Abonneer Log in

Waartoe dienen pensioenen?

OP DE 'ZWEEDSE' ONDERHANDELINGSTAFEL

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 22 tot 26

De pensioenen liggen zwaar onder vuur. Nog maar eens. Het ziet er naar uit dat we het in de toekomst met minder zullen moeten doen. De pensionerende hardwerkende Vlaming zal nog net rondkomen. Maar alles wat niet klinkt als ‘voltijds’ en ‘een leven lang’ wordt in de toekomst afgestraft door een lager pensioen. Het principe van solidariteit in de sociale zekerheid en in het pensioenstelsel meer bepaald, lijkt voorbijgestreefd. Het dogma dat regeert is dat iedereen keuzes maakt en er bijgevolg ook verantwoordelijk voor gesteld moet worden. Dit dogma staat nochtans mijlenver af van de realiteit. Het zal bijgevolg zware gevolgen hebben voor de inkomsten van gepensioneerden de volgende decennia.

OP DE 'ZWEEDSE' ONDERHANDELINGSTAFEL

'Bling bling' defensie in Absurdistan
Francis Baert
Norm of niet: de vraag naar gezondheid stijgt
Jeroen Schoenmaeckers
Graag rationeel debat over kernuitstap
Erik Laes
Waartoe dienen pensioenen?
Celien Vanmoerkerke

VERGRIJZEN WE OF WORDEN WE JONGER?

Eén ding is zeker, we zijn met steeds meer mensen. Sinds 2000 steeg de Belgische bevolking van 10,2 naar 11,1 miljoen. En hoewel we langer leven, meen ik te mogen veronderstellen dat het niet het aantal ouderen is dat de Belgische bevolking doet toenemen, maar wel het aantal geboortes en de migratie. Vrouwen die in België wonen, krijgen in elk geval meer kinderen dan gemiddeld in Europa.

Naast deze vaststelling weten we ook dat de toename in de pensioenuitgaven tijdelijk is. De babyboomgeneratie is een opaboom geworden. De Vergrijzingscommissie gaf voor het eerst, door het gebruik van een meer accurate berekeningsmethode, de tijdelijke impact van de opaboom aan. Zo stijgen de pensioenuitgaven van 10,6% naar 14,9% in 2040 om daarna terug af te nemen, tot 14,7% in 2060. De totale sociale uitgaven die vandaag 26,4% uitmaken van onze nationale rijkdom stijgen tot 32,2% van het bbp in 2040 maar nemen daarna vrij snel weer af tot 30,6% in 2060. De rijkdom over die periode, gerekend in bbp per inwoner, neemt ook toe, en zelfs sneller dan de bijkomende vergrijzingsuitgaven. Zoals professor Jozef Pacolet (HIVA) berekende, nemen de vergrijzingsuitgaven toe met een vermenigvuldigingsfactor van 1,66 terwijl de evolutie van de welvaart toeneemt met factor 1,86. Het gaat dus om keuzes maken.

Tijdens de oliecrisis in de jaren 1970 stegen de sociale uitgaven met 7,5% van ons bbp over een periode van 10 jaar. De huidige vergrijzingskost voorziet een toename met 4,2% over een periode van 46 jaar. We overleefden in het verleden dus al minstens een gelijkaardig voorbeeld dat bovendien harder inhakte op het sociaal beleid. Bovendien vragen tijdelijke problemen tijdelijke oplossingen.

In een eerder rapport, in de herfst vorig jaar, berekende het Federaal Planbureau de oorsprong van de vergrijzingskost (die toen op 4,6% geraamd werd). Zo’n 3,5% van de budgettaire kost komt door de stijgende levensverwachting, de resterende 1,1% komt voort uit andere demografische factoren.

Maar kunnen we er van uitgaan dat de levensverwachting onbeperkt zal blijven toenemen? Die overweging is belangrijk. Zeker als je ziet in welke mate deze de vergrijzingskost bepaalt. Bovendien is er ook een groot verschil tussen algemene levensverwachting en levensverwachting in goeie gezondheid. Zo heeft een 50-jarige vrouw die haar secundair onderwijs niet afgemaakt heeft nog slechts 17,4 gezonde jaren in het vooruitzicht, terwijl haar universitaire buurvrouw nog 28 gezonde jaren tegemoet gaat. Bij de mannen gaat het om 16,1 jaar tegenover 20,8 jaar. Deze beschouwing is cruciaal in de ganse discussie over het linken van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting, zoals vaak als ideaal wordt voorgesteld.

