Log in

Duurzaam leven

Themanummer: HET GROOT ONDERHOUD

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 29

Gelijke kansen

Aandacht voor natuurbehoud en een gezonde leefomgeving sluit onmiddellijk aan bij ons denken rond solidariteit, rechtvaardigheid en gelijkheid. Een goede leefomgeving mag geen privilege zijn van degenen die het zich kunnen permitteren om ver van een verbrandingsoven of verkeersknooppunt te wonen. Kwaliteitsvolle natuur is voor ons niet het recht van diegenen die over voldoende middelen beschikken om een huisje in de Provence te kopen, elk verlof een hotelvakantie in een Parc Naturel in Frankrijk door te brengen of op het platteland een oude hoeve aan te kopen om die in te richten als buitenverblijf. Net als ieder mens recht heeft op een rechtvaardig loon, onderwijs, gezondheidszorg en sociale bescherming, zo heeft ieder mens recht op een gezond leefmilieu, gezond voedsel en voldoende natuur. Een gezond leefmilieu moet een basisrecht zijn voor iedereen. Het klinkt zo logisch, het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu staat zelfs ingeschreven in onze grondwet. Maar ondanks deze grondwettelijke bescherming gaat het niet zo goed met ons milieu en met de natuur die ons nog rest.

In een internationale context is het probleem nog extremer. Momenteel moet twee derde van de wereldbevolking leven met minder dan 2 dollar per dag, een derde moet het zelfs stellen met minder dan 1 dollar per dag. Het neoliberaal beleid biedt geen oplossing voor het tweelingprobleem van globale armoede en globale ongelijkheid, het zal niet zorgen voor een stijging van de levensstandaard van de meerderheid van de wereldbevolking. De ecologische voetafdruk geeft aan welke oppervlakte men nodig heeft (voedselproductie, grondstofwinning,…) voor een bepaalde levensstandaard. De gemiddelde Vlaming en een gemiddelde Amerikaan hebben een ecologische voetafdruk van respectievelijk ongeveer 3,3 hectare en 5 hectare. Bij gelijke kansen voor iedereen op wereldschaal zou elke persoon recht hebben op (slechts) 1,5 hectare. Als we ervan uitgaan dat de wereldbevolking in 2040 aangegroeid zal zijn tot 10 miljard mensen, heeft iedereen bij een eerlijke verdeling slechts 0,9 hectaren. Als wereldwijd iedereen een Amerikaans consumptiepatroon zou hebben, dan hebben we ongeveer vier ‘aardes’ nodig. Gelijke kansen eisen een fundamenteel andere economie en een totaal andere manier van handel drijven, produceren en consumeren. Kortom een andere, duurzame manier van leven, waarbij er respect is voor de mens en het milieu. Want eigenlijk is werken aan gelijke kansen en aan duurzame ontwikkeling hetzelfde. Duurzame ontwikkeling heeft te maken met rechtvaardig, efficiënt en nuttig gebruik van schaarse middelen. Alle belanghebbenden worden gerespecteerd. Belanghebbenden in het Noorden en in het Zuiden, maar evenzeer de toekomstige generaties. In een duurzame economie krijgt men de aarde in leen van zijn kinderen en kleinkinderen! Duurzame ontwikkeling of duurzaam leven is gewoon de meest volledige vorm van gelijke kansen. Het gaat immers om gelijke kansen tussen mensen van hier en nu en gelijke kansen voor mensen van overal en alle tijden. Duurzaam leven betekent dat we de natuurlijke grondstoffen, de energie, de landbouwproducten, … eerlijk verdelen. We kunnen alleen iedereen gelijke kansen geven op een kwaliteitsvol leven, als de rijke Westerlingen zuinig omspringen met grondstoffen en milieu en als ze de natuur respecteren. Een duurzaam leven kan niet zonder een duurzame economie. We moeten af van de economische wetmatigheden die alleen geïnteresseerd zijn in hogere winsten, wat ook de kost is voor mens, milieu of natuur. Duurzame economie is sociaal en ecologisch rechtvaardig. Alleen een voldoende sterke overheid - op nationaal, maar vooral op internationaal niveau - kan daarvoor zorgen.

