Abonneer Log in

De markten temmen

DE INZET VAN 25 MEI

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 16

Er is geen enkele zone in de samenleving waar de marktlogica niet in opmars is. Privatisering van publieke taken heeft de staat beetje bij beetje uitgekleed. Ontmanteling van overheidstoezicht op de haute finance zette de deur wagenwijd open voor toxische producten die ook in de politiek corrosie veroorzaken. Zelfs de verkiezingen lijken al op veilingen van aantrekkelijk verpakte beloften en boegbeelden. En dat alles zonder open debat. Sluipenderwijs. Zo is de schade die de democratie opgelopen heeft onder de waterlijn gebleven, nauwelijks zichtbaar. Het is tijd voor een time-out. In dit stuk, een ingekorte versie van hoofdstuk 11 van mijn nieuwe boek De democratie voorbij, gaan we na waar de grenzen liggen van de vermarkting van de politiek. De staat moet terrein op de markten heroveren.

DE INZET VAN 25 MEI

Een Moeder van Niks
Celia Ledoux
De markten temmen
Luc Huyse
Een vernieuwd gelijkheidsprincipe
Jos Geysels
Een Europese Sociale Unie
Frank Vandenbroucke

Het is aanlokkelijk om voor het tijdvak dat zich al enige tijd ontrolt een roepnaam te verzinnen die deze periode in de geschiedenis van de politiek een plaats geeft. Met een treffend label verliezen nieuwe verschijnselen iets van hun ongrijpbaarheid. Ze springen als het ware in het gelid van wat achter de rug ligt. In de jaren 1950 en 1960 is dat nog gelukt. Het heette dan het tijdperk van het democratisch kapitalisme. Politiek en economie waren verbonden in een verstandshuwelijk waarin geen van beide verregaande dominantie zocht. Die symmetrie in de verhoudingen is na 1970 geleidelijk vervaagd. De opdringerigheid van de economie heeft de relatie helemaal uit balans gebracht. Nu heerst asymmetrie. Het democratisch kapitalisme is daardoor in de feiten en ook als normatief model zeer veel van zijn kracht en betekenis verloren. Wat in de plaats is gekomen, schrijft zoekt noch vindt een politieke en/of sociale rechtvaardiging. Het heeft geen ideologisch draagvlak, zoals zijn voorganger had. Zijn bestaan rust op zijn schijnbaar onvermijdelijke feitelijkheid (waaraan de economische public choice-theorie enige wetenschappelijke grondslag geeft). Dat is nog het best te merken in de sector van de zakenbanken waar graaizucht, een aan individuen gebonden eigenschap, veel van de drijfkracht levert. Vandaar dat een bruikbare roepnaam vooralsnog ontbreekt. Voorlopig circuleert, met dank aan de Britse hoogleraar sociologie Colin Crouch, alleen ‘post-democracy’ waarbij het voorzetsel post- de afwezigheid van een adequaat etiket moet verbergen.

Die mist zou best optrekken. Daarom is de vestiging van een open debatcultuur de meest dringende stap in de richting van vernieuwing. Thema nummer één is de vraag naar de risico’s van de scheef getrokken verhouding tussen politiek en economie. Ze zijn talrijk. Waar de markten de overheid verregaand verdringen wordt de democratie in haar diepste wezen gekwetst. De zorg om het algemeen welzijn, om verdelende rechtvaardigheid en om de productie van ‘public goods’ ebt weg. Dat is niet te compenseren door commercialisering van sociale dienstverlening of door liefdadigheid. Integendeel, dan groeit de armoede nog en uiteindelijk berokkent dat de hele samenleving schade.
Een verdrukte staat verliest uiteraard ook slagkracht wat dan weer invreet op de geloofwaardigheid van het democratisch bestel. En hoe jonger zo’n regime, hoe sneller die legitimiteit vervaagt. Het is vandaag te zien in de landen van Oost- en Centraal-Europa en in Griekenland, Portugal en Spanje. Zelfs de al lang volwassen democratieën, zoals België en Nederland, zijn niet immuun voor deze wetmatigheid. Zij zijn verzwakt en krijgen te maken met populistische bewegingen. Neoliberalen hebben de neiging om de verantwoordelijkheid bij de potverterende overheden te leggen. Maar een schuldenberg is in zijn ontstaan te vergelijken met corruptie. ‘It takes two to tango’. De banken hebben de overheid nu en dan verleid om die berg te bouwen.

