Abonneer Log in

Een vernieuwd gelijkheidsprincipe

DE INZET VAN 25 MEI

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 5 (mei), pagina 17 tot 23

De parlementsverkiezingen van 25 mei worden vaak omschreven als ‘de moeder aller verkiezingen’, een omschrijving waar ik niet van hou. Want kiezen is een mening met gevolgen. De herwaardering van de verkiezingen in een al zo gehavende democratie heeft dus alles te maken met de inhoudelijke opwaardering van de kiescampagne. Verheugend is in dat opzicht dat in de eerste fase van de campagne de politiek-ideologische verschillen tussen de politieke partijen duidelijk in beeld kwamen. Even opmerkelijk is dat maatschappelijke thema’s zoals armoede en ongelijkheid, en daarmee verbonden instrumenten als herverdeling en een rechtvaardige fiscaliteit, terug in het politiek debat komen. Het is ooit anders geweest. In deze bijdrage pogen we het debat rond ‘armoede en ongelijkheid’ wat ideologisch te kaderen en te verbinden aan een oproep aan de linkerzijde, maar vooral aan de sociaaldemocratie, voor een ‘vernieuwd gelijkheidsprincipe’ als leidend project na 25 mei.

DE INZET VAN 25 MEI

Een Moeder van Niks
Celia Ledoux
De markten temmen
Luc Huyse
Een vernieuwd gelijkheidsprincipe
Jos Geysels
Een Europese Sociale Unie
Frank Vandenbroucke

EEN DOMINANT VERTOOG

Gedurende decennia overheerste de economische opvatting: ‘Als de economie groeit en de koek groter wordt, zal iedereen, en dus ook de armen, er automatisch beter van worden.’
Vooral na de val van de Berlijnse Muur in 1989 kwam er voor velen een einde aan de discussie over de rol en de functie van de economie. Ze werd een religie met stellingen die door economische hogepriesters zo dikwijls herhaald werden dat bijna iedereen ze geloofde. De lonende perspectieven lokten velen. ‘Geen gezeik, iedereen rijk’, vatten Kees van Kooten en Wim de Bie het ooit samen. Als teken van ultieme ironie werd het satirische statement van hun ‘Tegenpartij’ een hardnekkig geloofspunt dat in politieke middens op veel bijval kon rekenen. Op 17 oktober 2013 (Dag van de strijd tegen armoede!) gaf Staatssecretaris voor Armoedebestrijding Maggie De Block een korte samenvatting van deze stelling: ‘Als de economie aantrekt, kunnen meer mensen geactiveerd worden en er meer jobs bijkomen, waardoor de inkomsten van de sociale zekerheid groeien en er dus meer geld naar gezinnen in armoede kan gaan’.

Deze opvatting kreeg haar fundamentalistisch hoogtepunt in ‘trickle down economics’, het geloof dat een groeibevorderend beleid ten gunste van de sterken voor iedereen een positief effect zou opleveren. ‘Om vooruit te komen hebben we ongelijkheid nodig’, benadrukte Caroline Ven (VKW) voortdurend.
Dit economisch gedachtegoed werd maatschappelijk vertaald in een discours dat, vooral in zijn Angelsaksische variant, ervan uitgaat dat ‘individuen en niet omstandigheden verantwoordelijk zijn voor armoede; afhankelijkheid van uitkeringen een teken van luiheid, persoonlijk falen en moreel verval zijn, en leiden tot luiheid, een gebrek aan zelfredzaamheid en moreel verval; en dat de verzorgingsstaat een klasse van niet-werkende, laaggeschoolden in hun positie van afhankelijkheid bestendigt’ (Mark Elchardus en Bram Spruyt in Solidariteit 2012- een bevolkingsonderzoek).
Ook in West-Europa klonken de echo’s van deze radicale kritiek. Nadrukkelijk bij een aantal rechtse partijen, maar ook bij een deel van de linkerzijde dat het gelijkheidsprincipe inruilde voor het gelijke kansen-criterium.

Economisch succes werd een mogelijkheid en dus een individuele keuze. Wie die keuze niet maakt, moet maar op de blaren gaan zitten. Het ‘dikke ik’ danst op een smalle richel. Wie er af valt is daar zelf verantwoordelijk voor. ‘Het idee van de maakbare samenleving mogen we verlaten hebben, het individu geldt nu als maakbaar en voor zichzelf verantwoordelijk’, zei psychologe Trudy Dehue in Vrij Nederland. Het dominante vertoog werd algemeen aanvaarde toogpraat.