Een internationale opdracht

Veel sociale en ecologische problemen hebben hun oorsprong in de huidige internationale handelssystemen waarbij mens en milieu in armere landen schaamteloos worden geëxploiteerd. Dit moet stoppen. Internationale handelsafspraken hebben nu meestal tot doel om de handel wereldwijd vrij te maken van enige regelgeving. Dit kan niet. Internationale handelsafspraken mogen niet alleen dienen om de handel te beschermen, maar ook de mensen en het milieu in de breedste zin van het woord. Nu staan de handelsafspraken de Europese visie over voedselveiligheid in de weg. Europa kan geen garantie geven aan zijn inwoners dat het geïmporteerde vlees niet behandeld is met hormonen of gekweekt met genetisch gemanipuleerd voeder. Het is dus essentieel dat aspecten van voedselveiligheid en milieu het handelsbeleid mee bepalen en niet omgekeerd! Bij de internationale handel zijn voedselveiligheid, milieukwaliteit, sociale rechtvaardigheid en ethische correctheid belangrijke factoren. Uiteindelijk moet een eerlijke handel leiden tot een juistere prijs voor producten die nu eigenlijk te goedkoop zijn. De westerse wegwerpeconomie is gebaseerd op onrealistisch goedkope grondstoffen. Ze geeft bij ons veel afval en milieuschade, maar ook in derdewereldlanden waar op mens- en milieuonwaardige manier grondstoffen worden ontgonnen. Sociale en ecologische clausules zijn essentieel bij alle internationale handelscontracten. De uitwerking van een afdwingbare gedragscode is noodzakelijk. Initiatieven als de producten van Max Havelaar, de Schone-kleren-campagne en een ecolabel voor duurzaam hout moeten we volmondig promoten en uitbreiden tot andere producten en sectoren.
Het BNP, het bruto nationaal product, geeft weer hoeveel een land in een jaar heeft ‘geproduceerd’. Het BNP is nu een belangrijke parameter voor de evaluatie van het beleid van een land, ook internationaal. Hoe groter het BNP, hoe beter een land het economisch doet, zegt men. Maar eigenlijk zegt het BNP maar deels iets over een land. Neem het voorbeeld van de milieuvervuiling. Cynisch genoeg is vervuiling zeer gunstig voor het BNP, want vervuiling moet worden verwijderd en dat verhoogt natuurlijk het BNP. Het BNP is dus niet de juiste maat om de economische, sociale én ecologische toestand van een land te kennen. Daarom vervangen we het BNP beter door een index die ook de sociale en ecologische gezondheid mee in rekening neemt. Er zijn al betere indicatoren voor uitgewerkt. Zo is er bijvoorbeeld de Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW-index), of een groen en sociaal gecorrigeerd BNP. Deze index houdt ook rekening met milieuverloedering, het verbruik van grondstoffen, e.d. De nationale en internationale gezagsdragers moeten dan ook een dergelijke index als maat nemen. De productie en de uitvoer naar derdewereldlanden van chemische producten die bij ons verboden zijn om redenen van volksgezondheid of leefmilieu, moeten stoppen. We hebben de morele plicht om de negatieve gevolgen van het vroegere beleid in ontwikkelingslanden mee te herstellen. Dit naar analogie van hetgeen we in eigen land doen voor bodemverontreiniging. Bedrijven worden aangesproken om vervuilde gronden weer te zuiveren. Anderzijds moeten voedingsmiddelen voor mens en dier die de EU invoert, beantwoorden aan gezondheidseisen die ten minste even streng zijn als degene die ze voor haar eigen productie heeft vastgelegd.

Duurzame economie

Een andere beurs

Het is de taak van de overheid om de bedrijfsleiders en de werknemers te beschermen tegen de onmenselijk sterke druk van de beurs en de aandeelhouders. Bedrijven worden immers al te vaak door de winsthonger van de aandeelhouders vooruit gestuwd. De beurs reageert onmiddellijk op goede of slechte kwartaalberichten. Een verlies of zelfs een minder groot uitgevallen winst krijgt een onmiddellijke afstraffing, tenzij het bedrijf een geloofwaardig saneringsplan kan voorleggen, liefst met de nodige ontslagen, want dat duidt per definitie op een harde aanpak van de zaak. Jobs, en dus mensen, worden opgeofferd op het altaar van de winstmaximalisatie.
Er zijn regelingsmechanismen en een soort van afkoelingssysteem nodig waardoor de beurs niet bij het minste vuurtje oververhit raakt. Sociale en ecologische balansen kunnen daar al iets aan veranderen. De aandeelhouder kan dan zijn mening vormen aan de hand van de werkelijke toestand van een onderneming en niet enkel aan de hand van al dan niet gemanipuleerde ratio’s. Aandelen moeten in elk geval minder snel van de hand gedaan kunnen worden. We willen dat er tussen de aankoop en de verkoop een bepaalde periode verstrijkt, van bijvoorbeeld tenminste 10 werkdagen. Het zou nog beter zijn indien ze minstens een jaar bij dezelfde eigenaar blijven, waarbij de aandeelhouders niet alleen geldschieters en inners van winst zijn, maar ook verantwoordelijk worden voor de daden van het bedrijf. Zo zijn ze bijvoorbeeld mee verantwoordelijk als het bedrijf de beginselen van sociale bescherming schendt, ook in het buitenland. We stellen een belasting op meerwaarde voor, die verlaagt naarmate de tijd verstrijkt. Indien de aandelen op lange termijn worden bewaard, vervalt de belasting zelfs. De meerwaardebelasting mag op zeer korte termijn erg hoog zijn. Zo kunnen we de uiterst schadelijke speculatie ontmoedigen. Overigens, alle aandelen moeten op naam zijn. België is één van de laatste landen, met uitzondering van de traditionele belastingparadijzen, waar we nog aandelen aan toonder kunnen verhandelen. Erger nog: aandelen aan toonder worden fiscaal bevoordeeld omdat het voor de fiscus onmogelijk is om er successierechten op te heffen. De aandelen gaan immers van hand tot hand en staan nergens geregistreerd.

Overheidsopdrachten

De overheid heeft een belangrijke functie in maatschappelijk verantwoord ondernemen te stimuleren. Ze moet het concept bij zoveel mogelijk ondernemingen, klein en groot, ingang laten vinden. Dit kan onder andere door zelf het voortouw te nemen en sociale en ecologische criteria te hanteren bij aanbestedingen. De EU-ministers van economische zaken bereikten onlangs een akkoord over een nieuwe richtlijn voor overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten. De grootste vernieuwing is dat overheden voortaan ook sociale, ethische en milieuoverwegingen kunnen inroepen. Let wel: kunnen, niet moeten. De Europese Unie zet de deur op een kier voor sociale en ecologische criteria bij overheidsaanbestedingen. Wij willen die deur wagenwijd open! Overheden, van federaal tot gemeentelijk, moeten een uniform systeem ontwikkelen dat ervoor zorgt dat bij aanbestedingen rode en groene criteria altijd evenwaardig naast de financiële criteria staan. Ook bij financiële prestaties zijn veranderingen wenselijk. Zo worden nu jaarlijks tientallen miljoenen euro aan sectorale pensioenfondsen uit de tweede pijler naar believen door de private banken belegd. Dit kan niet langer. De federale overheid moet ethische criteria verbinden aan het soort beleggingen dat men hiermee aangaat. Dit geldt trouwens voor alle tegoeden dat de verschillende Belgische overheden hebben uitstaan.

