Abonneer Log in

Wie verdient de hulp van onze welvaarts­staat?

Politiek in tijden van corona

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 45 tot 49

Hoe onze welvaartsstaat er in de toekomst zal uitzien, weet niemand. Wat wel zeker lijkt, is dat de huidige coronacrisis – na eerst een zelden gezien politieke consensus te creëren – hulpwaardigheidsdebatten opent die onderwerp zullen zijn van een hevige politieke strijd.

POLITIEK IN TIJDEN VAN CORONA

Hoe onze rechtsstaat in een coma belandde
Kati Verstrepen
Wie verdient de hulp van onze welvaarts­staat?
Tijs Laenen
Politiek op speed
Geert Mareels

ZELDEN GEZIENE POLITIEKE CONSENSUS

Toen de federale regering midden maart 2020 een algemene lockdown afkondigde in de strijd tegen het nieuwe COVID-19 virus, maakten de bestaande politieke tegenstellingen in ons land plaats voor een zelden geziene politieke consensus. Wie, op welke wijze dan ook, door het virus getroffen werd, moest en zou worden geholpen door de overheid. Daar waren zowat alle politieke partijen en belangengroepen over gans het ideologische spectrum het unaniem over eens. Mensen die ziek werden, konden rekenen op snelle en goedkope gezondheidszorg, waar alle 'niet-dringende' ingrepen moesten wijken voor corona. Werknemers die hun job verloren, kregen een tijdelijke werkloosheidsuitkering. Ondernemingen die verplicht moesten sluiten, ontvingen een hinderpremie. Werkende mensen met kinderen konden beroep doen op extra ouderschapsverlof. Gezinnen die inkomensverlies leden, zagen hun kinderbijslag aangevuld met een toeslag. En elke burger zou recht hebben op gratis treintickets.

De lijst van steunmaatregelen is ellenlang. Ze werden ook ingevoerd aan een nooit eerder geziene snelheid. Voor de corona-uitbraak zouden zulke maatregelen ongetwijfeld onderwerp geweest zijn van een uitgebreid en vurig politiek debat, vol met partijpolitieke tegenstellingen en ideologische breuklijnen. Maar tijdens de eerste coronagolf was daar bijzonder weinig sprake van. De vraag is nu: hoe komt dat?

CORONA MAAKT IEDEREEN 'DESERVING'

Het antwoord op de vraag waarom er zo weinig politiek debat was over de steunmaatregelen is voor een groot deel te wijten aan het feit dat het coronavirus zowat alles en iedereen hulpwaardig of 'deserving' maakte in de ogen van burgers en beleidsmakers. Wetenschappelijk onderzoek toont dat mensen doorgaans beroep doen op een vijftal criteria om te bepalen of een ander het al dan niet verdient om gebruik te maken van sociale uitkeringen en voorzieningen (van Oorschot, 2000). Over het algemeen wordt iemand als meer hulpwaardig beschouwd wanneer die (1) niet persoonlijk verantwoordelijk wordt geacht voor zijn of haar behoeftige situatie (Controle); (2) zich houdt aan de in de maatschappij heersende normen en waarden, zoals het tonen van dankbaarheid voor de aangeboden hulp (Attitude); (3) een grote bijdrage levert aan onze samenleving, in het verleden, het heden of de toekomst (Reciprociteit); (4) behoort tot de dominante culturele groep waarmee de meeste mensen zich makkelijk kunnen identificeren (Identiteit); en (5) ernstige financiële en/of medische noden heeft (Nood).

Tijdens de eerste coronagolf heerste de consensus dat vrijwel iedereen voldeed aan deze zogenaamde 'CARIN-criteria', en dus als hulpwaardig beschouwd moest worden. Vooreerst werd de uitbraak van het virus breed bestempeld als een plotse, onvoorziene en oncontroleerbare gebeurtenis, een duidelijk geval van overmacht. Wie getroffen werd door het virus, werd daar niet individueel verantwoordelijk voor gehouden, en mocht dus rekenen op genereuze overheidssteun (Controle). Dit werkte ook het idee in de hand dat het coronavirus 'ons allemaal kan overkomen', wat het makkelijk maakt voor de doorsnee burger om zich te identificeren met de slachtoffers (Identiteit). Het ging hier dus overduidelijk niet om een specifieke groep van mensen wiens waarden en normen ogenschijnlijk afwijken van de mainstream, zoals dat vaak de perceptie is in 'gewone' tijden (Attitude). Denk bijvoorbeeld maar aan de hardnekkige stereotypes van de werkonwillige werkloze en de allochtone bijstandstrekker (van Oorschot & Roosma, 2015). Integendeel, het werd snel duidelijk dat vooral ouderen het zwaarst getroffen werden door de epidemie. En we weten uit onderzoek dat deze groep vaak als meer hulpwaardig beschouwd wordt dan andere groepen, voornamelijk omdat de meeste mensen ervan uitgaan dat ouderen, door de band genomen, reeds een verdienstelijke maatschappelijke bijdrage geleverd hebben (Reciprociteit) (van Oorschot, 2006). Daarnaast trof het virus ook veel werkende mensen, die ondanks het hebben van een job toch in een precaire situatie terechtkwamen. Dat maakte duidelijk dat, naast een gezondheidscrisis, de corona-epidemie ook een sociale crisis was: het bracht velen onder ons immers in zware financiële moeilijkheden (Nood).

