Abonneer Log in

Een gedepolitiseerde Raad van Bestuur voor de VRT

Politiek en media

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 38 tot 44

Het Cultuurpact kwam er naar aanleiding van de vrees die aan beide zijden van de taalgrens was ontstaan, namelijk dat de defederalisering van het cultuurbeleid mogelijks zou leiden tot de achterstelling van vrijzinnigen en katholieken in respectievelijk het noorden en zuiden van het land.
Het pact kreeg een juridische verankering via de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt. Enkele maanden later, op 28 januari 1974, stemde ook de Vlaamse Cultuurraad een decreet betreffende het Cultuurpact.
De bepalingen van het Cultuurpactdecreet zijn van toepassing op alle overheidsmaatregelen in verband met culturele aangelegenheden. Eén van die aangelegenheden, punt 6, zijn de radio-omroep en de televisie.
Volgens artikel 8 moeten de overheden ‘de gebruikersgroeperingen en de ideologische en filosofische strekkingen volgens een billijke democratische en werkelijke vertegenwoordiging met medebeslissende of adviserende stem betrekken bij het beheer van de culturele instellingen, opgericht door of ressorterend onder de overheid.’
Dat recht op vertegenwoordiging steunt hetzij op het bestaan van een vertegenwoordigende gebruikersorganisatie in het bevoegdheidsgebied van de overheid, hetzij op het bestaan van een vertegenwoordiging van de ideologische en filosofische strekking in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid.
Waar er voor de gewone culturele instellingen drie mogelijkheden zijn om de Raad van Bestuur samen te stellen (politiek, specialisten of een mengvorm) maakt het Cultuurpact voor Radio en Televisie een uitzondering: ‘De instituten voor radio en televisie moeten, in de samenstelling van hun bestuurs- en beheersorganen, de evenredige vertegenwoordiging van de politieke fracties in elke Cultuurraad in acht nemen.’

Een kwestie van perceptie?

Het zijn met andere woorden de grote politieke fracties in het Vlaams Parlement die elk een aantal bestuurders aanduiden en afvaardigen. Het aantal wordt bepaald door de getalsterkte in het parlement, conform het systeem D’Hondt. Concreet betekent dit dat de twaalf huidige bestuursleden aangeduid zijn door de vier grote partijen in Vlaanderen. VB, VLD, sp.a en CD&V tellen elk drie vertegenwoordigers in de Raad van Bestuur.1 Groen!, N-VA en spirit geen.
Deze twaalf vaste bestuursleden zetelen op basis van veronderstelde expertise. De partijen worden geacht deskundigen af te vaardigen, maar dit wordt eigenlijk niet gecontroleerd. Er is geen concrete functiebeschrijving waarnaar gehandeld wordt en ook geen selectieprocedure om de beste kandidaten uit te filteren. Deze werkwijze werd in het verleden herhaaldelijk aangeklaagd. Onder meer de gedelegeerd bestuurder gaf te kennen er moeite mee te hebben om bedrijfsgevoelige informatie door te spelen aan de Raad van Bestuur, laat staan om beslissingsmacht over te dragen. Links en rechts viel te horen dat niet alle bestuursleden de deontologische code even strikt naleven en soms strategische informatie, via de partijhoofdkwartieren, doorspelen aan de concurrentie.
Correct of niet, de Raad van Bestuur heeft snel de schijn tegen. Een blik op wie er namelijk in de Raad zetelt, versterkt dit gevoel. Het VB, dat in het verleden niet naliet te procederen tegen de VRT2, stuurt onder meer twee van haar gemeenteraadsleden. sp.a vaardigt onder andere de voorzitter van het socialistische ziekenfonds en de vrouw van parlementsvoorzitter De Batselier af. CD&V kiest voor een naaste medewerker van oud-voorzitter Stefaan Declercq, de woordvoerster van het ACW, en de voorzitter van Familiehulp (CM). VLD tenslotte stuurt onder andere een voormalig medewerker van fractieleider Patricia Ceysens (nu algemeen en politiek directeur van de VLD), en een voormalig ondervoorzitster van de partij.
Dit alles wil geenszins zeggen dat deze mensen onbekwaam zijn voor de functie van bestuurder of dat zij te kwader trouw zouden zetelen, integendeel. Maar het onderstreept wel dat de huidige benoemingsprocedure geen enkele garantie biedt op een evenwichtige, deskundige en onafhankelijke samenstelling. Dit vertaalt zich in een soms uitgesproken wantrouwen tussen de Raad van Bestuur enerzijds en de Gedelegeerd Bestuurder en het Directiecomité anderzijds. In de voorbije jaren zijn er hierdoor enkele openlijke conflicten ontstaan.

