Log in

RIP de actieve welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 8 (oktober), pagina 53 tot 57

Laat mij maar met de deur in huis donderen: het is mij een volslagen raadsel of de arbeidsdeal uit het Zomerakkoord een toonbeeld is van misantropie, selectieve verontwaardiging of cynisme. Het valt te vrezen dat het een combinatie van de drie is, een straffe antisociale cocktail waarin het geheel sterker is dan de som van de delen. Maar meer nog dan dat, is dit de definitieve doodsteek van wat ooit de actieve welvaartsstaat moest worden. Misschien kan ze met haar laatste doodsreutel nog net twintig kaarsjes op haar taart uitblazen. En wil de laatste het licht uitdoen?

DE ARBEIDSDEAL

RIP de actieve welvaartsstaat
Herman Loos
Kan meer prikkelen ons nog helpen?
Wim Van Lancker
Ons loonstelsel: tussen fictie en feiten
Erwin De Deyn

Wie wijn wil maken, leert best zijn ranken lezen van wortel tot druif. Ik kan het weten. Tijdens mijn zeven jaren in Zuid-West-Frankrijk als menselijke grondstof, zoals ik de multi-inzetbare wegwerpwerknemer noem in mijn gelijknamige boek, was de wijngaardschool immers één van de plaatsen waar ik ooit geactiveerd werd met het oog op een duurzame job. We leerden er onder andere inschatten of een rank door ziekte geveld zou worden en al dan niet een bedreiging vormde voor de wijngaard in haar geheel. Een manier om de naderende dood tegen te gaan, was een levende twijg ombuigen en opnieuw de grond in planten in de vaak ijdele hoop dat hij wortels zou maken.

Dat lijkt me een goede metafoor om te duiden wat de arbeidsdeal uit het Zomerakkoord in petto heeft voor de meest kwetsbare werknemers en voor wat de regering tracht te doen met de doodzieke actieve welvaartsstaat. Het laatste groene loof wordt met een ultieme wanhoopspoging de grond in gewroet – en laat ons bidden voor een zachte winter en een zonnige lente. Elke gelijkenis met de twijfelachtige energievoorziening in onze actieve welvaartsstaat berust overigens op ongelukkig toeval.

SOCIALE BIJSTAND: GUNST OF RECHT?

De reden waarom ik een cursus 'wijngaard snoeien' volgde, zal de beleidsmakers overigens vrolijk stellen. Er dreigde namelijk armoede. Ik had een inkomen van nul euro per maand – wegens een stevige scheut kafka bleek ik aanspraak te kunnen maken op geen enkel recht op een vervangingsinkomen in een EU-buurland na zeven jaren trouwe dienst als voltijds assistent aan de KU Leuven. Het had iets te maken met bureaucratische onenigheid over het geijkte Europese standaardformulier. Uiteraard ben je daar als burger persoonlijk verantwoordelijk voor, zoals je volgens het huidige discours voor zowat alles persoonlijk verantwoordelijk bent, vooral voor de zaken waaraan je niets kan veranderen. De cursus was betaald: 23,62 euro per dag. Dat is meer dan 0 euro, dus mijn keuze was gemaakt. Je zou hieruit de conclusie kunnen trekken dat het klopt: je moet niet-werkenden in de armoede duwen en ze zullen wel werken. Die conclusie volgt echter niet automatisch uit dit voorbeeld. Er is een stevige snuif negatief mensbeeld nodig om deze haring te braden.

