Log in

N-VA tegen de rest en tegen zichzelf

POLITICOLOGEN OVER 2014

De verkiezingen van 25 mei 2014 worden al sinds jaren, vooral na de start van Di Rupo I, als cruciaal omschreven. Dan worden het Vlaams Parlement, de federale Kamer en het Europees Parlement opnieuw samengesteld. In dit artikel kijken we hoe de ideologische herschaling van het Vlaamse partijsysteem zich in 2013 heeft voorgedaan en waar de Vlaamse partijen aan de start van de pre-campagne 2014 staan.

POLITICOLOGEN OVER 2014

N-VA tegen de rest en tegen zichzelf
Carl Devos en Nicolas Bouteca
Franstalige partijen op onbekend terrein
Pierre Verjans en Hugues Renard
Eindelijk echte Europese verkiezingen?
Hendrik Vos

‘MOEDER DER VERKIEZINGEN’

De stembusgang van 2014 zijn verkiezingen op alle bovenprovinciale niveaus, met veel partijen, veel kandidaten, veel thema’s en een hoge inzet. Immers, na 2014 zal ook de federale parlementaire legislatuur op vijf jaar gebracht worden, zodat vanaf volgend jaar verkiezingen in regel altijd samenvallen. Of dat ook zo zal zijn, moet nog blijken en is het onderwerp van een ingewikkeld onderdeel van het Vlinderakkoord. In elk geval is de kans groot dat de volgende samenvallende verkiezingen in 2019 doorgaan. Vijf jaar is in de Wetstraat een eeuwigheid. De krachtsverhoudingen die in mei volgend jaar worden vastgelegd, op de regionale én federale beleidsniveaus, zullen dus voor een relatief lange periode gelden. Een periode waarin zich allerlei hervormingen aankondigen, mede omdat een lange verkiezingsloze periode hét moment is om ze door te voeren. Er wel of niet ‘bij zijn’ maakt dus een wereld van verschil. Niemand kan voorspellen hoe de partijpolitieke wereld er in 2019 zal uitzien. De vraag is dus of de turbulente periode die in 2007 startte in 2014 wordt afgesloten, of nog aanhoudt.

N-VA TEGEN DE REST...

Daarom, en om andere redenen, zijn de verkiezingen van 2014 voor alle partijen van het grootste belang. Ook voor de traditionele partijen (CD&V, Open VLD en sp.a). Al vele jaren zijn ze op de sukkel. Hun electoraal aandeel zakte in 2010 onder de symbolische helft van de Nederlandstalige taalgroep. Als ze verder wegzakken en het tij niet keren zal niet enkel hun electorale maar ook hun beleidsrol verder uithollen. Ook de klassieke partijen moeten volgend jaar dus inhoudelijk scherp uit de hoek komen.

Daarom namen ze de voorbije maanden hun ideologie stevig onder handen. Minstens in de perceptie bestaat immers de idee dat de traditionele partijen onderling inwisselbaar zijn. Het succes van N-VA dat duidelijke keuzes lijkt te maken, was ontegensprekelijk de katalysator van de forse herprofileringsdrang. Het doel van deze inhoudelijke hervormingen is om in 2014 beter te doen dan in 2010 door alvast met een eigen smoel, met een eigen en duidelijk profiel uit te pakken. Dat hen ook onderling meer van elkaar doet verschillen. De traditionele partijen, samen in de federale tripartite, willen een fris inhoudelijk alternatief aanbieden. Bij alle drie is eenzelfde basis aanwezig: ze stellen niet aan afbraakpolitiek te willen doen, ze keren zich tegen de revolutionaire ommekeer omdat dit volgens hen enkel leidt tot onzekerheid en ze brengen voorstellen die misschien minder spectaculair ogen maar die volgens hen wel werken en de problemen ook echt oplossen. Die basis wordt naargelang de ideologische kleur op smaak gebracht met een toplaag van ofwel liberale, christendemocratische of socialistische voorstellen die een antwoord moeten bieden op de vele onzekerheden waarmee de burgers heden ten dage geconfronteerd worden.

