Log in

De kinderbijslag van de toekomst

WAT MET NIEUWE VLAAMSE BEVOEGDHEDEN?

De zesde staatshervorming hevelt de bevoegdheden voor de kinderbijslagen, de adoptiepremie en het kraamgeld over naar de Vlaamse, de Franstalige en de Duitstalige gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) voor Brussel (met uitsluiting van de andere gemeenschappen). Daar hoort een budget bij van om en bij de 6,4 miljard euro waarvan ongeveer 3 miljard naar Vlaanderen (zonder Brussel) gaat. Deze overdracht van bevoegdheden werd op het moment van schrijven goedgekeurd in zowel Kamer als Senaat, en treedt in werking op 1 juli 2014. Bijna alle Vlaamse politieke partijen hebben intussen een voorstel geformuleerd hoe de Vlaamse kinderbijslag er in de toekomst moet gaan uitzien. Maar tussen droom en daad staan wetten en soms wel erg veel praktische bezwaren in de weg. In dit stuk wil ik wat dieper ingaan op wat de zesde staatshervorming betekent voor de toekomst van de Vlaamse kinderbijslag.1

Ten geleide geef ik nog het volgende mee. Nog nooit werd er in Vlaanderen zo openlijk gediscussieerd over een grote som geld die kan worden ingezet voor het sociaal beleid. Dat zorgt bijwijlen voor een fel maatschappelijk debat en verleidt de Vlaamse politieke partijen tot stellingname. Wie een stevig sociaal beleid in Vlaanderen verkiest weet zo beter op wie te stemmen. Hoewel de splitsing van de kinderbijslag niet noodzakelijk was om de noodzakelijke hervormingen door te voeren (die kunnen even goed op het federale niveau worden doorgevoerd), heeft het wel een window of opportunity geopend om de nodige hervorming van het kinderbijslagstelsel in te zetten.

DE LOGICA VAN HET KINDERGELD

De logica van het kindergeld is vrij eenvoudig. Via de uitbetaling van het kindergeld wordt een deel van de financiële last van het opvoeden van kinderen gespreid over de hele bevolking en wordt welvaartsverlies omwille van het hebben van kinderen zo veel als mogelijk vermeden (horizontale solidariteit). Kinderen een goede toekomst geven is duur, en een samenleving kan niet zonder toekomstige volwassenen. Daar kan ook een intergenerationele logica aan worden toegevoegd. Gezinnen met kinderen dragen nu immers tweemaal bij: eenmaal voor de pensioenen van de huidige generatie, en via de opvoeding van kinderen voor de pensioenen van volgende generaties.

De draagkracht van gezinnen is echter niet gelijk. Voor gezinnen die met een laag inkomen moeten rondkomen, is de kost van kinderen proportioneel zwaarder om te dragen. Zij hebben het een pak moeilijker om hun kinderen dezelfde kansen te geven als kinderen die opgroeien in een meer begoed gezin. Omdat kinderen niet zelf kunnen kiezen in welk gezin ze worden geboren, is het een kwestie van rechtvaardigheid om meer te investeren in de gezinnen die het moeilijker hebben om de kinderkosten te dragen. Het gaat dan om (verticale) solidariteit tussen rijke en armere gezinnen. Dat maakt van de kinderbijslag ook een potentieel doeltreffend wapen in de strijd tegen kinderarmoede. Een ideaal kinderbijslagsysteem bevat een goede balans tussen horizontale en verticale solidariteit en is dus zowel doelmatig (het compenseert voor de kosten van kinderen) als rechtvaardig (het compenseert meer voor de kinderen in gezinnen met minder middelen).