Laten we even een citaatje van één van de meest bejubelde hedendaagse conservatieven van het net plukken. 'When every benefit received is a right, there is no place for good manners, let alone for gratitude,' aldus Theodore Dalrymple. Met dat soort van misantrope riedels word je voortdurend geconfronteerd als kwetsbare mens die ook maar gewoon iets van zijn leven wil maken. Het is exact waar het huidige beleid voor staat: sociale bijstand is geen recht maar een gunst waarvoor je best op je blote knieën een dankgebed prevelt. Leefloon? Daar mag iets tegenover staan. Straten kuisen, afval ophalen. Niet dan? Nee dus. Het is net omgekeerd. Straten kuisen en afval ophalen, daar mag iets tegenover staan. Een regulier arbeidscontract bijvoorbeeld, aan gewaarborgd inkomen en met een gepaste vorm van sociale bescherming. Want, en dat lijkt bij onze beleidsmakers niet echt door te dringen, de meeste mensen willen echt wel werken. Geloof me: ik heb in de wachtrijen bij pôle emploi (de Franse VDAB), bij het uitzendkantoor en op de werkvloer in de vele tijdelijke en seizoenjobs die ik uitvoerde meer werkbereidheid gezien dan, pakweg, bij de diensten die bezwoeren mij naar een duurzame job te begeleiden. Profitariaat bestaat, daar moeten we niet flauw over doen, maar het is geen wijdverspreid fenomeen en het is niet meer aanwezig bij de niet-werkenden dan bij de werkenden. Elke andere vaststelling is een vorm van selectieve verontwaardiging.

VRIJ VERKEER VAN MENSELIJKE GRONDSTOF

De sociale bescherming moet er zoveel mogelijk uit. Zo staat het tussen de regels van de arbeidsdeal wanneer het gaat over flexwerk en nachtarbeid. Daar moeten de vakbonden zich niet te veel mee gaan moeien. Toch? Hoe willen we anders in godsnaam concurrentieel zijn met bijvoorbeeld Madagaskar, waar het minimumloon overeenkomt met zowat vijftig euro per maand. En waarom zouden we het zo ver gaan zoeken? Binnen de grenzen van onze Europese Unie, waar werknemers vrijelijk over de kasseien van de eengemaakte arbeidsmarkt dokkeren, zijn er landen waar het bruto mediaaninkomen een derde bedraagt van ons wettelijke minimumloon. Zo kent u meteen de reden waarom het voor een Franse herenboer interessanter is een vliegtuig vol jonge Hongaarse mannen naar het tarmac van Lourdes te lokken dan de landarbeiders uit zijn dorp aan te werven. Ze doen meer voor minder – hoewel dat minder meer is dan ze in eigen land kunnen verdienen. Und alle Menschen werden Brüder, bla-di-bla. Intussen is men in Limburg wanhopig omdat zelfs de Polen de perenpluk aan hongerloon niet meer zien zitten. Kunnen we alstublieft voor een paar weken de grenzen openzetten, Theo? We beloven dat we onze menselijke grondstoffen nadien zelf opkuisen.

Cynisch, beste lezer? Dat werknemers uit de bodem van de pan, waar onzekerheid troef is, worden opgezet tegen werknemers met een goede sociale bescherming – dat vinden wij dan weer cynisch. De lasten van onze 'voca-arbeidsmarkt' (volatiel, onzeker, complex en ambigu) worden op een kleine, maar groeiende groep geladen: de zwakste dieren van de kudde. En vergis u niet, er komt een dag dat iemand uit uw omgeving dat zwakste dier is. Misschien bent u het zelf. Dat Fons Leroy, arbeidsmarktgoeroe bij de VDAB, zichzelf fêteert op zijn jubilerende blog (www.vdab.be/blogs/fonsleroy) met de gevleugelde woorden 'Je hebt talent en als je dit blijft ontwikkelen dwing je een plaats op de arbeidsmarkt af. Enkel als je niet in jezelf gelooft, blijf je op de bank zitten.' Ja, dat vind ik cynisch. Want het legt alle verantwoordelijkheid bij de niet-werkende, bij hij of zij die niet genoeg in zichzelf gelooft. Zoals Immanuel Kant ooit beweerde dat de mens zijn onmondigheid aan zichzelf te danken had, zo beweren arbeidsmarktspecialisten vandaag dat de mens zijn werkloosheid aan zichzelf te danken heeft. Alles wat je moest doen, was even in jezelf geloven en je gat van de bank lichten. Het is belachelijk, beste niet-werkende, dat je het zelf niet ziet. Maar even tussen ons gezegd en gezwegen: wie heeft er jagers nodig als dit uw boswachter is?

