opnieuw te gaan studeren. ‘Vrijstelling’ houdt in dat de betrokken werkzoekenden tijdens die periode van opleiding of studiehervatting niet ingeschreven moeten zijn als werkzoekende noch beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt. Deze overheveling versterkt het actueel activeringsbeleid en maakt het voor de werkzoekenden ook transparanter en eenduidiger. Vandaag kan men immers dit vrijstellingsstatuut zowel via VDAB als via de RVA krijgen, maar volgens verschillende criteria en aanvraagprocedures. In het eerste geval moet het passen binnen het inschakelingstraject van de werkzoekende, in het tweede geval is er geen verband met dit traject. Voortaan zouden opleiding en studiehervatting verplichtend moeten kaderen in het opleidingsparcours van de werkzoekende. Dat past in de huidige maatwerkaanpak van de VDAB, alsook in diens beleidsprioriteit om via opleiding en studiehervatting in eerste instantie de structurele knelpuntberoepen op de Vlaamse arbeidsmarkt te bestrijden.

Een derde aspect dat in dit kader van belang is, betreft de Plaatselijke Werkgelegenheids-agentschappen (PWA's). Ze worden immers geregionaliseerd. Deze regionalisering laat toe de PWA-werking in te bedden in de werkwinkels. Het PWA werd immers opgezet als een specifiek bemiddelingskanaal om werkzoekenden met een verre afstand van de arbeidsmarkt via zachte opstappen naar het reguliere arbeidscircuit te laten doorgroeien. Deze lovenswaardige doelstelling kon echter nauwelijks of niet worden waargemaakt omdat de meeste werkzoekenden door het financieel voordelig systeem in een PWA-val zaten en niet meer de behoefte voelden om door te stromen. Door de aparte werking van de PWA - vaak los van de VDAB - was er ook geen institutioneel kader gericht op de bevordering van doorstroom. Binnen het actueel arbeidsmarktbeleid heeft de VDAB de opdracht om maatwerk te voorzien voor diverse doelgroepen. In het sluitend maatpak, het begeleidingsmodel van de VDAB, wordt gestreefd naar een inclusieve aanpak voor alle werkzoekenden, ook zij die ver staan van de arbeidsmarkt. De VDAB heeft hiervoor specifieke methodieken, expertises en partnerschappen ontwikkeld (bijvoorbeeld werk-welzijnstrajecten, 50+-clubs, integrale trajecten voor werkzoekenden-in-armoede) die ook de PWA-doelgroepen kunnen omvatten. Bovendien ligt ook de verantwoordelijkheid voor de toeleiding naar de sociale economie bij de VDAB krachtens het maatwerkdecreet. Er is dus niet langer nood aan een bijkomend circuit, noch vanuit de kant van de werkzoekende bekeken noch vanuit de kant van de reguliere en sociale economie. De integratie van PWA in de werkwinkel houdt in dat het activeringsbeleid kwantitatief en kwalitatief kan worden versterkt doordat dit circuit kan worden afgeschaft en de vrijkomende resources in de reguliere begeleiding en bemiddeling kunnen worden ingezet.

Doelgroepenbeleid

De Gewesten verwerven de bevoegdheid over RSZ-kortingen voor doelgroepen en over doelgroepsgerichte activeringsmaatregelen. Ze krijgen ter zake de volle bestedingsautonomie maar de federale instellingen RSZ en RVA blijven wel de technisch-administratieve operatoren. Deze bevoegdheid heeft een belangrijke budgettaire impact (ruim 2,2 miljard euro, inclusief dienstencheques) t.a.v. het regionaal inschakelingsbeleid.

Uit een recente studie van Idea Consult6, in opdracht van VOKA, blijkt dat het absoluut noodzakelijk is om naar aanleiding van deze overheveling het gehele spectrum van bestaande Vlaamse en federale maatregelen samen en vanuit een geïntegreerde visie te bekijken. De behoeften van de Vlaamse arbeidsmarkt moeten daarbij prioritair voor ogen worden gehouden.

