Log in

Een trendbreuk is nodig

Wat nu met de sp.a?

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 47

Reeds nu is duidelijk geworden dat 10 juni 2007 een keerpunt vormt in de geschiedenis van de sp.a. Niet enkel omdat het verkiezingsresultaat het historisch minimum benaderde maar ook en vooral omdat hierbij eindelijk een brede interne discussie geopend werd rond de strategische positionering van de partij. Zonder SP.a-Rood en de kandidatuur van Erik De Bruyn en Elke Heirman zou deze discussie niet dezelfde zijn. Het rapport-Janssens werd in vele afdelingen besproken. Voor de eerste keer worden een aantal zaken op een rijtje gezet en met elkaar in verband gebracht: electorale resultaten, analyse van de campagne en de partijwerking. Deze bijdrage is geenszins een ‘tegenrapport’ maar heeft de bedoeling via een aantal kritische kanttekeningen het debat verder uit te diepen. Want, inderdaad, zoals Patrick Janssens het stelt in zijn voorwoord: ‘de analyse van de verkiezingsnederlaag ligt er, maar dit betekent nog niet dat er een strategie op tafel ligt’.

WAT NU MET DE SP.A?

Nieuwe start of voorspelbaar einde?
Janine De Rop
Een trendbreuk is nodig
Stephen Bouquin

De nederlaag en haar interpretatie

Vraag is of de analyse wel sluitend is. In het voorwoord van het rapport schrijft Patrick Janssen dat ‘de sp.a in het centrum verloren heeft en niet ter linkerzijde’. En verder: ‘Dit is geen opinie maar wiskunde’. Het is echter zo dat wiskunde van weinig tel is bij een politieke analyse. In de interpretatie van de verschuivingen van kiezers naar de ene of andere politieke formatie, is het van essentieel belang onze analyse-categorieën zoals ‘links’ en ‘rechts’ niet te projecteren op het electoraat. Anders gezegd: noties die voor ons een betekenis hebben, zijn daarom niet universeel. Wij kunnen altijd zeggen: ‘onze kiezers zijn verschoven naar rechts’ maar voor de kiezers zelf, of een fractie onder hen, is dit misschien niet zo. Misschien koppelen zij politieke standpunten al lang niet meer aan de linker- of rechtervleugel van het politieke spectrum. De analyse van politieke verschuivingen is met andere woorden geen kwestie die zich op wiskundige wijze laat oplossen. In wiskunde kan men 5 moeilijk met 6 verwarren. Maar de sociale realiteit is een samengesteld en complex gegeven. Bovendien vallen betekenis en betekenaar nooit samen. Geen enkele boodschap wordt op 100% dezelfde wijze begrepen door spreker en toehoorder.

De analyse van het verlies kan dus niet zijn: ‘We verloren in het centrum. Punt’. Velen stemden voor andere lijsten omdat zij geen enkele reden zagen in een stem voor de sp.a. Die keuze werd ingegeven door een veelheid van motieven. Voor de minst gepolitiseerde kiezers was dit hoogstwaarschijnlijk ‘nood aan afwisseling’, ‘nieuwe gezichten zijn nodig’ en natuurlijk ‘protest’. Na jaren regeringsdeelname bevond de sp.a zich ten aanzien van dit publiek uiteraard in een kwetsbare positie. Bij een meer gepolitiseerd electoraat wordt gekozen in functie van het gevoerde beleid, van de inhoudelijke voorstellen, soms in combinatie van persoonlijke gebeurtenissen die kenschetsend zijn. Ook op dit niveau vertrok de sp.a met een handicap: het Generatiepact en fiscale amnestie om er maar twee te noemen. In dergelijke situatie kan enkel een sterke campagne de schade beperken. Op dit vlak zijn er veel fouten gemaakt, zoals het rapport terdege stelt. De vraag is echter of een betere campagne een andere resultaat zou hebben opgeleverd. Dit is een nutteloze vraag, maar toch. Laten we ons even inleven met een consument, in deze tijden van politieke marketing geen nutteloze metafoor. Stel: je blijft gedurende jaren een bepaald waspoedermerk kopen, ondanks enige ontgoochelingen. Je blijft dit toch doen omdat de andere merken niet beter zijn, omdat de verpakking mooi oogt, omdat de spots op tv hip zijn. Tot je ervaart dat de wasmachine eronder lijdt (dit is het moment van het Generatiepact). Toch wordt dit waspoeder de volgende verkiezing opnieuw aangeprezen met een even goede of nog betere campagne. Wat doet een kritische of zelfs onkritische consument? Inderdaad, hij/zij sanctioneert. Net zoals in een relatie of op je werk maak je op een bepaald ogenblik de rekening op. Ik zeg dit maar om de kritieken op de campagne te relativeren. Goed of slecht, de sp.a moest en ging verliezen.

