Log in

Recht op beter werk voor iedereen

Themanummer: HET GROOT ONDERHOUD

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 50 tot 57

Werk geeft recht op een inkomen. Maar werk is veel meer dan dat: het is ook een noodzakelijk middel om zich in een maatschappij te ontplooien en om in die maatschappij aanvaard te worden. Werk is bovendien een belangrijke, zo niet essentiële factor om maatschappelijk isolement te vermijden. Het arbeidsmilieu is een venster op de maatschappij, een brug naar collega’s, vrienden, ... Kortom: het recht op arbeid is en blijft een essentieel uitgangspunt van sp.a. Om het recht op arbeid voor iedereen te garanderen is er een actief overheidsoptreden op diverse bestuursniveaus nodig. Dit veronderstelt een efficiënte en universele basisdienstverlening aan alle burgers. En een actief overheidsapparaat dat ten dienste van iedereen staat. Door een aantal structurele barrières weg te nemen die de toegang tot de arbeidsmarkt voor bepaalde categorieën bemoeilijken, willen we komen tot gelijke kansen op werk. Maar sp.a wenst meer. Ook werknemers die effectief aan de slag zijn, moeten voortdurend kansen krijgen op kwaliteitsvol en beter werk. Terzelfder tijd wil sp.a een aantal hardnekkige discriminaties op de arbeidsmarkt wegwerken.

Gelijke kansen op werk creëren

Op de arbeidsmarkt merken we een tegenstrijdigheid: 400.000 mensen zoeken een baan, maar enkele duizenden vacatures raken niet ingevuld. Dit komt gedeeltelijk omdat vraag en aanbod niet op elkaar afgestemd zijn. Opleidingen die vroeger populair waren, liggen nu minder goed in de markt, met alle gevolgen van dien voor de werkzoekenden. Daarenboven blijkt het met de vacatures zelf ook niet al te snor te zitten: lonen zijn vaak laag, werkomstandigheden zijn dikwijls ongunstig. Een groep - alleenstaande werkloze moeders bijvoorbeeld - komt dikwijls niet aan bod wegens een tekort aan (betaalbare) kinderopvang. Voor een andere categorie vormen mobiliteitsproblemen (en de bijhorende kosten) een fundamentele barrière bij de zoektocht naar werk. Een maatschappij die absolute prioriteit geeft aan het recht op kwaliteitsvol werk moet volop investeren in voorzieningen zodat er voor iedereen gelijke kansen ontstaan om effectief aan de slag te gaan.

Recht op kinderopvang voor iedereen

Het aanbod van kinderopvang en buitenschoolse opvang voor leerlingen jonger dan 12 jaar moet drastisch de hoogte in. Flexibiliteit, kwaliteit, creativiteit en toegankelijkheid zijn maar enkele van de voorwaarden waaraan die kinderopvang moet voldoen. Al dient er uiteraard wel een zekere grens aan die flexibiliteit te zijn. Ook kinderen hebben rechten. Natuurlijk moet de kinderopvang ook financieel haalbaar zijn en bij voorkeur in de eigen buurt georganiseerd worden. Elk kind heeft recht op kinderopvang. Als we stellen dat er een ‘kindplaats’ nodig is per kind van wie de moeder werkt, dan zijn er op dit moment ongeveer 39.000 kindplaatsen tekort in Vlaanderen! Er is hier dus nog een enorme inspanning nodig. Voor pubers tussen de 12 en 16 jaar is er helemaal geen opvang voorzien. Zij worden door het beleid schromelijk over het hoofd gezien. Speciaal voor hen moeten we aantrekkelijke ‘opvangprojecten’ ontwikkelen. Samen met de gemeenten moeten we op zoek gaan naar een geschikt aanbod voor deze jongeren. Concreet willen we daartoe lokaal overleg opstarten tussen culturele centra, bibliotheken, sportverenigingen, hobbyclubs, muziekscholen, e.d.

Gelijk vertrekken? Gelijk oversteken!

