Abonneer Log in

Franstalige partijen op onbekend terrein

POLITICOLOGEN OVER 2014

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 16 tot 23

De Franstalige partijen bereiden zich voor op de verkiezingen van 25 mei 2014, ‘de moeder van alle verkiezingen’ (een Vlaamse uitdrukking die weinig Franstalige waarnemers overnemen). Samenvallende verkiezingen dus, zoals deze van 1999. De context waarin deze partijen zich bevinden verschilt radicaal van de Vlaamse context. Terwijl het Vlaamse politieke landschap het voorbije decennium ingrijpend is gewijzigd, vertoont het Waalse politieke landschap een verbazende stabiliteit, meer nog dan in Brussel. In beide gevallen domineren de vier belangrijkste partijen het politieke leven. Tenzij er een verrassing uit de bus komt, zoals met de dioxinecrisis in 1999, zal de ‘tweede ronde’ van de verkiezingen, de vorming van de regeringscoalities, het voorrecht blijven van deze partijen.

POLITICOLOGEN OVER 2014

N-VA tegen de rest en tegen zichzelf
Carl Devos en Nicolas Bouteca
Franstalige partijen op onbekend terrein
Pierre Verjans en Hugues Renard
Eindelijk echte Europese verkiezingen?
Hendrik Vos

TERUGBLIKKEN OP VORIGE VERKIEZINGEN

Om dit te illustreren geven we een overzicht van de laatste verkiezingen in Wallonië en Brussel.

Wallonië

We schetsen hier de electorale krachtsverhoudingen in Wallonië en houden daarbij rekening met een categorie die zelden behandeld wordt in verkiezingsstatistieken, namelijk de personen die zich(zelf) ‘buitenspel’ bevinden (plaatsen). Het zijn de blanco en de ongeldige stemmen en de ingeschreven kiezers die niet in de stembureaus zijn komen opdagen, ook al is de stemming verplicht. Deze mensen ‘buitenspel’ bestaan uit zieken, kiesonbekwamen, mensen die niet in staat zijn geldig te stemmen. Het is een categorie waarvan men mag veronderstellen dat die relatief stabiel blijft van verkiezing tot verkiezing. Daarnaast is er een categorie van ingeschreven kiezers die afwezig blijft of ongeldig stemt, die van verkiezing tot verkiezing verschilt en een betekenisvol politiek signaal vormt.

Dat in Wallonië het hoogste aantal ‘buitenspel’ kiezers sinds de invoering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht voor mannen (1919) werd gehaald bij de verkiezingen van 1999, dat dit record nog scherper werd gesteld bij de verkiezingen van 2010, toen de Franstalige partijen bij voorbaat toegaven dat hun belofte om niet te onderhandelen onhoudbaar was (de vier Franstalige partijen hadden in 2006 gezegd dat zij ‘demandeurs de rien’ waren) en dat dit record in 2012 nogmaals werd bijgesteld (na verklaringen van de minister van Justitie dat er geen vervolging zou komen tegen de burgers die niet hadden gestemd): deze feiten tonen aan dat er toch iets belangrijks gaande is in het politieke systeem.

Als we electorale hiërarchie tussen de Franstalige partijen bekijken, zien we volgende tendensen:
- De PS, op kop sedert 1919, behaalt tussen 1981 en 1995 een gemiddelde van 32,3% van de ingeschreven kiezers (we herhalen het nog een laatste keer: de resultaten die we hier presenteren worden niet, zoals gewoonlijk, berekend op basis van het totaal aantal geldig uitgebrachte stemmen maar wel op basis van alle ingeschreven en opgeroepen kiezers), en zakt naar gemiddeld 27,8% sedert 1999.
- Op plaats twee scoort de MR gemiddeld 18,4% en 21,4% in dezelfde periodes. Anders gezegd: bij de PS is er een dalende tendens in de laatste dertig jaar, terwijl die tendens bij de MR stijgende is.
- Het cdH, de vroegere PSC, evolueerde van een gemiddelde van 19,4% tijdens de twee laatste decennia van de vorige eeuw naar 13,9% tijdens de voorbije dertien jaar.
- Ecolo blijkt stabieler dan men zou verwachten van een partij die amper iets meer dan dertig jaar oud is. De partij behaalt een gemiddelde van 7,9% tussen 1981 en 1995, om sedert 1999 gemiddeld 10,8% te bereiken.
- De categorie ‘buitenspel’ vormt, in aantal, de vierde belangrijke vorm van stemgedrag van 1981 tot 1985 met 15,1%. Deze categorie behaalt sedert 1999 de derde plaats met gemiddeld 17,1%.
- De verschillende extreemrechtse lijsten blijven in de twee periodes onder de grens van de 5% van de ingeschreven kiezers, terwijl de overige kleine lijsten 6,1% halen - vooral door het einde van het Rassemblement Wallon (RW) en de Parti Communiste de Belgique (PCB) in het parlement - en 4,7% voor de laatste periode.