Echte milieujobs

Bijna de helft van de milieujobs in Vlaanderen kunnen we onderbrengen bij het milieudomein afval. De productie, verspreiding, inzameling en verwerking van afval heeft uiteraard positieve gevolgen voor de totale tewerkstelling in Vlaanderen. Maar zijn dit wel échte duurzame jobs, in alle betekenissen van het woord? Bij een echte milieujob wordt milieuhinder, zoals afval, vermeden. Een retoursysteem van statiegeldflessen bijvoorbeeld is pas mogelijk als er iemand de lege bakken aanneemt en/of wegplaatst. Wij kiezen dus voor iemand die in een winkel werkt in plaats van deze persoon tewerk te stellen in een PMD-sorteercentrum. Of nog een voorbeeld : om vlees, kaas, groenten en fruit vers te kunnen verkopen in een minimale verpakking, is er een winkelbediende nodig. Wij verkiezen inderdaad zo een winkelbediende, die ondertussen, waarom niet, een praatje met de mensen maakt, boven iemand die een saaie inpakjob heeft, ver van de klanten die straks het door hem verpakte eten uit de rekken halen, om dan thuis de schaaltjes, folies e.d. in de vuilbak te werpen. Een ander voorstel dat sp.a al vroeger heeft gedaan is een herwaardering van de herstelarbeid. Elke herstelling voorkomt immers afval én nieuw grondstofgebruik!

Onthaasting

Onthaasting en/of arbeidstijdverkorting heeft op het eerste zicht weinig te maken met milieu. En toch, op de keper beschouwd werken we meer om meer te verdienen en zo meer te consumeren. Bijklussen, overuren presteren, …: allemaal om de huidige trend van meer-dan-meer vol te houden. Dit resulteert in een afname van de tijd die we kunnen besteden aan ‘leven’. We kopen voorbereide (en verpakte) maaltijden, we hebben een droogkas nodig (zo gaat het sneller), we moeten uiteraard een auto hebben (velen denken nog steeds dat dit altijd sneller gaat), een nieuwe broek i.p.v. het gat in de oude te herstellen, … Kortom, ons tekort aan tijd proberen we te compenseren door allerlei consumptiegoederen. Maar daarvoor hebben we meer geld nodig, en dus werken we meer,… De spiraal draait verder. Sommige mensen gaan tegen de stroom in en maken de individuele keuze om minder te werken en te verdienen. Deze trend toont aan dat er wellicht ook bij een ruimer publiek belangstelling is voor onthaasting. Arbeidsafspraken moeten meer bevatten dan loonafspraken. Het leven in en buiten het werk moet aan bod komen, zodat zowel het bedrijf zelf als de individuele werknemer een meer duurzame koers kan varen. De overheid heeft ook hier een voorbeeldrol. Een duurzame economie houdt ook in dat er aandacht is voor de kwaliteit van de werksfeer. Op dit gebied hebben we nog een hele weg af te leggen. Sommige bedrijven zijn al heel creatief op weg. Zo is het communicatiebureau CB-Medium in Hilversum niet bereikbaar op woensdag. Ze ontvangen niemand, doen geen verplaatsingen en nemen geen telefoons op. Gewoon om de medewerkers één dag per week in alle rust en concentratie te laten werken.

Duurzaam gebruik van grondstoffen en productbeleid

Van individuele producenten-verantwoordelijkheid tot integraal productbeleid

Van veel producten hebben enkel de producent en de verbruiker voordeel en krijgt de maatschappij achteraf de rekening gepresenteerd. Dit willen we vermijden door een individuele producentenverantwoordelijkheid, waarbij de producent verantwoordelijk is voor de volledige levenscyclus van zijn producten die hij de consument aanbiedt. Individuele producentenverantwoordelijkheid is het meest efficiënte middel om te komen tot de beste ecodesign. Het is ook het meest effectieve middel om te stoppen met de milieukost op de samenleving af te wentelen. Dit systeem staat in tegenstelling met een collectieve financiële verantwoordelijkheid, zoals bij Recupel het geval is, of bij het verpakkingsafval (FOST Plus). Bij een collectief systeem is er geen enkele stimulans naar de producent om een product te ontwerpen dat langer meegaat, of makkelijker demonteerbaar en recycleerbaar is. Het uiteindelijke doel is een integraal productbeleid waarbij producten, hun toepassing, wenselijkheid, schadelijkheid, enz. op een continue manier worden geëvalueerd, om zo tot een meer duurzame productie en consumptie te komen.

Normering en toelatingsbeleid

De mens heeft al meer dan 100.000 verschillende chemicaliën geproduceerd waaronder pesticiden, reinigingsproducten, voedingsadditieven en weekmakers van plastiek. Hiervan zijn er weinig ten gronde onderzocht op mogelijke effecten op onze gezondheid of het milieu. Ook onbekende nieuwe technologieën, zoals bewaring door ionisatie of genetische modificatie, roepen vragen op. De huidige milieunormen bieden onvoldoende bescherming aan bepaalde risicogroepen. De normen zijn namelijk gebaseerd op de gemiddelde mens van 30 tot 40 jaar. Talrijke groepen zoals kinderen, bejaarden en zwangere vrouwen wijken van dit gemiddelde af en lopen meer risico bij blootstelling aan een toxische stof. Het kind moet de graadmeter worden voor onze milieunormen. De precieze levensloop van een stof in het milieu en de effecten op gevoelige groepen zoals kinderen, moeten we volledig kennen vóór een stof wordt verspreid. Milieunormen moeten bescherming bieden aan het totale milieu: aan mensen, dieren, planten en ecosystemen. Als wetenschappelijk onderzoek niet onomstotelijk de onschadelijkheid van een bepaald product aantoont, moet het voorzorgsprincipe spelen. Het hele toelatingsbeleid is trouwens aan herziening toe. Nu wordt een product zonder tijdsbeperking toegelaten. Het verleden leert ons nochtans dat we pas de schadelijkheid van een product vaststellen nadat het al tientallen jaren in gebruik is, denk maar aan asbest of CFK’s. De beste optie is waarschijnlijk dat stoffen slechts toegelaten zijn zolang er geen ernstig vermoeden is van schadelijkheid. Dus ook producten die al lang in gebruik zijn, zullen gecontroleerd blijven. Recyclage van afvalstoffen in de voedselproductie kan alleen op basis van een positieve lijst opgesteld door de Europese Unie en een sluitende monitoringtechniek. Een positieve lijst van voor dierenvoer toegelaten grondstoffen, zoals die vroeger bestond, zouden we opnieuw moeten invoeren. Dit lijkt een beter instrument dan de nu geldende negatieve lijst om misbruiken aan banden te leggen.