De inventaris van deze maatregelen toont aan dat er een lappendeken van tewerkstellingsbevorderende incentives voor diverse doelgroepen bestaat. De transparantie is daardoor zoek. Diverse maatregelen bereiken een lage kritische massa aan gebruikers. Sommige maatregelen overlappen elkaar of werken parallel. Bovendien zijn er verschillende maatregelen met dezelfde beleidsfinaliteit (bv. werkervaring) waardoor er concurrentie ontstaat tussen zulke maatregelen met als gevolg allerlei verdringings- en/of afromingseffecten, effectiviteitsverlies, gebrek aan doorzichtige maatregelen, enzovoort. Ten slotte ligt de focus van de maatregelen globaal te weinig op de bevordering van de tewerkstelling in het normaal economisch circuit en is er een groot verschil qua kostprijs én effectiviteit.

Vanuit deze analyse is het vooreerst wenselijk om te kiezen voor één sterk werkervaringsinstrument dat qua doorstoom naar het normaal economisch circuit het meest effectief is. De individuele beroepsopleiding (IBO) lijkt daarvoor het meest geschikt te zijn. Andere werkervaringsinstrumenten, zoals het doorstromingsprogramma WEP-plus, zouden best gealigneerd worden op het IBO-stelsel.

Wat de doelgroepgerichte loonkosttegemoetkomingen betreft dringt zich in essentie een keuze op tussen twee invalshoeken. Gelet op de hardnekkige problematiek van de laaggeschoolden op de arbeidsmarkt zou één krachtig stelsel kunnen worden ontwikkeld dat de creatie van laaggeschoolde arbeid aanmoedigt. Door deze benadering richt men zich dan ook impliciet op achtergestelde doelgroepen die oververtegenwoordigd zijn in het segment van de laaggeschoolde arbeid. Deze aanpak heeft als voordelen dat de substitutie-effecten beperkt zijn, evenals de zogenaamde deadweight-effecten; het gaat immers om de bevordering van jobcreatie waarvoor thans aanwervingen afwezig blijven. Een andere optie is dat het tegemoetkomingsstelsel geïntegreerd wordt in de individuele maatwerkbenadering. Deze benadering gaat uit van het standpunt dat elke werkzoekende een ‘persoonsgebonden rugzakje’ krijgt met ondersteuningsmaatregelen op maat om de individuele afstand met de arbeidsmarkt, de potentiële werkvloer te overbruggen. In zo’n rugzakje kunnen tegemoetkomingen zitten m.b.t. loonkost, aanpassingen van de arbeidspost, leerkrediet, coaching-op-de-werkvloer, inwerkkosten, enzovoort. Deze piste sluit naadloos aan op het huidig activeringsbeleid en het competentiegericht loopbaanbeleid waarbij telkens vertrokken wordt van de individuele positie van de werkzoekende/werknemer t.a.v. de arbeidsmarkt. Het is ook een billijke benadering omdat het gelijkheid van uitkomsten beoogt. Uit ervaringen in Nederland met de toepassing van de wet Vermeend-Moor, die eveneens de koppeling van individuele loonkostsubsidies aan plaatsing van werkzoekenden voorzag, blijkt evenwel dat de uitwerking van zo’n individueel rugzakmodel niet evident is. De toepassing is gevoelig aan de perceptie van arbitraire toekenning en een gebrek aan transparantie én rechtszekerheid. Alhoewel er de voorbije decennia een enorme weg is afgelegd van een lineaire, administratieve begeleidingsaanpak naar een gedifferentieerde maatwerkaanpak, ontbreekt vandaag nog een goed onderbouwd, methodologisch bewezen en transparant operationeel kader dat bestand is tegen de geformuleerde kritieken. Van zodra deze expertise verworven is, kan dit kader ook aangewend worden voor de integratie van loonkosttegemoetkomingen in het individueel rugzakje van werkzoekenden en werknemers.

Opleiding en vorming

Onder dit thema valt inzonderheid het betaald educatief verlof (BEV) dat overgaat naar de Gewesten die hierover afspraken maken met de Gemeenschappen aangezien dezen voor opleiding en vorming bevoegd zijn. Het BEV is een recht voor werknemers uit de privésector om afwezig te zijn op het werk met loonbehoud bij het volgen van erkende opleidingen.