Niettegenstaande sommigen N-VA liever zouden doodzwijgen in de aanloop naar 2014, lijkt het vast te staan dat de partij de campagne deels zal bepalen. In de huidige politiek-strategische context lijkt het immers moeilijk om rond de Vlaams-nationalisten een _omerta _te organiseren. Aan de rechterzijde zoeken Open VLD en Vlaams Belang immers naar manieren om hun naar de N-VA gevluchte kiezers terug te winnen en CD&V staat vanuit het midden voor dezelfde uitdaging. Voor de linkerzijde is N-VA dan weer de incarnatie van het neoliberale model waartegen zij zich verzetten. Sp.a is in het linkse ideologische spectrum traditioneel de grootste stemmentrekker, maar ook de socialisten zijn niet veilig voor de magneet N-VA, die heel wat kiezers aantrekt die boos of ontgoocheld zijn in de klassieke, systeem- of Dexia-partijen… Bovendien krijgt de partij af te rekenen met een frisser Groen dat steeds meer groenlinks is - dat de sociale thema’s op gelijke voet van de ecologische zet - en met het scherp radicaal links van PVDA. N-VA zal dus hoe dan ook een belangrijke rol spelen in de campagne voor de moeder der verkiezingen, zonder daarom de campagne of inzet tot die partij te beperken. De klassieke partijen werkten dit bovendien in de hand door met de zogenaamde ‘kracht van het regeren’ het tegenoffensief in te zetten nadat ze eerst gelaten N-VA ondergingen.

... EN TEGEN ZICHZELF

Maar toch blijft de grootste uitdaging voor N-VA zelf. Voor de Vlaams-nationalisten wordt het zaak om inhoudelijk scherp te blijven en een overwinningsnederlaag te vermijden. Daarvoor moet N-VA evenwel enkele moeilijke ideologische en strategische knopen doorhakken. De match is nog verre van gespeeld. Essentieel is de vraag of kiezers ervan overtuigd kunnen worden dat het met N-VA effectief anders én ook beter zal zijn. Afkeer van de klassieke partijen zal daarbij niet volstaan om de overwinning stevig genoeg te maken. N-VA zal kiezers moeten tonen dat de kracht van verandering er is en kan functioneren. Dat is een moeilijke oefening: met uitgesproken veranderingsvoorstellen komen om te vermijden dat N-VA een partij als een ander is én ervoor zorgen dat die niet als té radicale schokken worden gezien.

IDEOLOGISCHE ZUIVERHEID

De traditionele partijen worden sinds juni 2010 electoraal en communicatief overvleugeld door N-VA, al krabbelden ze wat dat laatste betreft in het seizoen 2012-2013 terug. De verklaring voor deze situatie wordt vaak gezocht in het feit dat ze niet langer over een duidelijk verhaal beschikken. ‘Dat we CD&V, Open VLD en sp.a in één adem noemen is (…) symptomatisch. Want is de essentie van de huidige crisis bij de klassieke tripartite-partijen niet hun onderlinge inwisselbaarheid, hun amorfe omgang met ideologie, hun vergroeiing met de macht? Wat onderscheidt Open VLD nu nog precies van de andere twee? Dat ze iets harder roepen als het over bedrijfswagens gaat? En hoe precies biedt sp.a een links en helder alternatief voor de huidige aanpak van de eurocrisis? Dat doet het niet. (…) In plaats van de Vlaamse kiezer te bedienen (…) serveert men vooral meer van hetzelfde.’ Zo verwoordt Wouter Verschelden, voormalig hoofdredacteur van De Morgen, treffend de perceptie die lange tijd over de traditionele partijen bestond (12/03/2012).

Deze analyse werd wel vaker gemaakt en zette de voorzitters van CD&V, Open VLD en sp.a ertoe aan om hun partijprofiel aan te scherpen en zich duidelijker van elkaar af te zetten. Over de democratische functie van deze oefening zijn verschillende meningen mogelijk. Enerzijds mag men van partijen verwachten dat ze duidelijk alternatieve beleidskeuzes aan de burgers voorleggen. Op die manier kan de kiezer ten volle zijn rol spelen. Want als alle partijen hetzelfde zeggen, hebben kiezers geen mogelijkheid om daadwerkelijk het beleid te sturen. Anderzijds kunnen radicale en ideologisch geïnspireerde voorstellen zorgen voor instabiliteit omdat ze coalitievorming bemoeilijken, of voor ontgoocheling in de politiek omdat ze nadien in een grijs coalitiecompromis versmoord moeten worden.

Deze onoplosbare discussie is vooral normatief. ‘Objectiever’ wordt het als het strategisch belang van duidelijkere partijverschillen in verkiezingstijden op tafel komen. Zo beweren Rabinowitz et. al (1991) dat partijen hun electorale kansen verhogen als ze net dat tikkeltje extremer zijn dan hun concurrenten zonder evenwel de grens van het aanvaardbare te overschrijden. N-VA is de incarnatie van dit principe: communautair op het randje zonder separatisme in de mond te nemen, op het vlak van immigratie net braaf genoeg om niet zoals Vlaams Belang aan de zijlijn te moeten blijven roepen en sociaaleconomisch net iets brutaler dan de liberalen zonder het recht te eisen om uit de staat te stappen. Om electoraal te scoren, creëren beleidsmakers graag een spanningsveld en trachten ze zichzelf af te zetten tegen een andere partij. Kiezers lijken ervan te houden dat de zaken scherp worden gesteld en prefereren dus de zuivere leer boven een amorf verhaal. Ze worden bovendien vooral door de media over politiek geïnformeerd en die werken graag met het format van polarisering: een scherpe boodschap in een stevige quote, die een tegenstrever wegzet.

