Abonneer Log in

Norm of niet: de vraag naar gezondheid stijgt

OP DE 'ZWEEDSE' ONDERHANDELINGSTAFEL

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 10 tot 15

In 2005 werd de groeinorm voor de wettelijke ziekteverzekering vastgelegd op 4,5%. Jaarlijks mocht het budget van de gezondheidszorg met 4,5% stijgen bovenop de gezondheidsindex. Tussen 2006 en 2011 stegen de uitgaven ook daadwerkelijk met gemiddeld 4,4% per jaar. Dit gebeurde omdat een inhaalbeweging nodig was. De regering-Di Rupo bracht de wettelijke norm terug naar 3%. In reële termen steeg het budget nog met gemiddeld 2,2% tussen 2012 en 2014. Vandaag gaan er bij de regeringsonderhandelaars opnieuw stemmen op om de groeinorm drastisch te beperken in het kader van de nakende besparingsoefening. In budgettair economische tijden lijkt het wel of er telkens met afgunst naar de gezondheidszorg gekeken wordt. ‘Het kan toch niet dat we 1/10de van onze welvaart aan onze gezondheid spenderen?’ Die stelling is echter minder evident dan ze op het eerste zicht lijkt. Geld uitgeven aan gezondheidszorg doen mensen toch. De vraag die we ons dus moeten stellen is: wat is onze gezondheid ons waard en hoe zorgen we ervoor dat we met zijn allen zoveel mogelijk gezondheid krijgen voor een zo goed mogelijke prijs?

OP DE 'ZWEEDSE' ONDERHANDELINGSTAFEL

'Bling bling' defensie in Absurdistan
Francis Baert
Norm of niet: de vraag naar gezondheid stijgt
Jeroen Schoenmaeckers
Graag rationeel debat over kernuitstap
Erik Laes
Waartoe dienen pensioenen?
Celien Vanmoerkerke

DE GEZONDHEIDSZORG IN CIJFERS

Sinds de jaren 1970 stegen de uitgaven voor gezondheidszorg sneller dan onze economische groei. Relatief ging het aandeel van onze welvaart dat we aan gezondheid spendeerden dus omhoog. In 1970 gaven we 4,3% van onze welvaart uit aan gezondheid. Volgens de meest recente OESO-cijfers was dat in 2012 zo’n 10,9%. Voor sommigen is dit voldoende om te zeggen dat het met minder moet kunnen. Wanneer we deze cijfers echter in de juiste context plaatsen krijg je een heel andere verhaal. Twee vragen dringen zich immers op. Ten eerste moeten we ons afvragen of België werkelijk abnormaal veel geld uitgeeft aan gezondheid. Ten tweede moeten we de vraag stellen hoe deze stijging wordt veroorzaakt.

Gemiddeld geven OESO-landen 9,3% van hun BNP uit aan gezondheidszorg. België ligt hier met zijn 10,9% enigszins boven het gemiddelde, maar moet nog een hele reeks landen laten voorgaan waaronder de Verenigde Staten, Nederland en Zwitserland. Het zijn nochtans allemaal landen die gekenmerkt worden door een systeem waarin private verzekeringen een belangrijkere rol spelen dan bij ons. Een eerste belangrijke vaststelling is bijgevolg dat een systeem waarin private spelers meer ruimte krijgen er niet noodzakelijk voor zorgt dat het gedeelte van de collectieve welvaart dat gespendeerd wordt aan gezondheid kleiner is.

Figuur 1: Gezondheidsuitgaven als % BNP – Bron OES0 2014.

Ook als we de uitgaven aan gezondheidszorg afzetten tegenover ons welvaartsniveau doet België het helemaal niet zo gek als opiniemakers ons vaak willen doen geloven. Naarmate landen, en dus ook inwoners, welvarender worden geven zij meer uit aan de gezondheidszorg. Stellen dat Belgen wat de gezondheidszorg betreft boven hun stand zouden leven, klopt niet.

Figuur 2: Uitgave aan gezondheidszorg per capita versus BNP per capita - Bron: OESO 2014.

