Abonneer Log in

Waarom jonge moslims nog steeds radicaliseren

1 JAAR NA DE AANSLAGEN IN BRUSSEL

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 67 tot 73

Jonge moslims kunnen heel verschillend reageren op een situatie van stigmatisering. Dit is hetgeen de Molenbeekse jeugd ons leert. Je kan knokken om er bovenuit te groeien, je kan de wijk ontvluchten, je kan cocoonen in een kleine salafi-enclave, je kan geld zoeken in dealing, je kan agressief jihadi worden. In deze bijdrage verkies ik om van pure feitelijkheden te vertrekken, daarna bekijk ik dan de leefwereld van die jongeren en pas nadien wil ik over radicalisering discussiëren. Bij de diverse vormen van radicalisering gaat het over een cocktail waar persoonlijke, sociale, maatschappelijke, religieuze elementen en geopolitieke fantasieën op elkaar inwerken. Ik sluit af met een aantal beleidsvragen, want ook vandaag blijven jonge moslims nog steeds radicaliseren.

1 JAAR NA DE AANSLAGEN IN BRUSSEL

Waarom jonge moslims nog steeds radicaliseren
Johan Leman
Waarom jonge moslima's steeds meer radicaliseren
Hind Fraihi

POGING TOT BEELDVORMING

Op 22 maart 2016 bliezen teruggekeerde Syrië­gangers zich op in de luchthaven van Zaventem en de metrohalte van Maalbeek. We zijn precies een jaar later. Voor zover me bekend is, ziet de situatie er nu als volgt uit: 350 jonge mensen zijn ooit uit België naar Syrië vertrokken en er daadwerkelijk aangekomen. Daarnaast zijn er nog 80 vertrokken die onderweg werden tegengehouden. Op 5 vertrekkers zijn er gemiddeld 4 mannen en 1 vrouw. De gemiddelde leeftijd ligt rond de 22 à 25 jaar. Van hen zijn er 90 gestorven. Zo’n 130 zijn uit Syrië teruggekeerd; waarvan een derde in de gevangenis zit. In feite zijn er dus vermoedelijk nog 130 Belgen actief op het terrein in Syrië. De helft ervan komt uit de kanaalzone (Brussel en Vilvoorde), de andere helft grotendeels uit Vlaanderen (Antwerpen, maar ook meerdere provinciesteden). Minder dan in andere Europese landen betreft het bekeerlingen.

Wat de politiezone Noord-West Brussel betreft (waar o.a. Molenbeek onder valt, het terrein waarop ik mijn waarnemingen baseer) zijn er nog een 30-tal jonge mensen actief in Syrië. Men telt er 15 doden en 15 teruggekeerden. De politiezone Noord-West Brussel (en met name vooral Molenbeek en Anderlecht) staat dus voor een 60-tal jongeren die ooit naar Syrïe zijn gaan vechten, op een totaal van 350 voor geheel België. De politie wordt geacht 120 mensen van nabij te volgen, met onder hen een 17-tal van wie men aanneemt dat ze ronselen of minstens sterk sympathiseren.

Is met het bovenstaande het gehele fenomeen van de zogenaamde radicalisering omschreven? Evident niet. Daarnaast bestaat er nog een schemerzone die bestaat uit allerlei salafismen. Dit varieert van heel vreedzame tot veel minder verdraagzame mensen. Die salafibevolking valt moeilijker in cijfers te vatten.

LEEFWERELD JONGEREN

Het valt wellicht ‘buiten de tijdsgeest’ om, bij het ingaan op religieuze fenomenen, eerst enkele maatschappelijke gegevens ter contextualisering onder de aandacht te brengen. Maar ik kan het niet laten. Bepaalde zaken zijn werkelijk te opvallend om ze als bijkomstigheid onvermeld te laten.

Is het een detail dat de laag-Molenbeekse wijken langs het kanaal een bevolkingsdichtheid hebben van minstens 20.000 inwoners per km2 en in sommige buurten zelfs 36.000 per km2? Is het een detail dat de helft van de gezinnen er in appartementjes leeft van minder dan 55m2 en dat de helft van de bevolking jonger is dan 29 jaar? En is het een detail dat in een derde van de gezinnen met kinderen de moeder er alleen voor staat?