Corporate governance

In een poging de spanningen tussen Raad van Bestuur en Directiecomité te ontmijnen werd op 21 maart 2005 een Charter van Deugdelijk Bestuur door de Raad van Bestuur aangenomen. Het Charter is een soort reglement van inwendige orde dat binnen de lijnen van de mediadecreten opereert. Daarin wordt voor de bestuurders een soort gedragscode geformuleerd met elementen als discretieplicht, het vermijden van belangenconflicten en onafhankelijkheidscriteria.3 Indien de Raad van Bestuur oordeelt dat een bestuurder zijn absolute discretieplicht heeft geschonden of de regels inzake belangenconflicten niet heeft gerespecteerd, zal de voorzitter aan de Algemene Vergadering, met name de Vlaamse Regering, voorstellen om deze bestuurder uit zijn functie te ontslaan.
Het Charter is duidelijk geïnspireerd door de Belgische Coporate Governance Code4 die eind 2004 in de nasleep van het Picanol-schandaal onder de leiding van Graaf Maurice Lippens werd ontwikkeld. Hoewel deze Code enkel van toepassing is voor beursgenoteerde vennootschappen, is het ook voor de grote overheidsbedrijven aangewezen om de richtlijnen van de Code op te volgen. De overheid heeft inzake corporate governance namelijk een belangrijke voorbeeldfunctie te vervullen. Dit geldt zeer zeker voor de openbare omroep, een NV van publiek recht, met een uitermate belangrijke rol in het functioneren van onze samenleving en democratie.
De Corporate Governance Code geeft onder meer enkele principes en richtlijnen over de samenstelling van de Raad van Bestuur. Principe 2 stelt dat die Raad doeltreffend, efficiënt en minstens gedeeltelijk onafhankelijk moet zijn. Principe 4 bepleit een rigoureuze en transparante procedure van benoeming en beoordeling van de bestuursleden, op basis van selectiecriteria en de in de Raad van Bestuur noodzakelijke kennis. De wijze waarop evenwel de leden van de Raad van Bestuur van de VRT worden benoemd, voldoet geenszins aan deze principes.
Inzake onafhankelijkheid stelt het Charter van Deugdelijk Bestuur van de VRT dat ‘de vertegenwoordiging van een politieke fractie van het Vlaams Parlement op zich niet noodzakelijkerwijs de onafhankelijkheid in gevaar brengt.’ Daarmee probeert men het probleem van de politieke aanduiding van bestuurders te omzeilen, maar niet echt op afdoende wijze. Immers, als het Charter stelt dat dit systeem van benoeming ‘niet noodzakelijkerwijs’ de onafhankelijkheid in gevaar brengt, wordt de mogelijkheid dat dit toch het geval is dus niet expliciet uitgesloten.
Men kan zich overigens grote vragen stellen bij de afdwingbaarheid van het Charter. De beslissing om een bestuurder te ontslaan, blijft immers bij de Vlaamse Regering liggen. Het is met andere woorden de bevoegdheid van de politieke fracties om over het ontslag van een bestuurder, die aangeduid is door één specifieke fractie, te oordelen. Gezien het concurrentieel politiek en electoraal landschap, en gezien ook het belang van de democratische vrijheden, is dit een uiterst delicate oefening. In het verleden hebben we in meerdere gevallen kunnen vaststellen dat er een zeer grote terughoudendheid vanwege de politieke fracties bestaat om te oordelen over andere fracties. Denken we bijvoorbeeld aan de opheffing van parlementaire onschendbaarheid of de opschorting van partijdotaties.5