DE ASYMMETRIE PRECISEREN

Redenen te over dus om het debat systematisch en open te voeren. Ik vertrek van de stelling dat de staat terrein op de markten moet heroveren. Beginnen doe ik door de asymmetrie waarrond alles draait even in kaart te brengen. Dat is nodig om gericht te kunnen mikken.
Scheeftrekking is er door de schaalvoordelen waarover vele marktleveranciers beschikken. Zij opereren minstens grensoverschrijdend, vaak mondiaal. Vooral de natiestaat, gevangen binnen zijn eigen territorium, is daarvan het slachtoffer. De correctie door transnationale overheden is onderweg, maar heel traag zoals de zoektocht naar hernieuwd toezicht op de zakenbanken demonstreert.
Een tweede onevenwicht heeft met de mate van regulering te maken. Markten hebben door de ontmanteling van wetgeving hun reikwijdte en hun vrijheid van handelen kunnen vergroten. Tegelijkertijd lijden vele overheden onder de regeldrift van hun hogere toezichthouders. De EU doet dat met de lidstaten, de nationale en regionale regeringen met steden en gemeenten.
Bij het lobbyen, bij publiek-private samenwerking (PPS) en bij de inschakeling van experts uit het bedrijfsleven beschikken het bedrijfsleven en de financiële wereld over de meeste inzetbare kennis en deskundigheid. Nationale en lokale politici en ambtenaren kunnen daar meestal niet tegen op.

WAT EERST MOET

Een defensieve strategie wijst op zwakheid. Toch is de nood groot aan een snelle interventie die de huidige trends stillegt. Op twee punten staat het alarm op rood. Een is het geweldsmonopolie van de overheid. Geen enkele andere vorm van privatisering is zo schadelijk voor de slagkracht van de staat. De verkoop ervan moet stoppen. Het is een dringende noodzaak. Want de neiging tot uitbesteding neemt nog toe. Nu al maakt de plaatselijke politie hier en daar bij alcoholcontroles gebruik van privéfirma’s. Bovendien telde Vlaanderen eind 2013 ruim zeshonderd buurtinformatienetwerken. Bewakingsfirma’s, bijvoorbeeld op de luchthavens, floreren maar staan slechts in zeer beperkte mate onder overheidstoezicht. Burgers, 45.000 in totaal, helpen daarmee de politie om de veiligheid in hun wijk te verhogen. Dat is geen privatisering in strikte zin, maar een formalisering van sociale controle. Op zich kan dat geen kwaad, tenminste als de inzet van particulieren aan strikte codes is gebonden. Anders wordt de grens weer wat dunner.

Het andere domein is dat van de verzorgingsstaat. Een voorstel tot outsourcing, dat in de herfst van 2013 circuleerde, is een teken aan de wand. ‘Baby’s tegen armoede’ in grote letters op een paginagrote advertentie in de Vlaamse kranten: zo maakte minister Ingrid Lieten (sp.a) midden oktober 2013 bekend dat crowdfunding een Kinderarmoedefonds zou spijzen. Meteen barstte een discussie los over de alternatieve financiering van iets dat in het hart van het democratisch kapitalisme zit. De promotoren wezen op de nood aan bijkomende middelen, aan mobilisatie van de burgers, op het besef dat ‘alle beetjes helpen’. Jos Geysels verwoordde (Knack, 23 oktober) treffend wat tegenstanders dachten: ‘… de strijd tegen (kinder) armoede is geen kwestie van liefdadigheid maar van solidariteit. Het gaat niet alleen om individueel geven, maar om structureel verdelen’. Dat kan het best via een herschikking van het overheidsbudget. Het is bovendien een riskant initiatief. Er is niet eens paranoia nodig om te vermoeden dat crowdfunding een paard van Troje op de weg naar verdere privatisering van sociale diensten kan zijn. Zo is het in Groot-Brittannië gelopen. Het bevestigt ook het wijdverspreide beeld van een overheid die te zwak is om armoede te bestrijden. Het is spijtig dat de discussie zeer snel is uitgedoofd. Want het Trojaanse paard is ook al gesignaleerd in het cultuurbeleid en in de gezondheidszorg. Een andere, ook Vlaamse, ontwikkeling is te vinden in en rond de diensten die voor de begeleiding van werklozen en werkzoekenden zorgen. Eén derde van de opdrachten is uitbesteed aan private partners. Daar gaat een omzet van ruim 100 miljoen euro mee gepaard. En, schrijft Johan Ackaert (De Standaard, 17 februari 2014), nogal wat gemeenten en OCMW’s hebben plannen om rusthuizen en zorgcentra af te stoten naar de private sector.