Welke arbeid dan, meneer Leroy? En welk talent? Ik werkte ooit met een man die sneller dozen plooide dan zijn schaduw. Dat was zijn talent. Hij versloeg moeiteloos de meest geavanceerde machine die de fabriekshal werd ingerold. Talent? Wereldklasse lijkt me een beter woord. Deze man heeft nooit veel meer verdiend dan het wettelijke minimumloon – een vast contract is al een behoorlijke beloning, nietwaar. Want het zal maar net zo uitkomen dat je grote talent een taak is die perfect vervangbaar is, door een machine of door een andere sukkelaar. Beter een middelmatige speler in het waterhoofd van de administratie dan een uitblinker in de kneusjesafdeling. Oh, en de goede man is overigens op zijn tweeënvijftigste volledig opgewerkt. Zware tendinitis in beide handen, drie operaties brachten geen soelaas. De laatste keer dat ik hem zag, kon hij nauwelijks nog een bekertje koffie optillen. Maar geen nood, mits een kleine cursus 'CV opstellen' is hij vast binnen de kortste keren opnieuw aan de slag. Zoals Jean-Claude, de siersmid met de stukgewerkte rug en handen die in mijn wijngaardcursus belandde. Ik weet niet of u een rozenperkje onderhoudt, meneer Leroy, maar voor stukgewerkte handen is zo'n snoeischaartje een foltertuig.

TIJDELIJK WERK ALS ECONOMISCH DARWINISME

Precaire arbeid is niet het dominante model op onze arbeidsmarkt. Gelukkig maar. Het is wel een groeiend segment en de arbeidsdeal zit boordevol meststoffen om haar welig te doen tieren. Zeker wanneer de wieders - de vakbonden en het middenveld - zoveel mogelijk uit de tuin worden gehouden. Precies dat element is de kern van wat in de literatuur vaak als definitie van precaire arbeid wordt vooropgesteld: arbeid waarin de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) niet worden nageleefd of niet bestaan. Dat is academisch vast een werkbare definitie maar ze zorgt er wel voor dat een aanzienlijk deel van de precaire arbeid in de dodehoekspiegel blijft. Er wordt immers voetstoots aangenomen dat de cao precaire arbeid verhindert. Dat is niet zo. Als ervaringsdeskundige heb ik een en ander af te dingen: het is een klassiek verhaal van de voordeur op een kier en de achterpoort wagenwijd open. Want vergeet niet: de wet is een boei die altijd omzeild zal worden.

Daarvoor moet ik misschien uitleggen wat een coupure is. Het is een begrip dat ik leerde kennen bij een bedrijf waar ik enkele jaren een vaste tijdelijke werknemer was. Eigenlijk bestaat dat niet, een vaste tijdelijke werknemer. Het is eerder een zaak van je wensen voor werkelijkheid nemen. De coupure is een ontluizingsperiode tussen twee series van tijdelijke contracten. Want dat zegt de cao: je mag een tijdelijk contract maar zoveel malen verlengen voordat je verplicht bent een vast contract, van onbepaalde duur dus, te geven. Er is een maar. Indien je na een serie tijdelijke contracten een zekere tijd wacht met een nieuw tijdelijk contract aan de bieden, valt als werkgever deze verplichting weg. Deze tijd, dat is de coupure. In het bedrijf waar ik werkte, bestond het tijdelijke personeel elk jaar voor negentig procent uit precies dezelfde mensen. Twintig procent werknemers in vast loonverband, de rest met series tijdelijke contracten. In coupure dus, alsof het om een soort dienstverband gaat. Terwijl het natuurlijk een eufemisme is voor werkloosheid. Het bedrijf wist haar productie naadloos aan te sluiten op de wettelijke termijnen van contract en coupure. Dus ben je een vaste tijdelijke werknemer. Simple comme bonjour.