PENSIOENEN ZIJN EEN DEEL VAN EEN GROTER GEHEEL

Pensioenen nemen een grote hap uit het budget van de sociale zekerheid. Jaarlijks gaat er 20 miljard euro naar het betalen van gepensioneerde werknemers, of een derde van alle sociale zekerheidsuitgaven. Het is dan ook logisch dat men naar deze post kijkt wanneer er middelen gezocht worden. Nochtans, het gemiddeld pensioenbedrag van werknemers bedraagt voor een man 937 euro en 689 euro voor een vrouw (cijfers RVP op 1/1/2013). Het gaat om eigen pensioenrechten, dus geen gezinspensioen noch overlevingspensioen. Geen riante situatie, toch? Deze cijfers zijn het inkomen waarmee men daadwerkelijk moet leven. Dat moet men indachtig zijn, vooraleer men gaat spreken over hervormen, lees: besparen. Want dat zal het zijn. De pensioenen worden louter als een financiële parameter gezien, waaraan gesleuteld kan worden om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Behalve het verbeteren van het minimumpensioen, waar iedereen het over eens lijkt te zijn, kondigt er zich weinig goeds aan voor onze pensioenverzekering. Nochtans, een pensioenstelsel zou enkel moeten dienen om een waardig pensioen te verzekeren en niet als besparingspost.

Natuurlijk is een pensioenbeleid geen eiland en heeft een sterk pensioen ook sterke overheidsfinanciënnodig. Een rechtvaardige fiscaliteit, een tax shift, een algemene sociale bijdrage, strijd tegen fiscale en sociale fraude,… allemaal zaken die moeten bijdragen aan sterke overheidsfinanciën. Wat primordiaal is voor het pensioenstelsel, is een sterke sociale zekerheid.

Pensioenen worden al te vaak uit het globale plaatje gelicht. Dat pensioenen onbetaalbaar zijn omdat we langer leven, kan niet los gezien worden van het feit dat ook de groep van mensen op arbeidsactieve leeftijd toeneemt. Er zullen niet alleen meer bijdragebetalers zijn, we worden bovendien ook altijd rijker. Het bbp is de laatste 20 jaar verdubbeld. Alleen moeten we vaststellen dat die extra geproduceerde rijkdom niet de lonen of de sociale uitkeringstrekkers er op vooruit doet gaan. Nochtans zijn de werknemers ook in de laatste dertig jaar, dubbel zo productief geworden. In 1980 leverde één gewerkt uur ongeveer 23 euro op, anno 2014 bedraagt dit 46 euro. In principe zou dat dus moeten volstaan om de meerkost van de vergrijzing te financieren. Het gaat om keuzes maken.

IS LANGER WERKEN HET ANTWOORD?

We kunnen inderdaad met z’n allen langer werken. Het verplichten, echter, is geen goeie zaak. Zowel bij de pensioenhervorming van 1997 als bij de opeenvolgende verstrengingen van de toegangsvoorwaarden van het voormalige brugpensioen, zien we een toename van het aantal gerechtigden in andere takken van de sociale zekerheid (werkloosheid en invaliditeit), wat de kosten doet toenemen. De jacht op de werklozen is al een tijdje ingezet. Nu zijn de invaliden aan de beurt. Het kan volgens sommigen toch onmogelijk zijn dat er zoveel mensen arbeidsongeschikt zijn. Deze moeten worden opgevolgd en aan het werk gezet. Enkel jammer dat hen geen arbeidspost aangeboden wordt. Bovendien is de langer werken-discussie zuur als je elke keer de uitgangsdeur voor je neus ziet dichtklappen, terwijl jouw kind geen kansen krijgt op de arbeidsmarkt. Een beleid voor werkbaar werk, kwaliteitsvolle jobs, een meer ontspannen loopbaan, ontbreekt. Deze is nochtans nodig als je echt mensen langer aan het werk wil houden.

