Abonneer Log in

Rechtvaardige vermogensfiscaliteit: tergend haalbaar

WELKE TAX SHIFT?

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 38 tot 45

Vandaag beheerst vermogensfiscaliteit het publieke debat, en dat was ooit anders. Toch is het jammer dat dit publiek debat meestal blijft steken in vage symbooldiscussies. Een grondige analyse over wat nu eigenlijk fout loopt in onze vermogensfiscaliteit, en hoe het beter kan, horen we weinig. Wie echt wil dat onze vermogensfiscaliteit nog deze legislatuur hervormd wordt, om ze rechtvaardiger en doelmatiger te maken, is er nochtans bij gebaat om de toon van het debat een stuk concreter te maken. Daarom geeft dit artikel een overzicht van alle stappen die men nog moet zetten en de keuzes die men daarbij nog moet maken om de hervorming te bereiken waar zovelen om vragen. Om deze - tergend haalbare - te nemen keuzes verderop in dit artikel beter te kunnen kaderen, geef ik eerst een kort overzicht van technische vuistregels voor het organiseren van een rechtvaardige en doelmatige vermogensfiscaliteit.

WELKE TAX SHIFT?

Lasten op consumptie: herverdeling van arm naar rijk
Olivier Pintelon
Vergroening fiscaliteit: de tijd is rijp
Mathias Bienstman
Rechtvaardige vermogensfiscaliteit: tergend haalbaar
Anton Delbarre

VIJF VUISTREGELS VOOR EEN BETERE VERMOGENSFISCALITEIT

  1. Harmoniseer de behandeling van alle vermogensbestanddelen. Als er twee identiek samengestelde gezinnen zijn, met een even groot nettovermogen, is het onverdedigbaar om die twee gezinnen verschillend te belasten enkel en alleen omdat hun vermogen anders is samengesteld. Bovendien sluit een uniforme behandeling van alle vermogensbestanddelen ook het overgrote deel van de optimalisatie-achterpoortjes die onze vermogensfiscaliteit vandaag verzieken.

  2. Schaf de wirwar aan uitzonderingsregels af. Ze ondermijnen zowel het draagkrachtprincipe als het principe dat de bijdrages gevraagd aan burgers steeds transparant en voorspelbaar moeten blijven.

  3. Werk steeds met nettocijfers. Winsten en verliezen, vermogens en schulden moet je op een correcte wijze tegen elkaar afboeken. Zo garandeer je dat de gevraagde bijdrage steeds wordt berekend op een economische realiteit, en niet op een boekhoudkundige fictie. Wie hiertegen zondigt ondermijnt ook het draagkrachtprincipe.

  4. Gebruik progressieve tarieven om rekening te houden met het feit dat grotere vermogens gemiddeld hogere rendementen halen (cfr. Thomas Piketty) en om te garanderen dat iedereen steeds bijdraagt naar draagkracht. Eenzelfde procentuele bijdrage zal bij een arm gezin namelijk veel zwaarder doorwegen dan bij een rijk gezin.

  5. Stem de tariefstructuur af op werkelijk haalbare rendementen met veilige beleggingen. Ten eerste zorg je er zo voor dat de gevraagde bijdrage steeds billijk is. Ten tweede is dat een garantie dat durfkapitaal niet ten onrechte benadeeld wordt ten aanzien van gewoon kapitaal. Durfkapitaal speelt namelijk een belangrijke rol in het ontwikkelingspad van een samenleving. Aangezien de gemiddeld iets hogere opbrengst daarvan voortvloeit uit vele verliezen en enkele spectaculaire winsten, is er eigenlijk maar één praktisch haalbare manier om durfkapitaal billijk te behandelen in vergelijking met andere beleggingen: voor alle vermogensbestanddelen eenzelfde ‘notioneel’ rendement veronderstellen, gelijk aan de winst die je via een veilige belegging kan realiseren.

De huidige Belgische vermogensfiscaliteit zondigt tegen elk van deze vuistregels. Ze gaat voorbij aan het draagkrachtprincipe door te werken met vlaktaksen en gebruikt zelden nettocijfers. Ze bestaat bovendien uit verschillende heffingen voor verschillende vermogensbestanddelen, bulkt van vrijstellingen en verlaagde tarieven, en negeert inkomsten uit meerwaarden. De problemen zijn zo fundamenteel dat je ze niet meer opgelost krijgt door te morrelen in de marge. Daarom focust de rest van dit artikel op de stappen die we kunnen nemen om een doelmatiger en rechtvaardiger systeem van vermogensfiscaliteit te ontwerpen.