CONSENSUS BROKKEL STILAAN AF

Na de eerste coronagolf lijkt de politieke consensus echter stilaan af te brokkelen en wordt er vanuit verschillende hoeken meer en meer kritiek geuit op het gevoerde beleid. Is iedereen wel écht zo hulpwaardig als we eerst dachten, en komen de steunmaatregelen wel écht terecht bij wie dat verdient? Geleidelijk komen de publieke en politieke debatten over hulpwaardigheid opnieuw op gang. Zo worden er vraagtekens geplaatst bij de rechtvaardigheid van genereuze overheidssteun wanneer men zelf verantwoordelijkheid draagt voor het oplopen en verspreiden van het virus, door de opgelegde coronaregels bewust niet na te leven. Wat doen we bijvoorbeeld met mensen die –tegen het advies van de overheid – besluiten om toch op vakantie te gaan naar een erkend risicogebied, en zichzelf vervolgens niet in quarantaine plaatsen? Of wat doen we met mensen die slachtoffer worden van het virus door hun aanwezigheid op lockdownfeestjes of andere evenementen die niet conform de sociale bubbels zijn? Maar het kan even goed ook gaan over bedrijven die mede verantwoordelijk zijn voor de verdere verspreiding van het virus door de social distancing onvoldoende af te dwingen. Dit opkomende debat over persoonlijke controle wordt overigens steeds sterker gelinkt aan de kwestie van etnisch-religieuze identiteit. Vooral vanuit (extreem-) rechtse hoek worden etnische minderheden publiekelijk verantwoordelijk gesteld voor de verspreiding van corona. Denk daarbij maar het verhaal van het multiculturele Borgerhout als corona-hotspot, of aan het islamitische Offerfeest als ultieme broeihaard van besmetting.

Daarnaast wordt het gevoerde coronabeleid ook, vooral door politiek links, verweten onvoldoende rekening te houden met de individuele noden van burgers en bedrijven. Gezondheidszorg staat daarbij buiten kijf: dat is en blijft algemeen erkend als een universeel recht voor rijk en arm. Maar er komen steeds meer kritische bedenkingen bij de universaliteit van de vele andere steunmaatregelen. Kop van jut waren de gratis treintickets: kon dat geld niet efficiënter ingezet worden door ze enkel te geven aan mensen met een laag inkomen? Een ander voorbeeld is de eenmalige vergoeding van de Vlaamse overheid voor de water- en energiefactuur, die werd uitbetaald aan alle werknemers die tijdelijk werkloos werden ten gevolge van de coronacrisis. Zou zulke maatregel niet veel effectiever én rechtvaardiger zijn als je hem selectiever richt op mensen die er werkelijk nood aan hebben? Kan je met het geld dat je 'verspilt' aan een rijker gezin uit de middenklasse geen wezenlijk verschil maken in het leven van een gezin dat in armoede leeft? Hetzelfde geldt voor ondernemingen: was het wel zo'n goed idee om ze allemaal eenzelfde hinderpremie te geven? Hadden we niet meer moeten differentiëren naargelang hun grootte en omzet, zodoende dat de overheidssteun terechtkwam bij bedrijven die echt met financiële perikelen kampten? Een vaak gehoorde kritiek is dat zulke uniforme, universalistische steunmaatregelen de reeds bestaande ongelijkheden immers enkel maar bestendigen of zelfs versterken. De voorgestelde remedie is een selectiever beleid dat sterker inzet op lagere inkomens.

OP NAAR EEN POLITIEKE STRIJD?

Het einde van de politieke consensus rond corona is enerzijds te wijten aan het groeiend besef dat er aan de vele genereuze steunmaatregelen een enorm kostenplaatje kleeft, dewelke de huidige en toekomstige generaties opzadelt met een zware en mogelijk ondraaglijke financieringslast. De welvaartsstaat zoals we ze vandaag kennen dreigt onbetaalbaar te worden, en dan zullen er harde keuzes gemaakt moeten worden. Het spreekt voor zich dat beleidsmakers de almaar schaarser wordende publieke middelen liefst zullen toebedelen aan groepen die als hulpwaardig beschouwd worden (Laenen, 2020). Anderzijds wakkert ook het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht over het coronavirus debatten over hulpwaardigheid aan. Met de dag krijgen we immers een beter beeld van de oorzaken maar ook van de gevolgen van COVID-19. Toenemende kennis over de oorzaken van het virus (hoe loopt men het op en hoe verspreidt het zich?), kan discussies over persoonlijke verantwoordelijkheid in de hand werken. Onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat mensen met overgewicht bijzonder kwetsbaar zijn voor corona-infecties en daardoor een disproportioneel risico lopen om in het ziekenhuis opgenomen te worden met ernstige gezondheidsproblemen (Louie et al., 2011). Met zulk inzicht in het achterhoofd wordt aan deze doelgroep extra voorzichtigheid geboden –niet enkel voor hun eigen gezondheid maar ook om de algemene ziekenhuiscapaciteit te vrijwaren. Daarnaast krijgen we stilaan ook meer zicht op de economische en sociale gevolgen van de corona-epidemie. Hoewel de werkelijke economische impact nog moet blijken, is het overduidelijk dat corona nefast is voor de Belgische economie.1 Ook op sociaal vlak dreigt een slachtveld: corona bracht een nieuwe groep burgers op erg korte tijd in financiële moeilijkheden (de zogenaamde 'nieuwe armen'), maar duwde ook de reeds bestaande groep van mensen in armoede nog dieper in de problemenput.2