Het gevolg was dat armoede tot voor kort in de niche van het politiek debat verdween. Het problematische individu kwam in plaats van het collectieve probleem. De armoede werd gedepolitiseerd en/of in een eufemistisch welzijnsjargon gestoken. Armen werden kansarmen, een ‘doelgroep’.
Eisen voor een verhoging van de sociale minima werden dikwijls afgeserveerd als bekommernissen van softies of ‘oud-linksen’ die geen oog hadden voor de ‘economische dynamiek en het ontketenen van creativiteit en innovatie.’ (Memorandum over ‘The Third Way ‘ van Tony Blair en Gerhard Schröder).
Trouwens, aldus het goed klinkende credo is onze sociale zekerheid niet langer een vangnet maar een trampoline. Mensen mogen zich niet nestelen in een sociaal profitariaat maar moeten zich actief inzetten om aan werk en dus een inkomen te geraken. De armen activeren, zo werd (en wordt) het in bestuurstaal geformuleerd en met de nodige maatregelen uitgevoerd.
Ondertussen daalde armoede niet en werd de ongelijkheid groter.

VELE VRAAGTEKENS

Na het uitbreken van de crisis viel de ‘trickle down economics’ van haar ideologische troon. Talloze kritische onderzoeken (cfr. Joseph Stiglitz, Paul Krugman, Thomas Piketty) en een vracht van cijfermateriaal tonen onverbloemd aan dat ondanks de globaal gestegen welvaart de armoede niet in dezelfde mate daalt, de ongelijkheid op wereldniveau schrikbarend toeneemt en er vooral een ‘groeibevorderend beleid ten gunste van de rijken wordt gevoerd’ (Ha-Joon Chang). Ook België, met een goed uitgebouwde sociale zekerheid en een grotere gelijkheid dan in andere landen, ontsnapte niet aan deze tendens.

Reeds in 1987 stelde Jan Vranken, verantwoordelijk voor 20 jaar Vlaamse Jaarboeken Armoede en Sociale Uitsluiting, vast dat 15% van de Belgische bevolking arm was. Volgens hem was de veronderstelling dat de ‘geweldige economische groei sinds de jaren 1960 voldoende mogelijkheden aan iedereen bood om welvarend te worden, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid’. Recente cijfers geven hem nog steeds gelijk. In het Jaarboek dat zijn opvolgers onlangs publiceerden, lezen we dat de armoede in België 25 jaar later nog altijd rond de 15% schommelt (10% in Vlaanderen, meer dan 20% in Brussel).

Tegelijkertijd werd de ongelijkheid groter. Sinds de jaren 1990 daalde het aandeel van de 30% laagste inkomens in het globale inkomen van 11,2% tot 8,3%. Dat van de 10% rijksten steeg tot 31,9%. De 20% meest vermogende gezinnen bezitten 61,2% van het totale vermogen in België. Omgekeerd bezitten de 20% armste gezinnen slechts 0,2% van het totale gezinsvermogen. Er zijn rond de 100.000 mensen die een leefloon krijgen, en er zijn ongeveer evenveel die zich euromiljonair mogen noemen.

Maar er is meer. Of beter gezegd, voor sommigen nog minder.

Ook de inkomenskloof tussen mensen die van een werkloosheids-, invaliditeits- of bijstandsuitkering moeten leven en het netto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking, werd groter, zo blijkt uit een studie van Bea Cantillon en Natascha Van Mechelen (Centrum voor Sociaal Beleid - UA). Terwijl het modale inkomen nu 23% hoger ligt dan in 1990, kalfde het inkomen van mannen, vrouwen en kinderen die van het OCMW leven verder af. Zij moeten het met 31% minder doen. Ter vergelijking: diezelfde kloof bedroeg in 1995 nog 9%. De kloof met de werklozen is nog sterker toegenomen: van 9 naar 36%. Ook mensen die moeten rondkomen met een invaliditeitsuitkering zagen hun koopkracht verder afkalven, zij het minder uitgesproken dan de twee eerste categorieën. Lineair is die evolutie niet. Het dieptepunt werd in 2000 bereikt, maar het herstel dat sindsdien werd gerealiseerd, bleek al te klein. Het maakt meteen duidelijk waarom er momenteel liefst 130.000 kinderen in Vlaanderen opgroeien in armoede en waarom die tendens zo moeilijk om te buigen valt. Bea Cantillon spreekt op basis van haar onderzoek van een ‘regelrecht systeemfalen’.
Kortom: ondanks de grote welvaartsprong van de laatste 50 jaar - tussen 1985 en 2007 verhoogde de koopkracht van de Belg met gemiddeld 32% - is er geen rechtstreekse koppeling tussen economische groei en daling van de armoede. Die correlatie is er wel tussen de gerealiseerde groei en de toegenomen ongelijkheid.