Deze principes van horizontale en verticale solidariteit weerspiegelen zich in de kenmerken van het kinderbijslagsysteem: is dit universeel of selectief? Een universeel kinderbijslagsysteem is gebaseerd op de idee van horizontale herverdeling: alle gezinnen hebben recht op een tegemoetkoming in de opvoedingskosten van kinderen. Selectiviteit omhelst verticale herverdeling: de tegemoetkomingen zijn enkel gericht op een beperkte groep van gezinnen (bijvoorbeeld lage inkomensgezinnen). Uiteraard kunnen ook mengvormen bestaan, waarbij bepaalde sociale categorieën of inkomensgroepen een hoger bedrag krijgen dan anderen (‘progressief universalisme’ of ‘selectiviteit binnen universaliteit’). Dat is het geval in België en in de meeste Europese landen. Hoe meer selectiviteit in het systeem, hoe groter de nadruk op verticale herverdeling.

HET BELGISCHE STELSEL VAN DE KINDERBIJSLAG

Kinderbijslag in België is geen recht van het kind, maar hangt samen met de arbeidspositie van (een van) de ouders. Vandaag bestaan er drie professionele stelsels naast elkaar: voor werknemers, voor overheidspersoneel en voor zelfstandigen waarbij elk stelsel eigen regels, financiering, beheersautonomie en toegangsvoorwaarden kent. Wie geen rechten kan openen in een van de drie stelsels en slechts over beperkte bestaansmiddelen beschikt, kan terecht in een vierde, residueel, stelsel: de Gewaarborgde Gezinsbijslag.

De kinderbijslagbedragen zijn gelijkaardig in alle stelsels. Voor de basisbedragen per kind (het ‘universele deel’) wordt een onderscheid gemaakt tussen de rang van het kind: een tweede kind krijgt meer dan het eerste, een derde meer dan het tweede. Dit is de zogenaamde rangprogressiviteit. Deze basisbedragen worden voor elk kind aangevuld met een leeftijdstoeslag (0–6 jaar, 6–12 jaar, 12–18 jaar en 18-25 jaar indien het kind verder studeert) en een jaarlijkse toeslag (de ‘schoolpremie’). Deze bedragen zijn dezelfde voor alle kinderen in de verschillende stelsels op enkele uitzonderingen na. In het stelsel voor zelfstandigen is de rangtoeslag voor het oudste kind lager dan in de andere stelsels en krijgt het jongste of enige kind krijgt geen leeftijdstoeslag. Deze verschillen worden weggewerkt in het kader van de zesde staatshervorming (zie verder).

Naast de basisbedragen bestaan er een aantal sociale toeslagen (het ‘selectieve deel’). Sociale toeslagen worden toegekend op basis van de socio-economische status van de rechthebbende op kinderbijslag (langdurige werkloosheid, invaliditeit, ziekte, overlevingspensioen, eenoudergezinnen). De sociale toeslagen hebben een maximale inkomensgrens. Een rechthebbende met een gezinsinkomen boven deze grens heeft geen recht op de toeslag.

WAAROM HERVORMEN?

Ten eerste zorgen de verschillende stelsels, met elk hun eigen regels, toekenningsmodaliteiten en combinaties van bedragen, er voor dat het Belgische kinderbijslagstelsel erg complex en moeilijk te doorgronden is. Grosso modo zijn er immers ongeveer zestig combinaties van bedragen mogelijk (zonder rekening te houden met de regeling voor gehandicapte kinderen). Het vereist heel wat administratieve en technische capaciteit om te vermijden dat gezinnen bijslag ontvangen uit meerdere stelsels. Ook het bepalen van de rangorde van het kind binnen het gezin is erg ingewikkeld, zeker in geval van een scheiding. Daarnaast is de uitbetaling van de kinderbijslag verspreid over verschillende publieke en private instellingen (zoals private kinderbijslagfondsen en sociale verzekeringsfondsen). Het is niet onredelijk te veronderstellen dat deze complexiteit bijdraagt aan de hoge kostprijs van het stelsel. Het Belgische kinderbijslagstelsel is in vergelijking met andere Europese landen een relatief dure vogel. Wanneer de overheidsuitgaven voor kinderbijslagen en belastinguitgaven voor kinderen worden samengeteld, spendeert België samen met Oostenrijk en Ierland het meest van alle EU-landen.