STAP 1: HOE ORGANISEREN WE ONS VERMOGENSKADASTER?

Als je een doelmatige belasting wil, moet je een duidelijk beeld hebben op hetgeen je wil belasten, de zogenaamde ‘belastbare basis’. Daarom wordt een performant systeem van vermogensfiscaliteit best georganiseerd aan de hand van een vermogenskadaster.

Het ontbreken van een vermogenskadaster is door de liberale partijen in ons land lang gebruikt als argument tegen een grondige hervorming van de vermogensfiscaliteit. Meer zelfs, in het parlement blokkeerden deze partijen steeds opnieuw de invoering van een vermogenskadaster, met ‘respect voor de privacy’ als voornaamste argument. Nochtans hebben heel wat andere Europese landen wel een vermogenskadaster. Frankrijk, Nederland, IJsland, Griekenland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland hebben allen vermogenskadasters. Niemand die deze landen ooit betichtte daarmee de privacy van hun burgers te schenden.

Het Italiaanse Redditometro-systeem, een Italiaanse database met bankgegevens die op basis van computer-algoritmes verdachte evoluties opspoort, toont bovendien aan dat een grote database met financiële gegevens zeer performant kan zijn zonder menselijke toegang tot de database zelf. De Italiaanse diensten graven namelijk niet zelf in de database, maar betrouwen op computer-algoritmes om verdachte patronen te ontdekken en signaleren.

De vele buitenlandse voorbeelden tonen aan dat de invoering van een vermogenskadaster perfect mogelijk is. Maar hoelang zou het opstellen van zo’n kadaster in beslag nemen? Dat valt bijzonder goed mee. Luc Coene bevestigde in december 2014 nog publiek wat bronnen binnen de administraties ons al langer influisterden: de invoering van een volwaardig vermogenskadaster is eerder een kwestie van maanden dan van jaren. Veel gegevens zoals immobiliën en financiële activa zijn nu al bekend bij diverse overheidsdiensten. Technisch gezien is het niet moeilijk om die gegevens samen te brengen tot één vermogenskadaster.

Als je een omvattend en sluitend systeem van vermogensfiscaliteit wil, moet het vermogenskadaster drie vermogensbestanddelen in kaart brengen: onroerende goederen (vastgoed), financiële goederen (niet alleen spaargeld en financiële producten, maar ook uitstaande schulden) en roerende goederen (andere zaken zoals voertuigen, kunstvoorwerpen).

Onroerende goederen

Voor de onroerende goederen heeft België al vele jaren een kadaster. Maar doordat het kadaster voor vastgoed al sinds 1976 niet meer aangepast is, zijn er ondertussen heel wat scheefgroeiingen ontstaan. Sommige buurten die toen zeer aantrekkelijk waren zijn dat nu een stuk minder en andere buurten zijn sedertdien sterk opgewaardeerd.

Dat het kadaster werkt met sterk verouderde gegevens zorgt er voor dat sommige stukken vastgoed relatief overgewaardeerd en andere dan weer ondergewaardeerd zijn. Wil je een rechtvaardige berekeningsbasis zal je dus een ‘perequatie’ moeten uitvoeren, een aanpassing van het kadaster aan de huidige werkelijkheid. Vanuit de FOD Financiën en de Patrimoniumdienst die het kadaster beheert, kregen we het signaal dat alle gegevens daarvoor al aanwezig zijn. Dat komt mede doordat de FOD Financiën en de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie in 2007 een samenwerkingsakkoord afsloten met het Beroepsinstituut van de Vastgoedmakelaars.

Vastgoedmakelaars hebben heel wat informatie nodig om een verkoopscompromis op te stellen. Is de verkoper wel eigenaar van het gebouw? Rust er nog een hypotheek op de woning? Werden geen bouwovertredingen begaan bij het optrekken of verbouwen van de woning? De overheid beschikt over al die gegevens. Ze gebruikte die hefboom om een akkoord te sluiten dat makelaars elektronisch toegang geeft tot de betrokken databanken. In ruil daarvoor moeten de makelaars in elk verkoopcompromis een gedetailleerde beschrijving opnemen van de woning, die doorgestuurd wordt naar het kadaster. Ook bij erfenissen worden er schattingen gemaakt die moeten worden bezorgd aan het kadaster. Huizen die al lang niet meer verkocht werden, kan men herwaarderen aan de hand van de prijsevolutie van gelijkaardige woningen in de buurt.