STRIJDEN OM DE GRONDSTROOM

Volgens Bart De Wever is zijn partij succesvol omdat die er in slaagt om de wensen van de Vlaamse grondstroom te vertalen. Volgens die analyse zou de meerderheid van de Vlaamse kiezers centrumrechtse waarden aanhangen. Daartoe behoren een streng, maar rechtvaardig migratie- en justitieel beleid. Een overheid die partner is voor mensen die werken, ondernemen en sparen. Een partij die er in slaagt om rond deze thema’s een geloofwaardig rechts standpunt in te nemen, zal volgens De Wever de verkiezingen winnen (Knack, 19/12/2012).

Post-electoraal onderzoek na de verkiezingen van 2010 lijkt deze analyse ook te bevestigen. Winnaar N-VA werd in eerste instantie een toevluchthaven voor voormalige kartelkiezers (CD&V/N-VA), daarna volgen de ontgoochelde Vlaams Belang- en Open VLD-kiezers (Swyngedouw et al. 2012: 15-16). Deze nieuwe N-VA’ers werden vooral aangetrokken door de thema’s staatshervorming, migratie, economie, begroting en criminaliteit (Abts et al. 2011: 6-7). Door zich tussen Open VLD en CD&V enerzijds en Vlaams Belang en LDD in te positioneren deed N-VA m.a.w. de hele Vlaamse politieke rechterzijde bloeden.

Noordflank

Met hun ideologische herprofilering proberen de partijen op de noordflank (CD&V en Open VLD) en de zuidflank (Vlaams Belang en LDD) van N-VA hun kiezers nu terug te winnen. Vooral Open VLD-voorzitter Gwendolyn Rutten neemt met De geëngageerde burger duidelijk de handschoen op tegen de Vlaams-nationalisten. Minder scherp dan Verhofstadt destijds in zijn Burgermanifesten, maar met gelijklopende klassiek-liberale recepten dingt ze naar de gunst van het centrumrechtse electoraat. De N-VA was voor de kiezer immers uitgegroeid tot de meest geloofwaardige speler op de rechterzijde van de sociaaleconomische breuklijn. Een positie waar de liberalen in het verleden een patent op hadden. Door te pleiten voor een slankere overheid, lagere belastingen, deregulering en het primaat van de politiek op de sociale partners hoopt Open VLD opnieuw eigenaar te worden van de thema’s die de N-VA van haar heeft gestolen. Tegelijk neemt Rutten in haar boek ook afstand van De Wever en de zijnen. Open VLD probeert aan te tonen dat de nationalistische N-VA geen echt liberale partij is omdat ze altijd voor het eerste, ten nadele van het laatste, kiest. Met haar boodschap van positivisme en vooral de afwijzing van het confederalisme wil ze een boksmatch met de N-VA opzetten.

Het ontwijken van het communautaire strijdveld - waar N-VA met rugwind strijdt - is een strategie die alle andere partijen, op het VB na, volgen: voor hen is het communautaire geen kwestie in 2014. Het VB probeert aan te tonen dat N-VA op dat punt net ongeloofwaardig is, omdat die partij niet durft kiezen voor separatisme maar met een soft confederalisme voor de dag komt. De traditionele partijen en Groen zullen dan weer het radicale van het confederalisme ‘avontuur’ in de verf zetten. Niet zozeer met redelijke inhoudelijke argumenten maar met beeldvorming zal de slag om het confederalisme gevoerd worden.

De strategie van Open VLD zal er in de aanloop naar mei 2014 op gericht zijn om haar duidelijke centrumrechtse boodschap niet te laten verdrinken in het regeringsbeleid van Di Rupo I. Gezien de veelkleurigheid van die coalitie is dat geen eenvoudige opdracht. Bovendien kan bij elk liberaal inhoudelijk offensief gevraagd worden waarop Open VLD wacht om deze voorstellen nu al in de federale regering door te voeren. Die cynici kunnen denken dat enkel met een massale N-VA-stem die liberale hervormingen doorgevoerd kunnen worden. Er zat ook onmiddellijk wat ruis op de nochtans duidelijke communautaire boodschap van voorzitter Rutten. Haar federale geloofsbelijdenis werd nog voor de officiële lancering ervan vakkundig weg gecommuniceerd door de Vlaamsgezinde vleugel van de partij: die wou zelfs enkele essentiële steunpilaren van het federaal model (zoals de paritaire regeringssamenstelling) in vraag stellen, wat een bijzonder straffe staatshervorming zou vereisen.

