Abonneer Log in

Een basisinkomen van 1.000 euro als vrijheidsdividend

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 27

Een vrijheidsdividend van 1.000 euro per maand voor elke burger vanaf 18 jaar, mede betaald uit een vermogensbelasting en heffingen op techbedrijven, kan een oplossing zijn voor de stijgende vermogensongelijkheid en ongezonde verdeling van status binnen onze samenleving.


© Maus Bullhorst

De kloof en belevingswereld tussen 'hoogopgeleiden' en 'laagopgeleiden' groeit alleen maar.

Technocratisch, hiërarchisch denken past niet bij traditionele linkse politiek.

Het vrijheidsdividend, indien betaald uit de eerdergenoemde vermogensbelasting, is een machtsverschuiving.

Het basisinkomen kan het idee zijn dat links weer groot kan maken.

KLOVEN DICHTEN, SAMEN RIJK

De analyses over kloven, ongelijkheden en verschillen scheren ons langs de oren. Kloven tussen 'hoog en- laagopgeleid'. Ongelijkheid tussen rijk en arm. Verschillen in de manier waarop respect en status binnen onze samenleving wordt verdeeld.

Of we het nu hebben over Michael Sandel en Daniel Markovitz hun ferme kritiek op het meritocratische ideaal, waarbinnen eenieder zogenaamd gelijke kansen heeft om de top van onze samenleving te bereiken, waarbinnen eenieder zijn loonstrook zogenaamd laat zien hoe 'waardevol' ze zijn voor de samenleving.

Over Thomas Piketty zijn studie over ongelijkheid.

Of over socioloog Richard Sennett, die in zijn boeken Stadsleven en Ambachtsman niet alleen een betoog doet voor een herwaardering van praktische, lokale kennis, maar ook uitlegt waarom de kennis van de 'ambachtsman', de kennis van hen die een vaardigheid tot zich hebben genomen die niet enkel in 'intelligentiescores' te vatten is, evengoed waardevol is voor onze samenleving – denk aan de zorgmedewerker, de leraar, de vuilnisman, de postbode, enfin, we kunnen nog wel even doorgaan.

Punt is dit: in de westerse wereld blijven deze zaken uiteengroeien. Vermogens zijn vanaf de jaren 1980, als een waar 'omslagpunt', steeds ongelijker verdeeld geraakt. Ook in België.

Ervan uitgaande dat de politiek – als in: onze parlementen, onze media en ons publieke leven – de wegen zijn waar beleid gevormd wordt, rijst een voor de sociaaldemocratie en linkse politiek hemeltergende vraag die zich na elke als donderslag bij heldere hemel neergevallen verkiezingsnederlaag stelt: hoe is het zo ver kunnen komen? Wat maakt het zo dat er, juist in tijden waarin linkse politiek belangrijker dan ooit lijkt te zijn, het 'verkopen' ervan, het 'aan de man brengen' ervan, niet razend succesvol lijkt te zijn?

Het komt naar mijn mening omdat voordat je iets 'verkopen' kan, voordat je met een ander in conclaaf kan over je visies voor de toekomst, je niet alleen de oorzaken van je minder succesvolle resultaten en gesprekken moet kennen, maar ook moet begrijpen wat hetgeen is dat ervoor zorgt dat mensen niet meer op jou stemmen; dat wanneer je met een ander in debat gaat, een ander die wellicht op veel vlakken een andere belevingswereld dan jou kent, moet begrijpen waar de politieke en emotionele golflengtes elkaar vaarwel hebben gezegd.

Wat ik hiermee bedoel? Wat is de analogie die ik trek? Ik doel op de sterker wordende trend dat linkse politiek gemiddeld steeds vaker de politiek is van zij die 'hoogopgeleid' zijn, een trend die mede door Thomas Piketty op fijne wijze is aangetoond in zijn Kapitaal en ideologie, maar ook uitgebreid is beschreven door Didier Eribon in zijn Terug naar Reims, en Thomas Frank in zijn Listen Liberal. Wat ze allemaal proberen te zeggen, is dat er wat mis is met de manier waarop een groot deel van de meer hoogopgeleide en theoretisch denkende deel van de bevolking over de rest van de samenleving nadenkt, dat er iets mis is met de 'technocratische' taal waarmee zij zich politiek uitdrukken en de manier van politiek bedrijven.