Het kadaster heeft momenteel alle gegevens die het nodig heeft voor een perequatie. De enige reden dat die nog niet gebeurde, is politieke wil. Als zo’n perequatie wordt doorgevoerd, is het logisch om alle gezinnen ook inzage te geven in hun nieuwe patrimoniumdocumentatie. Als een gezin vindt dat hun woning overgewaardeerd is, kunnen zij het kadaster vragen een nieuwe schatting te laten uitvoeren op kosten van het kadaster.

Financieel vermogen

Het financieel vermogen kan je vrij eenvoudig in kaart brengen door, zoals in Zweden, Nederland en Frankrijk, het bankgeheim volledig op te heffen. Zo krijgt de fiscus toegang tot bankgegevens die automatisch worden aangeleverd door de banken. België is samen met Luxemburg en Oostenrijk jarenlang een obstakel geweest voor het opheffen van het bankgeheim op EU-niveau. Het is pas sedert 2011 dat dit hardnekkig trio, samen met Zwitserland, is beginnen bezwijken onder de grote en aanhoudende internationale druk om meer financiële transparantie te krijgen.

De voorbije legislatuur is België dan ook langzaam maar zeker begonnen met het ontmantelen van haar bankgeheim. Een eerste belangrijke stap in die richting werd in juli 2013 gezet met de oprichting van het Centraal Aanspreekpunt (CAP). Het CAP maakt deel uit van de Nationale Bank en verzamelt gegevens over de Belgische belastingplichtigen. Vanaf 1 mei 2014 zijn de financiële instellingen gestart met de aanlevering van gegevens over hun klanten, met name hun:
- identiteit (van natuurlijke personen, rechtspersonen en feitelijke verenigingen),
- en hun rekening- en contractnummers (van rekeningen, hypothecaire kredieten, kredietopeningen en financiële leasing).

Ook de buitenlandse rekeningen die de belastingplichtige aanhoudt (die al sedert aanslagjaar 1997 in de belastingaangifte moeten worden vermeld), zijn opgenomen in het CAP.

Wat voorlopig nog niet in het CAP is opgenomen, zijn de saldi op de rekeningen en de werkelijke begunstigden in situaties als een burgerlijke maatschap met meerdere deelgenoten. Als men deze twee extra gegevens ook nog zou bezorgen aan het CAP en de rijkdom aan buitenlandse gegevens verwerkt (die er vanaf dit jaar zullen binnenstromen via de automatische informatie-uitwisseling in het kader van het internationaal betalingsverkeer), kan men besluiten dat ook het financiële luik van een vermogenskadaster tergend haalbaar is.

Roerende goederen

Het onroerend en financieel vermogen kunnen we vandaag al redelijk eenvoudig in kaart brengen, maar wat dan met andere roerende goederen zoals dure juwelen, diamanten of kunst? Een precieze waardering daarvan ligt veel moeilijker. De piste die daar het meest aangewezen lijkt, is om verzekeringscontracten te gebruiken als schatter.

De meeste roerende goederen, zeker wanneer het dure wagens, schilderijen of juwelen betreft, zijn wel op één of andere manier verzekerd. De verzekerde waarde van die goederen kan de fiscus gebruiken als geschatte waarde bij de berekening van het nettovermogen. Indien we die piste volgen, zouden verzekeringsinstellingen bij de opstart van het kadaster eenmalig een fiscale fiche moeten doorsturen naar het kadaster voor elk van hun Belgische klanten en daarna enkel nog relevante informatie doorsturen bij het afsluiten of wijzigen van een contract.

STAP 2: WELKE HEFFINGSTECHNIEK KIEZEN WE?

In het debat rond vermogensfiscaliteit worden allerhande termen door elkaar gebruikt alsof ze synoniemen zijn voor elkaar. Om de discussie helder te krijgen, zal ik kort toelichten wat vermogenswinstbelastingen, vermogensaanwasbelastingen, vermogensbelastingen en vermogensrendementsheffingen nu exact zijn, en hoe elk van die heffingstechnieken de toets doorstaat aan de eerder vermelde vuistregels voor een betere vermogensfiscaliteit.

