Abonneer Log in

Fight for 14

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 52 tot 57

Wie de strijd tegen inkomensongelijkheid bij de wortel wil aanpakken, moet inzetten op hogere minimumlonen. Een loon, die naam waardig, moet minstens 2.300 euro per maand of 14 euro per uur bedragen.

SOCIALE ZEKERHEID

Fight for 14
Lars Vande Keybus en Jean-Marie De Baene
Zelfstandigen krijgen (te) veel waar voor hun geld
Ria Janvier
Redenen voor anciënniteitsbarema’s
Sem Vandekerckhove

Iedere twee jaar vindt sociaal overleg plaats over lonen en arbeidsvoorwaarden. Eerst wordt het kader federaal (interprofessioneel) vastgelegd, waarna het de beurt is aan de sectoren en ten slotte aan de bedrijven om dit kader in te vullen. Het overleg op interprofessioneel niveau voor 2019-2020 is afgerond, of toch zo goed als. Want over één aspect, de minimumlonen, wordt nog verder onderhandeld. Waarover straks meer.

De inzet van het interprofessioneel overleg begin dit jaar was in de eerste plaats koopkracht. Dat is geen toeval gezien de lonen de afgelopen jaren amper zijn toegenomen. Uit recente cijfers van het Europese vakbondsinstituut (ETUI) bleek dat de reële lonen in België sinds de crisis van 2008 niet zijn gestegen.1 Ondanks economische groei, gestegen productiviteit en bedrijfswinsten hebben werknemers enkel de prijsstijgingen gecompenseerd gezien in hun loon. Vooral de afgelopen vier jaar hebben de lonen klappen gekregen. De regering-Michel legde de werknemers een eerste inlevering op via een indexsprong van 2%. Daarna stak ze de loonvorming in een strakker keurslijf via een strengere loonnormwet. De wet van '96 op het concurrentievermogen en de werkgelegenheid zorgde er al voor dat de lonen onderworpen werden aan een maximale groeinorm. Zo zouden ze in de pas moeten lopen met de loonevolutie bij onze buurlanden. De regering-Michel deed er een schepje bovenop door er een rits correctiemechanismen aan toe te voegen.

Resultaat? De potentiële loonstijging voor de komende twee jaar werd door een eerste, creatieve berekening door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven beperkt tot amper 0,8%. Er was een nationale staking voor nodig van het gemeenschappelijk vakbondsfront om politiek en werkgevers ervan te overtuigen dat dit geen ernstig bod was. Zeker in het licht van de economische realiteit en de terechte verwachtingen van de werknemers. Als bij toverslag doken nieuwe prognoses op over de te verwachten loonstijgingen bij onze buurlanden, en de CRB-cijferaars berekenden een nieuwe marge van… 1,1%. Dit leverde een doorstart op van de onderhandelingen die uiteindelijk een ontwerp van IPA opleverde. De hoofdlijnen: een maximale onderhandelingsmarge voor de sectoren en bedrijven van 1,1% bruto; een verhoging van het interprofessioneel minimumloon met 1,1% op 1 juli 2019; een hogere tussenkomst van de werkgevers in de kosten van woon-werkverkeer via openbaar vervoer (van 64% naar 70%); voorwaarden voor SWT en landingsbanen die gunstiger zijn dan wat de regering in petto had; een gemeenschappelijk advies over de verdeling van de enveloppe bestemd voor de welvaartsaanpassing van de sociale (minimum) uitkeringen en, ten slotte, de mogelijkheid om werknemers jaarlijks twintig extra overuren te laten presteren 'op vrijwillige basis'.

Al bij al beperkte resultaten. De scope van de onderhandelingen was al niet breed, want de werkgevers bleven doof voor onze voorstellen op vlak van bijvoorbeeld arbeidsduurvermindering. Zelfs opleiding was voor hen geen issue, alle ronkende verklaringen over transformatie en digitalisering ten spijt. En vooral: met een (maximale!) marge van 1,1% voor de werknemers en een symbolische verhoging van de minimumlonen, blijft de verhoopte inhaaloperatie op vlak van koopkracht nagenoeg uit. Reden waarom het ABVV het ontwerpakkoord in zijn totaliteit niet kon goedkeuren, waarop de regering – in lopende zaken – tussenbeide kwam om op eigen houtje de loonmarge bij KB vast te stellen op 1,1%. Als ABVV konden we afdwingen dat het overleg werd voortgezet over een gevoelige optrekking van het minimumloon.