De betrokken wijken langs het kanaal hebben alle kenmerken van een gate city. Het gaat om wijken waar iemand tijdelijk verblijft zolang de migratie niet echt succesvol is en waar nieuwe migranten uit allerlei dorpen in Afrika, Oost-Europa en Azië de meer succesvolle uitstromers komen vervangen die de betere wijken opzoeken.1 Ik weet dat ik veralgemeen, maar het is wel de teneur. Er is werkgelegenheid in Molenbeek, absoluut, KBC en de administratie van de Communauté Française zijn er zelfs gevestigd (in de gentrification area naast het kanaal), maar dat heeft als resultaat dat er weliswaar lokaal 21.755 jobs te begeven zijn, die echter slechts in 3.055 gevallen door de Molenbekenaren zelf worden ingenomen. De doorsnee Molenbekenaar zoekt een inkomen vooral als winkelier of coiffeur, zaken waarbij het behaalde diploma eigenlijk niet veel belang heeft. Resultaat: in 40% van de gezinnen heeft niemand werk.

In zo’n leefwereld proberen jonge adolescenten hun dromen waar te maken. Je moet in jezelf geloven, je niet laten ontmoedigen, een goede school vinden, niet op de verkeerde vriendjes botsen, … wetende dat een islamitisch klinkende naam, gecombineerd met ‘1080 Brussel’ als adres, niet echt een positieve referentie is.

Vanwaar die negatieve referentie? Tot die leefwereld behoren nu eenmaal, objectief gesproken, ook enkele kenmerken die Samson en Groves2 in een klassiek werk besproken hebben, waar het absoluut niet over Molenbeek ging: adolescentie delinquentie. Zij beschreven hoe bij grote bevolkingsdichtheid en bij vaak wisselende multi-etnische samenstelling, met heel wat eenoudergezinnen met een zwakke economische status, adolescentie delinquentie heel frequent voorkwam. Als men bovendien weet dat de gemeente op een grote drugslijn ligt, van het centrum van de Rif in Noord-Marokko over Parijs, Brussel en Antwerpen naar Amsterdam, dan begrijpt men de verlokking.

In Molenbeek staat men van jongs af ook bloot aan de druk van allerlei tegenculturen, en aan een fundamenteel wantrouwen tegen de samenleving en haar media. Noem het de dreiging van een soort mentale gettoïsering. Weerom niet te veralgemenen, maar ze is wel degelijk aanwezig in de meer marginale glooiingen van die lokale samenleving. Goed te keuren? Geenszins. Maar zal dit gewijzigd worden door op mensen te schelden, door hen als potentiële boosdoeners of ‘mensen die niets beters willen’ terecht te wijzen? Ik durf dit te betwijfelen.

In zo’n samenleving moet je eigenlijk bij uitstek in onderwijs investeren, niet in het minst in heel goed technisch en beroepsonderwijs, ook in representatieve gemeenschapspolitie, en ten slotte eveneens in sociale weefsels die interculturele interactie stimuleren. Maar laat nu net uitstekend beroepsonderwijs en gemeenschaps- of nabijheidspolitie afwezig zijn. En laat nu net ook de verenigingen die in interculturele interactie investeren vaak voorwerp van kritiek zijn voor outsiders en politici die er af en toe eens enkele uren langskomen om hun licht te laten schijnen en dan nadien enkele puur repressieve salvo’s op het geheel van de bevolking loslaten. Mag er dan geen repressie zijn? Natuurlijk, maar dan liefst waar ze best plaatsvindt. Niet bij het geheel van de reeds door een overheid gecontroleerde verenigingen, maar bij de vele vzw’s die aan elke controle ontsnappen.

Van de Canadese socioloog, Erving Goffman, hebben we geleerd dat iemand zich als gestigmatiseerd ervaart wanneer hij van zichzelf vindt dat hij eigenlijk niet anders is dan iemand anders, maar ondervindt dat anderen hem wel als een ‘negatief apart geval’ zien. Welnu, die stigmatisering is er bij veel jongeren vandaag onmiskenbaar bovenop gekomen. Sommigen verwerken dat via humor in allerlei sketches, via rap en slam, of bouwen een tijdlang verder sociaal kapitaal op via het verenigingsleven. Anderen storten zich op de sport. Nog anderen sublimeren dit perfect door excellente studieresultaten. Enkelen kunnen ook gewoon succesvol worden in de criminaliteit. Ze zijn er altijd geweest. Maar ten slotte zijn er ook die elders naar houvast zoeken of hun dromen trachten te realiseren. Dit is het terrein waar allerlei ronselaars een fijne neus voor ontwikkeld hebben. Dit brengt ons bij het succes van de radicalisering. Dit, en allerlei vindplaatsen op het internet.