De vraag waarom de sp.a niet gesanctioneerd werd ter linkerzijde is makkelijk te verklaren: de linkse en progressieve keizers voor wie ‘links’ en ‘rechts’ nog een betekenis hebben, weigeren hun overtuiging opzij te schuiven en stemmen steeds zo nuttig mogelijk. Zij houden dus rekening met de krachtsverhoudingen tussen links en rechts en gaan niet snel een stap zetten die rechts zal versterken. Overigens was de kans op een parlementaire doorbraak vanwege radikaal links miniem. Jaren werd dit geprobeerd, alleen of met een kartel, maar telkens mislukte het. Stemmen voor deze lijsten is met andere woorden een verloren stem, want zonder verkozen kandidaten gaat het enkel over de inhoud van de campagne, de juistheid van sommige eisen of voorstellen. Het laag stemmenpercentage heeft zelfs een averechts effect: wanneer voorstellen gedragen door deze lijsten maar 0,9 of 1,22% van de stemmen behalen, worden de an sich goede voorstellen op dezelfde wijze gemarginaliseerd als zij die ze uitdragen. Stemmen voor de PVDA en CAP is, behalve in enkele lokaliteiten, bijgevolg een symbolische stem die niet weegt. Kiezers voor wie ‘links’ nog een betekenis heeft, stemden dus voor de sp.a of Groen!. Ondanks kritiek, misnoegdheid, frustratie en noem maar op.

Politicologisch onderzoek heeft aangewezen dat de grote fluctuaties van het stemgedrag ten dele het gevolg zijn van het feit dat begrippen ‘links’ en ‘rechts’ verworden zijn tot abstracte categorieën. Het regeringsbeleid wordt in het centrum gevoerd met wat accenten die de ene of de andere gevoeligheid strelen. Politiek is een show met veel marketing en communicatie. Een gegeven dat vele mensen intussen ook wel door hebben. Het échte leven is elders. Ja, er bestaan nog politieke issues die een verre en vooral zeer vertekende band met de realiteit hebben. Politiek gaat dan over ‘meer of minder sociaal’, ‘meer of minder overheid’ (in feite ‘meer of minder privatiseren’), ‘meer of minder belastingen’, en ook ‘meer Vlaanderen en minder migranten’, enzovoort.
Er zijn nog steeds verschillen, maar de positionering van sp.a was (en is) allesbehalve coherent, en uiteindelijk, ondanks een mooie verpakking, niet geloofwaardig. Wat betekent immers de slogan ‘elk kind, schoon kind’? Ware het niet duidelijker te stellen ‘elk kind heeft recht op een toekomst’? De slogan ‘als iedereen werkt, werkt alles beter’ is triviaal. Ze gaat voorbij aan twee belangrijke feiten: velen werken maar verdienen te weinig (working poors); en ten tweede duwt het activeringsbeleid vele werklozen in nepstatuten en precaire jobs. Is dit ‘werk’? Is dit beter voor hen? Functioneren bedrijven en organisaties beter met slecht betaald personeel en met workfare?