MINIMUMLONEN OPNIEUW OP DE AGENDA

En daar staan we nu. De eerste gesprekken over een significante verhoging van het minimumloon zijn binnen de Nationale Arbeidsraad opgestart. En dat mag het ABVV volledig op zijn conto schrijven. Als ABVV hebben we de minimumlonen terug op de sociale agenda gezet. We berekenden dat een loon die naam waardig, minstens 2.300 euro per maand of 14 euro per uur moet bedragen. De strijd voor 14 euro, de Fight for 14 naar het voorbeeld van de Fight for$15in de VS, was ingezet. In het volle besef dat deze doelstelling niet in een handomdraai zal worden bereikt, maar met de vaste overtuiging dat we nu stap voor stap die weg moeten opgaan.

We worden daarin ondersteund door talloze verhalen vanop het terrein, maar ook door heel wat internationaal studiemateriaal. De inkomensverdeling in België wordt ongelijker. Meer mensen verdienen relatief weinig en meer mensen relatief veel. De groep die hier tussen hangt, ook wel toepasselijk de 'middenklasse' genoemd, wordt dus steeds kleiner. In het januarinummer van dit magazine werd uitgebreid ingegaan op de afkalving en economische marginalisering van grote groepen binnen die middenklasse. België blijkt één van de landen te zijn waar de middenklasse het snelst inkrimpt en waar ze aan economische slagkracht inboet.

In tussentijd publiceerde de OESO een studie over die middenklasse in problemen.2 Ze reikt een aantal beleidsopties aan om te komen tot een 'bloeiende middenklasse'. Een eerlijkere verloning, en specifiek sterkere minimumlonen, voor lage en middeninkomens neemt een belangrijke plaats in hun visie. Eerder al stelde de OESO dat wanneer je de kloof tussen het minimumloon en de lonen in het midden van de inkomensverdeling met 10% verkleint, je de ongelijkheid met 3% vermindert.3

HET MINIMUMLOON: MOET BETER

Als we internationaal een vergelijking maken, zijn heel wat OESO-landen een belangrijke inhaalbeweging aan het maken op het vlak van minimumlonen. Sinds 2000 stegen volgens de Duitse Hans Bockler Stichting over alle OESO-landen heen de minimumlonen met bijna 7% ten opzichte van het mediaanloon (het loon dat zich in het midden bevindt van alle lonen).4 België maakte echter de omgekeerde beweging. Bij ons daalde het minimumloon in diezelfde vergelijking met bijna 4%. Het Belgische nationale minimumloon is dus steeds minder waard in vergelijking met de andere lonen. Dat komt niet omdat België een historisch relatief hoog minimumloon heeft.

Het nationale minimuminkomen in België is zelfs laag. Met 1.593 euro, oftewel 9,68 euro bedraagt het slechts 47% van het mediaanloon. Europees gezien gooien we daar geen hoge ogen mee. Slechts vijf landen doen slechter.5 Wie denkt dat er amper nog iemand aan dit loon werkt, vergist zich. Volgens de RSZ werken er 66.000 mensen onder deze inkomensgrens.6 Wie onder het minimuminkomen valt, krijgt in principe een tegemoetkoming van de werkgever om aan het minimum te komen. Maar het gaat ook om wie net boven dat minimuminkomen valt. Bijna 130.000 Belgen hebben een beroepsinkomen dat onder 1.640 euro bruto ligt.

Het aantal werkende armen – een job hebben, maar niet kunnen rondkomen – steeg de afgelopen tien jaar met 16%.7 Hoewel we hier bij de betere van de Europese klas zijn is de marsrichting op dat vlak door de regering-Michel, met haar agenda van flexibilisering en loonmatiging, ingezet.