Coöptaties

Op 10 mei 2006 werd in het Vlaams Parlement een nieuw VRT-decreet gestemd dat onder meer de verhouding tussen Raad van Bestuur en Gedelegeerd Bestuurder vastlegt. Voortaan is het voor de Raad van Bestuur mogelijk om nog drie bijkomende bestuurders te coöpteren op basis van aantoonbare expertise inzake het mediabeleid of het bedrijfsbeleid. De memorie van toelichting motiveert dit door te wijzen op het grote belang van de toepassing van corporate governance bij een vennootschap als de VRT. Uit het verslag van de besprekingen in de commissie valt op te maken dat de bevoegde minister benadrukt dat het om onafhankelijke experts gaat, die los van het Cultuurpact of van politieke verhoudingen worden aangeduid. Indien bij de coöptatie toch rekening zou worden gehouden met de politieke achtergrond, dan zou dit absoluut indruisen tegen de geest van het decreet.
Deze mogelijkheid is uiteraard een stap in de goede richting. Maar ook hier is er geen spijkerharde garantie voor de onafhankelijkheid van de gecoöpteerde bestuursleden. De coöptatie gebeurt immers niet op basis van een onafhankelijke selectieprocedure, maar op voorstel van de via het Cultuurpact benoemde bestuursleden. Bovendien kunnen zij deze mogelijkheid ook negeren en geen bijkomende experts coöpteren. Overigens kan de nieuwe bepaling die coöptatie van onafhankelijke experts mogelijk maakt, worden geïnterpreteerd als een impliciete bekentenis dat de huidige procedure geen garantie biedt op de noodzakelijke deskundigheid om een mediabedrijf van dergelijke omvang te besturen.
Vraag is eveneens of deze decreetwijziging de toets met het Cultuurpact kan doorstaan. In haar advies heeft de Raad van State hier geen enkele opmerking over gemaakt, niet in positieve zin en niet in negatieve zin. Het blijft echter twijfelachtig of een eventuele coöptatie van nieuwe bestuurders een klacht bij de Cultuurpactcommissie of de rechtbank het hoofd kan bieden. In die optiek is het interessant te verwijzen naar de functie van de Gedelegeerd Bestuurder, die enkel met adviserende stem zetelt in de Raad van Bestuur. Bij de totstandkoming van het Minidecreet in 1995 kreeg de Gedelegeerd Bestuurder in eerste instantie stemrecht. De Raad van State oordeelde toen echter dat in dat geval het Cultuurpact ook op deze functie van toepassing was. De bevoegde minister heeft toen het ontwerp van decreet gewijzigd en de Gedelegeerd Bestuurder enkel een adviserende stem toegekend, met de uitdrukkelijke bedoeling op deze wijze de functie te onttrekken aan het Cultuurpact.

Exit Cultuurpact?

Kortom, het charter en de mogelijkheid om drie deskundigen te coöpteren, zijn niet veel meer dan lapmiddelen. Een handige poging om een discussie over de kern van de zaak te vermijden, met name de partijpolitieke samenstelling conform het Cultuurpact. Nochtans zijn er genoeg argumenten te bedenken om tot een depolitisering van de Raad van Bestuur over te gaan.
Allereerst is het Cultuurpact een grotendeels achterhaald instrument. Een evenredige vertegenwoordiging van de diverse politieke en filosofische strekkingen had allicht zijn nut in de jaren zeventig, maar is nu volledig gedateerd. Onze samenleving is in belangrijke mate ontzuild. Men kiest niet meer van de wieg tot het graf voor deze of gene ziekenbond of vakbond. De strijd tussen katholieken en vrijzinnigen woedt enkel nog op de achtergrond. Er zijn diverse wettelijke instrumenten om de diversiteit af te dwingen, en vooral: politieke partijen kleven niet meer op filosofische strekkingen zoals dit ooit het geval was.6 Bij VLD en sp.a vind je vandaag ook talrijke gelovige kiezers, net zoals vrijzinnigen ook voor CD&V kunnen stemmen. Andere filosofische strekkingen, bijvoorbeeld de islam, kennen geen politieke vertegenwoordiging. Filosofische diversiteit bekom je dus niet door de sterkte van politieke partijen af te meten.
Een dergelijk Cultuurpact kan je dus maar beter naar de geschiedenisboeken verwijzen. Dat is het standpunt van diverse politieke partijen. De opvolgers van de VU, spirit en N-VA, blijven uiteraard ijveren voor ontzuiling, net als Groen!. Maar ook CD&V, bij monde van Marc Van Peel en Ludwig Caluwé, heeft reeds meermaals een wetsvoorstel tot schrapping van het Cultuurpact ingediend.7 En ook sp.a pleit in haar verkiezingsprogramma van 2004 voor een afschaffing van het Cultuurpact en wenst de politisering van cultuur een halt toe te roepen.8 Vreemd dan ook dat deze twee partijen nadrukkelijk stellen niet voor een depolitisering van de Raad van Bestuur van de VRT te kiezen.9

Of vastgeroeste traditie?