Ten tweede zijn de bedragen van de kinderbijslag sinds de jaren 1980, ondanks indexering en een enkele welvaartssprong, niet meer aangepast aan de stijgende welvaart. Recente analyses tonen dat de basisbedragen de stijging van de lonen niet hebben gevolgd, en hetzelfde geldt voor de meeste sociale toeslagen. Zeker het bedrag voor het eerste kind is zodanig geërodeerd dat het nauwelijks nog relevant is om de kosten voor dat kind te helpen dragen. Wanneer de verhouding van de kinderbijslagen ten opzichte van de minimale kosten van kinderen wordt berekend, dan blijkt dat zij de kosten voor kinderen lang niet dekken, zelfs niet wanneer de sociale toeslagen in rekening worden gebracht. Het stelsel is dus niet langer doelmatig.

Ten derde is die welvaartserosie niet voldoende opgevangen door een toename van de selectiviteit. Het huidige Belgische kinderbijslagstelsel is nog steeds zeer sterk universeel georiënteerd en de elementen van selectiviteit (de sociale toeslagen) zijn zeer beperkt in omvang. Berekeningen van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers (RKW) leren dat de omvang van de sociale toeslagen slechts 6,7% van alle uitgaven voor de kinderbijslagen bedraagt. Dat betekent dat impact van de sociale toeslagen op de levensstandaard van gezinnen met kinderen gering is en dat het Belgische kinderbijslagstelsel niet effectief is in de strijd tegen kinderarmoede. Het stelsel is dus niet langer rechtvaardig.

Hervormingen dringen zich op, maar dat betekent niet dat we het kind met het badwater moeten weggooien. Op een aantal dimensies scoort het Belgische kinderbijslagstelsel immers zeer goede punten.

Zo komen de sociale toeslagen duidelijk terecht bij wie het nodig heeft. Figuur 1 toont het percentage gezinnen die sociale toeslagen ontvangen per inkomensgroep. Meer dan de helft van de gezinnen in de laagste inkomensgroep krijgt een sociale toeslag, en dat waaiert verder uit tot de middelste inkomensgroep. Bij de hogere inkomensgroepen ontvangt zo goed als niemand sociale toeslag.

Daarnaast is het systeem erg performant. Er is zo goed als geen non-take up en de uitbetaling verloopt soepel. Ondanks de complexiteit van het stelsel zijn de elektronische gegevensstromen doorheen de jaren zo verfijnd dat de kinderbijslag een van de enige uitkeringen is die quasi-automatisch en proactief wordt toegekend en zonder al te veel problemen correct bij de gezinnen terechtkomt. Armoedeverenigingen spreken dan ook niet zonder reden lovend over de kinderbijslag: het is een van de weinige uitkeringen die goed functioneert wat betreft de automatische toekenning van sociale rechten.

DE STAATSHERVORMING EN DE KINDERBIJSLAGEN

De tekst van het institutioneel akkoord (het Vlinderakkoord) stipuleert de volledige overheveling van de bevoegdheid en de middelen voor de gezinsbijslagen naar de gemeenschappen en de GGC voor Brussel. Daarbij geldt 1) dat de gemeenschappen en de GGC na de overdracht over de ‘volledige wetgevings-, uitvoerings-, en controlebevoegdheid’ beschikken2; en 2) dat de financiële middelen voor de uitoefening van deze bevoegdheid verdeeld zullen worden via de nieuwe bijzondere financieringswet (zie ook Decoster en Sas in dit nummer) volgens een demografische sleutel. Deze middelen zullen vervolgens evolueren volgens de consumptieprijsindex en de bevolkingsgroei van 0 tot en met 18 jaar in elke entiteit.