Er is dus wel degelijk een opportuniteit om het minimumloon te verhogen. Toch zijn werkgevers als door een wesp gestoken wanneer vakbonden die vraag om een hoger minimumloon op tafel leggen. Hogere minimumlonen zouden de loonkosten dramatisch uit de pan doen swingen. Een verhoging van het minimumloon kost geld, dat klopt, maar de impact is beperkt, net zoals het aantal sectoren dat erdoor wordt getroffen. Volgens de RSZ kost een verhoging van het minimumloon met 5% (50 cent extra per uur, of 80 euro bruto per maand) amper 82 miljoen euro op jaarbasis voor werkgevers. Een te verwaarlozen kost, zeker als je de miljarden aan compensaties en subsidies die bedrijven al jaren opstrijken er tegenover plaatst: bijna 7 miljard aan loonsubsidies (het niet moeten doorstorten naar de fiscus van bedrijfsvoorheffing die wél van uw loon wordt afgehouden) en 6 miljard aan bijdrageverminderingen voor de sociale zekerheid.

TOVERDOKTERS EN HUN DOEMSCENARIO'S

En dan zijn er de economische toverdokters in de media die een verhoging van het minimumloon als een absolute horror blijven afschilderen. Een hoger minimumloon zou het moeilijker maken voor kansengroepen om een job te vinden. Slecht betaalde jobs zouden nodig zijn om toegang te hebben tot de arbeidsmarkt voor jongeren en minderheden. Als startpunt om een soort van American Dream-achtige carrière te kunnen ontwikkelen. Mochten werkgevers de mogelijkheid niet hebben om die jobs slecht te betalen, zouden die jobs zogenaamd niet bestaan.

De realiteit bewijst iets anders. Twee recente fundamentele wetenschappelijke onderzoeken maken duidelijk dat jobs niet verdwijnen wanneer het loon van diegene die de job uitoefent, wordt verhoogd. In mei 2018 publiceerde de Amerikaanse academicus Simon Sturn een onderzoek naar de effecten van verhogingen van het minimumloon in negentien (19!) OESO-landen.8 Specifiek richtte hij zich op kortgeschoolden, vrouwen en jongeren. De bevindingen van zijn onderzoek zijn duidelijk: er is geen substantieel bewijs voor een hogere werkloosheid voor kortgeschoolden, vrouwelijke kortgeschoolden of jonge werknemers bij een verhoging van het minimumloon. Of in zijn eigen – meer wetenschappelijke – bewoording: 'de tewerkstellingselasticiteiten zijn klein en statistisch niet te onderscheiden van nul.'

Nog recenter onderzochten Amerikaanse onderzoekers9 honderd verhogingen van het minimumloon in de VS tussen 1979 en 2014. Opnieuw werd de focus gelegd op tewerkstellings- en inkomenseffecten voor kortgeschoolde werknemers, jongeren en minderheden. De studie kwam tot de conclusie dat er na een verhoging van het minimumloon GEEN negatieve tewerkstellingseffecten waren voor al deze groepen en dat hun inkomen fors steeg. Niet enkel diegenen die aan het minimumloon tewerkgesteld waren, zagen hun inkomen stijgen. Er waren (en zijn) positieve effecten vast te stellen voor werknemers die zich tot $5 boven het minimumloon bevonden. En ook in die loonklasse: geen jobverlies.

De onderzoekers maken in hun studie een interessante inschatting tot hoe ver je kan gaan met een verhoging van het minimumloon. Slechts wanneer je het minimumloon verhoogt tot boven 60% van het mediaanloon zouden er negatieve tewerkstellingseffecten kunnen optreden. Maar die onderzoeksvraag ligt nog open. Het minimuminkomen in België bedraagt slechts 47% van het mediaaninkomen. Ruimte voor verbetering dus.

HOE KUNNEN WE TE WERK GAAN?

België is een speciaal geval. We kennen hier geen nationaal minimumloon, maar een nationaal gewaarborgd minimum maandinkomen. Dit houdt in dat we alle lonen en premies over één jaar samentellen. We delen dat bedrag door het aantal gewerkte maanden en bekijken dan of de ondergrens is behaald. Die ondergrens ligt momenteel op 1.593 euro. Haal je die ondergrens niet dan krijg je in principe een toeslag van je werkgever om het verschil goed te maken. Maar uit cijfers van de RSZ blijkt dat een pak werknemers geen of onvoldoende toeslag krijgen.