ISLAMITISCH RADICALISME

Er is een heel debat gaande over de vraag of radicalisme en radicalisering wel de juiste termen zijn om het verschijnsel te duiden dat onder de Syriëgangers wordt verstaan. Er bestaan immers veel vormen van radicalisme en menige vorm is niet gewelddadig. Waren Mahatma Gandhi en Maarten Luther King geen radicalen? Waren ze gewelddadig? Doorheen de jaren zijn radicalisme en gewelddadig extremisme met elkaar verward geraakt. Het vergemakkelijkt het debat niet.

In zijn Nicomachische Ethiek zag Aristoteles de deugdzaamheid als het midden tussen twee extremen. In het midden vloeiden de positieve kwaliteiten uit twee tegengestelde extremen samen, terwijl de negatieve kwaliteiten uitgeschakeld werden. Die opvatting heeft eeuwen school gemaakt, tot bij Montesquieu. In principe hield Aristoteles ruimte over voor radicalisme in het midden, als een positieve eigenschap. Zo echter niet Montesquieu als het over politiek ging. Volgens hem hield een extreem doorduwen van positieve kwaliteiten ook gevaren in. Het besef, sedert Montesquieu, dat zowel extremisme als radicalisering politiek gevaarlijk kon zijn, heeft ertoe geleid dat beide termen in elkaars vaarwater beland zijn en soms ten onrechte als synoniemen gezien worden. Nochtans bestaat tussen beide termen een niet gering onderscheid.

Hieronder bespreek ik de twee vormen die men in de publieke opinie vandaag meestal onder islamitisch radicalisme verstaat. De eerste is een vorm van niet-gewelddadig, anti-inclusief islamitisch radicalisme. Mag ik erop wijzen dat ik me heel goed kan voorstellen dat er ook vormen van inclusie-gericht islamitisch radicalisme bestaan? Die worden hier in deze korte bijdrage niet besproken. Nadien wordt dan een vorm besproken die sommigen ‘gewelddadig islamitisch radicalisme’ zullen noemen, terwijl anderen liever spreken van een ‘sociale trend van gewelddadig extremisme dat zich van verzen uit de Koran en de Hadith bedient’. Voor beide visies valt iets te zeggen.3

1/ Niet-gewelddadige, niet-inclusieve radicalisering

Bij islamitisch radicalisme denkt men vandaag aan de salafismen. De salafismen zijn echter geen homogene realiteit. Al hebben ze altijd met elkaar gemeen dat ze de westerse, seculiere Leitkultur niet aanvaarden. Maar ze contesteren tegelijk ook de klassieke islam. Het is iets wat critici die alles binnen de islam liefst als een geheel samengevat willen zien, vaak vergeten. Waar jongeren door een tegencultuur gegrepen worden, positioneren ze zich niet alleen tegen ‘het westers establishment’ maar ook tegen het ‘islamitisch establishment’. Laten we dus, om de salafismen te begrijpen, beginnen bij een bespreking van hun plaats binnen de islam.

Typerend voor de salafismen is dat ze enkel de Koran en de Soenna als bronnen aanvaarden, terwijl de klassieke islam veel meer bronnen aanvaardt. Maar in hun ogenschijnlijke eenvoud blijken de salafismen complexer te zijn dan het schijnt. Bij haar bespreking van de salafismen onderscheidt de Nederlandse gedragswetenschapper Amy-Jane Gielen4 enerzijds apolitiek en politiek salafisme, en anderzijds salafi-jihadisme. De drie salafistrekkingen die zij ziet, hebben met elkaar gemeen dat ze de bestaande democratische systemen in het Westen ‘goddeloos’ noemen, terwijl ze ‘een alternatief islamitisch systeem’ voor ogen hebben. Zoiets betekent voor haar: de democratie delegitimeren. Of: de volgelingen radicaliseren. Ik ga akkoord met deze benadering van Gielen, al differentieer ik wat meer.

Eerst meen ik een algemeen traditioneel salafisme te zien, zoals dit sterk ondersteund wordt door sommige emirs in de golfstaten en in Saoedi-Arabië. Daaronder bevindt zich, als tweede vorm, ook een salafisme dat sterk focust op het bestaan van al firqatou l-annajia, dit wil zeggen:een ‘selecte groep van geredden’. Beide staan voor een apolitiek salafisme, wat die golfstaten en Saoedi-Arabië politiek trouwens goed uitkomt. Ten derde is er een salafisme dat nauw aanleunt bij de ikhwan (Moslimbroederschap) en dus een politiek salafisme wordt. En ten slotte is er de Salafiyya Jihadiyya, die eigenlijk veruit de gevaarlijkste vorm van salafisme is en ook aan de ikhwan (Moslimbroederschap) ontsnapt.