Gelukkig lijken steeds meer linkse partijen zich hier weldegelijk bewust van te zijn. Dat is dus niet het probleem. De lengte van de tot nu toe geschreven boeken over dit thema, vergen ons echter dieper te graven. Bijvoorbeeld in hoe een stijgende vermogensongelijkheid de mechanismen beschreven door deze auteurs kan verklaren en daarmee linkse politiek een duw kan geven richting een verhaal dat niet alleen gebaseerd is op een meer eerlijke verdeling van inkomens, maar toch vooral op een meer gezonde verdeling van status, een meer gezonde manier van spreken over 'de ander' in onze samenleving. En daarmee niet alleen een gemiddeld meer hoogopgeleid deel van de bevolking kunnen aantrekken.

DOMINANT EN HIËRARCHISCH

Om te beginnen: ongelijkheid doet wat met een samenleving. Om precies te zijn schoeit het samenlevingen op meer hiërarchische leest. De statusverschillen tussen mensen worden verscherpt. Overal, of dat nu op de werkvloer is of daarbuiten, merken mensen dit. Ze zijn er onbewust mee bezig, zien dingen op het internet voorbij komen. Dit creëert veel stress, zo stelt neurobioloog Robert Sapolsky.

Stress, niet alleen omdat meer ongelijke samenleving minder horizontale relaties kent tussen burgers van allerlei komaf, waardoor haar gemeenschapsleven gemiddeld minder sterk wordt, met gemiddeld ook meer eenzaamheid als gevolg. Maar ook omdat zij die zich bovenaan de hiërarchie bevinden als vanzelf meer dominant gedrag vertonen ten opzichte van zij die zich onderaan de hiërarchie bevinden – zelfs als onderzoekers deze omstandigheden artificieel hebben gecreëerd. Zo zien we dat apen zich in experimenten opeens anders gaan gedragen, zich anders gaan opstellen ten opzichte van de ander onderaan de hiërarchie, op meer competitieve voet met hen komen te staan, met minder onderlinge samenwerking en onderling respect als gevolg. De dominante apen kijken als het ware neer op de rest. Geldt dit dan ook voor mensen?

Ja. Zoals niet alleen Sapolsky laat zien in zijn Why Zebra's Don't Get Ulcers, maar ook Kate Pickett en Richard Wilkinson dat doen in hun boek Inner Level, zie je dat naarmate samenlevingen meer ongelijk worden, de sociaaleconomische status van mensen steeds beter kan voorspellen hoeveel stress zich in hun bloed ophoopt, en daarmee ook hoeveel meer gezondheidsproblemen, verloren intelligentie en andere kwalen zich opstapelen door diezelfde stress die er een handje van heeft ons lichaam en geest letterlijk af te breken. Ook zien we in meer ongelijke samenlevingen dat zij die zich bovenaan de hiërarchie bevinden, gemiddeld hogere mates van narcisme en egoïsme vertonen. Ze voelen zich superieur.

Wat aan dit alles belangrijk is, is de gedachte dat zij die zich bovenaan de hiërarchie bevinden, vaak als vanzelf op een bepaalde manier gaan denken. Ze gaan als vanzelf denken dat alles wat ze hebben bereikt zelf hebben verdiend. Ze gaan als vanzelf denken dat hun superieure 'hoogopgeleide' theoretische kennis altijd voorrang moet krijgen op de praktische, meer lokale kennis van burgers, zorgverleners en leraren, of van hen die 'lager opgeleid' zijn.

De kloof en belevingswereld tussen 'hoogopgeleiden' en 'laagopgeleiden' groeit alleen maar.

Meer ongelijke samenlevingen gooien dus olie op het vuur van de meritocratische illusie. Het zorgt ervoor dat de kloof en belevingswerelden tussen 'hoogopgeleiden' en 'laagopgeleiden' alleen maar groeit, dat de een meer status toebedeeld krijgt dan de ander. Met dus ook alle politieke gevolgen van dien.

TECHNOCRATIE EN MANAGEMENT

Hoe krijgt dit dan haar uitwerking in ons dagelijks leven? Hoe krijgt het haar uitwerking in de (linkse) politiek? En wat zou een oplossing kunnen zijn, een denkrichting die ons kan helpen?