VASTHOUDEN AAN HET GELOOF

Mede door de alarmerende cijfers installeerden de verschillende regeringen in België een ‘coördinerende’ staatssecretaris (Maggie De Block) of minister (Ingrid Lieten) die omvangrijke ‘actieplannen’ schreven. Ondanks een aantal realisaties (vooral op Vlaams niveau) slaagden ze er niet in slaagden de voornaamste armoede-indicatoren (huisvesting, inkomen, gezondheidszorgen) gunstig te beïnvloeden.

Verwonderlijk is dat niet. Tegen beter weten in blijven veel politici vasthouden aan voorbijgestreefde economische doctrines en de daarbij horende politieke stellingen.
Eén van de uitgangspunten die sinds de jaren 1990 het Belgisch armoedebeleid inspireerde, is de activeringsbenadering.
Het is inderdaad juist dat ‘werk’ mensen een inkomen verschaft en hen integreert in de samenleving. Activeren helpt dus. Maar bij de manier waarop deze activeringsstrategie werd en wordt toegepast, zijn serieuze kanttekeningen te maken. Zo maakte de federale regering de uitkeringen van langdurig werklozen degressief en schrapte ze de inschakelinguitkeringen. Of deze doorschuifoperatie - mensen van de sociale zekerheid naar de bijstand sturen - een significante activering zal teweegbrengen, is twijfelachtig. Dat deze, door sommigen met grote flinksheid verdedigde, maatregelen de armoedecijfers ongunstig beïnvloeden is wel zeker. Zo dreigen 30% van de langdurig werkloze gezinshoofden onder de armoedegrens te vallen. Ze zijn niet zeker van werk, wel van een verminderde uitkering.

‘Voor wat, hoort wat’ is een ander, veel gebruik argument in het debat over uitkeringen en sociale minima. Er is inderdaad niks mis mee om mensen te vragen werk te zoeken, een opleiding te volgen of ‘iets terug te doen’. Wederkerigheid spoort met solidariteit. Het is één van de principes van onze sociale zekerheid. Maar ook hier is de vraag of deze goed klinkende argumentatie niet wordt gebruikt om de hele groep van armen te kwalificeren als profiteurs of werkonwilligen.
Ook hier botst de beeldvorming met de realiteit. Veel zieken, (arbeids)invaliden, oudere werklozen of gepensioneerden, waarvan er velen tot de 15% armen behoren, hebben jarenlang bijgedragen tot de sociale zekerheid of hebben een handicap die het hen soms onmogelijk maakt op de reguliere arbeidsmarkt werk te vinden. Toch ontvangen ze in vele gevallen minimumuitkeringen die ‘vaak niet volstaan om boven de armoederisicodrempel uit te komen’. (Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting, 2012)
Heeft deze groep haar ‘wederkerigheid’ niet bewezen, heeft ze haar deel van het ‘ contract’ niet uitgevoerd? De kreet ‘voor wat , hoort wat’ krijgt hier een heel cynische klank. Zeker tegen een fiscale achtergrond waarbij succesvolle bedrijven en vermogende individuen belastingvoordelen en subsidies krijgen zonder veel wederkerigheid (zoals werkgelegenheid), laat staan gesanctioneerd worden.

Ook de werkende armen bleven buiten het beeld van de activeringsstrategie. Hun aantal wordt in België geschat op 3 à 4% van de werkende bevolking. Natuurlijk spelen er hier ook sociaal-demografische factoren. Maar we kunnen er niet onderuit: 1 op de 5 armen werkt. En ze zijn met meer dan het aantal leefloners.

