Abonneer Log in

Hoe geraken we voorbij de valse paradox tussen van onderuit en van bovenaf?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 27 tot 37

Er zijn weinig mensen die solidariteit niet belangrijk vinden. Het blijkt echter niet eenvoudig om er eenduidig invulling aan te geven. Net daarom is het een belangrijke democratische opgave om scherp te stellen op het meningsverschil over de betekenis van solidariteit. We associëren solidariteit sterk met de structurele solidariteit van nationale verzorgingsstaten, maar hedendaagse uitdagingen doen ons opnieuw de vraag stellen naar wat solidariteit in wezen is. In dit artikel zoom ik in op de relatie tussen directe en indirecte vormen van solidariteit en pleit ik voor het verkennen van nieuwe vormen van solidariteit in het hier en nu.

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Hoe genereus zijn we voor migranten en vluchtelingen?
Toon (Antoon) Vandevelde
Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit?
Tim Reeskens
Wie verdient de steun van onze welvaartsstaat?
Tijs Laenen
Hoe geraken we voorbij de valse paradox tussen van onderuit en van bovenaf?
Stijn Oosterlynck
Hoe communiceren over solidariteit?
Eric Goubin
Hoe krijgen we meer solidariteit tussen generaties?
Danielle Zwarthoed

SOLIDARITEIT: EEN CHAOTISCH CONCEPT

Het woord solidariteit wordt in onze samenleving veelvuldig gebruikt. Sociale organisaties en politieke en levensbeschouwelijke bewegingen gebruiken het woord graag om steun te verwerven voor hun activiteiten en hun bestaansrecht te rechtvaardigen. Solidariteit is echter niet alleen een woord dat sociaal en politiek mobiliseert, maar evenzeer een wetenschappelijk concept dat gebruikt wordt om maatschappelijke verhoudingen en processen te analyseren. Dat is bij uitstek het geval voor sociologen die het concept solidariteit mobiliseren om uit te zoeken wat na de secularisering van de maatschappij een moderne samenleving samenhoudt en van een zekere orde voorziet. Sociologen hebben de bron van solidariteit onder meer gezocht in de omkadering die geboden wordt door gedeelde waarden en normen, de verbindende kracht van het bestrijden van een gemeenschappelijke vijand, de onderlinge afhankelijkheid die ontstaat in een samenleving met een complexe arbeidsverdeling of de lichte en informele ontmoeting en omgang met ‘vreemden’ in stedelijke omgevingen (Oosterlynck, Loopmans, Schuermans, Van den Abeele, & Zemni, 2014). De identificatie van bronnen van solidariteit is geen oefening die zich in een ideologisch of moreel vacuüm afspeelt, maar weerspiegelt ook een bredere visie op de samenleving. Die bredere visie vertoont onvermijdelijk affiniteit met specifieke ideologische posities (Silver, 1994). De maatschappelijke en wetenschappelijke discussies rond solidariteit zijn dus onderling nauw verweven.

Solidariteit lijkt een helder concept. Iedereen meent te weten wat solidariteit echt is. Maar één vlugge blik op het maatschappelijk en wetenschappelijk debat toont dat dit helemaal niet het geval is. Solidariteit is bij uitstek een chaotische term. Zoals Zygmunt Bauman het uitdrukt: ‘a word in search of flesh’ (Bauman, 2013). Algemeen gesproken gaat het over ‘delen vanuit een gevoel van lotsverbondenheid’ (Stjerno, 2004). Maar wat er precies met wie gedeeld wordt, waar en hoe er gedeeld wordt en op welke gronden er een lotsverbondenheid bestaat of aangevoeld wordt, is al meer dan twee eeuwen het voorwerp van wetenschappelijk en maatschappelijk debat.