Grafiek 1. De verkiezingsresultaten in Wallonië sedert het ontstaan van het Gewest.

De provinciale verkiezingen van 2012

Tabel 1 geeft meer informatie dan enkel de berekende gemiddeldes. Men ziet hier duidelijk dat de provinciale verkiezingen - door politicoloog Vincent de Coorebyter ‘scheikundig zuiver’ genoemd wegens geen duidelijke strijdthema’s, geen bekende leiders, geen specifiek programma - als waarschuwing dienen, als overgang tussen twee verkiezingen waar meer op het spel staat. Zo tonen de provinciale verkiezingen van 2000 dat de PS zich al hersteld heeft van haar nederlaag in 1999 en dat Ecolo een deel van haar electoraat opnieuw verloren heeft. Deze van 2006 tonen dat de PS zich in een neerwaartse fase bevindt en dat de MR aan de winnende hand is, evenals Ecolo. De provinciale verkiezingen van 2012, nog te weinig onderzocht, tonen een PS en een MR die slechts 3% uit elkaar liggen zoals in het midden van de jaren 2000, een cdH die nog altijd 3% lager scoort dan Ecolo en de ‘buitenspel’ kiezers die opnieuw de derde plaats innemen (ze waren tweede in 2010!).

Wanneer we die recentste provinciale verkiezingen van 2012 wat nader onderzoeken, zien we nieuwe lijsten opkomen in Wallonië. Wie weet is het de voorbode van een destabilisatie van het politieke landschap. Met 69.764 stemmen (of 2,8% van het aantal ingeschreven kiezers) haalt de Piratenpartij een behoorlijk resultaat voor een eerste deelname aan de verkiezingen. Voorts haalt de PVDA, links van de PS, met 54.932 stemmen zo’n 2,2% van de ingeschreven kiezers, terwijl het FDF, de vroegere partner van de MR, relatief gezien slaagt in zijn poging tot Waalse verankering met 47.782 stemmen, of 1,9% van het aantal ingeschreven kiezers. De vier traditionele partijen in Wallonië zijn dus niet alleen in een concurrentiestrijd met elkaar verwikkeld, maar ook met de nieuwkomers die zouden kunnen doorbreken in 2014.

Brussel

In Tabel 2 lezen we het verkiezingsgedrag in Brussel sedert de vorming van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De ‘buitenspel ‘ kiezers behalen hier een gemiddelde van 21,1% (hoger dan in Wallonië).1 De belangrijkste partij in de onderzochte periode is de MR, van 1995 tot 2011 samen met het FDF. Het gemiddelde van het kartel PRL-FDF, en daarna de MR, bedraagt 22,8% van het aantal ingeschreven kiezers. Daarna komt de PS met 18% van het aantal ingeschreven kiezers, gevolgd door Ecolo met 10,1% en het cdH met 9,2%. Het gemiddelde van de opgetelde resultaten van de Vlaamse lijsten is 10,5% en de andere Franstalige lijsten komen niet boven 8,3%.

Het overzicht van Tabel 2 kan de ontwikkelingen van de laatste jaren niet verhullen. In 2004 slaagde de PS er in om de MR te onttronen, die daarna haar dominante positie herwon in 2007, na een campagne die hen ook het leiderschap in het Waals Gewest opleverde. De verkiezingen van 2010 brachten de resultaten van de twee grote partijen dichter bij elkaar. En daarmee nam de onderlinge concurrentie en spanning toe. De strijd voor de derde partij wordt gedurende de gehele periode geleverd tussen de PSC, en vervolgens haar opvolger het cdH, enerzijds en Ecolo anderzijds. De electorale concurrentie in Brussel is dus fel en het resultaat onzeker, vooral sedert de breuk tussen het FDF en de MR in 2011.