Kortom: zowel de foto van de armoede als de beeldvorming over de armen klopt niet. De eenzijdige activeringsstrategie en -argumentatie botste ‘tegen de muur van de arbeidsmarkt waarop te weinig jobs te vinden zijn om mensen naartoe te leiden’ (Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting, 2012). Toch hanteren velen nog ‘de simplistische redenering dat armen het zelf gezocht hebben’ (Jan Vranken).

EEN ANDERE KOERS RIJDEN

Een aantal politieke waarnemers ziet in de huidige kiescampagne (opnieuw) een duidelijke tegenstelling opduiken tussen links en rechts. Dat was in de voorbije decennia, een periode van vervagende kleuren, veel minder het geval. Inderdaad, wie de programma’s van de rechtse partijen leest, merkt dat ze zich zonder schroom of onduidelijkheid rechts positioneren op de sociaaleconomische breuklijn.
Volgens Knack-journalist Walter Pauli draait de echte inzet van de verkiezingen ‘om de organisatie van ons sociaaleconomisch model en dus van de welvaartsstaat’. Ik kan hem grotendeels volgen.
Uiteraard is het aan de linkerzijde om te verhinderen dat de principes van de sociale zekerheid, zonder dewelke de armoede nog groter zou zijn, niet geofferd worden op het altaar van een kortzichtige begrotingspolitiek.
Maar met een defensieve houding alleen zal ‘de kracht van de verandering’ die vooral de economische status quo wil vrijwaren, niet tegengehouden worden. Links zal uit haar pijp moeten komen en zonder schroom haar fundamentele uitgangspunten in de etalage moeten zetten.
‘Rechts heeft de moraal van links gekaapt’, schreef de filosofe Susan Neiman enige tijd geleden. Een deel van de linkerzijde vergat haar universele waarden in de verf te zetten, ‘omgeven door aanhalingstekens, die het ongemak van de spreker uitdrukken in het ultieme postmoderne gebaar: de vingers die wiegelend een dansje doen naast de oren. De conservatieven namen het over, door de taal van de universele ideeën over te nemen.’
In vele Europese landen verdween de strijd tegen de inkomensongelijkheid van de prioriteitenlijst van de sociaaldemocratie, of werd , zoals in Nederland, het ‘oubollige’ woord gelijkheid uit het beginselprogramma geschrapt. In plaats daarvan kwam het sociaalliberale begrip gelijke kansen dat perfect paste in het flitsende ‘Derde Weg’-frame dat door Tony Blair en Gerhard Schröder werd gepropageerd. Dat zorgde op korte termijn voor meer gezelligheid en centrum-kiezers, maar op langere termijn voor een grote ideologische leegte. De Derde Weg verzandde in het moeras van het economisch correcte denken.

In zijn boek The precariat lanceert de Engelse onderzoeker Guy Standing een oproep om een ‘nieuwe vocabulaire’ te ontwikkelen en de gangbare benadering van het armoedeprobleem te verlaten.
Op een moment dat de maatschappelijke onvrede over de stuitende ongelijkheid groeit en een deel van de ‘hard werkende’ middenklasse in een precaire inkomenssituatie terechtkomt, biedt een geactualiseerd gelijkheidsbeginsel een hoopvol perspectief.
Dat gelijkheidsprincipe vormt een belangrijk onderdeel van een alternatief vertoog dat het onderscheid maakt tussen economische en maatschappelijke vooruitgang, tussen ‘market embedded states’ en ‘state embedded markets’.
Het gaat dus over meer dan de keuze tussen een PS- en een N-VA-model. En over een langere periode dan de eerstvolgende verkiezingen. Politiek heeft te maken met (electorale) macht maar evenzeer met machtsvorming rond ideeën en het verwerven van een breed gedragen discours.

