Abonneer Log in

Veranker de lange termijn in de grondwet

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 36 tot 37

Elke beleidskeuze moet worden afgetoetst aan randvoorwaarden met 2050-2100 als horizon.

Wat we al langer konden observeren bij de aanpak van de klimaat- en milieuproblemen zien we nu ook bij de coronacrisis: politiek werkt op de korte termijn. Emotie heeft daarbij de neiging om ratio te verdringen en maatregelen worden geïsoleerd genomen. Voor de enorme uitdagingen waarvoor we staan – klimaat, milieu, pandemieën – is een langetermijnbeleid gebaseerd op een integrale systeemvisie van (over)levensbelang nodig. De opdracht is niet veranderingen aanbrengen aan het paradigma, maar van paradigma veranderen. Dat lijkt niet door te dringen bij onze beleidsmakers.

De reactie van de politiek op de signalen omtrent klimaat is ondermaats. Zes jaar nadat de overheid in de Klimaatzaak gedagvaard werd, zullen eindelijk de pleitzittingen plaatsvinden. De ongeziene oproep van de jeugd in de wekelijkse klimaatmarsen is grotendeels genegeerd. Jongeren kregen vooral de boodschap mee dat ze beter terug konden gaan studeren. Voor een job in welke wereld?

De reactie op de coronacrisis, daarentegen, is anders. Dat komt omdat COVID niet een sluipend, maar een onmiddellijk gevaar oplevert. Daarop reageren we instinctmatig. In dit geval is de reactie daarom snel en hard. Maar fundamenteel stuiten we op een gelijkaardig probleem: gebrek aan integrale systeemaanpak en langetermijnvisie. Dat reflecteerde zich in het expertpanel dat de overheid moest adviseren. Waar waren de pedagogen, sociologen, psychologen, klimaat- en milieudeskundigen, geografen, stadsplanners, kunstenaars en filosofen? Een lichtpunt is dat het adviserende panel nu uitgebreid wordt. Hopelijk durft men deze keer ook de link maken tussen de twee crises: milieu en COVID. Want hoogst waarschijnlijk zijn ze onderling verbonden.

Om deze dubbele milieucrisis op te lossen is dus koelbloedig langetermijnbeleid nodig. In het verlengde van de klimaatwet die de EU ambieert, kan je daarbij de randvoorwaarde 'algemeen langetermijnbelang', met expliciete opname van milieu- en klimaatdoelstellingen, best verankeren in de grondwet. Want dat is de enige langetermijnwet die we hebben. Elke beleidskeuze moet dan afgetoetst worden aan een reeks randvoorwaarden die de compatibiliteit met het collectief langetermijnbelang aantonen met 2050-2100 als horizon. Politici moeten één keer moedig genoeg zijn om zo'n grondwetswijziging aan te nemen, waarna voor iedereen hetzelfde level playing field geldt. Als zoiets Europees gecoördineerd zou kunnen gebeuren, was het nog beter.

Een merkbaar verschil tussen het klimaatdebat en de discussies over COVID is dat wetenschappers op het vlak van milieu en klimaat over het geheel genomen een eenduidige boodschap uitsturen, terwijl experts die de pandemie analyseren hun inzichten en conclusies voortdurend bijsturen én elkaar veelvuldig tegenspreken. Dat heeft uiteraard veel te maken met de verschillende aard van het probleem. Maar bij de laatste discussie spelen er ook twee risico's die op het vlak van milieu en klimaat weggewerkt zijn: de analyse is niet interdisciplinair (en dus systemisch) genoeg, en de conclusies worden te haastig of onoverdacht getrokken. Complex systeemdenken is inherent aan de werking van het internationaal klimaatpanel IPCC; dat lijkt bij de analyse van de complexe oorzaak- en gevolgkettingen bij COVID niet, of nog niet op voldoende wijze, het geval te zijn.

De door virologen regelmatig naar voor geschoven conclusie dat steden een broeihaard vormen voor het coronavirus is daarvan een voorbeeld. Als je er de kaarten met de relatieve besmettingsgraad bijneemt, dan valt daarop te zien dat sommige steden een lage infectiegraad hebben, terwijl bepaalde suburbane of zelfs rurale zones het heel slecht doen. Bovendien varieert het beeld sterk in de tijd. De stelling van de stedelijke broeihaarden zou alleen opgaan als bewezen werd dat mensen in het buitengebied het virus stelselmatig opdoen bij een bezoek aan de stad. Het foute signaal (of de gevoelsmatige conclusie) dat de steden een probleem zijn, leidt tot effecten die de epidemiologie ver te buiten gaan: mensen gaan terug op zoek naar een vrijstaande woning in de stadsrand of buiten de stad en keren daarbij terug naar een woon- en vervoersmodel waarvan we de overconsumptie om redenen van klimaat, milieu, landschap, mobiliteit, congestie en andere kosten voor de maatschappij zoveel mogelijk moeten terugdringen.

Er is in het lopende debat al omstandig geargumenteerd dat het post-COVID herstel gezien moet worden als een unieke kans om tegelijk de omslag naar een duurzame, sociaal rechtvaardige en toekomstbestendige samenleving te realiseren. Politici realiseren zich daarbij te weinig dat ze een dolgedraaid economisch systeem in stand helpen houden. Analisten zoals Jason Hickel, Mariana Mazzucato – nota bene aangesteld als adviseur voor de Horizon Europe Missions van de EU – of David Harvey hebben uitgebeend hoe de uitwassen van ons financieel-economisch bestel beantwoorden aan een dodelijke, inherente logica; hoe overheden daarbij systematisch buitenspel gezet worden daar waar ze het algemeen belang zouden moeten dienen; en hoe dit alles zich vervolgens bestendigt in een zelfversterkende spiraal – tot de implosie, of tot we de zaken als burger terug radicaal in handen nemen en het roer omgooien.

Of we dat graag onder ogen zien of niet, het wordt diep transitioneren of vergaan. De moeilijkste systeemaanpassingen situeren zich bij ons gedrag en bij de economie: niet toevallig twee domeinen waarover het nagenoeg taboe is om vragen te stellen. Maar laat ons van zo'n existentiële crisis een opportuniteit maken om onszelf te overstijgen. Door de randvoorwaarden voor een duurzame systeemomslag eens en voor altijd vast te leggen in een institutioneel kader, beschermen we onszelf tegen ondoordachte maatregelen ingegeven door de urgenties van het moment.

In de SamPol-Zomerreeks 2020 #BeterNaCorona leest u een lange versie van dit stuk.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 36 tot 37