Naast een goeie tewerkstelling zijn bijkomende inkomsten voor de sociale zekerheid een noodzaak. De laatste jaren werden, op vraag van werkgevers en bedrijven, tal van nieuwe bijdrageverminderingen toegekend, zoniet dan zouden hun bedrijven vertrekken, werd ons verteld. Zoveel jaar later mist de sociale zekerheid 7 miljard euro aan inkomsten en zijn vele bedrijven toch vertrokken. Overheidsmiddelen die in principe moesten dienen voor de werkgelegenheid werden weggekaapt door de dividenden. Zo is er een wonderbaarlijk parallellisme tussen de evolutie van de dividenden met een bedrag van 11 miljard en de evolutie van de steun aan de bedrijven met 10 miljard euro! Men kan dus ernstige vragen stellen bij de doeltreffendheid van de lineaire, onvoorwaardelijke werkgelegenheidssteun die aan de ondernemingen gegeven wordt.

Naast de bijdrageverminderingen werden ook tal van voordelen vrijgesteld van sociale bijdragen, zoals aanvullende pensioenen, ecocheques, maaltijdcheques,... Moesten deze voordelen van alle aard gewoon onderworpen worden aan sociale bijdragen, dan zou dit (naargelang de gebruikte parameters) tussen minimaal 4,7 en maximaal 6,8 miljard euro opbrengen.

Bijkomende inkomsten voor de sociale zekerheid lijken taboe. We kijken de komende jaren aan tegen een tekort wegens het uitblijven van de evenwichtsdotatie in de sociale zekerheid (die nochtans politiek was verkregen tot 2018 maar nooit werd omgezet in wetgeving). Daarom is bijkomende financiering noodzakelijk. We kunnen niet langer besparen op werkloosheid, op pensioenen, op gezondheidszorg, als we het er over eens zijn dat we een goed sociaal verzekeringssysteem willen behouden.

ZIJN DE PENSIOENEN ONBETAALBAAR?

Ik wil absoluut geen defensieve of behoudsgezinde houding aannemen. Wat ik wel wil, is pleiten voor enige relativering. Het algemeen aanvaarde idee dat pensioenen onbetaalbaar zijn komt er door de jarenlange promotie in die zin door zij die daar belang bij hebben. Hoewel vaak gezegd wordt dat de diverse pensioenpijlers complementair zijn, staan ze in realiteit met elkaar in concurrentie. De verdedigers van vooral het derde pijlerpensioen, het zogenaamde pensioensparen, hebben baat bij een zo laag mogelijk wettelijk pensioen. Dat net zij boodschappen de wereld in sturen dat onze pensioenen niet meer betaalbaar zijn en bijgevolg hervormd/beperkt moeten worden, is in hun strategie logisch maar erg gevaarlijk voor de publieke legitimiteit van de sociale zekerheid en de wettelijke bescherming van werknemers en gepensioneerden. De miljoenen euro’s die jarenlang in die publiciteitscampagnes zijn gepompt hebben hun doel niet gemist. Zowat de ganse bevolking is het er ondertussen over eens: de wettelijke pensioenen zijn miserie en kosten véél te véél. Heb je geen aanvullend pensioen of doe je niet aan pensioensparen? O jeetje, je bent een vogel voor de kat.

Als het inderdaad zo verder gaat, dan zitten we met een probleem. Toch weiger ik een deel van mijn inkomen aan een financiële instelling te geven om zo mijn pensioen te verzekeren. Ik vind het voorzien in een goed pensioen een overheidstaak. Ik verkies (een deel van) mijn inkomen af te staan aan een overheid, die geen ander belang heeft dan mij een pensioen te verschaffen. Er zijn geen aandeelhouders, er is geen winst te realiseren. Daarom wil ik pleiten voor extra middelen om zo te verzekeren dat we in de toekomst een beter pensioen kunnen geven aan iedereen op de arbeidsmarkt. De miljoenen die voor publiciteit zijn gebruikt, konden elders en nuttiger besteed worden: het zou de inwoners minder angst en een beter pensioen hebben opgeleverd.