Van ecologische reconversie naar innovatie

Verantwoord produceren en consumeren vergt soms harde beslissingen. Bepaalde producten moeten verboden worden. Dit komt hard aan voor de mensen die door de productie van deze goederen hun brood verdienen. Het zou echter jammer zijn dat we daarom geen stappen zouden zetten in de richting van een meer gezond milieu. Anderzijds is het niet logisch dat individuele werknemers het gelag betalen. Daarom moet de overheid schokeffecten op het micro-sociaaleconomisch vlak mee helpen vermijden. Tijdige besluitvorming, gefaseerde en overwogen uitdoving van producten en overlegde regulering zijn hierbij nodig. Dan is er nood aan een uitgekiende, planmatig onderbouwde sociaaleconomische reconversie van de sector. Zo’n phase-out kan niet op een korte termijn gebeuren. De reconversie is geen verantwoordelijkheid van de overheid alleen, maar ook van de sectoren zelf. Zij moeten mee begeleiden en ook op financieel vlak hun verantwoordelijkheid nemen. We denken aan een systeem met fondsen die de ecologische reconversie helpen begeleiden en waarbij de inspanningen gedeeld worden tussen de bedrijven en de gemeenschap. Als voorbeeld kunnen we hier het grinddecreet (van toenmalig minister De Batselier) nemen. Dit is trouwens nog steeds het enige goede voorbeeld van een overheidsgestuurde ecologische reconversie in Vlaanderen. We verwachten van bedrijven dat zij al veel vroeger verder kijken dan de muren van hun eigen bedrijf. En dat ze vooruitkijken in de tijd. Ze moeten een proactief beleid voeren en investeren in duurzame producten. In veel sectoren kunnen we een drastische reconversie vermijden. Innovatie is en blijft de beste vorm van ecologische reconversie! Daar kan de overheid dan weer ondersteuning bij bieden door haar innovatie- en expansiesteunbeleid daarvoor maximaal in te zetten, en ook door de economische omgevingsfactoren optimaal te maken voor de markt van substitutieproducten.

Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Tendensen als globalisering en de opkomst van ICT’s (Informatie- en Communicatietechnologie zoals het internet) hebben het concept maatschappelijk verantwoord ondernemen een flinke duw in de rug gegeven. Ondernemingen en hun activiteiten zijn immers veel transparanter geworden. Malafide praktijken worden, met de hulp van vele ngo’s, breed uitgesmeerd in de pers. Ondernemers begrijpen dat ze hierop worden afgerekend in hun zakencijfer. De consumenten zijn immers niet zo tuk op kinderarbeid of oceaanvervuiling en vertalen dit ook naar hun aankoopgedrag. Vele ondernemingen kiezen dus voor maatschappelijk verantwoord ondernemen uit puur economisch eigenbelang. Deze positieve dynamiek moet onverwijld verder kunnen gaan.
Er zijn echter grenzen aan de transparantie van ondernemingen en hun productieketens. Velen hebben de indruk nog maar het topje van de ijsberg te zien van de ongewenste praktijken van het bedrijfsleven. Ngo’s en consumentenorganisaties hebben dan ook niet de middelen om op wereldvlak zeer intensief onderzoek te doen. Dit is trouwens ook de reden waarom de grote consumentenorganisaties van ons land weinig rekening houden met sociale en ecologische criteria bij de evaluatie van producten. Hier kan de overheid haar steentje bijdragen. sp.a wil dat de overheid een nationaal Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen opricht. Hier kan in de eerste plaats al bestaande informatie (van bijvoorbeeld ngo’s) worden samengebracht. In de tweede plaats moet het centrum een eigen studiedienst krijgen die onderzoek verricht naar de activiteiten van Belgische ondernemingen en multinationals die op ons grondgebied zijn gevestigd. De verzamelde informatie moet gratis beschikbaar zijn voor iedereen. Particuliere consumenten kunnen zo hun aankoopgedrag beter afstellen aan de duurzame producent. Consumentenorganisaties kunnen rode en groene criteria beter integreren in hun productevaluaties. Bedrijven zelf kunnen er zich van verzekeren dat ze geen zaken doen met malafide partners. En de overheid kan in opspraak gekomen bedrijven uitsluiten van haar aanbestedingen.