Een eerste piste die we kunnen bewandelen om stappen te zetten richting een significante verhoging van het minimumloon, is van dit gegarandeerd maandinkomen een gegarandeerd maandloon maken. Dat houdt in dat geen rekening meer gehouden wordt met allerlei premies en andere extraatjes om het minimumloon te behalen. Dat maakt het systeem eerlijker en doorzichtiger.

Een tweede piste hebben we al een keertje aangeraakt. Het minimumloon in België erodeert ten opzicht van de andere lonen. Sinds 2008, de laatste aanpassing van het minimumloon, heeft het minimumloon 3% van zijn waarde verloren in relatie tot de andere lonen. Waarom voorzien we geen automatische herwaardering van het minimumloon? Na iedere tweejaarlijkse IPA-ronde zou kunnen worden nagegaan in welke mate de andere lonen zijn gestegen. Het minimumloon wordt hier dan aan aangepast. Zo is er geen koopkrachtverlies voor de laagste lonen en blijft er aan de onderzijde van de inkomensverdeling druk op de ketel.

Een aanpassing van het minimumloon op interprofessioneel niveau kan niet zonder een wijziging van het parafiscaal luik. Met marginale aanslagvoeten tot 90% op lonen tussen 1.600 en 2.100 euro levert een extra euro bruto weinig in netto op. Door een aanpassing van het systeem van de werkbonus (persoonlijke korting op sociale zekerheidsbijdragen) kan dit worden geremedieerd.

En uiteraard moeten de minimumlonen ook hogerop via de sectoren, want heel wat werknemers vallen terug op een sectoraal minimumloon. Het interprofessioneel minimumloon is immers een opvangnet voor zij waar geen sectoraal minimumloon is afgesproken of waar er sectorale uitzonderingen zijn.

EEN POLITIEKE OPDRACHT VAN FORMAAT

De strijd voor hogere minimumlonen is in de eerste plaats een zaak van sociaal overleg. Wat impliceert dat de politiek het interprofessioneel overleg in de toekomst moet vrijwaren. De retoriek bij partijen op rechts over dit thema is ontstellend. Hun pleidooi om loononderhandelingen vooral op bedrijfs- of zelfs individueel niveau te voeren, is sprekend voor de onwil om solidair iets te willen doen voor zij die op het einde van de maand moeten krabben om rond te komen. De loonwet moet dringend worden aangepast, zodat werknemers opnieuw hun gerechtvaardigd deel van de koek kunnen opeisen.

De overheid moet daarnaast stoppen met miljarden aan subsidies in het rond te strooien zonder ze te controleren. Recent nog wees het Rekenhof op 2,9 miljard euro loonsubsidies die in het kader van onder andere ploegenarbeid en overuren werden toegekend zonder enige controle.10 Volgens het Rekenhof valt de doelmatigheid ervan niet te controleren. Zet deze miljarden beter gericht in om de tewerkstelling van kansengroepen te verbeteren, zonder het inkomen van deze groepen te hypothekeren.

Wie een blik werpt op de verkiezingsprogramma's kan alleen maar vaststellen dat ook hier de tweespalt links-rechts sprekend tot uiting komt. De keuze op 26 mei is simpel.

Voetnoten

  1. https://www.etui.org/Publications2/Books/Benchmarking-Working-Europe-2019.
  2. https://www.oecd.org/social/under-pressure-the-squeezed-middle-class-689afed1-en.htm.
  3. http://www.oecd.org/els/soc/dividedwestandwhyinequalitykeepsrising.htm.
  4. https://www.boeckler.de/wsi-tarifarchiv_44064.htm.
  5. https://stats.oecd.org/Index.aspx?DataSetCode=MIN2AVE.
  6. https://www.ccecrb.fgov.be/dpics/fichiers/2019-01-09-10-40-45_doc182768nl.pdf.
  7. Bron: Eurostat
  8. http://tankona.free.fr/sturn2018.pdf.
  9. https://www.nber.org/papers/w25434. 10. https://www.ccrek.be/NL/Publicaties/Fiche.html?id=ef1d6844-5b8e-4824-bbd7-9194a869104a.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 52 tot 57