Vooreerst, hiërarchieën komen we overal in ons leven tegen. Ze zijn natuurlijk en horen ook bij het leven. Met de opkomst van het neoliberalisme vanaf de jaren 1980 en zijn stijgende vermogensongelijkheid, zijn die hiërarchieën echter verscherpt. Maar, er is een verwant aan het neoliberalisme soort denken wat we kort moeten belichten, om te begrijpen hoe de kloof tussen theoretische en praktische kennis, de kloof tussen 'hoogopgeleiden' en 'laagopgeleiden' zo heeft kunnen groeien in de samenleving, binnen bedrijven en binnen (linkse) politiek: het managementdenken.

Vanaf de jaren 1980 is het bedrijfsleven en de overheid steeds meer doordrongen geraakt van deze 'managementleer'. Deze leer in al haar omvattendheid bespreken zou de scope van dit essay te buiten gaan, maar het komt er kort op neer dat het 'Angelsaksische' bedrijfsmodel (met als primaire doel enkel winst voor de aandeelhouder en geldschieter) ook in de Lage Landen onder invloed van de logica van machtiger wordende kapitaalmarkten, het Rijnlandse bedrijfsmodel (met als primair doel niet alleen winst voor geldschieter, maar ook voor de samenleving, waarbij rekening wordt gehouden met meerdere 'stakeholders') heeft verdrongen. Elk kwartaal terugkerende kortetermijnwinst is hierdoor een doel op zich geworden. Om dit te bereiken leggen bedrijven hun begrotingen, kosten en bedrijfsvoering van te voren vast.

Kort gezegd is het de rol van 'de manager' binnen deze leer om er vervolgens voor te zorgen dat dit proces 'gemanaged' wordt, dat de begrotingsgoden gehoorzaamd worden, met als impliciet gevolg dat er vanuit werknemers minder beweegruimte is om zelf initiatief te nemen. Waarom? Dit zou tenslotte niet alleen de macht van de manager beknotten, maar vooral de vooraf begrote winst in gevaar brengen. Het gaat tenslotte enkel om de winst, niet om hoe duurzaam een bedrijf op de langere termijn is; duurzaamheid die zij juist kan vinden in de creativiteit en gestimuleerde motivatie van al haar werknemers.

Wat we binnen bedrijven zien, kunnen we niet alleen bijna een-op-een vertalen naar de manier van besturen vanuit vele westerse overheden, maar ook naar de westerse politiek: zij is steeds technocratischer geworden. Politici en politieke partijen zijn gemiddeld vaker kasten geworden van 'hoogopgeleide' mensen, die niet met de rest van de samenleving, maar als 'experts' het beleid voor hen denken te moeten uitstippelen. Die de bevolking weinig tot geen inspraak geeft, overheidsbestuur en planbureaus machtiger maakt, en via 'bezuinigingen' de begrotingsfinanciën 'op orde' moet maken. Politiek wordt, kortom, als iets technisch gezien. Iets wat door experts gemanaged moet worden, omdat de burger of werknemer het allemaal toch niet begrijpt. Het is een inherent hiërarchisch denken, het soort denken waar mensen als vanzelf ook in kunnen gaan geloven, waar linkse politici de afgelopen decennia onbewust steeds meer in is lijken te gaan geloven. Ondanks dat zij op een bewust niveau, zeker na deze coronacrisis, wel uiting geven aan hun besef dat verandering nodig is.

Technocratisch, hiërarchisch denken past niet bij traditionele linkse politiek.

Laat één ding duidelijk zijn: dit is het soort denken dat niet past bij traditionele linkse politiek. Een denken dat zich van ingewikkelde taal benut die de overheid en politiek steeds verder op afstand van de burger zet. Die de burger niet betrekt, maar afstoot, haar een gevoel van miskenning doet bekruipen.

Het is het soort denken en taal waar de eerdere schrijvers zich tegen afzetten.

Maar wat zijn de oplossingen hiervoor? Wat kan een stap zetten om de weg terug te zetten? Om de meritocratische illusie af te zwakken, de overheid meer open te maken, en de burger meer wegen naar waardigheid te bieden? Laten we daar mee afsluiten.

