Abonneer Log in

1. 'Herfinancier de sociale zekerheid'

10 IDEEËN VOOR EEN NIEUWE SOCIALE ZEKERHEID

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 3 (maart), pagina 6 tot 8

De sociale zekerheid heeft opnieuw haar deugdelijkheid bewezen tijdens de coronacrisis; meer nog dan tijdens de bankencrisis. De verschillende domeinen van onze sociale zekerheid werden in deze crisis aangesproken en presteerden meer dan afdoende. In de eerste plaats bleek ons gezondheidssysteem heel performant en in staat om overeind te blijven in deze crisis. De inzet van duizenden gezondheidswerkers was daarbij onontbeerlijk. Daarnaast was het systeem van tijdelijke werkloosheid noodzakelijk om de koopkracht van de werknemers enigszins te vrijwaren. Ook de vergoedingen en erkenningen in het kader van de beroepsziekte en arbeidsongevallen werd in sneltempo georganiseerd. Kortom, onze sociale zekerheid die 75 jaar oud is bleek springlevend. Ze was in staat om in moeilijke omstandigheden de kernopdrachten waar te maken. Dat de keuze werd gemaakt om de financiële teugels te vieren en een financiering naar behoefte te voorzien, werd algemeen aanvaard. Dat deze situatie niet zal blijven duren, is opnieuw de evidentie zelf. Hoe moet het dan verder na de coronacrisis met de financiering van onze sociale zekerheid?

Het is misschien toch nodig om de opbouw van onze sociale zekerheid vanuit historisch perspectief onder de loep te nemen. Kort na de Tweede Wereldoorlog, eigenlijk nog tijdens, kwamen de werknemers- en werkgeversorganisaties overeen om een solidair systeem op te zetten dat werknemers een inkomen garandeert op het moment dat het minder goed gaat in hun loopbaan (door werkloosheid, ziekte, enzovoort). De werknemers waren in dit systeem bereid een deel van hun loon af te staan om bij tegenslag een uitkering te bekomen. Ook de werkgevers droegen bij om dit geheel te financieren. In het begin was de financiering gebaseerd deels op de bijdrage op het loon van de werknemers en deels op een bijdrage van de werkgevers.

Doorheen de jaren, en zeker de laatste jaren, hebben we moeten vaststellen dat de wil van de werkgevers om bij te dragen aan de sociale zekerheid steeds kleiner is geworden. De recente taksshift en de talrijke bijdrageverminderingen hebben gemaakt dat het systeem enkel nog in evenwicht gehouden kan worden door een stevige alternatieve financiering en door de evenwichtsdotatie. De alternatieve financiering, die dient als compensatie voor de talrijke bijdrageverminderingen, staat minder ter discussie. De evenwichtsdotatie, die niet onvoorwaardelijk is, ligt sowieso moeilijker. De vorige regering maakte er telkens opnieuw een zaak van om de twijfels omtrent de evenwichtsdotatie te voeden. De huidige regering heeft de evenwichtsdotatie gegarandeerd voor de komende jaren, wat de druk enigszins wegneemt. Toch kunnen we niet voorbij gaan aan het feit dat de omvang van de evenwichtsdotatie de komende jaren zeer groot dreigt te worden.

Pro memorie, zowel de gewone overheidstoelage, de alternatieve financiering als de evenwichtsdotatie komen uit de algemene middelen. Enkel de alternatieve financiering wordt via gekleurde middelen gefinancierd: uit BTW en roerende voorheffing.

Het is duidelijk dat bij een oplopende evenwichtsdotatie het gehele financieringssysteem van onze sociale zekerheid onder druk zal komen te staan. Nu al benadrukken de werkgevers steeds opnieuw dat het probleem zich bij de uitgaven situeert en niet bij de inkomsten. Het tegendeel is echter waar: de bijdrageverminderingen en zeker de (ongedekte) taksshift kunnen rustig gecatalogeerd worden als schuldig verzuim. Wie haalt het immers in zijn hoofd om de inkomsten drastisch in te perken op het moment dat je weet dat de uitgaven zullen gaan stijgen (de vergrijzingsproblematiek is al een poosje gekend en zeer voorspelbaar).

We moeten kritisch durven analyseren of alle bijdrageverminderingen gehandhaafd kunnen worden.

Het ABVV is er dan ook van overtuigd dat we op zoek moeten naar andere structurele inkomsten voor onze sociale zekerheid. Enerzijds moeten we kritisch durven analyseren of alle bijdrageverminderingen gehandhaafd kunnen worden en anderzijds moeten we durven kijken naar nieuwe manieren om onze sociale zekerheid te financieren.

