Log in

Bergop

Wat nu met de sp.a?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 12 tot 16

Het kan verkeren in het leven. Dus ook in de politiek. Als uittredend Gents burgemeester stond ik mee te juichen bij de eclatante overwinning van het kartel sp.a-spirit bij de gemeenteraadsverkiezingen in oktober vorig jaar. Amper een half jaar later moest ik als provinciaal voorzitter van sp.a bitter droef gestemd de ongelooflijk pijnlijk nederlaag van datzelfde kartel bij de parlementsverkiezingen op 10 juni ondergaan.

WAT NU MET DE SP.A?

Bedenkingen van een overlevende
Janine De Rop
Een rode T-shirt en kapotte schoenen?
Tessa Vermeiren
Bergop
Frank Beke
De leegte van links
Dirk Holemans
Socialisme, ideologie en electoralisme
Pascal Verhoest
Moet er nog socialisme zijn?
Patrick Loobuyck
De PS en haar toekomst
Pierre Verjans

Wat was er op zulke korte tijdsspanne fout gegaan, vroeg ik mij verbijsterd af. Want laten we wel wezen: niemand had die nederlaag zien aankomen. Kritiek achteraf is dus gemakkelijk, maar nodig. Het was goed dat de partijleiding besliste een analyserapport te laten maken over wat er zoal fout ging. Dat verslag ligt nu voor. Toch heb ik er voor het opstellen van dit artikel geen gebruik van gemaakt. Niet omdat ik het niet waardevol vind. Verre van zelfs. Het is een uitermate degelijk werkstuk geworden dat met een ongeziene vrijmoedigheid het falen van onze partij beschrijft. Toen ik aan dit artikel begon, wou ik persoonlijke beschouwingen bij onze nederlaag brengen. Ik heb het rapport-‘Janssens’, dat niet aldus mag heten, dus niet afgewacht. Toch merk ik dat we met veel bezorgde partijgenoten in belangrijke mate tot gelijklopende, zoniet dezelfde conclusies komen.
Het is goed dat we met zo velen bezorgd zijn. En het is nog beter dat we het debat daarover in volstrekte openheid voeren. Er is niets waarover we beschaamd moeten zijn. En het geeft geen pas schuldigen te zoeken. We zijn allemaal verantwoordelijk. Laten we dus in kameraadschap naar oplossingen streven. Onze partij mag niet verder wegzakken. Integendeel, ze moet weer bergop. Dat is ze verplicht aan al die schitterende mensen die zich al decennia voor het socialisme in Vlaanderen hebben ingezet.

Van op enige afstand bekeken kun je je afvragen of die nederlaag inderdaad zo onverwacht moest zijn. Het klopt dat niemand die de politiek van nabij volgt, ze had voorspeld (en dat betreft zowel politicologen, commentatoren in de diverse media als opiniepeilers). Anderzijds hebben we allicht een aantal signalen niet of onvoldoende geregistreerd. Mij valt bijvoorbeeld op dat als je de uitslagen voor gemeente- en provincieraadsverkiezingen in 2006 vergelijkt, er voor Oost-Vlaanderen althans een opmerkelijk verschil is voor de steden Sint-Niklaas, Gent, Lokeren en Oudenaarde. Voor Sint-Niklaas is er zelfs een verschil van meer dan 8 procent (maar daarbij mag je niet uit het oog verliezen dat Groen! voor de gemeenteraadsverkiezingen mee in het kartel zat). Ik kan dat wetenschappelijk niet bewijzen, maar het is mijn gevoel dat, omdat de werking van de provincie redelijk onbekend is, de mensen bij de provincieraadsverkiezingen veeleer stemmen volgens hun diepere politieke overtuiging dan bij de gemeenteraadsverkiezingen. Daar wegen vaak allerlei andere factoren door. De cijfers van de provincieraadsverkiezingen liggen trouwens meer in de buurt van de uitslag voor de kamer. Zo bezien had de uitslag van 2006 mij al moeten verontrusten.