Net voor de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012 erkende ook CD&V-voorzitter Wouter Beke dat zijn partij een verhaal miste. Operatie Innesto moet daarin verandering brengen. Aan de hand van duidelijker standpunten wilde CD&V zijn plaats binnen de Vlaamse electorale markt heroveren en o.a. kiezers op de N-VA terugwinnen. Zonder veel enerzijds-anderzijds maar in de geest van het personalisme lanceerde de partij voorstellen zoals het inkorten van de zomervakantie en het rekeningrijden voor personenwagens. Maar soms leek CD&V wat bang van de eigen schaduw: bij commotie over enkele voorstellen werd meteen nuance en matiging gezocht. De vraag is dus hoe ver CD&V verder wil gaan. Heel anders dan de CD&V van de voorbije jaren was het ontbreken van voorstellen rond een zevende staatshervorming.

We merkten reeds op dat het opbergen van de communautaire problematiek een strategische optie is waarbij iedereen die ze volgt rekent op de redenering bij kiezers dat deze crisistijden nu eenmaal niet het moment zijn voor nog meer communautair geweld met weer een recordformatie in het verschiet. Maar CD&V redeneert, samen met haar federale coalitiepartners, ook vanuit de logica van de issue ownership-theorie (Petrocik 1990; 1996). Volgens deze gouden regel uit de politicologische literatuur vermijdt een partijprogramma best het thema van de tegenstrever, omdat die daar voor nogal wat keizers geloofwaardiger op is. De christendemocraten willen in de campagne voor 2014 liever op het sociaaleconomische focussen en de vernieuwingsoperatie gaat dan ook stevig in op dit thema. Daarbij bleek nogmaals dat het personalisme van CD&V - een ideologie die de mens boven de economie stelt en die staat tegenover het socialisme en liberalisme en niet ertussen - niet evident naar concrete voorstellen te vertalen is zonder als enerzijds-anderzijds gepercipieerd te worden. Dat komt omdat enerzijds in de Innesto-teksten voorstellen stonden die vrij rechts aanvoelen. Zo drong CD&V herhaaldelijk aan op het terugdringen van de overheid, werd een pleidooi gehouden voor het uitdoven van de vaste benoeming van ambtenaren en moest ruimte gemaakt worden voor ondernemen door loonbevriezing en arbeidsduurverlenging zonder loonstijging. Anderzijds werd bij de voorstelling van Het moedige midden, de persoonlijke bijdrage van Beke aan het vernieuwingsproces van zijn partij, dan weer uit een centrumlinks vat getapt. De CD&V-voorzitter zei te willen passen voor het recht van de sterkste en stelde zijn veto tegen een gezondheidszorg in handen van de vrije markt. Tegelijk hield hij een pleidooi voor het Rijnlandmodel met een sterk middenveld. Ook CD&V moet ervoor zorgen dat kiezers de samenhang, de interne consistentie tussen alle voorstellen zien en vooral, dat de baseline herkenbaar en duidelijk is. Immers, veel kiezers zullen nooit verder kijken dan die baseline.

De evenwichtskunst van CD&V is te verklaren. Enerzijds mikt de partij op de centrumrechtse kiezer die het in 2010 verloren is aan N-VA (Abts et al. 2012: 6). Het heeft daarvoor met minister-president Kris Peeters de ideale kopman in huis. De populaire voormalige Unizo-baas heeft een geloofwaardig centrumrechts profiel. Anderzijds moet de partij ook rekening houden met het feit dat het kernelectoraat van de partij centrumlinks denkt (Abts et al. 2011:5). Binnen het ACW werd immers al verschillende keren geopperd om de structurele samenwerking met CD&V te laten varen en te kiezen voor politieke samenwerking met partijen waar ze ideologisch misschien wel dichter bij aanleunen. Die centrumlinkse kiezers lossen lijkt dus niet onmiddellijk een optie, want dat zou wellicht betekenen dat de partij volledig wordt overgelaten aan de volatiele kiesmarkt. CD&V lijkt dan ook veroordeeld tot een evenwichtsoefening tussen links en rechts, waarvan ze dan maar gemakshalve de relevantie ontkent. De vraag is evenwel of dat laveren ook bijdraagt tot het scherpe partijprofiel waar kiezers op verlekkerd zijn.