Wat betekent bovenstaande nu, gezien de vaststelling dat moslimjongeren vandaag nog steeds radicaliseren? De geweldloze vorm van radicalisering bestaat erin dat jongeren zich terugtrekken in een van de twee eerste vormen van apolitiek salafisme. Zulke jongeren bouwen voor zichzelf een houvast uit door aan te leunen bij een nieuwe morele en religieuze waardenschaal waarlangs ze zichzelf in hun visie sterk kunnen opwaarderen en in hun wijken zelfs prestige kunnen opbouwen, naargelang de maatschappelijke druk die ervan kan uitgaan op peers. Moeten we dit toejuichen? Evident niet, want het komt een inclusieve samenleving niet ten goede. Maar is het daarom gevaarlijk, laat staan staatsgevaarlijk? Als dit beperkt in omvang blijft, lijkt me het bestaan van dergelijke kleine groeperingen iets van alle tijden en moet een volwaardige democratie daar weg mee weten. Moet daar een algemeen verbod over uitgevaardigd worden? Hebben adolescenten recht op radicalisme? Valt het niet eerder onder de opdrachten van het onderwijs, van de erkende plaatsen van eredienst én van de samenleving in haar geheel om daar het antidotum voor te zijn? Houden stoere verbodsbepalingen - met welke sanctie? - niet eerder het risico in dat dit soort overtuigingen totaal in de marge verder woekert?

Vinden er nooit overgangen plaats van deze pacifistische of quiëtistische vorm van salafisme naar meer agressieve vormen? Helaas wel. Maar ze zijn tot vandaag werkelijk een heel kleine minderheid. Ook zijn de verhoudingen tussen deze eerste soort salafis en de agressievere vormen van salafisme verre van goed. De beschuldigingen vliegen over en weer. Amy-Jane Gielen stelde zelf ook vast dat jongeren ‘geen standaard radicaliseringsproces (…) doorlopen van niet-radicaal, naar apolitiek salafist, naar politiek salafist om vervolgens het radicaliseringsproces compleet te maken als salafi-jihadist. Het radicaliseringsproces verloopt grillig en niet per se in een vaste volgorde’.5

2/ Gewelddadig extremisme

Onder sociale wetenschappers is er een heel debat aan de gang over wat eerst komt. Komt eerst een impuls om gewelddadig extremist te worden in het zich afzetten tegen de samenleving, waarna men zich een agressieve, gewelddadige interpretatie van de islam eigen maakt? Of is het de vereenzelviging met een effectief bestaande gewelddadige interpretatie van de islam die iemand aanzet om jihadi salafi te worden? Laten we ook hier de feiten raadplegen.

De feiten leren me dat de jongeren die ik zie vertrekken naar Syrië allemaal jongeren zijn die een stuk stedelijke wijkcultuur in de kleren hebben. Meestal - zeker als het om jongens gaat - behoren ze tot een vriendengroepje, wat men een kliek kan noemen, buiten de jeugdhuiswerkingen en meestal, op een uitzondering na, zelfs niet behorend tot een sportvereniging. In de meeste gevallen hadden ze problemen aan huis of op school. Maar dat geldt natuurlijk voor veel jongeren, en daarom vertrokken ze nog niet naar Syrië. Waar het om een kliek ging (Abaaoud, Salah Abdeslam, Abrini), betrof het jongeren die af en toe in de zogenaamd kleinere delinquentie beland waren. Men moet vaststellen dat deze jongeren, of anderen, ouder dan hen, zich niet aangetrokken voelden om naar Afghanistan of Somalië te vertrekken, maar des te meer als het om Syrië ging. Dit doet ons vermoeden dat een identificatie met Syrië voor hen veel gemakkelijker was dan met Somalië. Speelde hier een imaginair arabo-islamitisch ideaalbeeld mee, versterkt door de idee van een soennitisch kalifaat? Men weet dat de meesten van hen in cafés geronseld werden. Dit is trouwens de reden dat in Molenbeek de cel antiradicalisering van de politie bestaat uit mensen die vroeger de drugscafés controleerden. Ten slotte stel ik vast dat de aantrekkingskracht van Syrië toe- of afneemt met het toe- of afnemend succes van IS op het terrein in Syrië en Irak.

Hoe moet je zo’n cocktail nu benoemen? Is zoiets het resultaat van de wervingskracht van de Salafiyya Jihadiyya? Of ligt de reële reden bij het tekort aan perspectief in het leven van die jongeren en in een tekort aan identiteit of houvast, of noem het een ‘zin kunnen geven aan wie men is en wat men doet’?