Duurzaam energiegebruik

We hebben meer dan ooit de zekerheid dat ons klimaat wijzigt. Het staat nu ook vast dat het sneller zal gaan dan oorspronkelijk verwacht en dat het zeer waarschijnlijk niet gradueel maar met sprongen zal gebeuren. Nefaste verrassingen voor mens en milieu zouden wel eens veel dramatischer kunnen zijn dan een geleidelijke temperatuurstijging. Sommigen ‘banaliseren’ de effecten nog tot lekker warmere zomers en minder strenge winters. De realiteit zal anders zijn en zelfs niet beperkt blijven tot een stijging van de zeespiegel en overstromingen van eilanden, rivierdelta’s, havens, toeristische stranden en laaggelegen gebieden. Het klimaat zal veelal extremer worden met meer verwoestijning, bosbranden, watertekorten in Zuid-Europa, zware regenval en overstromingen in het Noorden en de Alpen, een toename van orkanen,… Een klimaatswijziging zal ook ingrijpende gevolgen hebben voor de landbouw (vermindering voedselreserves), natuur (verlaging biodiversiteit) en volksgezondheid (toename van zeldzame ziekten, allergieën,…). Bovendien zou de drinkwaterproblematiek aangescherpt worden en zou de armoede en honger in de wereld toenemen en bijgevolg ook de migratie van volkeren (150 miljoen ontheemden). Met de kosten van de gevolgen van de opwarming zullen we ook in onze economieën rekening moeten houden. Er zullen, of we dat nu leuk vinden of niet, drastische maatregelen moeten komen. Maar België heeft het blijkbaar nog niet goed begrepen. Wij schijnen nog steeds te denken dat Kyoto een wedstrijd is om de hoogst mogelijke CO2-uitstoot. Ons land moet tegen 2010 7,5% minder CO2 uitstoten dan in 1990. Intussen is onze uitstoot sinds 1990 echter nog gestégen met meer dan 15%! En de daling van de broeikasgassen zoals afgesproken in de Kyoto-overeenkomst is daarbij dan nog slechts de eerste stap om de klimaatswijziging te stoppen! De klimaatsontsporing vergt een radicale aanpak. De discussie mag niet meer exclusief gaan over de verdeling van de inspanningen tussen de gewesten, de sectoren, de bedrijven. Hieronder geven we een aantal voorbeelden die buiten het klassieke discours van windenergie en spaarlampen vallen.
Duurdere energieprijzen geven een werkelijke stimulans voor rationeel energiegebruik. De extra inkomsten uit de energieheffingen kunnen we voor allerlei doelen gebruiken. Er is bijvoorbeeld terugkoppeling mogelijk naar dezelfde sector; er is een vermindering van de lasten op arbeid mogelijk; we kunnen nieuwe milieumaatregelen nemen, … De mogelijkheden van de inzet van flexibele mechanismen moeten we realistisch beschouwen. Emissiehandel moet goed voorbereid en gestructureerd worden. We moeten absoluut komen tot een meer duurzame bouwstijl met een laag energiegebruik en, waar mogelijk, zelfvoorziend van elektriciteit. Ten minste moeten we de bescheiden isolatienorm die nu geldt verder aanscherpen. Maar het begint zelfs vroeger, van bij de uittekening van verkavelingen en de bouwvoorschriften. Zo kunnen we zonneboilers en andere zonnecaptatiesystemen optimaal benutten door een goede oriëntatie van het dak. Verder stellen we ook voor om energielabels, zoals die nu voor elektrische apparaten bestaan, in te voeren voor allerlei goederen. Dit is een eenvoudig systeem dat goed werkt. We willen het ook bijvoorbeeld voor huurwoningen. Zo kan een huurder op voorhand weten hoe hoog zijn gas- en elektriciteitsfactuur zal zijn. Dag- en nachttarief moet voor iedereen mogelijk worden. Omdat elektriciteit een basisbehoefte is, moet ieder Vlaams gezin ook in een vrijgemaakte energiemarkt recht hebben op gratis 100 kWh elektriciteit, vermeerderd met 100 kWh per gezinslid. Dit is trouwens een ecologische maatregel want de grootverbruikers zullen uiteindelijk meer meebetalen voor de gratis geleverde elektriciteit.

Een voorbeeld van reconversie en duurzaam productgebruik

Hennep is een plant met veel duurzame eigenschappen: teelt is mogelijk op een quasi biologische wijze (geen bestrijdingsmiddelen of kunstmest nodig) en ze kan heel veel andere (vaak synthetische) producten vervangen. We kunnen er kledij van maken, maar ook touwen, papier, auto-onderdelen ter vervanging van kunststof, zeep, wasmiddelen, enz… Hennep is echter in de vorige eeuw in de vergetelheid geraakt door de jacht op de verwante ‘hennepplanten met bijwerkingen’ en de ontwikkeling van de kunststofindustrie. Hennep is een zeer hernieuwbare, en dus onuitputtelijke bron van basismateriaal voor diverse industrieën: een duurzaam product dat we op een duurzame wijze kunnen telen. De teelt en verwerking kunnen we op veel grotere schaal promoten en subsidiëren. Er bestaan al subsidies voor hennepteelt en de markt groeit. De afschaffing van de subsidies voor tabaksteelt op Europees niveau (wat politiek nogal moeilijk ligt, o.a. omwille van de tewerkstelling), gekoppeld aan de omschakeling naar hennep, kan tot de mogelijkheden behoren.

Duurzame consumptie

Bewuste consumenten

We moeten de wildgroei aan labels stoppen. Deze zorgt enkel voor verwarring, omdat informatie en reclame ondoorzichtig door elkaar lopen. Milieu-informatie mag niet misleidend zijn of voor de consument nutteloze informatie bevatten, zoals dat nu bijvoorbeeld het geval is met het groene punt van Fost Plus. Dat wil niet zeggen dat het product recycleerbaar is, het zegt ook niet dat de verpakking in de blauwe zak mag. Het is enkel een symbool dat aanduidt dat de producent zijn bijdrage heeft betaald aan Fost Plus, maar dat is voor de consument geen nuttige informatie. Streefdoel is een internationaal eco-sociaal label. Dan weet de consument in één oogopslag dat het product is vervaardigd met respect voor mens én milieu. Dit is nog toekomstmuziek. Maar ook op korte termijn moet de etikettering begrijpelijk en correct zijn. Zo willen we een indicatie voor de globale impact van een product op milieu en gezondheid. Een goed etiket vermeldt ook wat de herkomst en samenstelling van een product is. De concrete uitwerking hiervan gebeurt op EU-niveau.