De Ja!-campagne was dus niet meer dan een mooi ogende verpakking die niet alleen los stond van de realiteit, maar ook van het gevoerde regeringsbeleid. Dit is overigens de échte reden waarom iedereen enkel de ‘Ja!’ onthield. Wie met de realiteit een loopje neemt, struikelt er vroeg of laat over. Overigens vertoont een centrumlinkse politieke koers de neiging inconsistenties te verzamelen. Hoe kan men immers ‘meer sociaal’ zijn met ‘minder belastingen’ en ‘minder overheid’? Hoe kan men de neoliberale agenda mede uitvoeren en toch verwachten hiervoor bedankt te worden door het traditionele electoraat? Zelfs het afvijlen van de scherpe kantjes is er niet meer bij geweest. Wat maakt dan nog het verschil? De profilering en het sexy gehalte van de partijboegbeelden? Last but not least, een centrumlinkse koers maakt de sp.a lamlendig ten aanzien van centrumrechts, rechts en uiterst rechts. Immers, op het mooie maar irreële centrumlinkse verhaal van de sp.a volgen andere en voorlopig meer geloofwaardige boodschappen: ‘Laat Wallonië los want wij zijn rijk’ of ‘Genoeg geknoei, laat goed bestuur het overnemen’ of ‘Pak de profiteurs aan, en wees sociaal voor hen die het waard zijn’. Ook deze boodschappen zijn absoluut onjuist: laten we België (en Wallonië) los, dan worden we armer. En goed bestuur is geen kwestie van managers en management maar van middelen en doelstellingen. De aanpak van profiteurs is een aanpak van divide and rule waarbij de hardwerkende mens er niet beter van wordt als de werklozen hun uitkering verliezen. Wel integendeel, de werkloze zal in het gelid geroepen worden en zal sneller om het even welke job aanvaarden aan om het even welke verloning.

Kortom, een inconsistent centrumlinks verhaal is gedoemd zichzelf in het nauw te drijven. Als je iedereen te vriend wil zijn, dan stel je meestal niemand tevreden. Enkel de echte vrienden blijven over. Hoe ‘breed’ en open je ook bent, je versmalt op electoraal vlak tot 15-17% en enkel de harde kern blijft over. Voor de sp.a zijn dit progressieven, socialisten, die veelal ‘links’ van de partijleiding staan. Sommige personaliteiten weten hoger te scoren dan de 15%. Patrick Janssens heeft in een polarisatie tussen hem en Filip Dewinter de Antwerpse coalitiepartners een beetje in hun blootje gezet. Prima, maar het échte werk moet nog beginnen, namelijk opnieuw stemmen winnen bij het Vlaams belang.

Een verweesde achterban

Begin jaren 1990 maakte socioloog Mark Elchardus een analyse over het kiesgedrag in relatie tot waarden en normen. Hij stelde vast dat er niet één maar twee breuklijnen waren: indien sommigen op sociaaleconomisch vlak progressief waren, dan waren zij veelal etnocentrisch en autoritair georiënteerd op moreel-ethisch vlak. Deze eerste groep was voornamelijk samengesteld uit minder geschoolde mensen met lagere inkomens. Kortom, de traditionele achterban, de arbeiders. Een tweede groep positioneerde zich juist omgekeerd: progressief-links op moreel-ethisch vlak, liberaal op sociaaleconomisch vlak. De ‘lijn-Tobback’ bestond erin op moreel-ethisch vlak een ‘flinkse’ aanpak na te streven, in woorden en daden. Maar op sociaaleconomisch vlak was de partij alles behalve ‘links’. Een strakke aanpak ten aanzien van mensen zonder papieren en een bout taalgebruik (‘het salon is vol’) leidde ertoe dat progressieve kiezers op Agalev stemden, terwijl de afwezigheid van een progressief sociaaleconomisch beleid uiteindelijk de traditionele achterban in de kou liet staan. Deze periode eindigde met Tobbacks ontslag als Minister van Binnenlandse Zaken (nadat Semira Adamu met verstikking werd gedood) en een pover electoraal resultaat. Onder leiding van Patrick Janssens werd het roer omgegooid richting multiculturaliteit. Kortom op ethisch-moreel terrein werd de SP ‘anders’, ja, zeg maar opnieuw links. Maar hier bleef het bij. Paars kwam aan de macht in 1999 en Steve Stevaert kon gedurende enige tijd een sociaal imago hoog houden dankzij het ‘gratis-verhaal’. Inderdaad, waarom niet een aantal basisvoorzieningen zoals het openbaar vervoer gratis maken? De samenleving wordt er enkel rijker mee. Meer levenskwaliteit voor iedereen. Het probleem is echter dat dergelijke aanpak een trein op gang brengt die vroeg of laat zal botsen op een beleid van privatiseren en minder belastingen. Stevaert verdween van het toneel en iedereen herinnert zich de recente periode met het Generatiepact.