Zuidflank

Op de zuidflank van N-VA is vooral de ideologische profilering van het Vlaams Belang (VB) interessant. Ook die partij zag bij de laatste federale verkiezingen heel wat kiezers overlopen naar de partij van De Wever (Swyngedouw et al. 2012: 18). Blijkbaar vinden veel mensen de thema’s (streng op het vlak van migratie en criminaliteit) die het VB aandraagt belangrijk, maar hopen ze dat er via een stem voor de N-VA ook daadwerkelijk iets gebeurt op dat vlak. Het VB is door het cordon sanitaire immers levenslang tot de oppositie veroordeeld waardoor een stem voor het VB beleidsmatig maar weinig doorweegt. Er zijn weinig tekenen die er op wijzen dat het migratiethema vandaag het belangrijkste is, zoals dat bijvoorbeeld ook geldt voor het milieuthema. Het VB moet er dus met andere boodschappen staan. Ook haar profiel als de anti-systeempartij is verzwakt door N-VA, die heel wat ontgoochelde kiezers kan aantrekken mét de belofte om straks wel binnenin zelf iets te veranderen, in plaats van eindeloos aan de poort te staan roepen.

Het VB heeft met Gerolf Annemans een nieuwe voorzitter die wat minder hard uit de hoek wil komen, maar wel de beginselvastheid van zijn partij in de verf wil zetten. Op communautair vlak betekent dat een resolute keuze voor het separatisme. Daarmee hoopt het VB Vlaams-nationalistische kiezers te verleiden die de onduidelijkheid beu zijn die in het communautaire programma van N-VA is geslopen. De partij van De Wever kiest immers voor de weg van het confederalisme, maar het is onduidelijk hoe zich dat verhoudt tot artikel 1 van haar statuten, namelijk het streven naar een onafhankelijke republiek Vlaanderen. Daarmee zijn we meteen bij de achilleshiel van N-VA aanbeland. Vooraleer daar verder mee te gaan, werpen we eerst een blik op de Vlaamse linkerzijde.

LEIDER VAN HET LINKSE VERZET

Terwijl aan de rechterzijde van het politieke spectrum vooral gestreden wordt om kiezers op N-VA te heroveren, maken PvdA, Groen en sp.a onder elkaar uit wie als leider van het linkse verzet naar de stembusslag mag. In de boksmatch die verkiezingen zijn, is de titel van ‘progressief alternatief voor N-VA’ immers veel kiezers waard. Ter linkerzijde wordt gesteld dat N-VA met Open VLD en CD&V een rechtse - ‘Antwerpse’ - coalitie wil maken. Wie dat scenario wil vermijden, moet links dus sterk genoeg maken. De partij die er in slaagt om in de media, die graag met het beeld van een duel werkt, steevast als de antipode van N-VA opgevoerd te worden, beschikt over een mooie uitgangspositie. Net zoals aan de rechterzijde voorzien de bouwheren van een links dam tegen N-VA-bewind hun ideologische vernieuwing van een stevige sociaaleconomische toets. Met deze links-rechts-strijd spelen ze op eigen terrein, weze het dat links er de voorbije jaren onvoldoende in geslaagd is om een geloofwaardig tegenoffensief op te zetten.

Ook in deze strijd wordt met grote schema’s gewerkt. Belangrijk in het debat met de rechterzijde is de al dan niet wenselijkheid van het Duitse model voor ons land. De bewonderaars van de politiek die bij de Oosterburen wordt gevolgd, zien vooral de grote handelsoverschotten, de competitiviteit van Duitsland in de globale economie en de lage werkloosheidscijfers. De tegenstanders wijzen dan weer op de flexibilisering, de mini-jobs en de lage lonen. Kortom: de verarming van de werkende mens. In de links opgefriste beginselverklaring kant sp.a zich heel duidelijk tegen het Duitse systeem. Tegenover de ‘microlonen’ plaatst de partij een respectabel inkomen en zoveel mogelijk jobs. Er moet ook werk gemaakt worden van de vermogenswinstbelasting, de strijd tegen de fiscale fraude en een minimumbelasting voor grote bedrijven. De inkomsten die daar uit voortkomen kunnen dan aangewend worden om de loonlasten te verlagen. Het benadrukken van een aantal klassieke socialistische recepten maakt dat Het Vlaanderen van morgen leest als een verlinksing van het sp.a-verhaal. Dat is wellicht ook nodig omdat voor het eerst sinds een lange tijd de partij op de linkerflank niet alleen Groen, maar ook het in vakbondskringen geliefde PvdA moet vrezen. Een wat linkser imago lijkt voor sp.a in de huidige politieke constellatie dan ook alleen maar voordelen te hebben. Door op de flanken te gaan spelen kan het de extreem-linkse PvdA wat wind uit de zeilen halen. Bovendien hoeft de partij niet veel uitval op rechts te vrezen aangezien tussen sp.a en het politieke centrum een lege kloof gaapt. De kans dat linkse kiezers voor Open VLD stemmen, zoals tijdens het eerste decennium van deze eeuw wel eens gebeurde (Bouteca 2011: 1), lijkt vandaag heel klein. Paars ligt ver achter ons. De blauwere koers van Open VLD, in combinatie met een campagne die zich wellicht op het sociaaleconomische domein zal afspelen, is niet bevorderlijk voor de uitwisseling van kiezers tussen liberalen en socialisten.