Op het federale niveau steeg de PS tussen 2007 en 2010 van 724.787 naar 894.543 kiezers (van 20 naar 26 zetels), terwijl de MR de omgekeerde beweging maakte met een daling van 835.073 naar 605.617 kiezers (van 23 naar 18 zetels). Tijdens dezelfde tijdsspanne verloren zowel het cdH als Ecolo stemmen, waarbij Ecolo haar 8 zetels behield en het cdH van 10 naar 9 zetels terugviel. Gedurende deze periode steeg het aantal ‘buitenspel’ kiezers in geheel België met 269.304 (van 12,4% tot 15,7%).

DE LANGE AANLOOP NAAR 2014

De kwetsbaarheid van de politieke partijen tegenover een steeds wispelturiger kiespubliek vereenvoudigt het voorbereidende werk voor verkiezingen allerminst. De Franstalige partijen bereiden zich in die context voor om in 2014 de macht in Gewesten en Gemeenschappen te herverdelen, deel te nemen aan de vorming van de federale regering en te wegen op het Europese niveau, hoe weinig dit laatste ook moge zijn.

Zoals geldt voor zowat alle partijen in een proportioneel kiesstelsel, vormen de verkiezingen een soort ‘eerste ronde’ die toelaat de nieuwe zetelverdeling te kennen in de diverse parlementen. In een ‘tweede ronde’ worden regeringsmeerderheden gevormd in functie van het resultaat van die eerste ronde. Een te agressieve verkiezingscampagne kan de prijs van het toegangsticket om deel te nemen aan de regeringsonderhandelingen doen stijgen. Absolute veto’s komen zelden voor. Politici, professionals in conflicten, moeten binnen partij of regering immers vaak allianties sluiten met felle tegenstanders. Nog voor de campagne worden discreet de mythische voorakkoorden gesloten. Het gebeurt regelmatig dat partijen allianties aangaan met verschillende partners, als de verkiezingsresultaten deze mogelijk maken natuurlijk.

De politieke programma’s

De verkiezingsprogramma’s voor de verschillende machtsniveaus zijn nog niet afgewerkt. De procedures worden afgerond voor het einde van de winter. Afhankelijk van de graad van transparantie van de partijen worden de leden individueel of collectief, lokaal of via federaties, opgeroepen om te werken aan de eerste teksten die door het partijbestuur zijn voorgesteld. In de meeste partijen wordt het opstellen van het programma beschouwd als een fundamenteel democratisch moment voor de interne partijwerking en het motiveren van de militanten en kaderleden2, terwijl deze procedures elders beschouwd worden als een formaliteit die vooral kiezers moet aantrekken. Men merkt hier het onderscheid tussen massapartijen en partijen van notabelen, waarbij de MR sinds haar ontstaan in 1846 zich weinig gelegen laat aan strikte procedures of gedetailleerde programma’s.

Deze programma’s worden bepaald door de politiek van budgettaire consolidatie die alle partijen op alle beleidsniveaus onderschrijven. Het soberheidsbeleid, van buiten af opgedrongen, verwerpen zou te nadrukkelijk ingaan tegen de politieke realiteit sinds de bankencrisis van 2008. Zij die de rol van de staat willen terugdringen, zullen het meest beweren dat men de inspanningen moet verderzetten. En zij die het dichtst bij de arbeidersorganisaties staan, zullen eerder eisen dat men deze periode, waar men doorheen moest maar die niet eindeloos moet worden aangehouden, afsluit. In de verkiezingscampagne zal worden verwezen naar de ultra-liberale economen die dominant aanwezig zijn in de internationale instellingen of naar sociaaldemocraten die populair zijn onder de aanhangers van het Rijnlandmodel.