Mobiliteit bepaalt mee de kansen en keuzes op onze arbeidsmarkt. Voor sommige werkzoekenden zijn investeringen in mobiliteit niet of nauwelijks haalbaar. Hierdoor hebben ze nog een extra achterstand op de arbeidsmarkt. Vlamingen behoren wereldwijd tot de meest flexibele werknemers: we kennen ploegenwerk, glijdende werkuren, zondagdienst, weekendshifts, splitted shifts, deeltijds werk, overuren, ... De Vlaming draait er zijn hand niet voor om. De hele dag door verplaatsen mensen zich van en naar het werk. Wij willen hierop een duidelijk zicht krijgen om al die verschillende verplaatsingen zoveel mogelijk te bundelen. We doen dit om het collectief vervoer te stimuleren. Samen rijden, is samen filetijd besparen. We hopen dan ook dat onze werkgevers massaal inschrijven in het systeem van de ‘Omni-pas’ van minister Stevaert. In dit systeem krijgt elke partner een individueel netabonnement voor het openbaar vervoer. Die pas kunnen ze gebruiken om naar het werk te gaan, maar ook voor gewone uitstapjes naar de stad. We willen dat vroeg of laat iedereen zo’n pas kan gebruiken.
Tijdens het sociaal overleg in bedrijven zullen we zoeken naar gepaste formules om ‘autosolisme’ tegen te gaan. Tijd die opgaat in verplaatsingen is immers tijd van de werknemer. De sociale partners moeten samen afspraken maken om de kosten eigen aan collectieve verplaatsingen te vergoeden. Wie zich individueel wil verplaatsen draait zelf op voor de kosten. Alle bedrijven met meer dan 50 werknemers moeten bedrijfsvervoersplannen opstellen. KMO’s kunnen samenwerkingsverbanden aangaan en clusters vormen, zodat verschillende bedrijfjes samen één groot bedrijfsvervoersplan kunnen opstellen. Dergelijke bedrijfsvervoersplannen hebben allerlei voordelen. Zo kan een planmatige aanpak de organisatie van het vervoer van en naar het werk drastisch verbeteren en het individueel autogebruik in een bedrijf of in een groep nabijgelegen bedrijven ernstig terugdringen. Ook vanuit sociaal oogpunt is de ontwikkeling van dergelijke vervoersplannen een goede zaak. Bedrijven met een vervoersplan zullen het immers gemakkelijker hebben om mensen aan te trekken dan bedrijven zonder. Ze beschikken bijvoorbeeld over een carpooldatabank of kunnen een bedrijfsfiets ter beschikking stellen aan wie geen auto heeft. De voordelen voor werkzoekenden zijn daardoor legio. De uitwerking van geïntegreerde bedrijfsvervoersplannen verdient ondersteuning van de overheid. Het gebruik van collectief vervoer of zachte mobiliteitsmodi (fiets, te voet, ...) moeten we fiscaal stimuleren. In het ruimtelijke ordeningsbeleid is het noodzakelijk om bij de inkleuring van de plannen rekening te houden met de verplaatsingsstromen. En uiteraard mogen bedrijfsterreinen niet automatisch verworden tot parkeerplaatsen.
Een aantal jobs zijn enkel geschikt voor werkzoekenden die beschikken over een rijbewijs. Zoveel mogelijk werklozen aan een rijbewijs helpen, lijkt dus aangewezen. Wie een rijbewijs nodig heeft om aan een job te raken, moet gratis bij de VDAB kunnen aankloppen voor een opleiding. Voor vervoersarme werkzoekenden is een beperkte ondersteuning van de mobiliteitsvraag vaak voldoende om mee te kunnen vertrekken. Het (snor)fietsenproject van de Vlaamse regering laat werkzoekenden gratis gebruik maken van een (snor)fiets gedurende maximaal drie maand. Via de Lokale Werkwinkels moet dit project verder uitgebreid worden. Verder vinden we dat werkzoekenden gratis gebruik mogen maken van het openbaar vervoer om te solliciteren of om zich naar opleidingscentra te verplaatsen.

‘Sleutelcompetenties’: nieuwe & oude basisvaardigheden voor iedereen

Het onderwijsniveau wordt steeds belangrijker. Wie weinig scholing heeft gehad, merkt dat maar al te goed aan zijn of haar positie op de arbeidsmarkt en de sociale context waarin hij of zij leeft. Daarom willen wij dat iedereen gratis ‘sleutelcompetenties’ kan aanleren. Sleutelcompetenties behoren voor ons tot het pakket ‘universele dienstverlening’.