Deze bijdrage vertrekt vanuit de stelling dat het vanuit een democratisch standpunt goed is dat het concept solidariteit opengehouden wordt. Dat ligt in lijn met de inzichten van de politieke filosofe Chantal Mouffe. Zij argumenteert dat democratie een ‘conflictueuze consensus’ ver-eist, ‘a consensus on the ethico-political values of liberty and equality for all, [but] dissent about their interpretation’ (Mouffe, 2005: 121). Alhoewel Mouffe zelf niet uitdrukkelijk verwijst naar solidariteit, maar zich beperkt tot vrijheid en gelijkheid voor allen als kernwaarden van de ‘conflictueuze consensus’ waarop democratie gegrondvest is, kan men evengoed ook ‘solidariteit’ als derde waarde van de Franse Revolutie toevoegen. De democratische opgave is dan om de concrete betekenis van het concept solidariteit open te houden voor diverse interpretaties. Het gaat dan om de erkenning van de legitimiteit van een meningsverschil over wat solidariteit concreet inhoudt.

SOLIDARITEIT: EEN DRUK BEZETTE TERM

Dit is belangrijk omdat solidariteit een druk ‘bezette’ term is, die sterk geclaimd wordt voor historisch zeer specifieke vormen van solidariteit. Dat is niet zo verwonderlijk gezien ‘solidariteit’ als woord de voorbije eeuw het meest nadrukkelijk ingezet geworden is door de arbeidersbeweging (Stjerno, 2004), in het bijzonder door die van sociaaldemocratische signatuur. Solidariteit wordt vanuit dat perspectief ingevuld als sociale bescherming en structurele herverdeling via een progressief belastingsysteem, publieke dienstverlening en vervangingsinkomens. Solidariteit wordt vandaag dan ook vooral geassocieerd met de nationale verzorgingsstaat en met nationaal sociaal beleid. In de voorbije decennia pikten ook allerlei nieuwe sociale bewegingen zoals de derdewereldbeweging (‘internationale solidariteit’) de term op, maar de dominante associatie blijft toch de nationale verzorgingsstaat.

Hoe belangrijk de verzorgingsstaat ook is als institutionalisering van een sterke, structurele en broodnodige solidariteit in de samenleving, die sterke associatie bemoeilijkt een open discussie over de inhoud van solidariteit. Dat is problematisch gezien een reeks nieuwe maatschappelijke uitdagingen zoals de snel toenemende diversiteit, vluchtelingenstromen, de milieuproblematiek en de vraag naar participatie en inspraak niet zo gemakkelijk te beantwoorden zijn vanuit de bureaucratische, gestandaardiseerde en gecentraliseerde nationale verzorgingsstaat die in de naoorlogse decennia uitgebouwd is. Nieuwe, minder geïnstitutionaliseerde praktijken van solidariteit die ontstaan als reactie op deze nieuwe uitdagingen kunnen best gezien worden als een uitnodiging om bestaande vormen van solidariteit te bevragen en waar nodig te herdenken. Nu worden die al te dikwijls naast de ‘meetlat’ van de nationale verzorgingsstaat gelegd en afgedaan als louter ‘liefdadigheid’ en ‘te weinig structureel’. Ik wil in dit artikel geen afbreuk doen aan de blijvende verdienste van de nationale verzorgingsstaten en de dwingende noodzaak aan structurele en geïnstitutionaliseerde vormen van solidariteit, maar wel vanuit hedendaagse uitdagingen de vraag naar wat het wezen van solidariteit is opnieuw aangaan.

Het polysemische karakter van de term solidariteit mag dan al hoogst productief zijn vanuit democratisch perspectief omdat het een samenleving toestaat om van mening te verschillen over de meest wenselijke organisatie van het samen leven, vanuit wetenschappelijk perspectief kan dit wel problemen opleveren. Solidariteit analyseren vergt eenduidige definities, zeker als men solidariteit ook wil gaan meten. Dit moet wetenschappers echter niet tegenhouden om in dit debat te interveniëren.