Een ander gemeenschappelijk kenmerk bij de Franstalige partijen is dat ze hun bestuursteam hebben vervangen. In sommige partijen betekent dit een afrekening met de vroegere leiding, bij andere houdt dit continuïteit en behoud van de leidende politieke kaders in. Deze verschillen qua interne spanningen tussen de partijen zijn niet altijd gemakkelijk in te schatten. Uiteraard heeft iedere voorzitter zijn stijl, maar in sommige partijen overheerst toch een drang om alle hefbomen van de interne macht in handen te krijgen om zo de terugkeer van de voorgangers te voorkomen.

Nog een kenmerk dat de Franstalige partijen delen: met enkele jaren vertraging ten aanzien van de Vlaamse politiek worden nieuwe technologieën ingezet en sociale netwerken gemobiliseerd door de kandidaten. De keerzijde van deze interactiviteit zal zich snel laten gevoelen. Deze communicatiemiddelen bemoeilijken de praktijk van discrete onderhandelingen gericht op de middellange termijn. De druk van de kiezer, die geen voortgezette opleiding in de Belgische staatshuishouding gevolgd heeft, verhoogt nog de moeilijkheden om op een coherente manier de verschillende instellingen te beheren.

Het federale niveau

Als we de aparte rol van het Europees Parlement buiten beschouwing laten, aangezien de Franstalige verkozenen in Brussel/Straatsburg maar licht wegen, maken de Franstalige partijen zich dus klaar voor verkiezingen en machtsdeelname op twee niveaus in 2014: op het federale niveau en op het niveau van de Gewesten en Gemeenschappen.

Op het federale niveau lijkt het uitgangspunt van de Franstalige partijen, op de MR na, eenvoudig: men zal een regering vormen zonder de N-VA indien mogelijk, met de N-VA indien noodzakelijk. De drie Franstalige partijen die met de nodige spanningen samen regeren in een olijfboomcoalitie (PS, Ecolo, cdH) in de Federatie Wallonië-Brussel, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in het Waals Gewest staan op socio-economisch vlak minder ver van elkaar dan elk van hen van de MR staat. Deze ideologische verwantschap leidt niet tot a priori exclusieven, maar vergemakkelijkt in principe wel het sluiten van akkoorden en het afleggen van regeringsverklaringen. Ze kunnen zich zo afzetten tegen de N-VA en de burger tonen aan welke politieke excessen hij ontsnapt is.

Bij de MR kan Didier Reynders, op dezelfde manier als in 2006, het antisocialistische discours van de N-VA aanwenden om zijn eigen verhaal te illustreren en zijn idee van het doorslaan van de politieke machtsbalans in Wallonië naar rechts nieuw leven in te blazen. De dynamiek is echter niet meer dezelfde als toen. In de periode dat het cliëntelisme en de corruptie in verschillende Henegouwse gemeenten werd blootgelegd, had de MR de wind in de zeilen en leek de alliantie met het FDF zeer stevig. Na het gebakkelei bij de Brusselse gemeenteraadsverkiezingen van 2012 tussen FDF- en MR-verkozenen, stelt zich nadrukkelijk de vraag naar het gewicht van de Brusselse afdeling van de MR. De Franstalige pers maakte tijdens de zomermaanden gewag van contacten tussen personen van MR- en N-VA-strekking, maar dat hoeft geen alliantie tot elke prijs in te houden. De ruwe kanten aan de programma’s bijschaven, het belgicisme van sommige Franstalige leidende figuren wat temperen, aan de andere kant de drang tot onafhankelijkheid afzwakken om de socio-economische verwantschap in de verf te zetten, de gemeenschappelijke wil om een neoliberale politiek te voeren meer gericht op de werkgevers dan op de syndicalisten: dat alles vergt tijd. Het leidt niet noodzakelijk tot succes op het vlak van programma’s, laat staan regeren.