Een moratorium met betrekking tot de commercialisering van de verzorgingsstaat en het geweldsmonopolie is meer dan wenselijk. Minstens tot een breed en publiek debat de grenzen tussen overheid en markten heeft getrokken. En tot er meer te leren is van de nu lopende projecten in Nederland (de participatiemaatschappij) en het Verenigd Koninkrijk (Big Society). Ondertussen kan de zoektocht naar bijkomende overheidsmiddelen in een hogere versnelling komen. Onder meer door het aanboren van de door bedrijfsleiders, bankiers en andere begoede burgers best beveiligde goudader, de vermogensbelasting.

DE MARKTEN TERUGDRINGEN

De Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid maakt zich al enkele jaren grote zorgen over de vermarkting van de politiek. Ze staan beschreven in Publieke zaken in de marktsamenleving (maart 2012, www.wrr.nl): ‘Moeten markten niet opnieuw door overheid en samenleving worden ingebed om te verzekeren dat naast private belangen ook publieke belangen adequaat behartigd worden? (p. 22) De financiële crisis heeft immers laten zien hoe gevaarlijk een te lichtvaardig vertrouwen op het zelfsturend vermogen van markten en het ontbreken van voldoende overheidstoezicht kan zijn. Risico nemen werd in de financiële sector aangemoedigd en hoog beloond; maar terwijl winsten ten goede kwamen aan private partijen, moesten de verliezen door overheden en dus door de belastingbetalers worden opgevangen.’ Ook in België zijn socialistische en groene partijen, arbeidersbewegingen en vele burgers ongerust. Wat valt er te doen? En waar?

Waar de commerciële private sector genesteld zit

Markten zijn in diverse gradaties ‘embedded’ in de publieke sector. Bij volledige privatisering, bijvoorbeeld van overheidsbanken, is hun aanwezigheid uiteraard het sterkst. Als het bedrijfsleven voor grote infrastructuurwerken met de overheid in zee gaat (de PPS-formule) is het terrein tussen de partners verdeeld. Waar, derde mogelijkheid, de formule van het Nieuw Publiek Management is ingevoerd, is de invloed nog iets minder groot. Omdat de drie gevallen zo verschillend zijn vraagt het terugdringen van marktaanwezigheid telkens specifieke ingrepen.
Jo Cornu, voormalig CEO van Agfa-Gevaert, is sinds december 2013 de kopman van de Belgische spoorwegen. In zijn allereerste contact met de pers zei hij zeer kritisch te staan tegenover de totale vrijmaking van het binnenlands reizigersvervoer. ‘Hij betwijfelt sterk’, meldt het verslag in De Standaard van 14 december 2013, ‘of de liberalisering het kostenplaatje van het spoorvervoer zal reduceren. (…) Een ander groot gevaar van de vrijmaking vindt hij de privatisering van de winsten en de socialisering van de verliezen. Het houdt in dat er zich enkel voor rendabele lijnen kandidaat-uitbaters zullen aanbieden. Terwijl de overheid dan maar de verlieslatende lijnen voor haar rekening moet nemen.’ De twee pijnpunten die Cornu ter sprake brengt duiken steeds op bij verregaande privatisering. Daarom is ook hier de afwezigheid van een volgehouden publiek debat over vermarkting zo problematisch. Nogal wat politici vinden zo’n stap niet nodig. Zij vertrekken meestal van een positief vooroordeel ten aanzien van de private sector. Maar een open discussie vóór een beslissing valt, zou het zicht op de kosten en de baten efficiënter kunnen maken. Men houdt er best ook rekening mee dat commerciële onderaannemers de neiging hebben om de kosten van privatisering voor de gemeenschap te onderschatten en de baten al evenzeer te overschatten. Bovendien zijn het dikwijls multinationale bedrijven die zich kandidaat stellen voor overname van publieke opdrachten. Oligopolievorming is hen, blijkt al eens, niet vreemd. Ook dat kan de kosten opdrijven. Is de outsourcing al een feit, dan zijn andere maatregelen nodig. Internationale ngo’s, zoals Project for Government Oversight (www.pogo.org) en Corporate Watch (www.corporatewatch.org) wijzen er op dat kwaliteitscontrole absoluut noodzakelijk is. Te vaak blijken de geleverde diensten ondermaats. Groot-Brittannië toont daarvan vele voorbeelden. Zo zijn twee bedrijven (G4S en Serco) die daar gevangenissen uitbaten er officieel verdacht van fraude met de contracten. Tweede voorbeeld: de allereerste strafinrichting die in dat land geprivatiseerd is, kwam in handen van Serco. Zij is ondertussen, als gevolg van de vele problemen, teruggegeven aan de publieke sector. Ook volgehouden toezicht op de arbeidsomstandigheden en op de werkgelegenheid in de gewezen overheidsdiensten is belangrijk. Maar evaluaties lukken alleen als de onderaannemers voldoende transparantie bieden. En dat is een probleem. Confidentialiteit wordt door bedrijven of hun advocaten geregeld als reden ingeroepen om informatie te onthouden.