Alle mannen en vrouwen moeten kunnen lezen, schrijven en rekenen. Indien dit niet het geval is, moeten ze hiervoor terechtkunnen in een centrum voor basiseducatie. Netwerken van dergelijke centra moeten daarom verder uitgebouwd worden. Maar in deze 21ste eeuw willen we sleutelcompetenties ook ruimer interpreteren. Ook ‘leren leren’, ICT-basisvaardigheden en loopbaancompetenties (de competentie om je loopbaan zelf in handen te nemen in functie van je persoonlijke ontwikkeling en sociale promotie) zijn vandaag de dag sleutelcompetenties. Volwassenen moeten met ICT overweg kunnen. Grootschalige sensibiliseringsacties kunnen hen daarvan bewust maken. Op termijn zou iedereen over ICT-basisvaardigheden moeten beschikken. We houden dan ook een pleidooi voor gratis computerklassen voor alle bevolkingsgroepen. We pleiten ervoor de aankoop van een computer fiscaal aftrekbaar te maken, ook als werkgevers een computer aan een werknemer schenken. Verder denken wij aan specifieke acties in kansarme buurten. Zeker dáár is op minstens één openbare plaats gratis internettoegang een must. Verder willen we tegen zeer lage (gebruikers)kost computers ter beschikking stellen aan bepaalde doelgroepen met een laag inkomen (bestaansminimumtrekkers, gezinnen met lage inkomens en werkzoekenden). Die minimumbasisvaardigheden zijn echter maar een eerste stap. Voor de actieve bevolking zullen ongetwijfeld ook voortgezette opleidingen opgezet moeten worden. Deze opleidingen zullen rekening houden met loopbaanperspectieven en/of persoonlijke wensen van de werknemer of de werkzoekende. In elk geval willen we een Vlaams decreet dat voorziet in gratis en algemeen toegankelijk tweedekansonderwijs voor álle volwassenen. Daartoe moeten de faciliteiten uitgebouwd worden. Zo willen we iedereen de kans geven alsnog een diploma van het hoger secundair onderwijs te behalen. Op deze manier kunnen we de kenniskloof en het nieuwe analfabetisme aanpakken.

Investeren in mensen

Uit diverse studies blijkt dat er een sterk verband bestaat tussen het gebrek aan opleiding, vorming en competenties enerzijds en het risico op sociaal economische achterstelling anderzijds. Bovendien merken we dat vooral relatief hoger geschoolden meer en gemakkelijker gemotiveerd worden om bijkomende vorming te volgen. In elk geval is het aanbod van bijkomende opleidingen - al of niet in de onderneming - veel uitgebreider voor deze hoger opgeleiden. Een beleid dat streeft naar gelijkheid van kansen moet daarom het aanbod van aanvullende opleiding en vorming verder verruimen. We pleiten voor een sterk inhaalmanoeuvre voor de lager geschoolden. Maar ook de geschoolde werknemers én werkzoekenden moeten we sensibiliseren en stimuleren om opleidingen te volgen. Dit vereist de verdere uitbouw van een reeks maatregelen.