De negatieve impact van de toenmalige keuze het brugpensioen af te bouwen, is tot vandaag zwaar onderschat. Ik heb het altijd merkwaardig gevonden dat zo weinig journalisten (en sociologen) stil stonden bij het feit dat toen tienduizenden werkende jongeren staakten en op straat kwamen terwijl het ‘maar’ ging over de toekomst van het brugpensioen, een gegeven dat hen eventueel opwacht binnen minstens twintig jaar. Wat bezielde hen? Jonge meelopers? Neen, het ging over een nieuwe generatie die reeds enige tijd de verharding van het leven ervaart. In het gezin, via hun ouders, zelf via jaren interim, kleine jobkes, lage lonen en tegelijkertijd steeds harder werden, én daarenboven steeds te horen krijgen dat het nog beter kan. Aan hen werd gezegd door de sp.a-ministers: ‘dit leven van vandaag ga je mogen uithouden tot je zestigste, want anders zijn er geen pensioenen meer’.

Als we even de hedendaagse sociale realiteit bekijken, leven we in een tijdperk waar we niet alleen ‘Ja’ kunnen zeggen maar we ook ‘neen’ moeten durven roepen. Weinigen ervaren immers op positieve wijze de hogere prijzen en een afkalvende koopkracht, het duurder wonen, meer werkintensiteit, meer interim werk, meer tijdelijke contracten, gezinsonvriendelijke werkuren, een constante chantage van herstructureringen, enz. Een luxeleventje heb je ook niet met een gezinsinkomen van 1500 à 2000 euro waarbij kinderen zullen gaan studeren. Neem hierbij ook maar de gepensioneerden die het met een pensioen van minder dan 1000 euro moeten stellen. En de werklozen, of beter: deze die afwisselend stempelen en werken in precaire situaties waarbij zij noch een lening bekomen noch een loopbaan uitbouwen en evenmin zullen sparen. Werken in een callcenter, of in een kledingzaak (wanneer ze jong zijn en van het vrouwelijk geslacht), voor een koerierbedrijf of gewoonweg in de horeca pintjes tappen verdient nooit meer dan 1200 euro voor een fulltime betrekking. De leefwereld van de werkende bevolking, loontrekkende, ambtenaren van lagere echelons of kleine zelfstandigen is geen lachertje. In feite is dit de traditionele achterban van de linkerzijde, van de arbeidersbeweging. Natuurlijk zijn er generatieverschillen, cultuurverschillen, en verschillen in wereldvisie. Maar de sociale tegenstelling bestaat nog, naast andere tegenstellingen. Op deze breuklijn is de socialistische arbeidersbeweging ontstaan en groot geworden. Het project van de Derde Weg was een dwaalspoor en vormt met andere woorden de wortel van de electorale en politieke crisis van de sp.a.

Uit de impasse van de Derde Weg

De sociaaldemocratie vertoeft overal in crisis stelt het rapport-Janssens terdege. Dit is de crisis van de Third Way. Dit project verzoende de sociaaldemocratie definitief met de ‘vrije markt’, met het liberalisme en ambieert op sociaal vlak niet veel meer dan ‘gelijke kansen’. De overheid heeft enkel nog verantwoordelijkheid op het vlak van competitiviteit. Ze mag de welvaartstaat tot het minimum herleiden terwijl sociale rechten en bescherming compatibel moeten zijn met het globaal casinokapitalisme. Uiteraard is de Third Way de erfgenaam van het failliete keynesiaanse project van gemengde economie. Er moest dus gesaneerd worden maar tot begin jaren 1990 bestond nog de hoop dat economische groei tot sociale return zou leiden. Dit was het axioma van voormalig Duits sociaaldemocratisch kanselier Helmut Schmidt: de besparingen van vandaag financieren de investeringen van morgen die de jobs van overmorgen zullen scheppen. Besparingen waren er voor de overheid en de loontrekkende bevolking, maar niet voor de anderen (remember de indexsprongen). Economische groei keerde terug en tewerkstelling groeide aan, maar wat soort jobs en met welke werkzekerheid? Men vergat dat de economie geen natuurlijk gegeven is maar een krachtenveld waar actoren en belangentegenstellingen elkaar ontmoeten. Anders gezegd: hoe kan er ooit sociale return komen wanneer de belastingen op winsten (roerende voorheffing) dalen van 40 naar 25%, wanneer de loonevolutie losgekoppeld wordt van de productiviteit, wanneer loonlastverlagingen een miljardendans maken en de sociale zekerheid wordt uitgehold tot een minimaal stelsel met daarnaast privatiseringen van alles waar geld mee te verdienen valt? Intussen is ook duidelijk geworden dat het sociale Europa met 27 lidstaten verderaf ligt dan ooit.