Hoe langer de coronacrisis duurt, hoe sterker de vragen rond hulpwaardigheid ongetwijfeld zullen worden, en hoe uitgesprokener dus ook de politieke tegenstellingen. Sommigen zullen pleiten voor een minder genereuze behandeling van mensen of bedrijven die individueel verantwoordelijk geacht worden voor het oplopen en verspreiden van het virus. Zo is het niet geheel ondenkbaar dat beleidsmakers in de toekomst een hogere eigen bijdrage zullen eisen van mensen die beroep doen op onze gezondheidszorg maar waarvan bewezen is (of vermoed wordt) dat ze het virus opliepen door zich bewust niet aan de opgelegde maatregelen te houden. Ook in de tijdelijke werkloosheid zou er wel eens meer aandacht voor persoonlijke controle kunnen komen. Wie bijvoorbeeld tijdelijk werkloos wordt omdat hij of zij op reis ging naar een erkend risicogebied, zou uitgesloten kunnen worden van de regeling. Politiek rechts zou bovenop de kwestie van individuele verantwoordelijkheid graag nog een identiteitssausje gieten, door hun pijlen te richten op etnische minderheden, waarvan aangenomen wordt dat ze het minder nauw nemen met de coronaregels. Een courante, verdoken tactiek om zulke groepen te benadelen is om sociale steun sterker te koppelen aan het arbeidsverleden. Gelet op de lagere werkgelegenheidsgraad onder etnische minderheden, ontvangen zij beduidend minder genereuze steun in een welvaartsstaat geënt op arbeidsmarktparticipatie.

Anderen zullen dan weer pleiten voor een selectievere welvaartsstaat, voorbehouden aan mensen die het financieel moeilijk hebben. Wie dan bijvoorbeeld tijdelijk werkloos wordt, ontvangt enkel een uitkering als hij of zij over onvoldoende financiële middelen beschikt. Een vaak voorgesteld alternatief is om een universele basis te voorzien voor iedereen, aangevuld met meer sociale steun voor mensen met een laag inkomen ('selectiviteit binnen universaliteit', Marchal & Van Lancker, 2019). De tijdelijke werkloosheidsuitkering bijvoorbeeld is er dan voor iedereen, maar betaalt hogere bedragen aan lagere inkomens. Uiteraard zal de roep om grotere selectiviteit weerstand opwekken bij voorvechters van het sociale verzekeringsprincipe. Zij pleiten voor een sociaal beleid gebaseerd op reciprociteit: wie meer bijdraagt aan onze samenleving (via belastingen of sociale bijdragen), moet meer ontvangen.

Dit artikel werd geschreven naar aanleiding van de recente publicatie van het boek 'Welfare Deservingness and Welfare Policy. Popular Deservingness Opinions and their Interaction with Welfare State Policies' (Edward Elgar Publishing, 2020)

REFERENTIES

  • Laenen, T. (2020). Welfare Deservingness and Welfare Policy. Popular Deservingness Opinions and their Interaction with Welfare State Policies. Cheltenham: Edward Elgar Publishing.
  • Louie, J. K., Acosta, M., Samuel, M. C., Schechter, R., Vugia, D. J., & Harriman, K. (2011). A Novel Risk Factor for a Novel Virus: Obesity and 2009 Pandemic Influenza A (H1N1). Clinical Infectious Diseases, 52(3), pp. 301-312.
  • Marchal, S., & Van Lancker, W. (2019). The Measurement of Targeting Design in Complex Welfare States: A Proposal and Empirical Applications. Social Indicators Research, 143(2), pp. 693-726.
  • van Oorschot, W. (2000). Who should get what, and why? On deservingness criteria and the conditionality of solidarity among the public. Policy and Politics, 28(1), pp. 33-48.
  • van Oorschot, W. (2006). Making the difference in social Europe: deservingness perceptions among citizens of European welfare states. Journal of European Social Policy, 16(1), pp. 23-42.
  • van Oorschot, W., & Roosma, F. (2015). The social legitimacy of differently targeted benefits. ImPRovE Working Paper No. 15/11. Antwerp: Herman Deleeck Centre for Social Policy, University of Antwerp.

VOETNOTEN

  1. Zie economische impactanalyse van de FOD Economie: https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/coronavirus/economische-impact-van-het.
  2. Zie de beleidsnota's van het Corona Onderzoeksconsortium voor Inkomensverdeling en Sociale Effecten:https://sites.google.com/view/covivat/home.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 7 (september), pagina 45 tot 49