De andere Franstalige partijen, die meer geneigd zijn de sociale verworvenheden te verdedigen, wachten vol wantrouwen de verkiezingsresultaten in Vlaanderen af. Ze proberen zich enerzijds afzijdig te houden van de Vlaamse debatten waar N-VA de dans leidt en anderzijds het N-VA-discours te pareren wanneer zich dat op federaal terrein begeeft. Op dit moment voelt men bij de diverse politieke formaties niet de nood het Franstalige front expliciet te herbevestigen. Net zoals in 2010 lijken de Franstalige partijen ook nu niet in staat om een verklaring voor een gemeenschappelijk engagement op te stellen. Evenmin geven zij de indruk hun kiezers en toekomstige onderhandelingspartners duidelijk te willen maken tot welke grens zij wensen te onderhandelen over het confederalisme. Het is begrijpelijk dat men de tegenstanders geen munitie wil verschaffen, maar de democratische transparantie van het electorale mandaat wordt hierdoor niet versterkt. De vier Franstalige partijen proberen de stemming van de afgesproken akkoorden te versnellen om zo de N-VA af te remmen, maar ook om aan te tonen dat ze aan de Vlaamse coalitiepartners meer toegevingen hebben gedaan dan de N-VA ooit mocht verhopen bij de onderhandelingen in 2010. Desondanks zal de Vlaamse publieke opinie, beïnvloed door sterke communicatoren die alles wat gerealiseerd werd als waardeloos afdoen, misschien streng oordelen over de resultaten van de institutionele en socio-economische compromissen. Bovendien lijkt het overleg met de zusterpartijen niet eens meer zeker sedert 2007.

Het regionale niveau

Op het niveau van de Gewesten en Gemeenschappen lijken alle coalities mogelijk, van de hernieuwing van de olijfboomcoalities aan de linkerzijde tot rooms-blauw, met daartussen alle denkbare combinaties. Sedert de deelname van Ecolo aan verschillende regeringen is een zaak klaar: de vier grote partijen maken duidelijk dat ze willen deelnemen aan de ‘tweede ronde’. Verzuchtingen van sommige kopstukken of militanten die vinden dat een oppositiekuur hun partij geen kwaad zou doen, zijn niet aan de orde. Men hoort geen aanbevelingen meer (of nog niet) om terug te keren naar de wortels, zich terug te plooien op de kernwaarden van de partij. De leiders van de Franstalige politieke partijen hopen te kunnen deelnemen op alle niveaus. Op het federale niveau om de ontmanteling van wat er overblijft van de verzorgingsstaat te proberen te verhinderen, en op het regionale en gemeenschapsniveau om de overdracht te beheren van nieuwe en belangrijke bevoegdheden die de zesde staatshervorming aan deze entiteiten heeft toegewezen. Het wordt als een te groot risico ingeschat om in de regering te ontbreken.

TOT SLOT

De Franstalige partijen bevinden zich, aan de vooravond van deze samenvallende verkiezingen, op onbekend terrein. Daar waar voorheen de dominante Vlaamse partij de regeringsonderhandelingen en de federale regering leidde, is dit sedert de opkomst van de N-VA geen vast gegeven meer. Op het federale niveau weet men niet goed meer welk spel men speelt. Er blijven nog het gewestelijk en het gemeenschapsniveau, waar de rollen wel vast liggen en waar de politieke partijen zich die rollen zullen toe-eigenen in functie van het verdict van de kiezer, ook als er nieuwe hoofdstukken moeten worden geschreven na de zesde staatshervorming. Dan rest er nog het Europese niveau, maar het demografische gewicht noopt daar tot een bescheidenheid … op zijn Belgisch.

Hugues Renard en Pierre Verjans
Beiden verbonden aan de vakgroep politieke wetenschappen, Universiteit Luik
(vertaling: Nico Pattyn)

Noten
1/ Van 1919 tot 2007 bedroeg het gemiddelde van de ‘buitenspel’ kiezers 12% in Vlaanderen, 13,5% in Wallonië en 15% in Brussel. Zie ‘Mutation des systèmes partisans et résultats électoraux. Proportion congrue et gouvernabilité’, Pierre Verjans, in: Beaufays, Matagne, La Belgique en mutation. Systèmes politiques et politiques publiques (1968-2008), Bruylant, 2009, pp. 56-58. In de laatste decennia ziet men een toename van deze categorie.
2/ Op de websites van de PS en Ecolo kan men eenvoudig de statuten terugvinden, evenals de procedures in de aanloop naar de verkiezingen.

verkiezingen - Wallonië - Brussel

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 16 tot 23