Dit impliceert ten eerste dat de gemeenschappen en de GGC over volledige bestedingsautonomie beschikken. De middelen voor de gezinsbijslagen maken deel uit van de persoonsgebonden dotatie (die onder meer ook de uitgaven voor de nieuwe bevoegdheden inzake gezondheidszorg en ouderenzorg omvat) die wordt toegekend in de vorm van een gesloten enveloppe. Een gemeenschap zou er dus voor kunnen kiezen om minder te investeren in een systeem van kinderbijslagen en dat geld aan te wenden voor ander beleid. De staatshervorming impliceert ten tweede dat de gemeenschappen carte blanche krijgen wat de vormgeving van het beleid betreft. In principe kunnen zij tabula rasa maken met het oude systeem en van nul een nieuw stelsel uit de grond stampen.

Het institutioneel akkoord bepaalt tevens dat, voorafgaandelijk aan de overdracht van de bevoegdheden, het recht op gezinsbijslag moet worden ingeschreven in de Grondwet en dat het verschil tussen loontrekkenden en zelfstandigen moet worden weggewerkt. Veel van dat voorbereidende werk is reeds afgerond. Het ‘recht op gezinsbijslagen’ wordt toegevoegd aan artikel 23 van de Grondwet waarin de sociale grondrechten van de Belgische burgers zijn vervat. Het Grondwettelijk Hof heeft benadrukt dat op artikel 23 van de Grondwet een zogenaamde standstill-verplichting rust, de verplichting van de bevoegde overheden om geen afbreuk te doen aan de bestaande sociale grondrechten. Dit betekent niet dat er geen hervorming van de kinderbijslag mogelijk is, wel dat aan het bestaande beschermingsniveau niet zomaar afbreuk kan worden gedaan zonder dat redenen van algemeen belang dat zouden verantwoorden.

De gelijkschakeling tussen werknemers en zelfstandigen wordt vanaf 1 juli 2014 een feit. Daarbij is het interessant te vermelden dat er ook een versnelde inkanteling van het ambtenarenstelsel in de werknemersregeling aan de gang is. Beide evoluties betekenen nu al een aanzienlijke vereenvoudiging van de bestaande beleidsarchitectuur. Zoals ik in mijn inleidende bedenking reeds aanhaalde bleek het nu toch mogelijk om in sneltempo een aantal hervormingen door te voeren die eigenlijk al lang hadden moeten gebeuren maar tot nog toe muurvast zaten. De staatshervorming is hiervoor dus een noodzakelijke katalysator geweest.

DE ADDERTJES ONDER HET GRAS

Hoewel de bevoegdheden formeel worden overgedragen op 1 juli 2014 wordt een overgangsperiode in acht genomen. Dat wil zeggen dat de bestaande regelgeving van kracht blijft tot de gemeenschappen klaar zijn voor de effectieve uitoefening van hun bevoegdheden en dat de bestaande uitvoerende instellingen hun taken (tegen betaling) tot dan blijven behouden, gecoördineerd door de RKW (waar de gemeenschappen zitting nemen in de raad van bestuur). De gemeenschappen (en de GGC) kunnen ten vroegste in 2016 en ten laatste in 2020 over volledige beleidsautonomie beschikken. Hoewel deze overgangsperiode niet betekent dat er helemaal niets kan worden veranderd (zie verder), betekent dit toch een onvermijdelijke periode van beleidsimmobilisme waarin geen grote hervormingsoperatie in gang kan worden gezet.

Daarnaast verbergt de financieringswet een tweede adder onder het gras. De verdeelsleutels voor de toekenning van de middelen aan de gemeenschappen houden immers enkel rekening met demografische parameters en dus bijvoorbeeld niet met de socio-economische samenstelling van de bevolking in de bevoegde gemeenschappen. Voor de kinderbijslag betekent dit dat geen rekening wordt gehouden met het aantal gezinnen dat recht heeft op sociale toeslagen. Bovendien zullen de dotaties enkel gekoppeld zijn aan de index van de consumptieprijzen en niet aan de stijging van de welvaart. Zoals ik eerder stelde, zijn de kinderbijslagen niet langer doelmatig omdat ze de welvaartsevolutie niet hebben gevolgd. De welvaartserosie zit dus ingebakken in de financiering. Hoewel langetermijnvoorspellingen inherent onzeker zijn, impliceert dit op zijn minst dat de gemeenschappen en de GGC, op langere termijn bijkomende middelen zullen moeten vinden om evenveel te spenderen in reële termen aan de kinderbijslag als vandaag. Wie daarentegen meer wil investeren in de kinderbijslag zal onvermijdelijk nieuwe middelen moeten aanboren.