De overheveling van dit BEV laat toe om één geïntegreerd stelsel van opleidingen voor werknemers te ontwikkelen. Vandaag bestaat er immers al een Vlaams systeem van opleidingscheques waarbij de VDAB tussenkomt in de opleidingskosten van werknemers die zich ‘arbeidsmarktgericht’ willen bij- of omscholen. Het Vlaamse stelsel is al gedeeltelijk gealigneerd op het BEV-stelsel qua erkenning van opleidingen die met opleidingscheques kunnen worden vergoed. De integratie van beide maatregelen ligt dus voor de hand en laat ook toe rekening te houden met meer moderne leervormen zoals blended leren en afstandsleren.

Belangrijk hierbij is evenwel deze opleidingsincentive te kaderen binnen een competentiegericht loopbaanbeleid. Dus geen aanmoediging van de opleiding omwille van de opleiding, maar wel de uitdrukkelijke optie dat een opleiding moet kaderen binnen het Persoonlijk Ontwikkelingsplan (POP) van elke werknemer en dat de competenties die in de opleiding verworven worden, gevalideerd worden in de loopbaanportfolio van de werknemer. Zo kan een opleidingsincentive niet enkel een korte- termijneffect ressorteren maar ook bijdragen tot de uitbouw van een duurzame loopbaan. Tot slot stelt zich de vraag hoe zo’n incentive ook de burger zelf meer verantwoordelijkheden kan geven om zijn loopbaan vorm te geven. De bundeling van opleidingsstimuli in één loopbaanrugzak of loopbaanrekening kan de autonomie van de burger vergroten.

Verder wordt ook het industrieel leerlingenwezen overgedragen naar de Gemeenschappen. Dit leerlingenwezen is een sectoraal georganiseerd opleidingssysteem waarbij jongeren tussen 15 en 18 jaar in het kader van een leerovereenkomst een loontrekkend beroep kunnen aanleren. Alhoewel gemeenzaam industrieel leerlingenwezen genoemd, is het stelsel niet beperkt tot de industriële sectoren. Het is een combinatie van beroepsgerichte vorming met aanvullende theoretische lessen in een onderwijs- of opleidingsinstelling. Deze vorm van duaal leren biedt een unieke, bijkomende opportuniteit voor de geplande hervorming van het secundair onderwijs en kan een hefboom zijn voor een stevig ‘leren en werken’-stelsel binnen dit onderwijs. De grote uitdaging zal erin bestaan zo’n stelsel een volwaardige plaats te geven in deze hervorming. De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is immers een hardnekkig knelpunt. Via een sterk systeem van ‘leren en werken’ of beter ‘leren via werken’ kan deze aansluiting voor een deel van de leerlingen niet alleen beter en effectiever gestalte krijgen maar kan ze ook vroegtijdig schoolverlaten en ongekwalificeerde uitstroom voorkomen. Het voordeel van het ‘industrieel leerlingenwezen’ is zoals de Syntra-leertijd dat de invalshoek de arbeidsmarkt is en niet het schoolse systeem voor deze doelgroepen. Daarom verdient een volwaardig ‘leren via werken’-stelsel een vaste plaats binnen het vernieuwd secundair onderwijsbestel. Dit moet tevens een nieuwe diploma-leerweg zijn met werkplekleren als katalysator.

RANDVOORWAARDEN

We beperken ons hier tot twee kritische bestuurlijke randvoorwaarden, namelijk het federaal én het interregionaal kader, en één budgettaire. Wat het federaal kader betreft, stelt zich de vraag hoe de federale overheid de uitoefening van de normerende bevoegdheden ziet. Zo blijft bijvoorbeeld bij het actief zoekgedrag het normatief kader voor regelgeving een federale bevoegdheid. Indien de federale overheid dit erg ruim bekijkt, is de vrijheidsruimte voor het Gewest uiteraard erg beperkt, te meer omdat de RVA de gewoonte heeft om alle procedures heel sterk regelgevend te verankeren. Zo’n gedetailleerd regelgevend kader zal niet samen sporen met de flexibele, maatgerichte actie- en procesgerichte aanpak vanwege VDAB m.b.t. het opvolgen van het actief zoekgedrag. Een eerder restrictieve bepaling van wat het normatief kader is, dringt zich dus op. Het Gewest krijgt wel een vertegenwoordiger in het Beheerscomité van de RVA maar het is nog de vraag welke reële impact zo’n vertegenwoordiging kan hebben op de RVA-besluitvorming.