Vermogenswinstbelastingen

Vermogenswinstbelastingen zijn een verzamelnaam voor alle heffingen op effectief gerealiseerde, financiële winsten uit het vermogen. Vermogenswinstbelastingen kunnen dus onder meer betrekking hebben op huurinkomsten, leasingopbrengsten, rentes, dividenden en gerealiseerde meerwaarden bij verkoop. In principe kan je ook de erfenisrechten indelen bij de vermogenswinstbelastingen, omdat je daarbij een bijdrage betaalt op de aangroei van jouw vermogen via het ontvangen van een erfenis (gerealiseerde meerwaarde). Dit soort heffing vervult in het beste geval slechts de eerste twee van de vijf vuistregels. De Belgische versies ervan zondigen zelfs tegen alle vijf de vuistregels. De voornaamste nadelen aan vermogenswinstbelastingen zijn:

  • dat het vaak moeilijk is om nettowinsten te bepalen zonder ingewikkelde systemen op te zetten die het mogelijk maken om verliezen over te dragen naar de toekomst, of geld terug te krijgen van belastingen (negatieve belasting) wanneer je meer verliezen dan winsten boekt.
  • dat de meeste systemen van vermogenswinstbelastingen zeer vatbaar zijn voor manipulaties door te spelen met het soort winsten, de samenstelling van het vermogen of door constructies op te zetten die onduidelijkheid creëren over de feitelijke winstrealisatie (het soort winst en wie de ontvanger is ervan).
  • dat ze in de feiten ontradend werken voor durfkapitaal omdat ze werkelijk geboekte winsten belasten in plaats van een normaal veilig rendement. Mensen die investeren in durfkapitaal boeken gemiddeld hogere winsten omdat ze een risicopremie krijgen voor het feit dat ze af en toe ook veel zwaardere verliezen boeken. Omdat vermogenswinstbelastingen ook die risicopremie belasten, werken ze ontradend voor durfkapitaal.
  • dat ze er niet in slagen om niet-financiële rendementen te belasten zoals nog niet gerealiseerde meerwaarde en vermeden kosten, waardoor ze vatbaar zijn voor fiscale optimalisatie.
  • dat het technisch ingewikkeld is om progressieve tarieven toe te passen op dit soort belasting en tevens ook de voorspelbaarheid van de heffing te garanderen voor alle betrokken partijen.

Vermogensaanwasbelasting

Ten tweede heb je de vermogensaanwasbelasting. Dat is een heffing op de aangroei van het vermogen. Wie zijn vermogen in een jaar ziet aangroeien van 10.000 euro naar 11.000 euro, wordt enkel belast op die 1.000 euro vermogenswinst. Een vermogensaanwasbelasting is, net zoals een vermogensrendementsheffing en een vermogensbelasting (zie verder), immuun aan de meeste vormen van fiscale optimalisatie. Toch voldoet ook dit systeem slechts aan de eerste drie van de vijf vuistregels want:

  • het werkt niet met progressieve tarieven. Het enige wat telt is hoeveel het vermogen groeit, niet hoe groot het totale vermogen is. Iemand die van 0 naar 10.000 euro vermogen stijgt, zal namelijk even hard belast worden als iemand die vertrekt van 1 miljard euro vermogen en het vermogen met eenzelfde 10.000 euro ziet groeien.
  • het bestraft durfkapitaal. Personen die af en toe ook verliesjaren hebben in de vermogensopbouw, maar een vermogen hebben dat desondanks gemiddeld even snel groeit als personen die nooit verliezen boeken, zullen veel meer aanwasbelastingen moeten betalen doorheen hun leven. De totale bruto vermogensgroei is namelijk veel groter, ondanks hetzelfde nettoresultaat. Dat is een moeilijk te verdedigen element van aanwasbelastingen.

Vermogensbelasting

Een vermogensbelasting is een jaarlijkse belasting op de waarde van alles wat iemand bezit. Zo’n vermogensbelasting kan je perfect laten voldoen aan vier van de ‘vijf vuistregels voor een betere vermogensfiscaliteit’. De enige vuistregel waartegen elke zuivere vermogensbelasting nog zondigt is de vijfde. Een zuivere vermogensbelasting werkt namelijk per definitie met een vast heffingspercentage, wat ontradend werkt voor durfkapitaal en kan leiden tot onredelijk hoge of lage heffingen omdat ze blind is voor evoluties in de veilige rendementen die je kan halen in de markt.

Vermogensrendementsheffing

Een vermogensrendementsheffing tracht een mouw te passen aan die tekortkoming van zuivere vermogensbelastingen, door te werken met een heffing op het veilig te behalen rendement uit een vermogen. Een rendementsheffing heeft als uitgangspunt dat het durfkapitaal niet wil ontmoedigen. Daarom neemt het de veilige marktrente als verondersteld rendement op het nettovermogen. Meevallers en tegenvallers die voortvloeien uit risicovolle beleggingen worden volledig overgelaten aan de belastingplichtige. In de feiten is de huidige onroerende voorheffing dus ook een soort vermogensrendementsheffing.