HET HERVORMINGSDEBAT

Alle Vlaamse partijen zijn het er over eens dat het stelsel eenvoudiger moet, waarbij elk kind gelijk wordt behandeld en er niet langer rekening wordt gehouden met het socio-professioneel statuut van de ouder. CD&V en sp.a voorzien een basisbijslag voor elk kind waarbij de rangtoeslagen worden afgeschaft maar de leeftijdstoeslagen worden behouden. Voor CD&V is er daarnaast ruimte voor een sociale toeslag op basis van de ‘reële inkomenssituatie van de ouders’, evenwel zonder te verduidelijken wat men precies bedoelt met de ‘reële’ inkomenssituatie en zonder de inkomensgrenzen waarbinnen men sociale toeslag krijgt te specifiëren. Sp.a voorziet wél concrete bedragen en inkomensgrenzen. De Vlaamse socialisten willen aan ieder kind een basisbedrag van 130 euro toekennen. In dit voorstel worden de inkomensgrenzen van de sociale toeslagen opgetrokken tot 2500 euro bruto, onafhankelijk van de gezinssamenstelling, waarbij het eerste kind 50 euro, het tweede kind 70 euro terwijl het derde en volgende kinderen 90 euro sociale toeslag krijgen. De inkomensgrenzen en de bedragen van de sociale toeslagen zijn hoger dan momenteel het geval is. Ook Groen heeft een concreet voorstel klaar: het basisbedrag voor het eerste kind in de huidige regeling (90,28 euro) wordt behouden als bedrag waar ieder kind recht op heeft. Daarboven komt nog een degressieve inkomensafhankelijke toeslag, waarbij de armste gezinnen het meest krijgen en de rijkste gezinnen minder. De rijkste 10% krijgen geen sociale toeslag.

Ook bij N-VA vertrekt men van een basisbedrag, maar verder dan de opmerking dat er daarnaast ruimte moet zijn om te differentiëren ‘op basis van persoonseigen kenmerken van het kind’ komt men voorlopig niet. Het is niet duidelijk of lage inkomens in dit voorstel gezien kunnen worden als een persoonseigen kenmerk van het kind, en er worden geen bedragen of modaliteiten gespecifieerd. Open VLD is de vreemde eend in de bijt: zij willen de rangprogressiviteit niet afschaffen maar omdraaien. In hun voorstel zou het eerste kind het meest krijgen en het derde en verdere kinderen het minste, evenwel zonder daar concrete bedragen op te plakken.

Wat kunnen we van deze voorstellen verwachten? We weten dat een eenvoudig universeel en forfaitair systeem (een gelijk basisbedrag per kind) binnen gelijk budget onvermijdelijk inboet aan effectiviteit om de armoede te verminderen. Gegeven de erosie van de bedragen zijn de rangtoeslagen in het huidige systeem immers noodzakelijk geworden om het welvaartsniveau van grote gezinnen op peil te houden. Een afschaffing van de rangen zorgt dan ook voor een stijging van het armoederisico bij grote gezinnen met drie of meer kinderen, terwijl de kostendekking voor andere gezinstypes nauwelijks toeneemt. Het armoederisico daalt wel bij (de vaak kleinere) eenoudergezinnen. Daarenboven zijn het vooral de hogere inkomensgroepen die hun beschikbaar inkomen zien stijgen.