Die depolitisering zou het logische sluitstuk zijn van een proces dat zich reeds jaren voltrekt. In het verzuilde Vlaanderen van enkele decennia terug was een evenredige vertegenwoordiging van de diverse politieke en filosofische strekkingen allicht noodzakelijk om te vermijden dat de openbare omroep naar een bepaalde strekking zou overhellen. Dat evenwicht werd in alle geledingen doorgetrokken, zodat ook management en personeel op basis van partijkleur werden benoemd. Een recent doctoraat toont aan dat zelfs de journalisten zich tot een bepaalde partij moesten bekennen en dat er een evenwicht tussen die partijen werd nagestreefd.10
Dit mocht dan misschien min of meer een garantie zijn voor onpartijdigheid, het resulteerde niet in kwaliteit en slagkracht. Dit werd pijnlijk duidelijk bij de opkomst van de commerciële omroepen in Vlaanderen. De toenmalige BRT kreeg rake klappen in de kijkcijfers en zag zijn voortbestaan openlijk in vraag gesteld.
De Vlaamse Regering en parlement besloten daarop de openbare omroep drastisch te hervormen, door hem een maximale autonomie te verlenen. Dankzij onder meer het Minidecreet (22 december 1995) en het Maxidecreet (29 april 1997) herwon de BRT, intussen omgedoopt tot BRTN en later VRT, zijn dynamiek. De politiek zou zich niet langer bemoeien met programmatie en personeelsbeleid, door deze bevoegdheid exclusief bij de Gedelegeerd Bestuurder in plaats van de Raad van Bestuur te leggen. De nieuwsdienst kreeg een redactiestatuut en een deontologische code die zijn onafhankelijkheid verankerde. Enkele jaren later, in 2001, werden ook de uitzendingen door politieke derden afgeschaft. De motivatie hiervoor was het quasi unaniem aanvaarde uitgangspunt dat de VRT in haar nieuws- en duidingsprogramma’s reeds voldoende onpartijdigheid en pluriformiteit aan de dag legt.11
De laatste directe partijpolitieke inmenging is vandaag dus nog de samenstelling van de Raad van Bestuur. Uit het verslag bij de bespreking van het Minidecreet kunnen we opmaken dat toen reeds enkele parlementsleden openlijk de vraag stelden of een partijpolitieke samenstelling van de Raad van Bestuur wel noodzakelijk is om de pluriformiteit van de openbare omroep te waarborgen. Ook de afwezigheid van een functiebeschrijving voor de bestuurders werd op de korrel genomen. Dit deed twijfels rijzen over de ernst waarmee een depolitisering werd nagestreefd. Op deze kritiek werd bij de invulling van het decreet echter geen antwoord gegeven.
Dat is en blijft verwonderlijk. De partijpolitiek samengestelde Raad van Bestuur in Vlaanderen en Wallonië lijkt haast een natuurlijke zaak te zijn waar zelfs in de pers weinig vragen worden rond gesteld. Maar in het buitenland is kennelijk geen Cultuurpact nodig om neutraliteit en diversiteit af te dwingen. In de ons omringende landen worden de Raden van Bestuur van de openbare omroepen heel divers samengesteld. Zo worden in Nederland de leden van de Raad van Toezicht geselecteerd door een non-profitorganisatie, met name het Nationaal Register. Die selecteert op basis van een aantal specifiek afgelijnde profielen.12 In Groot-Brittannië gebeurt de aanstelling van de Board of Governors volgens de richtlijnen van de Office of the Commissioner for Public Appointments, die werkt conform de Nolan-principles.13 In Frankrijk en Ierland zetelen bijvoorbeeld ook vertegenwoordigers van het personeel in de bestuursraad. Maar een aanduiding door politieke partijen op basis van de onderlinge sterkte, dat moet zowat uniek in de wereld zijn.
Betekent dit dat de politiek haar handen volledig van de VRT moet afhouden? Natuurlijk niet. Maar die politiek heeft vandaag reeds voldoende invloed via de mediadecreten, de vijfjaarlijkse beheersovereenkomst, de besprekingen van het jaarverslag in de commissie media, de commissaris-revisor en, als je de benoeming van de bestuursleden zou objectiveren, de profielopstelling voor de leden van de Raad van Bestuur. Bovendien zorgen het Rekenhof en de Vlaamse Regulator voor de Media voor een afdoende controle. Extra inmenging is echt niet nodig.
Kortom, er zijn bitter weinig argumenten om de huidige samenstelling van de Raad van Bestuur te behouden. De VRT, als groot multimediaal bedrijf met een omzet van meer dan 400 miljoen euro, heeft nood aan een professionele structuur, aan een deskundige en onpartijdige Raad van Bestuur die in volle vertrouwen samenwerkt met het directiecomité. Wel komaan dan, wat houdt ons tegen?