Dit kan enerzijds door, eens solidariteit op een bepaalde manier gedefinieerd wordt, de oorzaken, gevolgen en effecten die toegeschreven worden aan solidariteit zo begrepen te gaan toetsen aan de realiteit. Is het bijvoorbeeld zo dat het bestaan van een uitgebouwde sociale zekerheid de vrijwillige daden van solidariteit tussen mensen ondermijnt? Anderzijds kunnen wetenschappers via conceptuele vernieuwing en theoretisch gestuurd empirisch onderzoek bijdragen aan de theorievorming rond oude en nieuwe vormen van solidariteit en hoe (en in welke mate) die inspelen op maatschappelijke evoluties en uitdagingen.

Het is vooral hier dat sociale wetenschappers meer zouden kunnen en moeten doen. Veel hedendaags sociologisch onderzoek naar solidariteit blijft te dicht op de feiten en cijfers plakken om echt perspectief te kunnen bieden naar wat 21ste eeuwse vormen van solidariteit kunnen zijn. Men observeert vanuit een gevestigde terminologie en focust op wat is, niet op wat kan zijn (potentieel) en wat al geprefigureerd wordt in soms kleine praktijken op specifieke plaatsen. We moeten dus opnieuw aansluiting zoeken bij een oudere traditie van sociale theorie die programmatorisch durfde te denken en die de sociologische verbeelding gebruikte om doorheen de vele feiten en cijfers pistes voor een herijking van solidariteit te identificeren.

SOLIDARITEIT HERDENKEN: ZOEKEN NAAR COMPLEMENTARITEIT

Ik focus in dit artikel vooral op de verhouding tussen onpersoonlijke, indirecte en (meestal) door de nationale overheid georganiseerde vormen van solidariteit enerzijds en de interpersoonlijke, meer directe vormen van solidariteit die mensen elkaar in hun dagelijkse leefomgeving op meer vrijwillige basis betuigen anderzijds.

Het debat over deze twee vormen van solidariteit wordt in ons taalgebied onder meer aangevuurd door een recent rapport van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in Nederland (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, 2013). Het rapport pleit ervoor om de eigenheid van directe en indirecte vormen van solidariteit te erkennen. Indirecte solidariteit via de overheid is gebaseerd op ‘gelijke toebedeling’, sociale rechten dus, terwijl directe solidariteit een gunst voor een zelf gekozen groep is. De Raad verwacht - en dringt tegelijkertijd ook aan op - een verschuiving van indirecte naar directe solidariteit, omdat de ‘solidaire ervaring’ volgens haar verloren is gegaan en de indirecte vormen van solidariteit onbetaalbaar zouden worden. Tegelijkertijd waarschuwt het rapport voor de nieuwe vormen van uitsluiting die kunnen ontstaan als solidariteit opnieuw meer een gunst wordt.

Waar dit rapport de kerk nog in het midden houdt, met een ambigue en wat inconsistente boodschap tot gevolg, stellen anderen in het publieke debat directe en indirecte vormen van solidariteit als alternatieven voor elkaar voor. Dat is bijvoorbeeld het geval in het ‘Big Society’ programma van de Britse premier David Cameron. Cameron stelt directe vormen van solidariteit voor als een ‘derde weg’ tussen staat en markt: ‘In the past, the left focused on the state and the right focused on the market. We’re harnessing that space in between - society - the ‘hidden wealth’ of our nation’ (Cameron, 2011). Ook in Nederland zit men met het idee van de participatiesamenleving op dat spoor. Het vertoog van de Europese Commissie rond sociale innovatie, dat door de vorige voorzitter van de Europese Commissie Barroso gelanceerd werd als antwoord op de kritiek dat de Lissabon-agenda te economisch gericht was (Oosterlynck & Cools, 2012), tapt uit hetzelfde vaatje. Volgens Barroso ontstaat er ‘een nieuwe ‘faciliterende verzorgingsstaat’ die een verandering van attitude en betrokkenheid van burgers, publieke instellingen en private organisaties vraagt om zo de antwoorden op nieuwe sociale eisen te verbeteren’ (Bureau of European Policy Advisors, 2010). De gewenste verandering van attitude verwijst opnieuw naar een activering van de burger, die verwacht wordt zelf te handelen en zo solidariteit te betonen. Ook in België vindt dit vertoog ingang. In een recent opiniestuk stelt N-VA-parlementslid Peter De Roover dat ‘echte’ solidariteit niet ‘top down’ vanuit de ‘dwingende structuren’ van de overheid georganiseerd kan worden. Het versmacht de ‘echte’ solidariteit: ‘Hoe meer belastingen opgelegd worden, hoe minder ruimte er overblijft voor echte solidariteit: de vrijwillige inzet van eigen middelen ten bate van anderen. Hoge belastingen eroderen het verantwoordelijkheidsgevoel. Ze stimuleren de gedachte dat de overheid de klus maar moet klaren.’