De project van de Derde Weg had als doel de sociaaldemocratie om te vormen tot een pro-kapitalistische partij, net zoals de Democraten in de VS. Armen worden geresponsabiliseerd voor hun lot, sociale bescherming is voorwaardelijk en steeds onvoldoende en vormt dus een incentive tot een actief burgerschap. Natuurlijk zijn er verschillen tussen democraten en neo-conservatieve republikeinen. Maar voor een derde van de samenleving zijn deze amper voelbaar. Zij hebben de representatieve democratie de rug toegekeerd en stemmen niet meer. Het kiezerskorps slinkt evenredig met het inkomen. In Groot-Brittannië heeft ‘Tory’ Blair getracht dezelfde weg in te slaan. New Labour won in 1998, maar tien jaar later is de situatie voor de onderste lagen van de samenleving niet fundamenteel verbeterd inzake leef- en werkvoorwaarden.1 New Labour verloor 400.000 leden sinds begin 2000; de participatiegraad bij de algemene verkiezingen in mei 2005 daalde tot het historisch dieptepunt van 58% en Blair verkreeg maar 22% van de stemmen van het totale kiezerskorps.2 In Nederland en Duitsland heeft het sociaal-liberaal beleid eveneens de sociaaldemocratie electoraal verlies toegebracht. Maar in deze landen hebben nieuwe politieke formaties kunnen doorbreken links van het centrum: de SP van Jan Marijnissen en Die Linke behalen 10 à 15% van de stemmen. Op zich positief maar uiteraard onvoldoende voor een alternatieve meerderheid met een ander beleid. De linkerzijde in Frankrijk en Italië kampt met hetzelfde probleem van verlammende verdeeldheid en strategische stuurloosheid. De sleutel voor een trendbreuk ligt met andere woorden nog steeds bij de sociaaldemocratie en het breken met het project van de Derde Weg.

In de aanloop naar de Franse presidentsverkiezingen recycleerde Nicolas Sarkozy de Italiaanse communist Antonio Gramsci. In navolging van Gramsci stelde hij dat het gevecht eerst op het vlak van de ideeënstrijd gevoerd moet worden. Volgens hem moet de rechterzijde een ‘hegemonisch blok’ vormen waardoor ze over een veel breder sociologisch draagvlak beschikt, met inbegrip van een fractie van de arbeidersklasse. Zo duidelijk was hij. Een meritocratisch en autoritair liberalisme zijn hiervan de sleutelcomponenten. Dit betekent geen medelijden voor de zwakkeren, de lamlendige ambtenaren, al diegenen die ‘niet hard willen werken’ (niet meer dan 35 uren per week), de migranten en alle profiteurs. De Franse Parti Socialiste was niet enkel verdeeld rond Ségolène Royal maar vooral monddood ten aanzien van dit project. Inderdaad, welk antwoord heeft links op het meritocratisch en autoritair liberalisme?

Een nieuw socialistisch project

‘Gelijke kansen’ klinkt mooi maar praktisch functioneert deze slogan als alibi voor de bestendiging van sociale ongelijkheid. Stel: iedereen krijgt ‘gelijke kansen’ maar er bestaan nog sociale verschillen. Wat is dan de conclusie? Dat deze verschillen voortvloeien uit ‘natuurlijke’ ongelijkheid inzake talent, intelligentie en doorzettingsvermogen? Na enige tijd klinkt dan de roep om ‘gelijke kansen’ overboord te gooien want het is toch verkwisting. Kortom, het gelijke kansen-verhaal is geen ideologische kapstok om een partijproject te dragen.