Bart Caron
Vlaams volksvertegenwoordiger
Pieter Vandenbroucke
Directeur studiedienst spirit

Noten
1/ Voor het VB: Ludo Leen, Erik Deleu en Dimitri Hoegaerts; voor sp.a: Guy Peeters, Henny De Baets en Jozef Deleu; voor CD&V: Chris Lecluyse, Kristina Houthuys en Annelies Van Cauwelaert; en voor VLD: Thérèse Deshayes, Johan Hanssens en Eric Dillens.
2/ De aanwezigheid van het VB in de Raad van Bestuur is voor menig waarnemer een doorn in het oog. Niet alleen voert de partij obstructie tegen de VRT, onder meer door het herhaaldelijk indienen van klachten, bovendien werd ze in 2004 veroordeeld voor racisme. Volgens een advies van Voorhoof en Braeckman (2004) is daardoor een uitsluiting van de drie VB-leden mogelijk, op basis van artikel 3 §1 van het Cultuurpactdecreet en van artikel 96 §2 van het Gecoördineerde Omroepdecreet. Op dit advies is nooit echt een politieke reactie gekomen.
3/ In bijlage B van het VRT Charter van Deugdelijk Bestuur worden al bij al vrij strenge kwalificaties geëist. Zo stelt de tekst onder meer ‘bestuurders moeten voldoen aan hoge standaarden van beroepsbekwaamheid en oordeelsvermogen en moeten toegewijd zijn, samen met de andere Bestuurders, om de langetermijnbelangen van de VRT te dienen.’ Maar het grote mankement is dat deze eisen helemaal niet afdwingbaar zijn wegens gebrek aan selectieprocedure en evaluatiecriteria. Het Charter heeft op dit punt dus weinig nut en spant eerder de kar voor het paard: men zit in de Raad van Bestuur, dus zal men wel beroepsbekwaam zijn. Of nog: je moet je bekwaamheid niet bewijzen om benoemd te worden, maar men moet je onbekwaamheid bewijzen om ontslagen te worden.
4/ De Code kwam er op initiatief van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), Euronext Brussel en het Verbond der Belgische Ondernemingen (VBO). Ze fungeert als aanvulling op de Belgische wetgeving. De federale wetgever is overigens aan een moeilijke oefening bezig om een variant van de Code in nieuwe wetgeving om te zetten. Enkele bepalingen uit de Code zijn in de context van dit artikel zeer relevant, met name ‘4.1. Er dient een rigoureuze en transparante procedure te bestaan voor de efficiënte benoeming en herbenoeming van bestuurders. De raad van bestuur stelt benoemingsprocedures en selectiecriteria op voor de bestuurders, waarbij specifieke regels kunnen gelden voor uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders,’ en ‘4.3. Voor elke nieuwe benoeming in de raad van bestuur gebeurt er een evaluatie van de bekwaamheden, kennis en ervaring die reeds aanwezig zijn in de raad en deze die nodig zijn. In het licht van deze evaluatie wordt een beschrijving uitgewerkt van de vereiste rol, bekwaamheden, kennis en ervaring.’
5/ Een recent voorbeeld is de klacht van Kif Kif en MRAX tegen het Vlaams Belang, ingediend bij de Raad van State op 18 mei 2006. Om die klacht te kunnen behandelen, moest minstens 1/3 van de leden van de Controlecommissie van Kamer en Senaat hun handtekening leveren. Aan Vlaamse zijde waren enkel sp.a en spirit daartoe bereid. Ook Groen! verklaarde zich akkoord maar deze partij beschikt niet over federale verkozenen. De andere Vlaamse partijen, CD&V, VLD en N-VA, verklaarden dit niet te willen doen. Als argument gaven zij op dat het niet aan politieke partijen is om te oordelen over andere partijen. Ietwat vreemd, aangezien ook VLD de wet die de procedure instelt mee heeft goedgekeurd, en aangezien het niet de partijen zijn die oordelen maar wel de Raad van State. In het geval van de Raad van Bestuur van de VRT moeten wel de politieke partijen oordelen over bestuurders van andere partijen. De kans dat dus een bestuurder op deze wijze tot ontslag wordt gedwongen, is uiterst klein.