WAARDIGHEID EN ERKENNING

De mens wil gewaardeerd worden. Een liberale democratie – en vooral het 'liberale' deel ervan – gedijt bij een samenleving waarbinnen mensen wegen naar waardigheid kennen. Die wegen kunnen divers zijn. De een vindt die via zijn werk. De ander via zijn sociale leven. De ander via zijn politieke 'handelen', in de woorden van Hannah Arendt. Alle drie tegelijkertijd kan ook. Stel, we bezien onze samenleving als een huis. Dat huis kent een dak en vier pilaren die de fundamenten zijn van zijn voortbestaan. Een dak dat bestaat uit de machten en organisatievormen van de markt, overheid en samenleving ('maatschappelijk middenveld'). Het idee van het huis is dat het dak de burgers binnen onze samenleving beschermt, wegen naar waardigheid biedt, wegen naar vrijheid geeft. Indien de balans tussen deze machten, bijvoorbeeld door de eerder gestegen vermogensongelijkheid, steeds verder in het voordeel van de markt geraakt, zien we echter dat de overheid niet alleen in haar denken met haar verstrengeld raakt, maar ook steeds meer in dienst gaat staan van die markt, haar bedrijfsleven en op kortetermijngerichte winstmotieven, in plaats van ook in dienst van de burger, de samenleving: het andere dak, wiens verbanden en verenigingen mensen ook beschermt en vrijheid bieden binnen het huis.

Dat is precies wat we tot nu toe hebben besproken. Het dak van de markt en haar denken is te dominant geworden. De burgers in het huis zijn hierdoor minder vrij geworden, kennen minder wegen naar waardigheid, met opkomend populisme en onvrede met de politiek als gevolg. Met meer fragiele pilaren als gevolg. Want, enkel als de balans tussen de machten gezond is, enkel als de burgers op diverse manieren vrij zijn, kunnen ze aan de pilaren werken. Kunnen ze de pilaren sterk houden. Die pilaren zijn van achtereenvolgens sociale, economische, politieke en rechtsstatelijke aard. Het zijn de fundamenten van onze samenleving.

HET VRIJHEIDSDIVIDEND

In mijn zopas verschenen boek Samen Rijk (Uitgeverij Prometheus) probeer ik een oplossing te schetsen voor deze disbalans, een oplossing voor de stijgende vermogensongelijkheid die eruit voortvloeit, een begin van een oplossing voor de ongezonde verdeling van status en scherper wordende hiërarchieën binnen onze samenleving: een vrijheidsdividend (basisinkomen) van 1.000 euro per maand voor elke burger vanaf 18 jaar. Mede betaald uit een vermogensbelasting en heffingen op techbedrijven, die gigantisch veel waarde ontlenen aan onze persoonlijke data en op allerlei andere wegen een steeds verdergaande invloed uitoefenen op de mens, op onze politieke, economische en sociale structuren, en op onze rechtsstaat.

Hoe is het dividend dan, tezamen met een ambitieus verhaal, een oplossing voor de hierboven beschreven problemen? Hoe kan het deel zijn van een nieuw links betoog voor de toekomst, een betoog wat mensen kan wegtrekken bij partijen die drijven op de onvrede en gebrek aan erkenning gecreëerd door de voorheen bedreven politiek, gecreëerd door het gebrek aan besef dat politiek door 'experts' geen politiek is, maar een relatie gebaseerd op dominantie en superioriteit?

Ten eerste, omdat het vrijheidsdividend vertrouwen biedt, vertrouwen toont, een bepaalde mate van erkenning garandeert voor eeniedere inwoner binnen een samenleving. Het is namelijk een bedrag dat iedereen krijgt voor de bijdrage die zij elke dag weer leveren aan hun land. Of dat nu via betaald of onbetaald werk is. Via theoretische of praktische kennis. In politiek Brussel en Den Haag, of in de wijken. Het is een bedrag dat het wantrouwen dat steeds verder landen hun sociale systeem in is gekropen, in een klap kan doen verdwijnen, daar het bedrag onvoorwaardelijk is.

Het is een bedrag dat, zoals we in Nederland met het toeslagenschandaal hebben gezien, niet ingetrokken kan worden en/of terugbetaald moet worden, met oplopende schulden en al het menselijk leed van dien.

Het vrijheidsdividend, indien betaald uit de eerdergenoemde vermogensbelasting, is een machtsverschuiving.