Anderzijds onderstreept deze vergaande regionalisering ook de noodzaak van meer interregionale samenwerking. De publieke bemiddelingsdiensten (VDAB, Forem, Actiris, ADG, Bruxelles Formation) geven hierbij reeds het voorbeeld door in 2007 de vzw Synerjob7 op te richten met als doel de interregionale samenwerking en mobiliteit te bevorderen in het belang van alle werkzoekenden én bedrijven. Hierin werden al afspraken gemaakt op het vlak van uitwisseling en vacatures, gemeenschappelijke plaatsingsacties, opvang van werkzoekenden uit een ander Gewest ingeval van collectief ontslag of herstructurering, waarborgen van het cursistenstatuut bij een opleiding in een ander Gewest, toeleiding van werkzoekenden uit een ander Gewest naar een individuele beroepsopleiding, enzovoort. Dit samenwerkingskader zal nog moeten worden uitgebreid om te vermijden dat er conflicterende regelingen of hiaten ontstaan door niet-afgestemde regionale maatregelen. De transparantie en rechtszekerheid van de klanten dient hierbij als uitgangspunt te worden genomen. Meer regionalisering gaat dus onlosmakelijk samen met meer interregionaal overleg.

Tot slot dient de aandacht gevestigd te worden op de budgettaire middelen. Het is bekend dat de overgedragen bevoegdheden gepaard gaan met een budgettaire besparing. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn maar dat betekent dat elk scenario ook op zijn budgettaire doelmatigheid moet worden afgetoetst. Zo is de keuze voor de integratie van het actief zoekgedrag én de PWA’s in de VDAB niet alleen functioneel maar ook budgettair de meest aangewezen keuze. Parallelle mechanismen behouden dient immers absoluut te worden vermeden want veroorzaakt meerkosten. De budgettaire context kan wel een ernstige beperking op de doelmatigheid van het activeringsbeleid inhouden door een cumul van budgettaire ingrepen in dit domein. Naast de doorgevoerde besparingen op Vlaams niveau én de doorgevoerde federale ingreep is er ook een substantiële middeleninkrimping in het nieuwe programma van het Europees Sociaal Fonds. De ESF-middelen worden ook hoofdzakelijk ingezet in de uitbouw van het activeringsbeleid. Dit beeld maakt duidelijk dat er in de komende legislatuur voldoende middelen zullen moeten worden gewaarborgd voor het arbeidsmarktbeleid. Het risico dreigt immers dat de middelen die bestemd zijn voor een actief arbeidsmarktbeleid, nog verder zullen afnemen. Niet alleen scoren we hier nu al niet goed in Europees comparatief perspectief maar als we onvoldoende investeren in de competentieontwikkeling van werkzoekenden verhogen we de kosten in hoofde van de bedrijven en houden we de budgettaire factuur aan uitkeringen hoog.

Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder VDAB

Noten
1/ Deze bijdrage bevat een persoonlijk standpunt van de auteur en bindt zijn organisatie niet.
2/ Het betreft hier een meting op basis van de 'strenge' ILO-criteria die werkloosheid definiëren als 'actief werkzoekend' en 'beschikbaar voor de arbeidsmarkt'. Op basis van het aantal NWWZ bedraagt het 6,4%.
3/ L. Sels en W. Herremans, Vlaanderen houdt (af)stand in een unie met verschillende snelheden. Een vergelijking van Europese regionale arbeidsmarkten. Steunpunt WSE, WSE Report 13-2012.
4/ NEET: Not in Education, Employment or Training.
5/ IDEA Consult, ‘Why invest in employment? The cost of unemployment, European Federation for services to individuals’, Brussel, 2012.
6/ IDEA Consult, ‘Inventarisatie & effectiviteitsscan van de Vlaamse en federale tewerkstellingsmaatregelen’, Brussel, 30 september 2013.
7/ Voor de missie en activiteitenverslagen zie www.synerjob.be.

staatshervorming - ABVV - activering

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 1 (januari), pagina 85 tot 94