Ik kan aan mijn vaststellingen nog toevoegen dat één zaak duidelijk is: het opsluiten van dergelijke jongeren in een gevangenis is geen deugdelijke oplossing. Het maakt van die jongeren ‘tot jihadisme bekeerden’. Het totale gebrek aan een evidence based herintegratieprogramma voor dergelijke jongeren in ons gevangeniswezen is wraakroepend. Met welke identiteit verlaten zulke jongeren de gevangenis? Dat de samenleving hoe dan ook tegen hen is, omdat de wereld bevolkt is met ‘goddelozen’ die zelf eigenlijk niet beter zijn dan de rest maar zich gewoon als beter voordoet? Door hun jihadisme worden hun zonden vergeven, terwijl het normaal is dat de goddelozen gestraft worden. Een eenvoudige logica, maar het werkt. Ronselaars weten dit heel goed.

WELK BELEID?

Een beleid voor dit soort gate city-wijken moet op drie punten inzetten: 1/ adequaat onderwijs, zeker op secundair niveau waar het om beroeps- en technisch onderwijs gaat (dit is in Molenbeek een totaal verwaarloosde sector); 2/ representatieve gemeenschaps- en nabijheidspolitie, die heel dicht staat bij de bevolking en die door het klimaat van veiligheid dat ze creëert een waarborg is voor een zich ontwikkelende middenstand van winkeliers en kleine ondernemers; 3/ positief sociaal kapitaal via interculturele interactie. De twee eerste punten zijn een hoofdopdracht voor politici. Het derde punt wordt best overgelaten aan een goed ontwikkeld verenigingsleven dat tot samenwerking geprikkeld wordt en perfect leert inschatten waar schemerzones of lacunes te vinden zijn en leert te overleggen hoe die weg te werken. Elk partijpolitiek cliëntelisme bij de uitwerking van het middenveld wordt best vermeden, want het leidt tot immobilisme.

Daarnaast is er evident een taak voor de verantwoordelijken in de erediensten en andere levensbeschouwingen. Niet alleen in het moskee-wezen maar ook in de verschillende christelijke denominaties (pinksterkerken en andere), moet men sterk inzetten op interreligieuze dialoog, volwaardig pluralisme en positieve verdraagzaamheid. Tegelijkertijd moet ook seculariteit als bindend maatschappelijk cement een aandachtspunt worden, meer dan nu het geval is. Laat een scheiding van kerk en staat dit toe? Ik zie niet in op basis van welk principe dit niet gevraagd zou mogen worden, maar ik geef toe dat dit een meer uitvoerige argumentatie vraagt.

Onderwijs en verenigingsleven moeten ook begrijpen dat de virtuele wereld van internet, sociale media en dergelijke tot de heel tastbare realiteit van de jongste generaties is gaan behoren. Noem het mediawijsheid, of iets anders, maar dit moet dringend bij de werkingen betrokken worden. Het is duidelijk dat bij radicalisering, van welke aard ook, het internet op een zeker ogenblik een stroomlijnende informatieve plaats inneemt.

Ander punt. Vandaag gaat alle aandacht in die wijken naar de radicalisering. Onderhuids leven echter heel nieuwe problematieken, die binnen een tiental jaren aan de oppervlakte zullen komen. Ik denk aan het overdadig druggebruik bij Sub-Saharaanse jongens, bijvoorbeeld in Rwandese kringen, of aan de werkloosheid die zich als levensprogramma dreigt te verankeren bij Roma-jongens. Vandaag bieden pentecostaalse enclaves nog enige remedie. Maar dit zal niet blijven duren.

Tot slot, erg belangrijk: er moeten, minstens voor jongeren, ernstige herintegratieprogramma’s komen in ons gevangeniswezen.

Johan Leman
Em. prof. antropologie KU Leuven, voorzitter integratiecentrum Foyer vzw Sint-Jans-Molenbeek

Noten
1/ Ik ontwikkel dit in: Leman J. (2017). Migraties en interculturele toekomst. Antwerpen: Garant.
2/ Samson R. & Groves W. (1989). Community Structure and Crime: Testing Social-Disorganization Theory, American Journal of Sociology, 94, 4, 774-802.
3/ In Franse academische kringen kan men die tweestrijd terugvinden tussen Olivier Roy (die het sociale benadrukt) en Gilles Kepel (die op sectaire interpretaties binnen de islam wijst).
4/ Gielen A.-J. (2008). Radicalisering en identiteit. Radicale rechtse en Moslimjongeren vergeleken. Amsterdam: Aksant, p. 63.
5/ Gielen A.-J., o.c., p. 63.

aanslagen Brussel - radicalisering - Molenbeek

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 3 (maart), pagina 67 tot 73