Ten tweede, is het dividend, indien betaald uit de eerdergenoemde vermogensbelasting, een machtsverschuiving. Het zorgt er niet alleen voor dat mensen meer vrijheid krijgen om zelf te bepalen hoe ze aan hun land willen bijdragen, maar het zorgt er ook voor dat het dak van ons huis meer in balans komt. Mensen binnen de samenleving krijgen tenslotte met al hun pluriformiteit meer mogelijkheden zich te organiseren, meer mogelijkheden tijd voor elkaar vrij te maken, meer mogelijkheden een tegenwicht te bieden tegen het dak van de markt en overheid, bijvoorbeeld door aan coöperatievorming te doen. Coöperatievorming die één van de voorwaarden is die historicus en onderzoeker van vermogensongelijkheid, Bas van Bavel, in zijn De onzichtbare hand schetste om de negatieve economische cyclus die we vanaf de jaren 1980 hebben gezien, de rug toe te keren.

Coöperaties waarbinnen mensen samen hun energie opwekken, samen hun zorg regelen, samen met hun omgeving, stad en wijk op zoek gaan naar de oplossingen voor de uitdagingen van deze tijd. Bijvoorbeeld door met boeren op lokaal niveau te zorgen voor kortere voedselketens en eerlijkere prijzen.

Kortom, het kan van alles zijn. Het dividend kan een grote aanzet zijn tot een sterkere coöperatiebeweging in de Lage Landen, een beweging die gelukkig wel steeds meer opkomt.

Tot slot, en niet onbelangrijk, is dat zij, juist omdat het uitgaat van vertrouwen, uitgaat van menselijke vrijheid en een meer gezonde verdeling van macht binnen een samenleving, een idee is waar kiezers van links tot rechts, van 'hoogopgeleid' tot 'laagopgeleid', affiniteit en sympathie voor voelen. Zie bijvoorbeeld in Nederland: 23% bij VVD, 29% bij CDA, 34% bij PVV, 36% bij ChristenUnie, 44% bij FvD, 48% bij PvdA en ruime meerderheden bij linkse partijen als SP, D66, GroenLinks en PvdD. Daarbij is er een steeds groter wordende groep in Nederland die twijfelt, in plaats van tegen is. Kortom, het is een idee waar een politieke partij, indien zij het inkapselt in een bredere en enthousiasmerende toekomstvisie, mensen van allerlei komaf mee kan verenigen. Een 'hervormingscoalitie' zoals Francis Fukuyama dat noemt. Coalities die volgens hem extreem belangrijk – en lastig – zijn, indien een samenleving de macht van bepaalde economische en politieke elites wil doorbreken.

Het punt is dat linkse politiek aan flinke herbronning toe is – opnieuw. Al helemaal in mijn Nederland, maar zeker ook in Vlaanderen. Er moet een verhaal, een idee worden gevonden die een partij de kans geeft hen die zich door de politiek jaren buitengesloten hebben gevoeld, weer een blijk van vertrouwen te bieden, blijk van het feit dat hun kennis, ervaringen en bijdragen aan dit land worden gewaardeerd in de vorm van een financiële vloer om op te staan, een onvoorwaardelijk dividend. Het vrijheidsdividend kan in de Lage Landen voor linkse politiek het middel zijn om binnen een breder pakket van maatregelen, met een bijhangende visie over hoe we onze politieke en economische instituties weer meer inclusief en minder hiërarchisch kunnen maken (meer bottom-up versus top-down; met meer waardering voor praktische kennis). Het basisinkomen kan het idee zijn dat links weer groot kan maken.

Het basisinkomen kan het idee zijn dat links weer groot kan maken.

Laat ik bij voorbaat zeggen: het is geen utopisch idee. Het zal niet alles beter maken. Een samenleving is complex en uitdagingen zullen er altijd zijn. Dit bedrag geeft burgers binnen een land echter meer de kans deze uitdagingen samen met het bedrijfsleven en overheid ter hand te nemen; het maakt een samenleving en haar pilaren meer weerbaar.

En zo, zo zal verandering langzaam ontstaan, langzaam 'worden', langzaam groeien. Zo zal langzaam de ongelijkheid en vuile politiek in de Lage Landen opdrogen. Voordat we dat stapje voor stapje kunnen gaan doen, is een grote stap, een flinke slinger in de goede richting echter nodig: het vrijheidsdividend.

Samenleving & Politiek, Jaargang 28, 2021, nr. 5 (mei), pagina 22 tot 27