Het meest linkse alternatief ter rechterzijde van sp.a is momenteel CD&V. Maar omwille van o.a. historische levensbeschouwelijke verschillen zijn deze partijen geen communicerende vaten. Op basis van het programma lijken de vooruitzichten voor sp.a dan ook niet slecht. Maar niet alleen van buitenaf bekeken lijkt de linkse koers van sp.a over heel wat potentieel te beschikken. Ook intern moeten de ideologische keuzes eenheid brengen. Alleen wint een partij geen verkiezingen met partijprogramma’s. De partij heeft nog zorgen met haar personeelsbeleid.

Op basis van de verkiezingsresultaten uit het verleden lijkt het leiderschap op links voorbestemd voor sp.a, of er zou een gigantische verschuiving moeten volgen. De Vlaamse socialisten zijn meer eigenaar van sociaaleconomische thema’s dan zijn voornaamste concurrent, Groen. De partij van voorzitter Wouter Van Besien is bij de kiezer vooral bekend voor het ecologische issue, politieke vernieuwing en multiculturele kwesties, maar probeert op sociaaleconomisch vlak terrein in te palmen: vroeger door het benadrukken van groene economie, nu door rechtstreeks rode thema’s te bespelen. Als de verkiezingen vooral over het sociaaleconomisch debat gaan, heeft Groen daarop een eigen antwoord via haar Impulscongres. Een poging om de partij een geloofwaardiger en scherper profiel te bezorgen op het sociaaleconomische terrein. Wouter van Besien probeert de unique selling proposition van zijn partij dan ook als volgt samen te vatten: ‘naast minder vervuiling krijg je van Groen ook meer op de loonbrief.’ Met dat programma mikken de ecologisten op de linkervleugel van CD&V en op sp.a’ers die misnoegd zijn omwille van het federale beleid rond o.a. de invoering van een loonstop en de afbouw van de werkloosheidsuitkeringen. De vraag is of die relatieve koerswending van Groen niet te laat komt, de beeldvorming over partijen wijzigt zich pas langzaam.

De vraag welke partij de meest geloofwaardige spreekbuis tegen het Duitse model wordt, hangt natuurlijk in belangrijke mate samen met de vraag welk politicus dit verzet kan belichamen. Want daar schuilt voor de linkse partijen wellicht het addertje onder het gras. Hun boodschap is altijd wel goed voor een vijfde van het electoraat, maar er zijn charismatische politici nodig om het stemmenaantal op te drijven. Steve Stevaert kon dit bijvoorbeeld eenmalig in 2003. Maar momenteel ontbreekt het de linkerzijde wat aan echte kopstukken. Met als gevolg dat het wel eens zou kunnen dat de strijd in Vlaanderen uitdraait op een gevecht tussen de titanen Bart De Wever en Kris Peeters. Aan de linkerzijde hebben die geen gelijke.

N-VA IN DE KNOOP

Ondanks het feit dat langs verschillende kanten de aanval wordt ingezet op de kiezers van de N-VA, schuilt het grootste gevaar voor de partij wellicht niet daar, maar eerder in de twijfel die over de koers van N-VA kan ontstaan. De partij moet in dat opzicht de komende maanden immers twee knopen doorhakken. Ten eerste is het momenteel nog onduidelijk hoe het confederaal verhaal past binnen het autonomiestreven van de partij. Ten tweede moet de N-VA ook uitmaken in welke mate de ‘noodzakelijke sociaaleconomische hervormingen’ al of niet afhankelijk zijn van de ‘noodzakelijke staatshervorming’.

De grootste kracht van N-VA lag lange tijd in hun glasheldere communicatie. De partij spreekt vaak zonder twijfel in de stem. Of geeft althans die indruk. N-VA doet dit heel bewust en rekent hierbij af met de onduidelijkheid uit het Volksunie-verleden. Op de vraag of de VU nu links of rechts was, is ondanks de vele pogingen nooit een duidelijk antwoord gekomen. Wellicht worstelt N-VA intern nog steeds met deze tegenstelling, maar de partij slaagt er nu wel in om deze tegenstelling waar de moederpartij mee zat te onderdrukken. Daardoor geeft de N-VA ook een zeer rechtlijnige indruk. Ze zet zichzelf in de markt als een partij die niet is zoals de anderen. Ze is minder compromisbereid, lees trouwer aan haar programma, en wil in allerlei hervormingen verder gaan dan de klassieke partijen.