Tot slot is het, voor de context, nuttig even stil te staan bij de financieringswijze van onze sociale zekerheid. Daar waar de sociale zekerheid ontstond als een verzekeringssysteem gefinancierd door sociale bijdragen, is de financieringsstroom vandaag meer divers. Mede door de druk om de loonlasten te verlagen, nam het belang van de overheidsdotatie en de alternatieve financiering toe. In 2013 vertegenwoordigden de werknemers- en werkgeversbijdragen 66% van de middelen van de sociale zekerheid; 34% bestond uit transfers. Deze laatste categorie valt grosso modo uiteen in enerzijds de alternatieve financiering (hoofdzakelijk btw-inkomsten) - deze vertegenwoordigen 17% - en anderzijds de overheidsdotatie (16%) (RSZ, 2013). Daarnaast zijn er nog enkele kleinere transfers. Wetende dat de transfers meer dan 25 miljard vertegenwoordigen, wordt meteen duidelijk waarom de sociale zekerheid, en dus ook de gezondheidszorg, telkens in het vizier komt bij de begrotingsopmaak.

GROEIENDE NODEN

Dat brengt ons bij de tweede vraag. Hoe komt het dat de kosten voor onze gezondheidszorg stijgen? In de voorbije kiescampagne werden inefficiënties plots verheven tot de boosdoener in de stijgende kost van onze gezondheidszorg. Om deze stelling te staven werd verwezen naar het boek De prijs van uw gezondheid (Lannoo, 2014)van prof. dr. Lieven Annemans. Hoewel er zeker winsten te rapen vallen op het terein van inefficiënties, en dat iedereen die het goed voor heeft met onze gezondheidszorg hierin niet mag aarzelen, mogen we niet meegaan in de systematische overschatting van de omvang hiervan. Het staat vast dat hier de verklaring voor de stijgende kost alvast niet in schuilt. Bovendien werd op dat vlak sinds de jaren 1970 systematisch vooruitgang geboekt. Om maar twee voorbeelden te noemen: het aantal ligdagen in onze ziekenhuizen is sinds de jaren 1970 meer dan gehalveerd. Ook het budget geneesmiddelen vertegenwoordigt in die periode een steeds kleiner aandeel in de uitgaven voor gezondheidszorg (Schokkaert, 2012).

De oorzaken voor de grote stijging van de kosten in de gezondheidszorg liggen dus elders. Een veel gehoorde hypothese, mede gevoed door hysterie rond de vergrijzing, is dat de verouderende bevolking de ziekteverzekering op kosten jaagt. Ook deze stelling is niet zonder meer waar. Het klopt dat de laatste levensmaanden vaak de duurste zijn voor de gezondheidszorg. Maar dit geldt ook voor mensen voor wie het levenseinde te vroeg komt. Waar wel een uitdaging ligt, is het zorgmodel voor chronische aandoening en beschavingsziekten. In de laatste gezondheids-enquête (WIV, 2014) gaf meer dan een kwart van de Belgen aan minstens één chronische ziekte te hebben. Een bijzonder aandachtspunt hierbij is de zogenaamde multimorbiditeit, het gelijktijdig voorkomen van meerdere chronische aandoeningen bij één persoon. Dit fenomeen neemt in omvang toe door de vergrijzing. Dit zal efficiënt moeten worden aangepakt, willen we een kostenexplosie vermijden.

Daarnaast is de belangrijkste kostendrijver in onze gezondheidszorg eenvoudigweg dat we steeds meer kunnen. Medische en technologische vooruitgang maakt vandaag meer mogelijk en beschikbaar dan voorheen. Wetenschappelijke vooruitgang zou de helft van de kostenstijgingen in onze gezondheidszorg verklaren (Schokkaert, 2012). De voorbeelden zijn legio. Operatieve technieken in de cardiologie, kankerbehandelingen, vruchtbaarheidsbehandellingen,… Het is door het beschikbaar worden van zulke mogelijkheden dat onze gezondheidszorg een steeds groter budget vergt. Kortom: hoe meer we kunnen, hoe groter de vraag naar budget is. Medische vooruitgang en de opkomst van beschavingsziekten zorgen er dus voor dat onze gezondheidskosten stijgen. De Studiecomissie voor de Vergrijzing van het Planbureau (2014) voorspelt dat de omvang van het publieke aandeel in de kosten van de gezondheidszorg van 8,3% van ons BNP zal stijgen naar 10,1% in 2030. Alleen al om de collectieve gezondheidszorg die we vandaag kennen te kunnen blijven aanbieden, zal het budget dus sterker moeten groeien dan onze welvaart.