Er is echter weinig empirische evidentie dat de verzorgingsstaat effectief de wederkerigheid en het vertrouwen in de burgermaatschappij verzwakt (‘crowding out’), wel van het tegenovergestelde (‘crowding in’) (Brewer, Oh, & Sharma, 2014; Szreter & Ishkanian, 2012). Brewer en collega’s toonden aan dat sociale investeringen door de overheid een bescheiden positieve impact hebben op het onderlinge vertrouwen in de samenleving (in plaats van dat te ondermijnen). Ook de stelling dat bottom-up creativiteit en engagement in gevaar komt als de overheid met subsidies tussenbeide komt, is voor discussie vatbaar. Op z’n minst moet de overheid sociaal corrigerend optreden in wijken met veel bewoners met een zwak sociaaleconomisch profiel of hoge diversiteit, omdat het zelforganiserend vermogen daar lager is (Putnam, 2007). Uitermark nuanceert die vaststelling. Hij wijst erop dat zelforganisatie vaak voortborduurt op reeds bestaande lokale organisaties. De ongelijke spreiding van dit weefsel van organisaties valt niet zomaar te verklaren vanuit het sociaaleconomisch profiel van de bevolking (Uitermark, 2014). Anne Power stelt dan weer dat één van de belangrijkste voorwaarden voor het succes van buurtorganisaties en lokale sociale acties de controle over reële hulpmiddelen en de directe steun van organisaties of publieke instellingen is (Tunstall, Lupton, Power, & Richardson, 2011). Ishkanian en Szreter ten slotte merken op dat als nationale en lokale overheden veel in publieke goederen en diensten investeren dat tot meer participatie van burgers leidt, omdat overheden op die manier tonen dat zorg voor de gemeenschap een belangrijke culturele prioriteit is (Szreter & Ishkanian, 2012).

De conclusie dringt zich op dat een overheid, wil ze al haar burgers gelijke kansen bieden, tenminste de democratische plicht heeft om te investeren in publieke ontmoetingsinfrastructuur, professionals en/of andere omkadering die het zelf-organiserende vermogen van wijken stimuleert. Een overheid die niet investeert in het weefsel van organisaties dat de burgermaatschappij vormt, verzwakt de structuren waarop directe vormen van solidariteit en bottom-up initiatieven groeien.

HET POTENTIEEL VAN PLAATSGEBASEERDE VORMEN VAN SOLIDARITEIT

Het is onvoldoende om de stellingen over de negatieve relatie tussen directe en indirecte solidariteit empirisch te weerleggen. Sociale wetenschappers moeten ook lijnen uitzetten voor het fundamenteel herdenken van de notie solidariteit in het licht van de uitdagingen van een 21ste eeuwse samenleving. Op basis van het interdisciplinair denkwerk en onderzoek binnen het onderzoeksproject DieGem1 onderzoeken sociologen, pedagogen2, geografen en politicologen nieuwe vormen van solidariteit in diversiteit (www.solidariteitdiversiteit.be). Op basis van de nieuwste inzichten in hun disciplines en kwalitatief onderzoek van meer dan dertig gevalstudies van praktijken van solidariteit in diversiteit op werk-, woon-, leer- en vrije tijdsplaatsen ontwikkelt het DieGem-team een nieuwe benadering van solidariteit.