Om ervoor te zorgen dat er geen gezinnen in de armoede worden geduwd, moet er worden ingezet op het versterken van de selectiviteit. Genereuze sociale toeslagen voor lage inkomens kunnen echter werkloosheidsvallen genereren. Om dat te vermijden zal men compensatiemechanismen moeten inbouwen die de overgang naar (meer) werk mogelijk maken zonder meteen de extra kinderbijslag te verliezen. Er moet dus een intelligent evenwicht gevonden worden tussen universaliteit en selectiviteit, en dat maakt dan weer komaf met de idee dat een heel eenvoudig systeem op poten kan worden gezet zoals alle partijen dat willen. Het voorstel van Open VLD waarbij de rangprogressiviteit wordt omgedraaid, ten slotte, leidt niet alleen tot een groter armoederisico voor grote gezinnen, maar ook voor eenoudergezinnen.

Hier manifesteert zich het fundamentele dilemma van de hervormers. Binnen een beperkt budget zal men moeten kiezen tussen het compenseren van de kinderkosten van alle gezinnen (universaliteit) of het bestrijden van armoede (selectiviteit). Beide doelstellingen staan immers op gespannen voet met elkaar. Wanneer men meer inzet op selectiviteit, en de middelen dus meer concentreert bij de laagste inkomens, is er minder geld beschikbaar voor alle andere gezinnen, en vice versa. Gegeven het feit dat het huidige kinderbijslagstelsel tekortschiet op zowel het doelmatigheids- als het rechtvaardigheidscriterium, alsook het feit dat de welvaarts-erosie van de kinderbijslag ingebakken zit in de financiering, zal men dus een keuze moeten maken. We weten dat het kinderarmoederisico stijgt in België, en dat ook in Vlaanderen de barometer noodweer aangeeft. Dat is niet alleen nefast voor de ontwikkeling en de levenskansen van deze kinderen zelf, maar ook voor de samenleving als geheel. We weten daarnaast uit internationaal vergelijkend onderzoek dat kinderbijslagen een erg effectief instrument kunnen zijn om de kinderarmoede te reduceren. De keuze is dan ook duidelijk: nu Vlaanderen zelf over dat beleidsinstrument beschikt kan het de ambitie om de kinderarmoede terug te dringen echt waarmaken.

DE LANGE EN KORTE TERMIJN

De hervormingsvoorstellen van de politieke partijen over de toekomstige Vlaamse kinderbijslag verhullen een aantal belangrijke kwesties. Zo wordt er geen vermelding gemaakt van de overgangsperiode en de implicaties daarvan, noch van de praktische en technische problemen die nog moeten worden opgelost alvorens men een eigen systeem op poten kan zetten. Laat me dit illustreren met twee voorbeelden.

  1. Bruno Tobback beweert in de pers dat miljoenen bespaard kunnen worden op de complexiteit van het stelsel. Dat is ongetwijfeld waar, maar het sp.a-voorstel verduidelijkt niet waar die efficiëntiewinsten vandaan zullen komen en zegt tevens niets over de instellingen die de toekomstige Vlaamse kinderbijslag zullen gaan beheren. Beide kwesties zijn nochtans inherent verbonden. Het opzetten van een nieuwe administratie die het kindergeld moet uitbetalen of het belasten van een bestaande administratie met deze taak brengt immers ook overhead en operationele kosten met zich mee. Niet alleen zal het een hele poos duren voor een dergelijke instelling volledig operationeel is en in staat zal zijn om de kinderbijslag op een even performante manier tot bij de Vlaamse gezinnen te krijgen; de standstill-verplichting impliceert dat een nieuw systeem uitgerold zal worden voor de nieuwgeborenen naast het bestaande. Dat betekent uiteraard een dubbele kost. Er zullen dus voor ettelijke jaren twee stelsels naast elkaar moeten bestaan waarbij het ene langzaam uitdooft en het andere langzaam op kruissnelheid komt.