Niet verontrust

Maar we waren helemaal niet verontrust. Integendeel. We geloofden nog volop in de als vanzelf wervende kracht van het kartel met spirit, hoewel in deze snel evoluerende maatschappij een schitterend idee zoals het samengaan van deze beide progressieve politieke formaties al gauw zijn glans verliest. We geloofden, tegen beter weten in, alsnog in de peilingen die weliswaar een fors verlies voorzagen, maar in vergelijking met de regionale verkiezingen van 2004 als redelijk werden afgedaan. En we waren ervan overtuigd dat, als we in die mate zouden standhouden, we eens te meer deel zouden uitmaken van de regering. We waren er zo gerust over dat we het niet nodig achtten onze partijleden te mobiliseren. Die mochten bij wijze van spreken op hun twee oren slapen. Al is dat onheus ten opzichte van de talrijke militanten die ook nu weer intens campagne hebben gevoerd, ondanks het feit dat ze amper werden aangesproken.
Want zelfs voor de campagne hebben we te nauwer nood een beroep gedaan op de grootste schat die de socialistische partij tot nog toe had: een schare uitgelezen militanten met een groot hart voor de partij en het socialisme. De campagne werd zeer dirigistisch vanuit de hoofdkwartieren geleid. Ik begrijp wel dat als je een nationale campagne moet opzetten, niet elk partijlid over de vorm, inhoud en uitwerking ervan kan beslissen. Maar deze keer werd de basis toch zeer weinig bij een en ander betrokken. Ook de pogingen om bij de opmaak van het verkiezingsprogramma de partijleden echt zeggenschap te geven, misten kracht. Waardoor dat programma niet door de basis werd gedragen. Het was bovendien zo rationeel en gematigd (realistisch heet het dan) dat het bitter weinig enthousiasme opwekte. Kortom, het was een campagne zonder geestdrift waarbij menigeen het gevoel had dat alles door de partijleiding dirigistisch werd aangepakt en dat hij of zij dus niet echt van tel noch van doen waren.

Kiesvereniging

Maar ook deze trend hadden we eigenlijk allemaal kunnen zien aankomen. Zeker iemand zoals ik, die verantwoordelijkheid draagt in diverse bestuursorganen. En we hebben laten betijen, ook ik dus. De centralisering van de besluitvorming binnen de partij is al geruime tijd aan de gang. Er waren gegronde redenen om de arrondissementsstructuren op te zeggen en de macht bij de afdelingen te leggen. Sommige arrondissementsfederaties waren inderdaad uitgegroeid tot ‘baronieën’. Maar de provinciale structuren die in de plaats kwamen, staan te ver van de afdelingen af. Ze kunnen onvoldoende contact houden met, en dus steun geven aan, de afdelingen. Kleinere afdelingen in landelijke gemeenten voelen zich sindsdien verweesd en hebben het moeilijk om hun werking politiek te verdiepen. Er zijn nog te weinig politieke discussiefora in de partij. Zelfs de nationale congressen zijn dat niet meer. Het partijbureau vergadert nog slechts veertiendaags en dan nog alleen maar als een soort reflectiekamer.
De partij gaat zich almaar meer als een kiesvereniging gedragen, terwijl ze dat in wezen net niet is. De diverse kandidaten bij verkiezingen kunnen nog steeds rekenen op hun trouwe supporters, en die spannen zich ongemeen hard in. Maar het wordt veel moeilijker om diezelfde inspanningen te verkrijgen als het erom gaat de partij op zich te steunen. Terwijl de mandatarissen en de kandidaten zich vooral schrap zetten als ze zelf op rang komen. Staan ze niet op de lijst of krijgen ze een minder goede plaats toegewezen, dan haken ze vaak af. Dat heeft meer dan waarschijnlijk te maken met de individualisering van de kiesstrijd. Naarmate partijen minder wervend werden, zijn de kiezers vertrouwen gaan stellen in individuen. Allicht is dat een onomkeerbare evolutie. Nogal wat kandidaten gedragen zich te zelden als vertegenwoordigers van een bepaald ideeëngoed en gaan mee in de vermarkting van de politiek. Bovendien krijg je mensen die voor allerhande functies kandidaat zijn en vaak ook politieke mandaten gaan cumuleren. Dat versterkt weer de machtsconcentratie bij enkelen. Het brengt mee dat de kiezer en het partijlid minder mandatarissen kennen aan wie zij raad kunnen vragen of waarvan zij menen dat ze hen ten volle vertegenwoordigen. Zo worden ook waardevolle potentiële kandidaten in hun politieke opgang afgeremd door gevestigde waarden die diverse postjes gaan bezetten.