Is dat een precair statuut? Volgens de academische definitie vermoedelijk niet. Naar beleving is het dat echter wel. Want hoewel de letter van de cao is gevolgd, kan je onmogelijk stellen dat het om een duurzame arbeidsrelatie gaat. De werknemer is hier de speelbal die, elk seizoen opnieuw, wacht op een seintje om te mogen werken. En onvermijdelijk komt voor velen de dag dat het seintje op zich laat wachten. Dan staan daar de bemiddelingskantoren, met in onderaanneming de activeringsdiensten, klaar om de menselijke grondstoffen te verwerken in hun werklozenindustrie. Maar voor het zover is, moeten we nog even meegeven dat de tendens, bij elk bedrijf waar ik tijdelijk werkte, is om tijdelijke werknemers als uitzuigkrachten te behandelen. Zelfs voor contractseries van zes maanden wordt verwacht dat je nooit een vakantiedag opneemt, nooit ziek valt, nooit een steek laat vallen. En het werkritme ligt steeds hoog, hoger dan je een heel jaar zou volhouden. Tijdelijk werk is economisch darwinisme: only the strong survive.

WERKBAAR WERK?

Het staat mijlenver af van wat ooit de utopie van de actieve welvaartsstaat was. Ik daag iedereen uit om in de archieven van dit tijdschrift te lezen wat Peter Bossu in het gezegende jaar 2000 over deze boreling wist te vertellen (www.sampol.be/2000/05/de-actieve-welvaartsstaat) en het daarbij droog te houden. 'De actieve welvaartsstaat is geen eng concept voor enkel meer jobs of tegengesteld aan de ecologische modernisering. In de actieve welvaartsstaat primeert de kwaliteit van het leven.' Zo heb ik het ooit ook allemaal geleerd, in de jonge jaren 2000 tijdens mijn studie sociologie. De levenslange bijscholingsmogelijkheden, waarvan sprake in het artikel, werden een levenslange leerplicht. De groeimogelijkheden zijn verworden tot vooral veel wild- en scheefgroei. De realiteit heeft de utopie ingehaald, lang geleden al, en de arbeidsdeal van deze zomer lijkt er inderdaad op gericht het laatste leven van de wijnrank met de kop in het zand te steken, in de hoop dat het meest noodzakelijke zonder zuurstof ook wel overleeft.

'De nadruk ligt op meer kansen op maatschappelijke participatie, maar dan niet zonder de kwaliteit van die arbeid (zoals aanpak van ongecontroleerde flexibiliteit en van verhoogde werkdruk en stress, bouwen aan de vierdagenweek) en van het leven buiten die arbeid (zoals gezondheidszorg, bijscholing- en vormingsmogelijkheden, het recht op kinderopvang) permanent te versterken.' Dat schreef Bossu in 2000, een volle wasdom geleden. Het is dus niet zo dat de valkuilen niet in beeld waren of dat we vandaag voor onverwachte problemen staan. Het is enkel zo dat er vanuit het beleid altijd onwil is geweest om ze echt aan te pakken. Het is dat, of onkunde. Ik weet niet eens welke van de twee erger zou zijn. Vandaag groeit de flexibiliteit, groeit zelfs de vraag naar flexibiliteit, verhogen werkdruk en stress en lijkt werkbaar werk eenzelfde refrein als wat ooit de actieve welvaartsstaat was. Het is zelfs erger. Voor de menselijke grondstof luidt de arbeidsdeal niet eens de noodklok. 'De mensenzee klotst voort in een radeloze deining.' Misschien zijn deze woorden van mijn gouwgenoot Stijn Meuris de meest passende slotbedenking bij het Zomerakkoord.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 8 (oktober), pagina 53 tot 57