Ketenverkorting

Op lokaal vlak moet de rechtstreekse link tussen voedselproducent en consument bevorderd worden (voedselmarkten, voedselteams, voedselkorven, bulkverkoop,. ..). Zo krijgt de boer een hoger inkomen, zijn er minder verpakkingen in omloop en zijn er minder bewaarstoffen nodig in de voeding.

Vegetarische voeding

Mensen hebben het recht te kiezen voor vegetarische voeding en de overheid heeft de plicht om het vegetarisch voedingsaanbod te garanderen en te stimuleren. In eigen en gesubsidieerde instellingen kan de overheid daar zelf voor zorgen. Eigen restaurants moeten daar een volwaardige vegetarische maaltijd aanbieden. Wat een volwaardige vegetarische maaltijd is, bepaalt de Vlaamse Gezondheidsraad. Minstens een derde van de hoofdingrediënten van een vegetarische maaltijd moet bestaan uit biologische producten. De overheid kan gewone restaurants ook aanmoedigen om het vegetarische aanbod te verhogen. Privé-restaurants die op vrijwillige basis aan de normen van de overheidsrestaurants voldoen, krijgen een door de Vlaamse overheid gegarandeerd label.

Duurzame landbouw

Geen tweesporenbeleid

Wij aanvaarden niet dat er risico’s verbonden zijn aan ons voedsel. Mensen met een hoger inkomen kunnen wat meer betalen voor onbespoten biovoeding. Maar voor veel mensen zijn de biologische producten duur. Zo kost vlees mèt een biogarantielabel 50 tot 200% meer. Het gevaar is dat men snel belandt in een tweesporenbeleid: duurdere producten, met labels, die gezonder en veiliger zouden zijn en goedkope producten, zonder labels, die minder veilig en minder gezond zouden zijn. Het consumentenvertrouwen in voeding is sterk gedaald. Veel mensen maken zich (terecht) zorgen over de voedselveiligheid en eisen duidelijke en correcte informatie. Open en toegankelijke communicatie is dan ook zeer belangrijk. Het volledige voedingsaanbod in de winkels, met of zonder label, moet correct en gezond zijn en tegen een democratische prijs verkocht worden! Het prijsverschil tussen gewone en biologische producten is te groot. Dit komt vooral doordat de milieukost van de niet-biologische landbouw niet wordt meegerekend in de prijs van het product. Zo betalen we in de winkel niet de kost voor de zuivering van pesticiden uit het water om het drinkbaar te maken. Anderzijds wordt de biolandbouw niet vergoed voor de meerwaarde die ze geeft. We willen deze scheve verhouding rechttrekken, zodat het prijsverschil tussen bio en niet-bio vermindert. Het volstaat aan voedingsproducenten van de niet-biologische landbouw de milieukosten van hun productie door te rekenen en de extra-diensten die ecologische landbouw aan de samenleving levert financieel te ondersteunen. Enkel een degelijke stimulering van de ecologische landbouw kan ervoor zorgen dat over tien jaar ook in Vlaanderen 20 % van het landbouwareaal ecologisch wordt bewerkt.

Hervorming landbouw

Daarnaast moet ook de klassieke of niet-biologische landbouw veel milieu- mens- en diervriendelijker. De hedendaagse productie van het voedsel gaat gepaard met vermesting, verzuring en verspreiding van gevaarlijke stoffen, verdroging, aantasting van het landschap,… De landbouwsector heeft zich omgetoverd tot een industriële sector, zij het met de natuur als voornaamste productiefactor. De kosten voor de gemeenschap en het milieu lopen echter zó hoog op dat een grondige herziening van het landbouwbeleid noodzakelijk is, niet alleen om meer gezond voedsel op een milieuvriendelijke manier te verbouwen en om de natuur in landelijke gebieden een kans te geven, maar ook om de werkgelegenheid in de landbouwsector te behouden, om de Noord-Zuidrelatie te verbeteren en om de voedselveiligheid op lange termijn te kunnen garanderen. Alle Europese, federale en gewestelijke landbouwfondsen moeten we heroriënteren naar een milieuvriendelijke geïntegreerde landbouw. Het nieuwe Europees landbouwbeleid wil terecht de productiegebonden subsidies verminderen ten voordele van een productieonafhankelijke inkomenssteun waarvoor ecologische of sociale tegenprestaties vereist zijn. Een belangrijke flankerende maatregel is ‘biologische landbouw’ als verplicht pakket in elke landbouwonderwijsvorm, en ‘duurzame landbouw’ als verplicht pakket in bepaalde andere opleidingen.
In groenten en fruit zitten te veel pesticiden. Het gebruik moet verminderen. Hiervoor stellen we een reeks maatregelen voor. De Belgische producenten en invoerders van buitenlandse producten worden verantwoordelijk voor de producten die ze op de markt brengen. Een hogere BTW op pesticiden zal het gebruik verminderen. Het is de hoogste tijd dat we gebruik maken van het systeem waarbij de EU nu al toelaat om de landbouwsubsidies afhankelijk te maken van de reductie van pesticiden. Enkel een halvering van de veestapel kan mee ons nitraatprobleem oplossen. We pleiten voor een totaalverbod op het gebruik van antibiotica in veevoer, preventief of als groeistimulator, en voor een meldplicht van de grondstoffen die erin worden verwerkt. Antibiotica in de vee- en pluimveesector zijn niet aanvaardbaar.

Genetisch gemanipuleerde voeding?