Imago

Dat de partij zich openstelt voor het middenveld, is prima. Dat ze waardevolle mensen aantrekt die uit dat middenveld komen en niet vraagt dat ze eerst alle partijgeledingen doorlopen vooraleer ze een politiek mandaat kunnen verwerven, is best begrijpelijk. Maar elke medaille heeft een minder fraaie kant. Meer dan eens mist men het beoogde electorale effect omdat het binnenhalen van zulke mensen, hoe capabel ze ook zijn, geloofwaardigheid mist. Het komt als louter tactisch over. En men stoot soms eigen militanten voor het hoofd die, vaak niet onterechte, een verdienstelijk kandidaat uit eigen rangen hadden verkozen.
Ten slotte mag je niet uit het oog verliezen dat de jarenlange deelneming aan de macht veel sleet meebrengt. Politici raken opgebrand. Je vindt niet altijd evenwaardige kandidaten om ze meteen te vervangen. Als je met sterke ministers in de regering een groot deel het imago van de regering gaat bepalen, word je als partij met die regering vereenzelvigd en zien de mensen nog te weinig waarin de partij van de regering in ideeën en praktijk verschilt. En hoezeer ik zelf van paars houd en hoe goed ik ook met liberalen in het Gentse stadsbestuur heb samengewerkt, we moeten durven stellen dat de paarse regeringen onvoldoende blijk hebben gegeven van sociale bekommernis. Of dat ten minste de inspanningen die socialisten terzake in de regering hebben geleverd, niet scherp genoeg uit de verf kwamen.

De toekomst voorbereiden

Goed, dat zijn allemaal gedane zaken. Die nemen geen keer. ‘Uit der dagen grauwe zorgen treden wij voorwaarts’. Dat zongen we ooit uit volle borst. We moeten dus dringend de toekomst van de partij voorbereiden. Laten we beseffen dat er daarbij geen wondermethode bestaat. Eigenlijk zal de wederopbouw van de partij met een hele reeks maatregelen moeten gebeuren. Op zich zijn die absoluut niet origineel. Ik word natuurlijk een dagje ouder, maar ik vraag mij in gemoede af of we nieuwlichterij van doen hebben.
Het is absoluut nodig dat we de partijleden weer bij het politieke debat en eveneens bij de politieke actie betrekken. Ze willen meebeslissen en willen bijdragen tot het ideeëngoed. We moeten hen daartoe de kans geven. In de hedendaagse samenleving spelen (wijk)afdelingen misschien niet meer dezelfde rol als in de vorige eeuw, maar je mag de band die de burger met zijn onmiddellijke leefomgeving heeft, toch niet onderschatten. Anderzijds moet je ook het lokale kunnen overstijgen. Samenwerkingsverbanden tussen diverse afdelingen, hergroeperingen op basis van geopolitieke criteria kunnen een oplossing zijn. Maar je moet de mensen ook over de territoriale grenzen heen aanspreken rond bepaalde thema’s. Er is in onze partij een schat aan kennis voorhanden. We hebben deskundigen op alle vlak, ook al komt hun wetenschap niet altijd uit de boeken maar uit hun eigen levenservaring. Bovendien zouden we door het weer ernstig nemen van politieke vorming hun algemene politieke kennis kunnen versterken. We moeten hen de mogelijkheid bieden hun wijsheid aan de partij door te geven. Knappe koppen op studiediensten en in de kabinetten weten bijzonder veel, maar lang niet alles. Als we luisteren naar de mensen uit de rank and file van onze partij, tonen we ons betrokken bij wat hen bekommert. Zij voelen zich op hun beurt dan weer betrokken bij de partij. Dat geeft een goed gevoel.
Onze partij dreigt kil te worden. Velen zijn nochtans tot het socialisme gekomen vanuit het gevoel dat deze samenleving bijster onrechtvaardig in mekaar steekt. Je kan en moet dat gevoel rationeel onderbouwen, maar je mag die sentimentele band met onze idealen niet negeren. Daarom ook hebben nogal wat mensen het zo moeilijk met de tegenstelling die is gegroeid tussen de takken van wat de ‘socialistische gemeenschappelijke actie’ heet. De verwijdering tussen vakbond en partij is begrijpelijk en allicht niet te vermijden, maar een reeks scherpe conflicten tussen organisaties die hetzelfde ideaal betrachten, heeft menig militant in verwarring gebracht. Het moet toch mogelijk zijn op basis van hechte kameraadschap tot een open en begripsvolle dialoog te komen. Hetzelfde samenhorigheidsgevoel kan worden versterkt uit wat ik gemakshalve maar de nevenorganisaties zal noemen. Nu is de band met de partij bijzonder los geworden. Zelfs uit hun danig ‘curieuze’ namen kan je niet meer opmaken dat ze enigszins socialistisch zijn.