Door de koppeling aan de veilige marktrente garandeert deze techniek dat nooit het vermogen zelf, maar wel het rendement op dat vermogen wordt belast. Verder is een vermogensrendementsheffing ook immuun voor het merendeel van de technieken voor fiscale optimalisatie, zolang ze alle vermogensbestanddelen op eenzelfde manier behandelt. Een vermogensrendementsheffing kan bovendien ook perfect progressief gemaakt worden: naarmate het vermogen groter is, wordt een hoger belastingpercentage toegepast.

Conclusie

Als je de beschreven technieken naast de vuistregels voor doelmatige en rechtvaardige vermogensfiscaliteit legt, dan blijkt een progressief gemodelleerde vermogensrendementsheffing de aangewezen techniek te zijn.

België heeft vandaag al één progressieve heffing die internationaal heel wat lof oogst voor haar herverdelende kwaliteit: de personenbelasting. Als we binnen het kader van een fiscale verschuiving die belasting afbouwen, dan is het van primordiaal belang dat we dat doen zonder de herverdelende kracht van het Belgisch fiscaal systeem te verminderen. Daarom lijkt het aangewezen dat we in onze vermogensrendementsheffing een gelijkaardige progressiviteit inbouwen als in de personenbelasting.

Toen we in 2010 op de studiedienst van Groen deze analyse een eerste maal maakten, opteerden we daarom voor een rendementsheffing die, net zoals de personenbelasting, werkt met een belastingvrij bedrag en heffingsvoeten die via een schijvenstructuur oplopen tot een maximale heffingsvoet van 50%.

Ons systeem behandelt alle vermogensbestanddelen op eenzelfde manier. Daarom schaft het alle andere vermogensfiscaliteit af en werkt zonder uitzonderingen of vrijstellingen. In plaats daarvan kozen we voor een vrijgestelde schijf, een bedrag van het nettogezinsvermogen dat voor alle gezinnen onbelast blijft. Werken met een vast bedrag is rechtvaardiger dan werken met een vrijstelling van bijvoorbeeld de eigen woning, omdat je zo geen discriminatie creëert tussen huurders en huiseigenaars of tussen mensen die een bescheiden woning bezitten en zij die luxueuzer wonen.

STAP 3: WELKE BESTAANDE BELASTINGEN KUNNEN WE INKANTELEN IN HET NIEUWE SYSTEEM?

In België zijn er vandaag al heel wat belastingen op het vermogen en/of inkomsten uit het vermogen. Ten eerste heb je de roerende voorheffing op de opbrengsten uit financieel vermogen en de onroerende voorheffing op het verondersteld rendement uit het bezit van vastgoed. Daarnaast heb je verschillende heffingen op het herverdelen van vermogens tussen personen zoals schenkingsrechten, erfbelasting, registratierechten en de scheidingtaks (ook wel miserietaks genoemd).

Elk van die belastingen zijn, zelfs als je rekening houdt met de occasionele vrijstelling hier en daar, in de feiten asociale vlaktaksen. Iedereen betaalt namelijk hetzelfde tarief, ongeacht hoe arm of rijk je bent. Omdat onze rendementsheffing alle vermogensbestanddelen meeneemt, geeft het ons dat de mogelijkheid om al die andere belastingen af te schaffen.

De combinatie van de vervanging van al die belastingen door een rendementsheffing, met een vrijgestelde schijf gelijk aan het mediaan gezinsvermogen, zorgt er voor dat heel wat gezinnen plots veel minder vermogensbelastingen moeten betalen. De interactie tussen de progressieve tarieven en de zeer scheve verdeling van de Belgische gezinsvermogens garandeert bovendien een meeropbrengst van meerdere miljarden.

Een grondige hervorming van onze Belgische vermogensfiscaliteit wordt dus niet alleen gevraagd en aanbevolen door vele organisaties in binnen- en buitenland, ze is ook tergend haalbaar. De technische keuzes zijn duidelijk. Al wat nog ontbreekt, is politieke durf en wil. Hopelijk komt die er eerder vroeger dan later.

Anton Delbarre
Studiedienst Groen

tax shift - vermogensbelasting - herverdeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 3 (maart), pagina 38 tot 45