Het klassieke denken rond bronnen van solidariteit zoals dit vooral in de sociologie ontwikkeld is (Oosterlynck en Van Bouchaute, 2013), is vandaag nog steeds relevant, maar het zit gevat binnen een 20ste eeuws tijdsruimtelijk kader dat aan herdenking toe is. De geschiedenis van solidariteit als modern concept is sterk verbonden met natiestaatvorming. Het gaat uit van een - althans in de verbeelding (Anderson, 1991) - cultureel sterk gehomogeniseerde gemeenschap en de historische continuïteit die samenhangt met het delen van een geschiedenis (cfr. Comte in Stjerno, 2004). Vanuit die vermeende historische continuïteit en gedeelde cultuur ontstaat de idee dat waarden en normen, belangen en dus uiteindelijk ook een lot met elkaar gedeeld wordt. Dit specifieke gemeenschapsidee vormt de onderbouw voor de 20ste eeuwse solidariteit. Heel wat klassiek sociologisch denkwerk rond solidariteit geraakte met de bovenstaande aannames verweven.

Zo geloofde ook Durkheim niet dat organische solidariteit, waarbij een doorgedreven arbeidsverdeling leidt tot een sterke onderlinge afhankelijkheid tussen mensen op verschillende posities in die arbeidsverdeling, voldoende was. Nochtans is onderlinge afhankelijkheid één van de onderliggende logica’s van solidariteit in de sociale zekerheid (Cantillon & Van Mechelen, 2014). Sociale risico’s worden ‘gepoold’ en leden van de samenleving die via hun arbeid bijgedragen hebben, kunnen in geval van ziekte, ouderdom of werkloosheid beroep doen op solidariteit. Durkheim stelde dat er ook nood was aan een ‘gemeenschappelijk bewustzijn’, wat we vandaag gedeelde waarden en normen noemen, om solidariteit op te baseren. Alhoewel de arbeidsverdeling in onze samenleving al eeuwen ver voorbij nationale grenzen georganiseerd is, ontwikkelde dat ‘gemeenschappelijk bewustzijn’ in de 20ste eeuw vooral binnen de grenzen van de natiestaat. Solidariteit werd letterlijk genationaliseerd. Daarnaast speelde ook sociale strijd, onder meer die van de arbeidersbewegingen, een cruciale rol. Strijd is vandaag een wat onderschatte bron van solidariteit, maar sociologen zoals Marx en Weber waren zich sterk bewust van hoe het hebben van en mobiliseren tegen een gemeenschappelijk vijand sterke gevoelens van samenhorigheid en lotsverbondenheid creëert. De welvaartsstaat ontstond mee vanuit deze strijd en de machtsverhouding die het mogelijk maakte om solidariteit op te leggen aan de groepen die hun inkomen uit eigen belang wilden afschermen.

De laatste decennia komt de in de 20ste eeuw opgebouwde solidariteit, die in belangrijke mate indirect is, onder druk te staan. Niet omdat de bronnen van solidariteit niet meer zouden werken, maar wel omdat de (verbeelde) gemeenschap erachter verbrokkelt als gevolg van verschuivende sociale risico’s (bv. naar laaggeschoolden en eenoudergezinnen), migratie en toenemende etnisch-culturele diversiteit, economische globalisering en individualisering en sociale segmentatie (Stjerno, 2004). De idee dat solidariteit zich kan enten op de vermeende historische continuïteit en culturele homogeniteit van een natiestaat wordt steeds minder houdbaar. Migranten en nieuwkomers delen minder dan ooit dezelfde geschiedenis (of ervaring ervan) met de autochtone bevolking. Natiestaten slagen er steeds minder in via hun grenzen de homogeniteit van hun bevolking te organiseren. De sterk ongelijke spreiding van sociale risico’s binnen de bevolking en individualisering leiden tot verschillende beleving van wat de toekomst brengt.