WAT WIL DE NIEUWE PENSIOEN­MINISTER?

Met het pleidooi voor meer inkomsten voor betere pensioenen staat het sociale middenveld alleen. De toekomstige regeringspartners willen een andere weg inslaan. De berichten die ons bereiken zijn dramatisch: we moeten langer werken en krijgen er minder voor terug.

Gelijkgestelde periodes zouden worden beperkt tot vijf jaar, ook voor het verleden. Dit is contractbreuk. Keuzes (al dan niet gedwongen) uit het verleden worden op die manier afgestraft. Werd je bij herstructurering op je 55 op brugpensioen gezet, dan zal nog slechts 5 jaar meetellen voor je pensioen. Was je in jouw loopbaan eerder al werkloos of ziek, dan wordt dat er van af getrokken. Dit soort maatregelen (zeker voor het verleden) zijn ongehoord. De ‘korte pijn’ - of hoe men het wil verkopen - is eigenlijk een heel erg lange pijn, want men gaat terug tot het begin van je loopbaan waar je helemaal geen impact meer op hebt, en heeft gevolgen tot je laatste pensioenbetaling.

Ook het overlevingspensioen zou worden afgeschaft. Dit terwijl de net door sociaal overleg tot stand gekomen hervorming nog niet eens in werking is getreden. De positieve maatregel tot langer werken, namelijk de pensioenbonus, zou worden afgeschaft en vervangen door de herinvoering van de malus.

Het expertenrapport, dat in eerste coalitiegesprekken als leidraad werd gebruikt (maar ondertussen eerder als catalogus wordt gehanteerd), wil een puntensysteem invoeren. Werk je één jaar aan een gemiddeld loon, dan krijg je één punt. De betrachting van een puntensysteem is te komen tot een systeem dat duidelijker is voor de (toekomstig) gepensioneerde, zodat die weet wat er hem/haar te wachten staat.

De drie pensioeninstellingen werken vandaag samen met als doel tegen eind 2016 te kunnen starten met één gemeenschappelijke pensioenraming, inclusief de rechten opgebouwd in de tweede pijler. Voor het werknemers- en het aanvullend pensioen zou dat al kunnen vanaf de leeftijd van 45 jaar. Hierbij worden de lonen genomen die je verdiende en wordt de pensioenberekening er op toegepast met verschillende hypotheses: je blijft werken, je wordt werkloos, je neemt je vervroegd pensioen,... Dit gaat om correcte berekeningen van reële rechten. Dit systeem lijkt me veel concreter dan een aantal punten te verzamelen, zonder dat je de waarde van het punt kent, temeer omdat je geen enkel idee hebt hoe de economische of demografische situatie zal zijn op het eind van je loopbaan. En laat dat nu net de twee parameters zijn waarmee rekening gehouden zal worden bij de waardebepaling van het punt.

Ik wil in dit artikel niet te fel uitweiden over het expertenrapport. Hoewel er heel wat positieve elementen in voorkomen, zoals de bijkomende financiering op vermogen, het opruimen van slopende jobs, de herwaardering van de lonen, de meer sociale financiering van de sociale zekerheid voor zelfstandigen,… zijn het jammer genoeg niet deze aspecten die overgenomen worden. Wat overgenomen wordt zijn zaken die het pensioen achteruit doen gaan: langer werken voor minder pensioen, het harmoniseren naar beneden toe van de ambtenarenpensioen, zonder garanties op beter werk.

Het brede maatschappelijke debat, waar de expertencommissie op aanstuurt, lijkt te zullen uitblijven. Het pensioen van alle werknemers, jong of oud, laag- of hooggeschoold, werkzoekend, ziek, ... zal in vorm gegoten worden door zij die het goed hebben, door zij voor wie het evident lijkt om 45 jaar voltijds te werken, zij die effectief keuzes hebben. Benieuwd of een schaduwkabinet van niet-hooggeschoolden hierover hetzelfde zou denken?

Celien Vanmoerkerke
Sociale studiedienst ABVV

pensioen - sociale zekerheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 22 tot 26