Bijblijven om mee te zijn in deze maatschappij

In onze hyperactieve maatschappij verandert alles heel snel. Technologische vooruitgang, een overvloed aan informatie, nieuwe gezinssituaties en andere culturen zijn maar enkele van die nieuwe situaties die op ons af komen. Deze snelle veranderingen kunnen als een bedreiging overkomen of angst inboezemen. De mensen duidelijk maken hoe ze met die nieuwe situaties kunnen omgaan en er eventueel beter van kunnen worden, is dan ook een belangrijke taak. Voor sp.a is ‘bijblijven’ door middel van opleidingen, leerervaringen, loopbaanbegeleiding, enz. hét smeermiddel om die verschillende overgangen soepeler te laten verlopen en/of die aan veranderingen en uitdagingen het hoofd te bieden.
Werknemers merken steeds vaker dat ‘de vaste baan voor het leven’ niet langer bestaat. Een kleine groep mensen ziet hierin een grote uitdaging. Ze willen zich niet binden aan één organisatie, zijn steeds op zoek naar nieuwe kansen en identificeren zich niet met één werkgever. Maar die groep vormt een kleine minderheid. Voor de meeste mensen leidt de afwezigheid van werkzekerheid tot stress, onzekerheid en een gevoel van onmacht. Alles overvalt hen en ze hebben het gevoel dat er een pletwals over hen heen gaat. Daarom vinden we dat werknemers de mogelijkheid moeten krijgen om het heft meer in eigen hand te nemen. Af en toe eens nagaan welke de eigen sterktes en zwaktes zijn kan daarbij helpen. Het gevoel dat je nog over heel wat vaardigheden beschikt die je kan ‘verzilveren’ op de arbeidsmarkt, kan een fikse opsteker betekenen voor je zelfvertrouwen.
Vandaag stellen we ook vast dat steeds meer mensen op zoek zijn naar formules waarbij ze arbeidstijd afstemmen op andere behoeften. Mensen stappen er even uit of gaan minder werken. Ze doen dit om voor hun gezin te zorgen, om een hobby te kunnen uitoefenen, omdat ze een startkwalificatie of een bijkomend diploma willen verwerven of omdat ze aan het eind van hun loopbaan het graag wat rustiger aan doen. Een voltijdse ononderbroken loopbaan wordt eerder uitzondering dan regel. De combinatieproblemen die hieruit voortvloeien, worden soms nog versterkt door onverwachte gebeurtenissen: een echtscheiding, een ziekte enz. Iedereen moet dus af en toe keuzes maken. Keuzes die verstrekkende gevolgen kunnen hebben, en dus niet makkelijk om te nemen zijn. Bij het maken van die keuzes kan de overheid helpen, door erop te wijzen dat onzekerheid niet altijd nodig is, dat er net om de hoek nog onverwachte mogelijkheden kunnen schuilgaan. Zo’n ondersteuning kan ervoor zorgen dat schokken in de loopbaan soepel worden opgevangen. Die ondersteuning kan gebeuren in de vorm van loopbaanbegeleiding. Iedereen moet daar recht op hebben en om de vijf jaar de kans krijgen om een loopbaanadvies in te winnen. Sociaal zwakkeren moeten zelfs een onbeperkt recht op loopbaanbegeleiding krijgen. In zo’n loopbaangesprek kan heel wat aan bod komen. Hoe iemands sterktes en zwaktes eruit zien bijvoorbeeld. Welke kant iemand uit wil en of daar opleidingen voor bestaan. En natuurlijk is er ook een overzicht nodig van maatregelen die deze overgangen makkelijker kunnen laten verlopen. Dit kan dan gaan over een tijdskrediet, een opleiding of nog iets anders. Geval per geval moet bekeken worden. We willen mensen wapenen en onzekerheid omzetten in kansen. Maar er is meer. In de praktijk stellen we ook vast dat de kansen om bij te blijven zeer ongelijk verdeeld zijn. Wie een achterstand oploopt tijdens zijn studies kan die nog moeilijk inhalen. Wanneer men de bedrijfspoorten binnenstapt, vergroot de kloof tussen hoog- en laaggeschoolden steeds verder. Voor sp.a moet iedereen het recht hebben en de kans krijgen om bij te blijven.
Momenteel is de kans om bij te blijven nog grotendeels afhankelijk van de werkgever. Dit is uiteraard geen gezonde situatie. Wie daar nood aan heeft, moet op eigen houtje opleidingen kunnen volgen en hiervoor tijd en middelen ter beschikking krijgen. Om te vermijden dat deze inspanningen enkel naar de reeds goed opgeleiden gaan, is begeleiding nodig. Een allesomvattend plan ‘iedereen blijft bij’ is nodig, met daarin vier speerpunten.
Ten eerste moeten mensen tijd kunnen vrijmaken, want dit blijkt één van de belangrijkste drempels in de zoektocht naar werk. Daarvoor zijn geen nieuwe maatregelen nodig. Wel moeten bestaande maatregelen zoals het Betaald Educatief Verlof, het opleidingskrediet voor werknemers én werkzoekenden en het tijdskrediet geherwaardeerd worden. Ten tweede moeten de indirecte (kinderopvang, mobiliteit, ...) en directe kosten verbonden aan opleidingen worden aangepakt. Op dit vlak zijn wij ambitieus en ijveren we voor een ‘competentie- of bijblijfverzekering’, naar analogie met de ziekteverzekering, de werkloosheidsverzekering, e.d.
Ten derde is er nood aan voldoende garanties die ervoor kunnen zorgen dat dit alles de huidige leerkloof dicht en niet enkel de hooggeschoolden bereikt. Daarom houden we een warm pleidooi voor een sterk netwerk van begeleidingscentra, gekoppeld aan de Lokale Werkwinkels. Ten vierde zijn een aantal randvoorwaarden van essentieel belang. Zo moeten we erkennen dat leren niet alleen gebeurt in de ‘schoolse systemen of in leslokalen’. De ervaring die mensen hebben opgedaan door tien jaar te werken, door in het verenigingsleven te participeren of door in het buitenland te studeren, moeten we naar waarde schatten. Ook aan de bewegwijzering moeten we sleutelen. Het opleidingslandschap in Vlaanderen is immers zeer divers. Naar analogie met het krachtige zoeksysteem voor wie op zoek is naar een baan (WIS)moeten we een gelijkaardig instrument uitwerken voor opleidingen (‘de leerwijzer’).
Om het plan ‘iedereen blijft bij’ effectief te doen slagen, mogen we niet blind zijn voor de grote weerstand om opleidingen te volgen bij een belangrijke groep werknemers. Hier ligt dan ook een belangrijke rol voor de overheid: de mensen overtuigen en sensibiliseren. En ook de opleidingen zelf interessanter en toegankelijker maken.