Solidariteit kan niet enkel een moreel principe zijn. Een collectieve lotsverbetering zal ergens vandaan moeten komen. Zowel op het vlak van een gemobiliseerde maatschappelijke opinie als op het vlak van de middelen die deze lotsverbetering tot stand zal brengen. Daarom is de sociale tegenstelling nog steeds de hefboom om macht te verwerven en de samenleving te hervormen. Daarom zal een heropstanding van de linkerzijde de mobilisatie van de ‘traditionele achterban’ vergen, in alliantie met middenlagen. Daarom moet de linkerzijde opnieuw maatschappijkritisch worden, niet zozeer op het vlak van ‘individueel gedrag’ maar op het vlak van de logica die vandaag allesoverheersend is, een economische gebeuren gebaseerd op winstmaximalisatie. Zo plaatst SP.a-Rood hierbij de idee van ‘economische democratie’ voorop. Aldus wordt duidelijk gemaakt op welk terrein er geen democratie bestaat maar amper een bepaalde vorm van cijnkiesrecht (hoe meer aandelen, hoe meer beslissingsmacht). De belangen van de werkenden, omwonenden, gezinnen en gemeenschappen, kortom, van de samenleving, is van tweede of derde rangorde. Het democratiseren van de economie betekent dat de samenleving opnieuw controle verwerft over het economisch gebeuren. Dit is in de eerste plaats een taak voor de overheid, lokaal, nationaal of supranationaal. Maar het moet ook van onderuit, zoals bijvoorbeeld de werkvloer via syndicalisme in KMO’s of inzage een vetorecht bij managementsbeslissingen.3 De economie kan maar gedemocratiseerd worden als er opnieuw in een aantal sleutelsectoren een rechtstreekse tussenkomst is. Daarom is de hernationalisatie van de productie en distributie van water en energie een prioriteit.

Het marktgebeuren is een mechanisme ter allocatie van goederen en diensten. Vraag en aanbod ontmoeten elkaar op de markt. Maar dit is niet per se altijd en overal het meest doeltreffende mechanisme. Dikwijls is het marktgebeuren zeer ‘onvrij’ omdat het gedomineerd wordt door privé-monopolies, of oligopolies. Toeleveranciers en onderaannemers trekken aan het kortste eind. Wanneer een markt dan vrijwel ongeregeld is en met gelijksoortige spelers functioneert, dan heeft ze nefaste gevolgen op maatschappelijk vlak. De financiële markten zijn hier een schoolvoorbeeld van. Op deze markten zoekt het aanbod van kapitaal (zoals bijv. private pensioenfondsen) de aandelen die een hoge return geven. Deze hoge return kan enkel mits loonmatiging, ontslagen en delokalisaties. Intussen kalft de koopkracht af en worden sociale behoeften die niet solvabel zijn, verwaarloosd. Speculeren schept geen rijkdom maar pompt rijkdom uit de samenleving. De financiële markten mogen dus gerust tot het minimum beperkt worden.4 Arbeid hoeft ook geen koopwaar te zijn.5 Volledige werkgelegenheid betekent dat niemand onverkoopbaar is, dat er voor iedereen steeds een betrekking bestaat, mits herverdeling van het werk of sociaal nuttige jobs. Wat is de functie van werkloosheid ? Een dwangmatige incentive tot werkinzet? Maar efficiëntie en motivatie bestaat ook in een werkzekere omgeving. Werkloosheid vermijdt misschien inflatie omdat de lonen een neerwaartse druk ondergaan maar inflatie kan ook vermeden worden via gereguleerde prijsvorming. Dit om maar te zeggen dat andere visies op de economie verre van onredelijk zijn.6