6/ Talrijke politieke onderzoeken tonen dit aan. De drie traditionele partijen (christendemocraten, socialisten en liberalen) verloren de laatste decennia een belangrijk deel van hun aanhang aan niet-verzuilde partijen zoals VU, Agalev en VB. Ook de partijtrouw neemt af, wat betekent dat kiezers steeds makkelijker migreren van de ene partij naar de andere. Reeds in 1993 schreven Elchardus, Pelleriaux, Deschouwer en Stouthuysen in het boek Kiezen is Verliezen: ‘De affiniteit van de vrijzinnigen met de SP heeft slechts gedeeltelijk met de levensbeschouwing zelf te maken en dient voor het grootste deel op rekening van andere sociologische kenmerken van de vrijzinnigen te worden geschreven.’ Een analyse van het electoraat door professor Deschouwer in De Kiezer heeft zijn Redenen uit 2002 toonde aan dat bij de VLD-kiezers 24,3% zich omschreef als kerkelijk en 11,4% als kerks katholiek. Bij de SP was dit respectievelijk 18,5% en 11,4%.
7/ Stukken Kamer 837/1 (1992-1993) en Senaat 1-157/1 (1995-1996)
8/ Vlaams programma 13 juni 2004, pagina 48, voorstel 367, en pagina 76, voorstel 568.
9/ Dany Vandenbossche (sp.a) verklaarde bij de besprekingen in de commissie dat een samenstelling van de Raad van Bestuur volgens het Cultuurpact geen onoverkomelijk probleem is. De raden van bestuur van andere culturele instellingen functioneren immers niet beter of niet slechter dan die van de VRT.’ Volgens Carl Decaluwé is het Cultuurpact er en moet het worden nageleefd. Zijn partijgenoot Eric Van Rompuy noemde in het plenair debat het betoog van Bart Caron (spirit) dat het cultuurpact op termijn moet worden afgeschaft ‘heel gevaarlijk’.
10/ Proefschrift ‘Dat was het nieuws! Een multimethodisch historisch onderzoek naar de ontwikkeling van het televisiejournaal en de nieuwsproductiepraktijk op de Vlaamse openbare omroep (1953-1990) op basis van origineel beeldmateriaal en geschreven bronnen van het VRT-Beeld- en Documentenarchief’ van dr. Lieve Desmet (2005).
11/ Het betreffende voorstel van decreet werd gestemd op 4 juli 2001 en was ingediend door vertegenwoordigers van alle democratische partijen. In de Toelichting staat te lezen: ‘Er zijn bijgevolg waarborgen, zowel in rechte als in feite, [dat] de politieke fracties, hun werking en hun standpunten uitvoerig aan bod komen bij de openbare omroep - zowel Vlaams, federaal als Europees.’
12/ De laatste vernieuwing van de Raad van Toezicht gebeurde eind 2005. Er werd gezocht naar kandidaten met grote bestuurlijke kennis en ervaring uit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Gevraagd werden o.a. kennis en ervaring met betrekking tot de mediawereld, bedrijfsmatige en financiële zaken en juridische deskundigheid in het Europese recht. Voorts werd een lid met bestuurlijke ervaring in de publieke sector en een specialist op het gebied van Human Resource Management gezocht.
13/ Er zijn er zeven: Ministerial responsibility (‘The ultimate responsibility for appointments is with ministers’), Merit (‘All public appointments should be governed by the overriding principle of selection based on merit, by the well-informed choice of individuals who through their abilities, experience and qualities match the need of the public body in question’), Independent scrutiny (‘No appointment will take place without first being scrutinised by an independent panel or by a group including membership independent of the department filling the post’), Equal opportunities (‘Departments should sustain programmes to deliver equal opportunities principles’), Probity (‘Board members of public bodies must be committed to the principles and values of public service and perform their duties with integrity’), Openness and transparency (‘The principles of open government must be applied to the appointments process, its working must be transparent and information provided about the appointments made’), Proportionality (‘The appointments procedures need to be subject to the principle of proportionality, that is they should be appropriate for the nature of the post and the size and weight of its responsibilities’).

pers - media en politiek - politiek - VRT

Samenleving & Politiek, Jaargang 13, 2006, nr. 6 (juni), pagina 38 tot 44