Wetenschappers kunnen het erfelijk materiaal van dieren en planten veranderen om ze nieuwe eigenschappen te geven. Deze genetisch gewijzigde organismen, ggo’s, komen ook in onze voeding terecht. Misschien is het wel daarom dat ze zoveel discussies doen ontstaan. Ggo’s roepen vragen op over de veiligheid van de voeding en de omgeving. Eén van de problemen is het stuifmeel (de pollen) van ggo-planten. De wind brengt het genetisch gewijzigde stuifmeel namelijk kilometers verder. De gewijzigde stuifmeelkorrels komen op gewone planten terecht en kunnen ze bevruchten. Daardoor kunnen gewone planten toch genetisch gewijzigde granen en vruchten geven. Landbouwers én consumenten die geen genetisch gewijzigde planten willen, krijgen het dus heel moeilijk. Zij moeten met dure testen controleren of hun gewassen niet zijn ‘vervuild’ door gewijzigd stuifmeel en zo genetisch gewijzigde granen bevatten. Sommige teelten worden resistent gemaakt tegen onkruidbestrijdingsmiddelen. Als het stuifmeel van die planten een wilde plant bevrucht, kunnen ook de onkruiden ongevoelig worden voor de onkruidbestrijdingsmiddelen. Het gevaar is dat we zo steeds giftigere bestrijdingsmiddelen moeten gebruiken. Vergelijk het met het resistent worden van bacteriën voor antibiotica… De genetisch gewijzigde planten zijn meestal gepatenteerd. Boeren kunnen deze planten dus alleen maar kopen bij de firma die ze heeft gemaakt. Hierdoor zijn de boeren, ook in het Zuiden, afhankelijk van een paar grote multinationals. De Amerikanen kweken nu al veel genetisch gewijzigde planten, zoals soja en maïs. En die gewijzigde gewassen worden ook bij ons geïmporteerd. Ze worden gebruikt als dierenvoer en ze worden verwerkt tot voedingsstoffen zoals soja-olie. Zo komen ze onrechtstreeks dus ook in onze voeding terecht. Veel mensen willen geen genetisch gewijzigde voeding. En dat is hun goed recht, maar momenteel hebben ze geen aanduiding dat hun eten 100 % vrij is van ggo’s of ervan afgeleide producten (zoals olie). Ook dieren worden genetisch gewijzigd. Zo kunnen nu ook kippen zonder pluimen worden gekweekt. Dat is handig bij het slachten. Maar is zo’n kale kip niet te gevoelig voor ziektes waardoor ze meer antibiotica moet krijgen? Er zijn ook goede voorbeelden, zoals de ‘gouden rijst’. Dat is gele rijst die carotenen bevat. Carotenen zijn heel gezonde stoffen (zoals vitaminen) en ze komen vooral voor in oranje-rode groenten en fruit zoals wortels, tomaten en sinaasappelen. Deze stoffen helpen tegen blindheid door ondervoeding, die in veel Aziatische landen voorkomt. In verschillende Aziatische landen zijn tientallen streekgebonden rijstsoorten zo veranderd dat ze deze carotenen bevatten. De boeren kunnen dus hun eigen soort rijst blijven telen, maar die is nu geel en veel gezonder voor de mens. De rijst is daarenboven niet gepatenteerd en de boeren kunnen hem dus vrij kopen en verkopen. Met welk argument zouden wij, goed doorvoede Westerlingen, een dergelijke toepassing willen verhinderen?
Ggo’s zijn geen toekomstbeeld meer, we worden er nu al mee geconfronteerd. Een goede regelgeving is dus onmisbaar. De bescherming van het milieu en de veiligheid van ons dagelijks voedsel staan voorop en zijn van het grootste belang! Daarom moet de overheid streng toekijken op proefvelden. Omdat we willen weten wat we eten, moet het etiket vermelden of voedsel ggo’s of ervan afgeleide producten bevat. De landbouwers die geen ggo’s willen, moeten hun gewassen testen om zeker te zijn dat ze niet bestoven zijn door ggo-stuifmeel. Wij vinden dat de ggo-producenten deze dure tests moeten betalen. Zij zijn ook verantwoordelijk voor eventuele schade. De vervuiler (verstuiver) betaalt!

Respect voor de natuur

De natuur als buur

Overal in Vlaanderen willen we minstens tijdelijk en/of gedeeltelijk toegankelijke natuur van een voldoende oppervlakte. Elke Vlaming moet in zijn omgeving de broodnodige rust en ontspanning kunnen vinden in een gebied met echte natuur. Wie zelf direct kennis kan maken met de natuur begrijpt beter dat de zorg om het milieu en de natuur noodzakelijk is. Dit houdt ook in dat er veel meer ruimte voor de natuur moet komen, in combinatie met de bescherming van alle ecosystemen. De oppervlakte natuur en de oppervlakte natuurreservaten (tegen 2007 minstens 50.000 ha) in Vlaanderen moeten dus sterk toenemen. De aankoop van 15.000 ha natuur- en bosgebied tijdens deze legislatuur is een minimum. Er moet tevens aandacht zijn voor groen in de stad en vooral voor de ontwikkeling van grote eenheden natuur, waartussen onderling steeds ‘natuurverbindingsgebieden’ bestaan, als vertaling van ‘Vlaamse natuur met kloppende slagaders’. Het groen en blauw verwijst hier enerzijds naar verbindingen via land (‘groen’) en anderzijds via water (‘blauw’).
Nu komen de grotere en belangrijke natuurgebieden vooral voor in het oosten van Vlaanderen. In stedelijke omgevingen komen relatief gezien (op enkele uitzonderingen na) weinig grote natuurgebieden voor. De koppeling met basismobiliteit ligt voor de hand, zeker nu studies aantonen dat de grootste groei in het autogebruik zich voordoet tijdens onze vrijetijdsbeleving. We trekken op zondag allemaal naar het bos, maar door de slechte ontsluiting van deze populaire groenbestemmingen door openbaar vervoer, doen we dit allemaal met de auto. Er moet gewoon meer groen komen op de plaatsen waar het gebrek eraan het grootst is: in stadscentra en intensieve landbouwgebieden. Er zullen dan wel ondersteunende maatregelen nodig zijn, zoals gericht of extra openbaar vervoer naar natuurgebieden (belbus, …). We denken ook aan een systeem van cheques (per gezin), waarmee je via het openbaar vervoer natuurgebieden in Vlaanderen kan gaan bezoeken. Elke stad of gemeente kan terreinen aanbieden voor de aanleg van volkstuintjes op niet vervuilde bodems en onder een aantal randvoorwaarden, zoals enkel biologische landbouw of een beperking op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Planning, globale indeling en inrichting van groepen van tuintjes kan vanop gemeentelijk niveau. Zo kan ook de ecologische inrichting van tuintjes (o.a. plantkeuze, onderhoudstechnieken) gepromoot worden.