Velen vrezen dat dergelijk project de kip met de gouden eieren een doodsteek zal bezorgen. Niets is minder waar. Tegenbewegingen hebben juist geleid tot maatschappelijke modernisering en meer rechtvaardigheid. Op de 19de eeuwse liberale staat volgde een schuchtere democratisering. Deze stelde paal en perk aan het wilde kapitalisme dat de helft van de samenleving uithongerde en buiten de instellingen hield. Op het socialisme van de 20ste eeuw reageerde het kapitaal aanvankelijk met fascisme en een sterke staat. Maar dergelijk avonturisme bracht de wereld op de rand van de afgrond en daarna op de drempel van diepgaande maatschappelijke omwentelingen. Toen was het kapitaal wél bereid tot compromissen, met name de erkenning van een tegenmacht in de onderneming en de sociale zekerheid. Het wegvallen van het reëel (on)bestaande socialisme heeft niet tot het einde van de geschiedenis geleid maar tot een nooit geziene polarisatie van rijk en arm. En tot de dictatuur van de financiële markten. De sociaaldemocratie van de 20ste eeuw is sinds meer dan 20 jaar op de dool. Nochtans is er ook in de 21ste eeuw een anti-systeembeweging nodig. Enkel een socialistisch project voor de 21ste eeuw kan de sociale en ecologische onevenwichten rechttrekken. Mits pluralisme en democratie hoeft dit niet per se te leiden tot bureaucratische vermolming.

Wanneer Erik De Bruyn en Elke Heirman stellen ‘terug naar links’, betekent dit in de eerste plaats opnieuw positie innemen ter linkerzijde en niet in het centrum. En misschien betekent ‘links’ of ‘rechts’ niet veel in de ogen van brede lagen van de samenleving, maar onrecht aanklagen en opkomen voor sociale lotsverbetering (niet individueel maar samen) betekent heel veel. Via herverdeling van een grote koek, via maatregelen waar de werkende bevolking beter van wordt, op het vlak van huisvesting, van levenskwaliteit in het algemeen. Een leefbare en duurzame samenleving met inderdaad meer mogelijkheid tot positieve, individuele keuzes.

Een dergelijke opstelling zal een maatschappelijke weerklank vinden. Vanuit de oppositie kan de sp.a dan opnieuw uitgroeien tot een politiek zwaargewicht. Machtsdeelname op basis van betere krachtsverhoudingen, beloften houden en niet de eigen carrière laten primeren: dit is wat velen verwachten. Dit is ook hetgeen vele basismilitanten denken, zij die in contact staan met de sociale realiteit. Hiermee aanknopen is de sleutel om rechts in de kou te zetten.

Stephen Bouquin
Lid sp.a-Antwerpen en Hoogleraar sociologie Universiteit Amiens

Noten
1/ Anno 2007 leven 11 miljoen mensen onder de armoedegrens. In de afgelopen tien jaar is het gezamenlijk fortuin van de 1000 rijksten gestegen van 98,99 miljard £ naar 261 miljard £, een stijging van 263%.
2/ Het kiezerskorps betreft alle stemgerechtigden. Het meerderheidsstelsel in één stemronde maakt dat de kandidaat met de meeste stemmen verkozen is; New Labour zakte desalniettemin van 400 naar 356 zetels. De uiterst rechtse BNP en Liberaal-Democaten zagen hun stemmenpercentage stijgen zonder echter veel zetels te bekomen.
3/ Zie hierover een dossier gewijd aan syndicalisme in KMO’s gepubliceerd in het lentenummer van Transfer, tijdschrift van het EVV.
4/ Zie hierover: http://vl.attac.be/article768.html
5/ Zie hierover: http://vl.attac.be/article194.html
6/ Zie hierover Bouquin S. (2001), ‘Lonen en winsten in het neo-liberaal tijdperk. Een billijk evenwicht?’. In: Vlaams Marxistisch Tijdschrift, nr. 4, jg. 35; Bouquin S. (2003), ‘Mag het iets meer zijn? Kritische kanttekeningen bij het werkgelegenheidsvraagstuk’. In: De Gids op het maatschappelijk gebied, jg 94, nr. 9; Bouquin S. (2004), ‘Armoede en sociale uitsluiting’. In: Centrale Raad voor het Bedrijfsleven - Maandelijkse nieuwsbrief, nr. 89, januari 2004.

sp.a - links - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 14, 2007, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 47