Audits zijn evenzeer van belang in de twee meer beperkte vormen van vermarkting (publiek-private samenwerking en de introductie van het Nieuw Politiek Management). PPS ligt als formule op de grens tussen overheid en markt. Voor beide partners kan het een smokkelgebied zijn waarin zowel politieke als economische spelregels overtreden worden. Omzichtigheid is bijgevolg geboden. Van het beroep op consultants uit de commerciële sector schreef ik al dat het opvallend aanwezig is in het lokale bestuur in Vlaanderen. Een recente studie van Sofie Hennau en Johan Ackaert (Universiteit Hasselt) vroeg in 2012 aan gemeentesecretarissen of het belang van commerciële deskundigen sinds de invoering van het Gemeentedecreet (2005) is toegenomen. Bijna 60% zei ja. Maar tegelijk vond iets meer dan 70% dat de kostprijs van de diensten die de outsiders leveren te hoog is in verhouding tot de kwaliteit er van. De import van externe deskundigheid kan noodzakelijk zijn, maar tegelijk gaat interne ervaring verloren en blijft opbouw van nieuwe kennis achterwege. Daarom dit voorstel dat Johan Ackaert mij aanreikte: neem in de contracten met consultants een clausule op die hen verplichtend betrekt in capacity building binnen het ambtenarenkorps. Die vraag naar behoud van ‘in house’ deskundigheid brengt overigens een ruimer probleem in het vizier. De Nederlandse Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft in het rapport Lerende overheid de bakens voor publieke kennisopbouw uitgezet: ‘Politiek is namelijk niet alleen een kwestie van machtsuitoefening (daadkracht) maar ook het vermogen te leren én luisteren en te investeren in maatschappelijke leerprocessen om daarvan gebruik te kunnen maken bij het nemen van democratische beslissingen.’ Een van de mogelijkheden is om in delicate en/of bijzonder ingewikkelde dossiers vanaf de eerste fase van besluitvorming een ‘cel leren’ aan het werk te zetten. Met zo’n instrument kunnen politieke missers en regelrechte debacles een unieke leerschool zijn. Door schade en schande wijs worden, is geen zonde.

Beperking van overheidstoezicht ongedaan maken

Vermarkting is in een hogere versnelling gebracht door de gedeeltelijke ontmanteling van overheidstoezicht. Dat ongedaan maken, blijkt als ingreep heel lastig en ingewikkeld te zijn. Met goed gerichte en agressieve lobbying hebben de grootbanken, de farmaceutische nijverheid, de megamediabedrijven en de reuzen van het internet al vele pogingen geheel of gedeeltelijk afgeblokt. Overigens zijn natiestaten op dat terrein niet veel meer dan dwergen. Alleen spelers van het formaat van de Wereldbank en de EU kunnen op enig succes hopen. Lobbying aan meer regels binden inzake registratie en transparantie zou al een flinke stap vooruit zijn. Maar ook dat botst op grote weerstand.

DAVID TEGEN GOLIATH

FairFin is een Belgische ngo die, zoals haar website (www.fairfin.be) vermeldt, onderzoek doet naar en campagnes voert tegen ‘onverantwoorde of schadelijke investeringen van Belgische banken’. Het is een van de initiatieven die niet willen wachten tot de grote spelers (regeringen, de Wereldbank, het IMF) de excessen van de marktlogica frontaal aanpakken. Er zit groei in dat type van klein verzet. In gebieden als cultuur, sport en universiteit neemt de weerstand tegen de infiltratie van het marktdenken toe. Protestbewegingen zoals Occupy Wall Street zijn de meer rumoerige versies van deze strijd tegen vermarkting.

Daarnaast is er wat op het economisch terrein zelf aan alternatieven is ontstaan: de revival van de coöperatieve gedachte, de samenaankopen, ruil in plaats van commercie (de peer-to-peer projecten), de vele gedaantes waarin de sociale economie verschijnt. Het scepticisme over wat Rik Pinxten de kleine revoluties noemt is groot en wijdverspreid. Men vergeet daarbij wel eens dat ook vakbonden en mutualiteiten, bijvoorbeeld, ooit als minivormen van zelfhulp geboren zijn. Veel hangt af van wat er met die alternatieven zal gebeuren als de economische crisis haar scherpste kanten verliest. Gaan zij dan door?