DE VOLKSWIL

Voor opiniemakers en politici die nu opnieuw de groeinorm in de gezondheidszorg in het vizier nemen, is het gegeven dat de gezondheidsuitgaven sneller stijgen dan onze welvaart een voldoende argument om deze groei in vraag te stellen. De historische en internationale vergelijking zou echter moeten duidelijk maken dat dat onvoldoende is. Naarmate men rijker is, groeit de bereidheid om meer van die rijkdom aan gezondheid te spenderen. Gezondheid kan men bekijken als wat economen superieure goederen noemen. Eenvoudig gesteld: als je meer geld hebt, zal je ook bereid zijn daar een groter deel van te spenderen aan gezondheid. In België stel je overigens vast dat de stijging van de gezondheidsuitgaven gelijke tred houdt met de stijging in de uitgaven voor luxe zoals cultuur, ontspanning en horeca (Figuur 3). Hierover hoor je echter niemand zeggen dat het ‘schandalig’ is dat deze uitgaven sneller stijgen dan onze welvaart.

Dit fenomeen verklaart overigens waarom Amerikanen zo’n groot aandeel van hun welvaart aan gezondheidszorg spenderen. Naast het gegeven dat zij een heel duur gezondheidslandschap hebben, hebben zij ook veel kapitaalkrachtige inwoners die bereid zijn die fikse sommen op tafel te leggen. Gezondheid staat ook steevast hoog in de lijstjes van zaken waaraan mensen belang hechten in het leven. De Vlaming is hierop geen uitzondering. Uit onderzoek blijkt dat we ondanks de kostenretoriek zeer positief staan tegenover de gezondheidszorg. Dit werd recentelijk nog bevestigd in een studie die prof. dr. em. Mark Elchardus (2014) uitvoerde n.a.v. het 50-jarig bestaan van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV). Collectief geld uitgeven aan de gezondheidszorg is dus een uiting van een volkswil.

BETALEN DOEN WE TOCH

De medische en technologische vooruitgang zal niet stoppen. Hoewel we mogen hopen op verbetering, zullen we evenmin plots in staat zijn om allemaal van de ene dag op de andere (welvaarts-)ziektes te vermijden. De vraag naar en de kost van gezondheid zal blijven stijgen. Dat beseffen ook zij die de gezondheidszorg vandaag op dieet willen zetten. De vraag is niet of we deze kost zullen dragen maar hoe we die zullen verdelen. De verplichte verzekering laten groeien, houdt in dat we ervoor kiezen om de gezondheidszorg collectief te blijven organiseren. Een rem zetten op de groei van de gezondheidszorg betekent deze kost doorschuiven naar het individu.

Vandaag betalen Belgen reeds een vierde van hun gezondheidsuitgaven uit eigen zak. Hiermee scoren we wat de overige OESO-landen betreft eerder hoog. Dit komt omdat onze collectieve en universele verplichte verzekering op verschillende vlakken geen volledige dekking biedt. Remgelden, supplementen en niet-terugbetaalde verstrekkingen zorgen voor een groot persoonlijk aandeel. De zwaarte van dit persoonlijk aandeel zorgt voor blijvende ongelijkheden in ons gezondheidssysteem. Uit onderzoek van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (Hens e.a., 2014) bleek dat maar liefst 40% van de respondenten aangaf zorg uit te stellen om financiële redenen. Van de mensen met een laag inkomen stelt drie op vier zorg uit.

DUS DOEN WE HET MAAR BETER SAMEN

Wanneer medische behandelingen voorhanden zijn, zullen mensen die er nood aan hebben, proberen deze te verkrijgen. Ook de stijgende populariteit van verzekeringsproducenten die zich richten op wat niet in de verplichte verzekering opgenomen is, is hier een gevolg van. Naast de populariteit van de reeds goed ingeburgerde hospitalisatieverzekering, volgde in september jongstleden het bericht dat aanvullende verzekeringen voor tandzorg steeds populairder worden. Deze tendens is zonder meer kwalijk te noemen.