Maar de laatste maanden blijkt het niet zo evident om die ideologische koelbloedigheid te bewaren. Dat heeft o.a. te maken met de tegenstelling die in het communautaire verhaal dreigt te sluipen. Statutair gezien heeft de partij een separatistische agenda, maar de partij gaat voor het confederalisme omdat er voor onafhankelijkheid geen draagvlak is. Waar ze het draagvlak voor het nu nog mysterieuze confederalisme wel ziet, is onduidelijk. Wat ze bij N-VA precies onder confederalisme begrijpen, is dat evenzeer. Het lijkt om een ‘Belgische’ - in tegenstelling tot de internationaal aanvaarde, meer academische - invulling van dat confederalisme te gaan, d.w.z. zoveel mogelijk bevoegdheden regionaliseren zonder het land evenwel te splitsen. Uit diverse onderzoeken blijkt immers dat slechts een minderheid van de kiezers (10%) en de leden (30%) van de N-VA op een onafhankelijke Vlaamse staat zit te wachten (Swyngedouw en Abts 2010; Wauters 2013). Vanuit electoraal oogpunt lijkt het dan ook logisch om voor een Belgische invulling van het confederalisme te kiezen, al blijft de vraag hoezeer dat confederalisme zal verschillen van een sterk gedecentraliseerd federalisme. Met andere woorden, hoe revolutionair of choquerend zal dat confederalisme zijn? Enerzijds is het minder radicaal dan de eigen statuten, anderzijds zien veel kiezers en ook potentiële coalitiepartners zelfs in dat confederalisme een te vermijden avontuur in deze economisch barre tijden.

De N-VA heeft het dan ook niet enkel lastig met zijn positionering op de communautaire breuklijn, maar ook met het bepalen van de mate waarin hun communautaire plannen prioritair zijn aan hun sociaaleconomische verzuchtingen. Men kan wel beweren dat het om een ‘en-en-verhaal’ gaat, maar in een partijsysteem waarin coalities moeten worden gesloten, is dit moeilijk vol te houden als alle potentiële coalitiepartners bij voorbaat een nieuwe staatshervorming uitsluiten na de verkiezingen van 2014. Indien het de partij menens is om mee te regeren, lijkt het op basis van de huidige peilingen logisch om de sociaaleconomische agenda boven de communautaire agenda te plaatsen. Maar de commotie rond de beruchte bocht van Siegfried Bracke heeft getoond dat de office seekers in de partij blijkbaar (nog) niet om de kring van beginselvaste policy seekers heen kunnen die vasthouden aan programmapunt nummer één van de partij, het confederalisme. Kamerlid Siegfried Bracke had in een kranteninterview een opening gemaakt: N-VA zou bereid zijn om de sociaaleconomische hervormingen in een regering aan te pakken zonder dat die (eerst ook) een akkoord had over het confederalisme. Achteraf bleek evenwel dat de voormalige journalist hierover te snel had gecommuniceerd en dat deze aangepaste strategie nog niet volledig was doorgepraat binnen de partij. Voorzitter Bart De Wever zette daarop de puntjes op de i en verklaarde dat de partij wel oren heeft naar een sociaaleconomische herstelregering, maar niet zonder een princiepsakkoord over een grote staatshervorming in een regering zal stappen. Ze stapt in een regering ook zonder definitief, uitgewerkt akkoord over het confederalisme, maar alleen als de andere partners het confederalisme aanvaarden en bewerkstelligen en N-VA garanties krijgt dat het later in de legislatuur ook effectief wordt uitgevoerd. Maar hoe ze dat precies wil doen bleef, samen met veel andere zaken, onduidelijk en vaag. N-VA plaatste tussen het confederalisme en de sociaaleconomische hervormingen dus een gelijkheidsteken. Het vraagteken over wat dat confederalisme dan precies betekende verdween daarmee niet.

De Vlaams-nationalisten leggen de kern van hun strategie buiten zichzelf, en dat is riskant, zeker omdat niemand anders in 2014 een staatshervorming, laat staan confederalisme, wil. Zo vraagt N-VA aan zijn regeringspartner het engagement om ergens tussen 2014 en 2019 een staatshervorming door te voeren. Maar het verleden heeft aangetoond dat institutionele hervormingen best aan de regeringsvorming worden gekoppeld, indien men de druk om tot zo’n akkoord te komen hoog wil houden. Hoe denkt de N-VA dit dan op te leggen aan de andere partijen en aan de nodige 2/3-meerderheid te geraken? De Vlaams-nationalisten gaan er gemakshalve van uit dat de PS eieren voor zijn geld zal kiezen en zal willen terugplooien op het Waalse Gewest wanneer ze geconfronteerd wordt met de sociaaleconomische politiek van een rechtse herstelregering. Een zeer zware veronderstelling. Bovendien zou dat confederalisme de vele transfers waar N-VA over spreekt in stand moeten houden, want waarom zou de PS anders N-VA haar gang laten gaan?