Openheid

Is dat alles een pleidooi om ons weer in onze volkshuizen te gaan terugtrekken? Heb ik heimee naar de ‘Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid’? Bijlange niet. De toekomst ligt niet in de oude vormen en gedachten. We hebben ervoor gekozen om een open partij te zijn, en dat is goed. Toch nog even deze waarschuwing: openheid is meer dan eenmalige stunts gericht op maximale aandacht in de media. En ze is ook meer dan het binnenhalen van interessante figuren, hoe nuttig die voor onze partij ook zijn.
Een partij getuigt oprecht van openheid door een sterke participatie aan de zogenaamde civiele maatschappij. We moeten uitbreken uit de cenakels van de macht. We moeten te midden van de mensen staan, zo direct mogelijk communiceren. Waarbij we niet uit het oog mogen verliezen dat communicatie een interactief proces is. Naast het meedelen van je boodschap houdt het ook actief luisteren in. Waar de mensen tegen onrecht en verdrukking in verzet komen, waar ze ijveren voor een leefbare wereld moeten wij aanwezig zijn. Niet om deze spontane bewegingen in te palmen, wel om ze te steunen.
Om het risico te vermijden dat je dan als partij te veel de maatschappelijke evolutie gaat volgen en wat stuurloos wordt, zelf niet meer je koers bepaalt, moet je echt wel je ideologisch profiel aanscherpen. Dat we er maar niet in slagen een ideologisch debat te voeren, zelfs niet onze basisbeginselen in een bevattelijke tekst te verwoorden, markeert de nood aan zulke bezielende boodschap. Ook daarbij zullen aloude gedachten ons niet vooruit helpen. De wereld evolueert razendsnel. We kunnen geen werkliedenpartij meer zijn, alleen al omdat het aantal handarbeiders voortdurend afkalft. Maar we mogen evenmin louter een partij zijn van de hoger opgeleide, tweeverdienende stedelingen. Beide sociale groepen behoren niettemin tot ons kiezerskorps. De spreidstand die ons daardoor wordt opgedrongen, is niet bepaald comfortabel. Men verwijt ons dat we een partij zijn die te veel de kool en de geit wil sparen, voor elk wat wils in huis wil hebben. Het beste antwoord daarop geven we precies door een degelijke ideologische visie uit te werken, de grondbeginselen van het socialisme bij het begin van de eenentwintigste eeuw als het ware. Dat zal moeilijk zijn, het zal taai volgehouden inspanningen vergen om de partijleden aan die discussie te laten participeren. We zullen moeten leren uit de ervaringen en ontgoochelingen van de andere socialistische partijen in West-Europa die voor gelijkaardige uitdagingen staan. Maar het zal lonen, daarvan ben ik zeker.

Actie

Laat ik afronden met iets wat in mijn hele actieve politieke leven zowat een levensdroom is geweest. Het is een droom gebleven. Misschien wordt hij toch eens werkelijkheid. We moeten er alles aan blijven doen opdat alle progressieve krachten zich ooit in een enkele partij verenigen. Zolang dat niet lukt, moeten we de samenwerking met de vooruitstrevende krachten in de actie nastreven. Dat houdt dan weer in dat waar we mee in het bestuur zitten, we moeten openstaan voor kritiek. We mogen niet worden aangezien als de verpersoonlijking van de macht. Het socialisme is en blijft een beweging van contestatie. We kunnen de onrechtvaardige kapitalistische samenleving veranderen door deel te nemen aan het bestuur van land, gewest en gemeenschap, provincie of gemeente. De geschiedenis leert ons dat de samenleving nog het meest van al is veranderd door de inzet van talloze door hun ideaal gedreven mensen. Vergeten we het niet: de actie loont.

Frank Beke
Voorzitter sp.a Oost-Vlaanderen

sp.a - verkiezingen - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 7 (september), pagina 12 tot 16