Vanuit dat oogpunt wordt de strijd tegen de armoede best verbonden met het verminderen van de ongelijkheid. De armoede aanpakken is niet langer een kwestie van ‘bepaalde doelgroepen’ maar wel een ‘algemene sociaal-maatschappelijke kwestie’.
‘Want armoede en ongelijkheid ondermijnen de samenleving’, zoals de historicus Tony Judt niet naliet te benadrukken. Ze veroorzaken een persistente tweedeling in de samenleving, tussen mensen die erbij horen en zij die dreigen uitgesloten te worden. ‘The precariat’, noemt Guy Standing deze groep van (ook werkende) mensen die voortdurend ‘the four A’s’ ervaren: ‘anger, anomie, anxiety and alienation’. Ze vormen een onderklasse die economisch oninteressant is, maatschappelijk in de marge zit en electoraal verwaarloosd wordt.
Ongelijkheid is niet alleen dramatisch voor de onderkant van de samenleving. De hele samenleving wordt erdoor beïnvloed. ‘Hoe groter de ongelijkheid, hoe lager de levensverwachting en de sociale mobiliteit, hoe meer ziektes, tienerzwangerschappen, obesitas en kindersterfte voorkomen en hoe hoger de misdaadcijfers en het aantal gevangenen. Ongelijkheid schept immers afstand en verkleint het vertrouwen tussen mensen, waardoor de sociale samenhang afneemt’ (Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting, 2012). Zelfs organisaties als het World Economic Forum, de OESO en het IMF maken zich zorgen over de groeiende ongelijkheid. Onlangs waarschuwde IMF-voorzitster Christine Lagarde dat de grote inkomensongelijkheid leidt tot een ‘economie van uitsluiting’ die het ‘waardevolle weefsel bedreigt dat onze samenleving bijeenhoudt’.
Een geactualiseerd gelijkheidsbeginsel is dus geen kwestie van een allesomvattende nivelleringsoperatie of de politieke vertaling van een afgunstcultuur. Het is een basisbegrip om een ethische wenselijkheid (de verdelende rechtvaardigheid) te combineren met een sociaaleconomische noodwendigheid.
Het is een open en breed beginsel dat in de uitvoering rekening houdt met een superdiverse samenleving, met nieuwe risico’s (zoals milieuproblemen), nieuwe uitdagingen (de ontwikkeling van de gen- en informatietechnologie) en een veranderende sociale demografie.
Armoede en ongelijkheid kunnen niet beperkt worden tot inkomensongelijkheid. Ze hebben ook te maken met onderwijs, energievoorziening, huisvesting en gezondheidszorg en andere (collectieve) voorzieningen. Het streven naar minder ongelijkheid betekent bovendien niet alleen het nastreven van een verdeling van de ‘goods’ maar ook de verdeling van de ‘bads’ (klimaatproblemen, voedseltekorten) die vooral de zwakkeren het hardst treffen. Herverdeling is geen oubollig concept maar een interessante hefboom om de economie en de samenleving op andere sporen te zetten.

Verleden jaar maakte Oxfam bekend dat 85 miljardairs even veel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking. Dat is niet alleen een stuitende illustratie van een perverse welvaartsverdeling, het wijst ook op een ontzaglijke economische en financiële machtsvorming die de economisch al zo kleine actieradius van de democratie nog verder aantast. Het parlement wikt, de economie beschikt. ‘We are unlikely to achieve a fair and responsive political system within an economic system that is characterized by the degree of inequality that marks ours’, schrijft Joseph Stiglitz. België is de VS niet. Maar zijn argumentatie geldt ook hier. Te grote ongelijkheid legt een hypotheek op de democratie en formeel vastgelegde grondrechten. Meer economische gelijkheid verstevigt de politieke en sociale rechten van de burger.
In La société des égaux tracht Pierre Rosanvallon vanuit deze context een vernieuwd gelijkheidsidee te ontwikkelen door haar te definiëren ‘comme une façon de faire société, de produire et de faire vivre le commun’. Voor hem is gelijkheid een ‘democratische kwaliteit’, een project voor ‘un monde de semblables, une société d’individus autonomes et une communauté de citoyens’.

Zulk project geeft de linkerzijde, ook en vooral na de verkiezingen, de mogelijkheid om een ander verhaal op de politieke agenda te brengen zeker nu ‘ongelijkheid en armoede’ maatschappelijke thema’s worden. Het biedt een mobiliserend perspectief dat aansluit bij stromingen in de samenleving die zich inzetten voor de vrijwaring van de ‘commons’, samenwerking omzetten in allerlei coöperatieve initiatieven en actie voeren voor een wereld van meer gelijken.

De inzet is groot, de aanzet belangrijk.

Jos Geysels
Voorzitter 11.11.11

verkiezingen - ideologie - gelijke kansen - gelijkheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 5 (mei), pagina 17 tot 23