Recht op werk: rechten maar ook plichten!

De werkloosheidsverzekering is geen basisinkomen: voor wat hoort wat. De overheid heeft als plicht om werkzoekenden volop te stimuleren en te investeren in de verhoging van tewerkstellingskansen. De belangrijkste stimulans is maatwerk. De VDAB moet de individuele trajectbenadering voor iedereen kunnen garanderen. Voor bepaalde categorieën moeten we specifieke en aangepaste jobs creëren. Wanneer werkzoekenden zo’n sluitende aanpak krijgen en daar niet op ingaan, kunnen ze niet blijven teren op de werkloosheidsverzekering. Om iedereen extra te stimuleren, willen we, na verloop van tijd, (sociaal-gemoduleerd) uitkeringen verminderen.

De ene werknemer is de andere niet

Ook KMO-werknemers hebben recht op een goede bescherming en goede arbeidsomstandigheden. We streven naar een gelijke behandeling van werknemers. In de praktijk is dit nog niet het geval: de sociale wetgeving blijkt sterk te verschillen naargelang je werkt in een KMO of een groot bedrijf. Er werken ongeveer 800.000 werknemers in bedrijven met minder dan 20 werknemers. Deze KMO-werknemers zijn ‘tweederangswerknemers’ geworden. Zij hebben bijvoorbeeld geen recht op tijdskrediet, ouderschapsverlof en brugpensioen. KMO-werknemers lopen daarentegen wel een hoger risico op een arbeidsongeval. Ook het Herplaatsingsfonds zou in gang moeten schieten voor kleine bedrijven. Bovendien hebben KMO’s geen vakbondsvertegenwoordiging. Wij willen deze onrechtvaardige discriminaties de wereld uit helpen.
En dan is er nog de discriminatie tussen arbeiders en bedienden. De Belgische arbeiders behoren tot de slechtst beschermde van de Europese Unie. Het strakke onderscheid tussen arbeiders en bedienden is een erfenis uit het industriële verleden en totaal irrelevant geworden in onze huidige economische structuur. Daar komt bij dat ons land reeds jaren terug een veroordeling opliep voor deze ongeoorloofde discriminatie. Het mag duidelijk zijn: het statuut van arbeiders moet groeien naar dat van de bedienden, net zoals het sociaal statuut van zelfstandigen moet groeien naar dat van de werknemers.