  2. Een inkomenstoets in plaats van socio-professionele categorieën om te bepalen wie recht heeft op sociale toeslagen, zoals voorgesteld door alle partijen (behalve misschien de N-VA), lijkt logisch en rechtvaardig maar dat is niet noodzakelijk het geval. Men is op dit moment nog steeds niet in staat om een inkomenstoets bevredigend toe te passen. Zo wordt er geschat dat meer dan de helft van de rechthebbenden op het OMNIO-statuut dat uiteindelijk niet ontvangen. Een inkomenstoets is ook niet noodzakelijk rechtvaardig als de inkomens van gezinnen niet goed bekend zijn (denk aan doctoraatsstudenten die goed verdienen maar geen inkomstenbelasting betalen). Ten slotte moet ook bepaald worden welk inkomensconcept gebruikt zal worden, en ook dat is geen sinecure (denk maar aan de vrije beroepen en hun vennootschappen). Hierbij geldt: hoe meer criteria men moet inbouwen om inkomens goed te meten, hoe administratief complexer het systeem terug wordt. In het huidige stelsel, gebaseerd op de socio-professionele status van de ouders, komen de sociale toeslagen wel goed terecht bij wie het nodig heeft. Een hervorming mag geen stap terug in de tijd zijn.

Een ogenschijnlijk unieke kans om op korte termijn een totaal nieuw, eenvoudig kinderbijslagstelsel op poten te zetten stoot dus op heel wat praktische bezwaren. Op korte termijn is het aangewezen om de overdracht van de bevoegdheden ordentelijk te laten verlopen en in goede samenwerking met de andere gemeenschappen, de GGC en de RKW betalingsonderbrekingen aan gezinnen te vermijden. Intussen moet er nagedacht worden hoe Vlaanderen de bevoegdheden en de bijhorende middelen zal beheren en welke administratie daarvoor op poten zal worden gezet. Pas daarna kan men beginnen met het implementeren van een nieuw systeem, als en slechts als dat technisch en praktisch haalbaar is, naast het bestaande stelsel.

CONCLUSIE

Een grote hervorming van het Vlaamse kinderbijslagstelsel is slechts haalbaar op de lange termijn. Daarbij moeten de hervormers goed voor ogen houden wie de winnaars en de verliezers zullen zijn, dat het stelsel minstens even performant is (zowel qua uitbetaling als qua bereik van gezinnen) als het huidige systeem, en dat de inkomensselectiviteit op een rechtvaardige manier kan worden toegepast. De focus op de grote hervormingen van het kinderbijslagstelsel verhult echter een aantal belangrijke kwesties die op korte termijn aan de orde zijn.

De bepalingen die met de overgangsperiode gepaard gaan, noch de standstill-verplichting sluiten uit dat men binnen de huidige architectuur van de kinderbijslagen al wat wijzigingen kan aanbrengen. Recent onderzoek toont bijvoorbeeld dat een budgettaire versterking van de bestaande sociale toeslagen al een significant effect op het kinderarmoederisico kan ressorteren zonder dat er meer gezinnen in de armoede worden geduwd. Het gaat hier dan louter om een interne herverdeling van het kinderbijslagbudget; een hervorming die haalbaar is en zelfs al in de overgangsperiode kan worden doorgevoerd. Kortom, op korte termijn kunnen de kinderbijslagen al effectiever worden ingezet in de strijd tegen kinderarmoede. Het zal aan de volgende Vlaamse regering zijn om deze en andere knopen door te hakken.

Wim Van Lancker
Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen

Noot
1/ De studies waarnaar in dit stuk worden verwezen zijn te vinden op www.centrumvoorsociaalbeleid.be en www.flemosi.be.
2/ Memorie van toelichting bij het voorstel van de bijzondere wet m.b.t. de Zesde Staatshervorming.
3/ Reacties welkom op wim.vanlancker@uantwerpen.be.

staatshervorming - kinderbijslag - armoede

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 1 (januari), pagina 76 tot 84