Natuur voor iedereen

We willen dat zoveel mogelijk mensen op een of andere manier meer kunnen genieten van de natuur en er op die manier meer respect voor krijgen. Hiervoor hebben we een aantal voorstellen. Elke school adopteert een natuurterrein (of park) in de omgeving en voert een aantal beheerstaken uit. Subsidies van het Vlaams gewest en provincie zijn mogelijk. Natuurterreinen moeten voor gehandicapten, kleine kinderen en ouderen toegankelijker worden. In stedelijk gebied moeten er binnen een straal van 500 meter voor iedereen parken of parkjes zijn. Vandaag zijn er nog steeds bossen grotendeels voor het publiek ontoegankelijk door de verpachting van de jacht aan een lokale groep notabelen (bv. bijna 800 ha naaldbos en heide in Pijnven in Hechtel-Eksel). Het mag in de toekomst niet kunnen dat kandidaat-bezoekers van openbaar groen toestemming moeten vragen aan privépersonen. sp.a staat voor het socialiseren van natuur in overheidshanden, niet voor het privatiseren ervan. Grote natuurgebieden betekenen uiteraard veel beheerswerk. Daarom stellen we een gewestelijk natuurconvenant voor om de natuur voor iedereen toegankelijk te maken: een convenant tussen het Vlaamse gewest, de provincies, de gemeenten en de erkende terreinbeherende verenigingen om hun terreinen op de een of andere manier (al dan niet tijdelijk of gedeeltelijk) toegankelijk of op zijn minst ‘beleefbaar’ te maken. Als de natuur te kwetsbaar is kan ze toch ‘beleefbaar’ worden door middel van uitkijktorens, kijkhutten, kijkwanden of plankenpaden.

Behoud van open ruimte

Gemeenten die zuinig omgaan met de open ruimte moeten daar financieel voor beloond worden. Om echte stilte te behouden kunnen we niet anders dan stiltegebieden af te bakenen. Over de ruimtelijke relatie tussen landbouw en natuur is sp.a van mening ‘scheiden waar nodig, verweven waar moet’. Er moeten drie types van gebieden komen, elk in een verschillende gradatie inzake de relatie tussen de functies landbouw en natuur: gebieden met de hoofdfunctie natuur, waar landbouw enkel ingeschakeld kan worden in natuurbeheer; gebieden waar natuur en landbouw permanent zowel ruimtelijk als op perceelsniveau verweven zijn en gebieden met de hoofdfunctie landbouw, waar landbouw (gratis) een goede basismilieu- en natuurkwaliteit realiseert.
In het kader van de herwaardering van de schaarse open ruimte, kunnen we eraan denken om een bebouwingsretributie voor bestaande en nieuwe gebouwen in de open ruimte in te stellen. Deze retributie kan gestort worden in enerzijds het fonds voor planschade of anderzijds in een regionaal fonds. Gemeenten die zuinig omgaan met open ruimten en de versterking van de natuur realiseren moeten in hoofdzaak gebruik kunnen maken van deze fondsen.

Natuurlijk water

Je hoort vaak de slogan ‘meer ruimte voor natuur’ en ‘meer ruimte voor water’. Wij willen deze doelstellingen combineren. De ruimte die voorzien is voor het water kan gecombineerd worden met natuurontwikkeling, maar dan natuur die tegen een stootje kan en waar ook bepaalde vormen van recreatie mogelijk zijn. Het moet goed zijn voor de natuur, het watersysteem, de recreatie en de droge voeten. Elk jaar wordt de wateroverlast groter. Dat heeft te maken met een slechte ruimtelijke ordening, waardoor te veel huizen op risicoplaatsen gebouwd worden. Het heeft ook te maken met een toenemende verharding van de oppervlakte. Precies die verharding moeten we een halt toeroepen: voor elke nieuwe vierkante meter verhard oppervlak moeten we een bestaande vierkante meter openbreken of doordringbaar maken. Elke druppel afgevoerd water telt. Daarom willen we onder andere daken loskoppelen van de riolering, groendaken en daktuinen verplichten voor grote projecten in steden en de huidige premies meer bekendheid geven.

werkgroep duurzaam leven
voorzitters: Magda De Meyer (parlementslid), Kathleen Van Brempt (Europees parlementslid), Robert Voorhamme (Vlaams parlementslid).
secretarissen: Lynn Massant (Verbruikersateljee), Steven Pattyn (stafmedewerker studiedienst sp.a), Christa Schaut (stafmedewerker studiedient sp.a), Toon Wassenberg (parlementair medewerker).

sp.a - ideologie - ideologisch congres sp.a - sociaaldemocratie - gelijke kansen - duurzame economie

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 29