Kortom, de bocht van Bracke, bedoeld om een groot obstakel voor een regeringsdeelname van N-VA weg te nemen, werd opnieuw rechtgetrokken. Al laat de manier waarop De Wever dat formuleerde wel enige opening. De vraag is of er later nog een nieuwe bocht kan komen. Dat is niet uitgesloten, maar toch onwaarschijnlijk. In dat geval rest de partij niks anders dan de zogenaamde Bourgeoisnorm (40 procent) te halen in 2014. Dan slaan de andere partijen zo achterover door deze mokerslag voor het politieke systeem dat ze dat megafoonsignaal van de kiezer moeten vertalen in staatshervorming 2.0. De peilingen wijzen echter niet in die richting. Bovendien gelooft men daar bij N-VA ook zelf niet meer in. Het gevolg is dat Di Rupo II, of in elk geval een federale regering zonder N-VA, waarschijnlijker wordt. De partij zet dan ook zwaar in op een grote overwinning in de Vlaamse verkiezingen, zodat ze vanuit de Vlaamse regering toch kan wegen op het federale niveau. Een scenario dat andere partijen vrezen, omdat vijf jaar spanningen tussen beide niveaus niet meteen een vrolijk vooruitzicht is.

N-VA worstelt m.a.w. hard met zichzelf. Als de partij vooraf te duidelijk verklaart dat die staatshervorming niet per se moet, ontstaan er intern problemen. De verwijten van verraad en opportunisme zijn dan niet ver meer af. N-VA verliest ook zo haar unieke verkoopsargument. Als ze daarentegen haar communautaire eisen als voorafgaande voorwaarde stelt, komt ze met die eis misschien als te radicaal of onrealistisch over, zeker voor de ander partijen in een formatie, en is een stem voor N-VA misschien niet de meest nuttige stem. Bovendien moet N-VA ook op andere domeinen dan het communautaire enerzijds de kracht van verandering laten zien, de lat dus hoog legen, maar anderzijds de eisen niet zo scherp stellen dat veel kiezers de partij als te hardvochtig of te radicaal beschouwen, met voorstellen die kiezers als te pijnlijk voor zichzelf ervaren. En met die enerzijds-anderzijds kwestie dreigt N-VA in een val te trappen waar ook de klassieke partijen decennia in gevangen zitten. Dat, en de vraag of ze voldoende sterk personeel heeft om met alle tegenwind een vlekkeloze communicatie op te bouwen, maakt dat N-VA het meest te vrezen heeft van… N-VA.

Nicolas Bouteca en Carl Devos

Ghent Institute for Political Studies (GhIPS)

N-VA - verkiezingen - Di Rupo I

Bibliografie
- Abts, K., Swyngedouw, M., Billiet, J. (2011). De structurele en culturele kenmerken van het stemgedrag in Vlaanderen. Onderzoeksverslag ISPO.
- Bouteca, N. (2011). Van weermakers tot parapluverdelers. Een onderzoek naar de mate van ideologische convergentie tussen sp.a en open VLD op de sociaal-economische breuklijn (1961-2010). Onuitgegeven scriptie, vakgroep politieke wetenschappen UGent.
- Martens, P. (2012). ‘De grondstroom is centrum-rechts’ (interview met Bart De Wever) In: Knack, 19 december.
- Petrocik, J. (1990). The theory of issue-ownership. Issues, Agendas, and electoral coalitions in the 1988 election. Ongepubliceerde paper UCLA.
- Petrocik, J. (1996). Issue Ownership in Presidential Elections, with a 1980 Case Study. In: American Journal of Political Science, 40 (3), pp.825-850.
- Rabinowitz, G., Macdonald, S. & Listhaug, O. (1991). New players in an old game. Party strategy in multiparty systems. In: Comparative Political Studies, 24 (2), pp. 147-185.
- Swyngedouw, M en Abts, K. (2011). De kiezers van de N-VA op 13 juni 2010. Onderzoeksverslag ISPO.
- Swyngedouw, M, Abts, K., Billiet, J. (2012); De verschuivingen in het stemgedrag 2007-2010 voor de kamer in Vlaanderen. Onderzoeksverslag ISPO.
- Verschelden, W. (2012). Aftakeling. In: De Morgen, 12 maart.
- Wauters, B. (2013). Enquête bij partijleden van N-VA en Open VLD: eerste resultaten. Onderzoeksnota.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 4 tot 15