Human Resources Management met het oog op een evenredige deelname

Nog steeds zien we dat er een ruime arbeidsmarktreserve is en dat vooral laaggeschoolden in de klappen delen als het even minder goed gaat met de conjunctuur. Daarnaast merken we dat het aantal allochtone werkzoekenden blijft toenemen. Op het vlak van de evenredige arbeidsdeelname van kansengroepen (ouderen, vrouwen, allochtonen, arbeidsgehandicapten, e.d.) blijkt Vlaanderen nog heel wat werk voor de boeg te hebben.
Om de maatschappelijke doelstelling van evenredige arbeidsdeelname van diverse kansengroepen waar te maken, moeten we niet alleen hun werkgelegenheidskansen verhogen, maar ook (indirecte) discriminatie tegengaan en bepaalde achterstanden wegwerken. Daarom willen wij dat alle werkgevers een evenredig participatiebeleid voeren, zodat kansengroepen (allochtonen, gehandicapten, ...) op alle functieniveaus evenredig vertegenwoordigd zijn. Op ondernemingsniveau moet door middel van actieplannen en management van diversiteit zo’n ‘meerstemmige samenwerking’ tot stand komen. Concreet willen we dat ondernemingen hun personeelsbeleid gaan doorlichten en praktijken ontwikkelen die systematische achterstelling van bepaalde doelgroepen kunnen wegwerken. Werkgevers moeten daartoe een actieplan opstellen en de gegevens over de kansengroepen in de sociale balans vermelden.
Jong en oud hebben recht op werk. Iedereen tussen de 15 en de 65 heeft recht op een job! Jongeren uit het deeltijds beroepsonderwijs verdienen goede stageplaatsen. Dit is een taak van zowel de privésector als de overheid. Het is van groot belang deze jongeren een goede deeltijdse job aan te bieden zodat ze échte startkansen krijgen. We moeten immers vermijden dat hun eerste ervaring op de arbeidsmarkt een groot fiasco wordt. Het zou er enkel maar voor zorgen dat deze moeilijk bereikbare jongeren zich definitief van onze maatschappij afkeren. De werkgelegenheidsgraad van 50-plussers ligt ver onder het Europese gemiddelde. Maatregelen zijn nodig. In onze actieve welvaartsstaat willen we ook ouderen een plaats geven op de arbeidsmarkt. We willen komen tot een ‘leeftijdsbewust arbeidsmarktbeleid’. Maar sp.a wil echter niemand verplichten om langer te werken. Daarom lijkt ons een verhoging van de pensioen- of brugpensioenleeftijd momenteel geen goed idee. Het betekent maar dat mensen die niet meer kunnen werken in minder gunstige stelsels terechtkomen. Enkel wie langer wil werken, moet daartoe de kans krijgen! Wij willen dan ook de nodige positieve prikkels voorzien om oudere werknemers langer actief te houden. We moeten daartoe voorzien in aangepaste jobs. Zo kunnen ouderen bijvoorbeeld perfect instaan voor de begeleiding van nieuwkomers. Verder denken we aan maatregelen zoals lastenverlagingen bij aanwerving van 50-plussers, de wegwerking van werkloosheidsvallen voor bruggepensioneerden en oudere werklozen in een canada-dry stelsel. Ook willen we het stelsel van de landingsbanen verder uitbreiden. Dit stelsel laat toe het wat rustiger aan te doen maar toch actief te blijven. Bovendien kunnen ouderen op die manier hun ervaring en kennis beter overdragen op jongeren.

Goed werk op een ontspannen arbeidsmarkt

Wij wensen een actieve welvaartsstaat op mensenmaat uit te bouwen. Deze actieve welvaartsstaat is niet louter op economische principes gebouwd, maar stelt een ontspannen arbeidsmarkt als ideaal. Mensen moeten terug tijd krijgen om voor kun kinderen te zorgen, boodschappen te doen, huishoudelijke klusjes op te knappen, enzovoort. De actieve welvaartsstaat draait dus niet om ‘meer werken’, of ‘langer werken’ maar om ‘anders gaan werken’. De uiteindelijke bedoeling is om met meer mensen minder te werken. Dit veronderstelt de overstap van een werkgelegenheidsbeleid naar een loopbaanbeleid waarin we werk in evenwicht brengen met vrije tijd, vorming, gezinsverantwoordelijkheden en vrijwilligersactiviteiten. Wij pleiten dan ook voor een levenslange loopbaan. We willen af van een arbeidsbestel waarbij je op relatief korte periode superhard hoort te werken en eens de 50 gepasseerd definitief afgeschreven wordt. In dat kader moet het tijdskrediet een algemeen recht worden en uitgebreid worden naar vijf jaar. Er is tevens nood aan een gradueel systeem van kortstondige en beperkte verlofvormen dat zeer soepel toepasbaar is binnen de bedrijven: minder uren werken op bepaalde dagen of tijdens bepaalde weken, opname van losse (halve) verlofdagen, korte verlofperiodes van enkele dagen... Daarnaast willen we aandacht besteden aan de kwaliteit van de arbeid. Dit vormt de hoeksteen van een leefbaar beroepsleven. De creatie van betere banen, die een evenwichtige combinatie mogelijk maken tussen beroeps- en gezinsleven, zal de mogelijkheden laten toenemen om een job aan te nemen, deel te blijven uitmaken van de actieve bevolking en tegemoet te komen aan de structurele veranderingen op de arbeidsmarkt. De prioriteit dient te liggen bij de aanpassing van de arbeidsomstandigheden aan de noden van zowel individuen als bedrijven. Daarbij zullen we ook streven naar een evenwicht tussen zekerheid en flexibiliteit.