GRIJPT HET BEDRIJFSLEVEN ZELF IN?

Mediaplanet, zo stelt het bedrijf op zijn website (www.mediaplanet.com/belgium), ‘… dicht de kloof tussen lezers en adverteerders door onafhankelijke en inspirerende themabijlagen en web- tv episodes - in meer dan 25 steden, 15 landen, 14 talen en 3 continenten in de wereld’. De septemberbijlage in De Standaard ging over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen. Daarin stond te lezen dat MVO een proces is ‘… waarbij ondernemingen vrijwillig economische, ecologische en sociale overwegingen in hun activiteiten en relaties opnemen’. Dat slaat onder meer op ‘…het welzijn en de gezondheid van de werknemers en de effecten van het ondernemen op het milieu’.

Ethisch verantwoord ondernemen zit blijkbaar in de lift, ook en vooral bij multinationale bedrijven. Dat is merkwaardig, want hun corebusiness is maximalisatie van ‘shareholder value’. Waarom dan nu hun koers in de richting van dat baken corrigeren? Mediaplanet geeft zelf een deel van het antwoord. ‘MVO’, zo is te lezen, ‘heeft vele voordelen voor de onderneming’. Ik citeer uit het lijstje: het is een stimulans voor innovatie zodat het bedrijf producten op de markt kan brengen die vooruitlopen op de concurrentie; het prikkelt de kritische geest van de teams die op zoek gaan naar nieuwe werkmethodes om topprestaties te leveren; het beperkt het energieverbruik; het versterkt het merkimago; het geeft vlottere toegang tot grondstoffen; het aantrekkelijker bedrijfsimago geeft betere wervingsmogelijkheden; het verhoogt de rendabiliteit en de waarde van het aandeel - en met dat laatste is de corebusiness ook aan de beurt.

Er circuleren ook berichten over meer voluntaristische beweegredenen. Het zou, zegt men, wel degelijk gaan om een culturele omslag, waarbij ethische overwegingen op zich de bedrijfsvoering beïnvloeden. Dat is zeker niet onmogelijk. (In België is de Triodosbank een voorbeeld.) Toch speelt er nog iets anders. Bedrijven zijn, via de spectaculaire expansie van de markten, zeer ver het maatschappelijke en politieke leven binnengedrongen. Dat heeft, schrijft Colin Crouch in Politics in the Age of Austerity (pp.229-231), ontegensprekelijk gevolgen. Het is voor hen veel moeilijker geworden om te ontsnappen aan ethische verwachtingen en eisen die vanuit de samenleving en de politiek op hen afkomen. De hoeveelheid druk die bedrijven ondergaan hangt wel af van wie hun klanten zijn. Hoe gemakkelijker de afnemers voor ethisch protest te mobiliseren zijn, hoe kwetsbaarder de ondernemers zijn voor reputatieschade. Het is geen toeval dat het de producenten van textielgoederen, sportmateriaal, voeding zijn die het eerst de stap naar MVO zetten.

Overigens is ethisch ondernemen uit eigenbelang op zich geen probleem. Zolang de aandacht voor welzijn en welvaart, gezondheid en milieu maar groeit. Al mag men zich terecht afvragen of de onevenwichtige verhouding tussen politiek en economie, tussen staat en markten daarmee ten gronde veranderd is.

Luc Huyse
Socioloog

verkiezingen - marktwerking - democratie - ideologie

| |

De democratie voorbij

Luc Huyse
uitgeverij Van Halewyck, Leuven, 2014

Elk land is een ménage à trois waarin politiek, economie en bevolking de partners zijn. De opdringerigheid van de economie en de vermarkting van politiek en staat hebben deze driehoeksverhouding uit balans gebracht. De democratie is het grootste slachtoffer, zij is in ademnood. De auteur verkent, met België als testterrein, hoe de democratie beter bestand te maken is tegen de vele klimaatwijzigingen binnen en buiten de politiek. Hij pleit onder meer voor een herbewapening van de staat en voor de mobilisering van de bevolking als coproducent van politieke beslissingen. Hij wil meer zuurstof voor het middenveld en kijkt of en hoe de internetrevolutie een meerwaarde kan zijn. Hij ziet dat in steden en gemeenten een meer eigentijds burgerschap in aanbouw is. Van de media verwacht hij een onthaasting van de politieke berichtgeving.

|

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 5 (mei), pagina 10 tot 16