De nadelen van het privatiseren van gezondheidsrisico’s spreken voor zich. Op domeinen waar de collectieve ziekteverzekering niet sterk genoeg is, onstaat een gezondheidslandschap met twee snelheden. Zij die zich dure behandelingen of hulpmiddelen niet kunnen veroorloven of zich hiervoor niet privaat kunnen verzekeren, vallen uit de boot. Maar liefst 40% van de Belgen heeft geen private hospitalisatieverzekering.

Bovendien blijken private systemen efficiëntie niet in de hand te werken. Als we het internationaal bekijken, zien we dat Amerikanen maar ook Nederlanders en Zwitsers (zie Figuur 1) meer van hun welvaart moeten afstaan om in ruil een gezondheidszorg te krijgen die niet per se meer gezondheid oplevert dan de onze. In Amerika waren tot voor Obamacare 40 miljoen mensen onverzekerd. In Nederland heeft de introductie van de marktwerking de globale uitgave niet doen dalen. Wel onstond er een tweedeling tussen zij die zich luxepakketten kunnen aanschaffen en zij die het moeten doen met de door de overheid opgelegde basiswaarborgen. Ook in onze eigen private sector valt de lage performantie op. De verzekeringssector berekende dat voor elke euro die in 2012 binnenkwam, slechts 71 cent uitbetaald wordt aan schadelast (Assuralia, 2012). Hier scoort de verplichte verzekering stukken beter met 95 cent.

CONCLUSIE

Door de wijze waarop we onze sociale zekerheid financieren, vormt deze een belangrijke uitgavenpost op de federale begroting. Dit maakt dat in tijden van besparingen ook de gezondheidszorg in beeld komt. Meer bepaald de groeinorm is een doorn in het oog van zij die een ander model van gezondheidszorg voorstaan. De argumenten die men hierbij gebruikt zijn echter vaak vals. Het klopt niet dat Belgen excessief veel van hun rijkdom aan gezondheidszorg uitgeven. Ook is de stijging in de uitgaven niet abnormaal maar eerder in lijn met onze gestegen welvaart. Verder is het een illusie te denken dat er aan de factoren die deze stijging veroorzaken spoedig een halt kan worden toegeroepen. Efficiëntiewinsten, hoewel noodzakelijk, zullen niet volstaan om de groeiende noden en het stijgende potentieel te counteren. Temeer omdat ook het huidige systeem wat de dekking betreft aan versterking toe is. Ruimte creëren om medische vooruitgang te kunnen blijven opnemen in onze gezondheidszorg beantwoordt bovendien aan een maatschappelijke vraag.

Kortom: norm of niet, de vraag naar gezondheid zal blijven stijgen. De verplichte verzekering laten groeien betekent deze nood solidair opvangen en iedereen laten meegenieten van onze toegenomen welvaart. De groei van de verplichte verzekering stopzetten, komt neer op het afwentelen van gezondheidsrisico’s op het individu en vooruitgang en gezondheid reserveren voor de lucky few. Bovendien blijkt het macro-economisch niet eens interessant (Figuur 1). We kunnen alleen maar hopen dat de Zweedse onderhandelaars deze kelk aan zich laten voorbij gaan.

Jeroen Schoenmaeckers
Sp.a-studiedienst

Bronnen
- Aussuralia (2013), Kerncijfers van de Belgische verzekeringsmarkt, geraadpleegd via www.assuralia.be.
- Elchardus, M. (2014), ‘Uw gezondheidszorg, Uw mening telt!’– Bevolkingsenquête, VUBrussel.
- Hens, E. e.a. (2014), Onvervulde noden. Enquête onder leden van de Socialistische Mutualiteiten: resultaten en analyse, Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten.
- Planbureau (2014), Jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergijzing – juli 2014, geraadpleegd via www.plan.be.
- Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (2014), RSZ Jaarverslag 2013, geraadpleegd via www.rszjaarverslag.be.
- Schokkaert, E. (2012), De evolutie van de uitgaven voor gezondheidszorg in België, presentatie gegeven in De Vooruit te Gent op het Visie-congres van sp.a op 1 december 2012.
- Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (2014), Gezondheidsenquête 2013 – Rapport 1: Gezondheid en Welzijn, geraadpleegd via https://his.wiv-isp.be.

groeinorm - gezondheidszorg - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 10 tot 15