De taksshift waarbij de werkgeversbijdrage verminderde van 33% naar 25%, zonder volledige compensatie van de minderinkomsten, hebben wij nog steeds niet verteerd en beschouwen wij als een schandalige aanval op ons uitgesteld loon.

Ons alternatief om nieuwe inkomsten te garanderen, vatten we onder de noemer van een algemene sociale bijdrage. Daarbij willen we vooral dat alle inkomsten op een billijke manier bijdragen aan onze sociale zekerheid. Heel wat facetten van de sociale zekerheid, zoals de gezondheidszorg, staan ten dienste van alle leden van onze maatschappij. Het is dan ook maar logisch dat iedereen naar draagkracht bijdraagt. De sterkste schouders zouden de hoogste bijdrage moeten leveren, maar dat is vandaag jammer genoeg niet langer het geval. Sommige inkomsten dragen helemaal niet bij, andere in zeer beperkte mate. Het ABVV wil de basis verbreden zodat alle inkomsten kunnen bijdragen in het kader van onze sociale zekerheid.

Daartoe is het in eerste instantie nodig om zicht te krijgen op al deze inkomsten en is een vermogenskadaster onontbeerlijk. Vervolgens is het de bedoeling om deze vermogens op een correcte manier te laten bijdrage aan het systeem. De stappen die nu worden gezet met de nieuwe poging om een effectentaks op te zetten, moeten we jammer genoeg als ontoereikend omschrijven. Een taks van 0,15% is wel zeer homeopathisch van aard. Voor ons moet dit toch doortastender zijn en er een meer substantiële bijdrage worden gevraagd.

We worden geforceerd om mee te gaan in pistes die weinig of niet bijdragen in de sociale zekerheid.

Naast het aanboren van nieuwe inkomsten is de toename van nettovoordelen een andere belangrijke factor die de inkomsten van de sociale zekerheid inperkt. De vermaledijde loonwet van '96 zit daar veel voor tussen. Door deze loonmatigingswet wordt de ruimte voor de onderhandelingen over brutoloonsverhoging in een ongelofelijk carcan gestopt die maakt dat de drang om zoveel mogelijk nettoloonsverhoging te verwezenlijken zeer aangewakkerd wordt. Onze onderhandelaars in de sectoren en bedrijven worden als het ware geforceerd om mee te gaan in pistes die weinig of niet bijdragen in de sociale zekerheid (denk aan de cafetariaplannen, de CAO 90, enzovoort). Indien er meer vrijheid zou zijn in de loononderhandelingen en er geen absolute norm zou worden opgelegd, kan dit resulteren in meer uitgesproken brutoverhogingen van de lonen die ook daadwerkelijk in hun volheid bijdragen aan de sociale zekerheid. Dit vraagt een fundamentele hervorming van deze wet, maar ook een behoorlijke mentaliteitswijziging. Deze bijkomende inkomsten zijn ook nodig om het verzekeringsprincipe van onze sociale zekerheid te versterken. Anders verglijden we stap voor stap richting een basisverzekering, terwijl onze sociale zekerheid ook als missie heeft om onze levensstandaard te garanderen.

Tot slot zouden we er opnieuw moeten toe kunnen komen dat iedere werknemer, iedereen die gebruik maakt van onze sociale zekerheid ook met plezier bijdraagt aan dit solidaire systeem. Te veel wordt deze bijdrage, zeker door de werkgevers, gezien als een last, als iets waartoe men niet zou bijdragen. Tot de dag dat men ziek wordt, in het hospitaal belandt en zeer gelukkig is dat men hier op een toegankelijke manier geholpen wordt. Dat een ziekenhuisopname je niet tot de bedelstaf veroordeelt. Te vaak wordt uit het oog verloren dit enkel mogelijk is door de sociale bijdragen die alle werknemers samenleggen om daar solidair mee om te springen. En zoals vaak met verzekeringen: het meeste geluk heb je als je er geen gebruik moet van maken!

Alle werknemers en werkgevers zouden trots moeten zijn op het systeem dat opgebouwd werd. Ze zouden fier moeten zijn daarin hun steentje te mogen bijdragen, duidelijk geen last, maar een gunst om onderdeel te mogen zijn van een sterke, solidaire en performante sociale zekerheid.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 3 (maart), pagina 6 tot 8