Betaalbare buurtdiensten als hoeksteen voor een ontspannen arbeidsmarkt

Een belangrijke uitdaging bij de uitbouw van een ontspannen arbeidsmarkt zijn de buurt- en nabijheidsdiensten, zoals poetsdiensten, groendiensten, strijkdiensten, thuishulp en boodschappendiensten. Deze nieuwe diensten verhogen de levenskwaliteit van mensen en vergroten de sociale cohesie in buurten. Er is een enorme behoefte aan diensten die een enorm potentieel aan arbeidsplaatsen inhouden, vooral voor laaggeschoolde werklozen. Buurt- en nabijheidsdiensten creëren immers werk voor mensen die nauwelijks kansen krijgen. Daarenboven zijn de buurt- en nabijheidsdiensten nieuwe vormen van ‘arbeid op maat’. Ze kunnen heel flexibel aangeboden worden. Belangrijk is dat de werknemers die deze jobs uitvoeren terechtkomen in een volwaardig werknemersstatuut. Het is geen minderwaardig werk. Kortom: buurtdiensten zijn een belangrijke factor bij de ontwikkeling van een ontspannen arbeidsmarkt. Aangezien buurt- en nabijheidsdiensten een antwoord bieden op meerdere maatschappelijke noden en hierdoor een meervoudig sociaal surplus creëren, moeten de verschillende bevoegde overheden de budgettaire last dragen. Concreet pleiten we voor de oprichting van een Vlaams ondersteuningsprogramma voor lokale besturen en sociale-economie-bedrijven. Dit programma zal een breed spectrum aan buurtdiensten helpen ontwikkelen.

Lokale dienstenbedrijven zorgen voor kwaliteitsvol werk

In steeds meer gezinnen gaan zowel de man als de vrouw werken. Zo blijft er minder tijd over om aan het gezin te besteden. Vooral buitenshuiswerkende moeders worden geconfronteerd met een dubbele dagtaak: naast de job blijft er een flink pak huishoudelijk werk te doen. Enkele werkgevers hebben dit al opgemerkt en bieden hun werknemers specifieke diensten aan. Zo kan men in bepaalde bedrijven ‘s morgens de vuile was meebrengen naar het werk en ‘s avonds de vers gewassen en gestreken was opnieuw mee naar huis nemen. In andere bedrijven zorgen ze voor een kinderopvang aan huis bij ziekte van een kind. Nog andere bedrijven voorzien in een boodschappendienst of een carwash, ... Wij vragen een veralgemening van deze diensten aan werknemers. Dit kan door de lokale dienstenbedrijven volop in te schakelen in deze nieuwe sector en gelijktijdig de werkgevers die dit alles aanbieden extra te ondersteunen. Op deze manier ontstaat er enerzijds structurele werkgelegenheid voor laaggeschoolden en anderzijds verhoogt de kwaliteit van het leven van de werknemers. Minder gestresseerde en beter gemotiveerde werknemers tegen beperkte kosten moeten de bedrijfswereld extra motiveren om hier volop aan mee te werken.

werkgroep arbeid
voorzitter: Hans Bonte (parlementslid)
secretaris: Yves De Ridder (stafmedewerker studiedienst sp.a)

sp.a - ideologie - ideologisch congres sp.a - sociaaldemocratie - arbeid - werk

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 50 tot 57