We moeten dus op zoek naar een ander tijdsruimtelijk kader om solidariteit te genereren. De optie om op lange termijn een nieuwe ‘wij’ te creëren (Putnam, 2007) vergt zowel historische continuïteit als de cultureel homogeniserende krachten van de natiestaat, wat gezien de blijvende migratiestromen, algehele mobiliteit van de bevolking, sociale dualisering en de economische globalisering geen evidente optie is.

SOLIDARITEIT IN HET HIER EN NU

Een ander tijdsruimtelijk kader is nodig. Niet ter vervanging van de solidariteit die historisch gegroeide nationale instituties organiseren, maar als complementair voor die plaatsen en groepen waar de ontwikkeling van solidariteit vandaag moeilijker loopt. Om het tijdskader te herdenken is het recente denken over burgerschap in de politieke wetenschappen inspirerend (Zemni en Debruyne, 2013). In de klassieke visie is burgerschap een formeel statuut dat toegekend wordt door nationale staten en onder bepaalde voorwaarden toegang geeft tot solidariteit. De voorbije decennia bekritiseerden politicologen deze notie van burgerschap omdat het te weinig rekening zou houden met de culturele differentiatie van de bevolking en met de rechten van minderheden (Kymlicka, 1995).

Recent maakte een meer radicale kritiek van klassieke concepties van burgerschap opgang, namelijk een visie op burgerschap die niet langer het statuut - en dus de nationale overheid - centraal stelt, maar wel wat mensen concreet doen (Isin, 2001). Burgerschap als praktijk dus. Burgerschap staat zo open voor iedereen, ook wie niet over het (volledige) wettelijk statuut beschikt, en wordt gemaakt door wie zich actief in de publieke ruimtes als burger opstelt. Voorbeelden zijn de mensen zonder papieren die catering organiseerden voor gestrande asielzoekers in het Brusselse Maximiliaanpark of de Antwerpse allochtone jongeren die er als vrijwilligers de ‘security’ kwamen waarnemen (Depraetere et al., 2015). Bij burgerschap als praktijk verschuift de aandacht weg van historische continuïteit naar het ‘nu’. Een ander voorbeeld is de manier waarop de Chiro in Brussel met allochtone jongeren aan de slag gaat (Dehaene et al., 2014). De jongeren zijn niet vertrouwd met het jeugdbewegingsmodel en hun ouders kunnen niet geappelleerd worden op een eigen jeugdbewegingsverleden. Vanuit de realiteit van grootstedelijke wijken herdenken ze samen met de allochtone jongeren het jeugdbewegingsmodel. Of neem ten slotte intergenerationele projecten waarbij voornamelijk allochtone jongeren samen activiteiten doen met autochtone ouderen (Steel et al., 2016). Op die manier ontstaan solidariteitspraktijken, die gezien de verschillende etnisch-culturele achtergrond van ouderen en jongeren niet via de familie - die normaal solidariteit over de generaties heen organiseert - kunnen groeien.

Ook in het ruimtelijk kader dient een verschuiving te gebeuren (Schuermans et al., 2013). De kritiek van geografen op het ‘methodologisch nationalisme’ van veel sociale wetenschappers (Brenner, 2004) is een goed startpunt. Methodologisch nationalisme houdt in dat we er zonder veel nadenken vanuit gaan dat de nationale staat het evidente ruimtelijk kader is waarbinnen mensen samen leven, problemen definiëren en oplossingen zoeken. Geografen wijzen ons in die context op het toegenomen belang van plaats in het organiseren van ons samenleven. In een globaliserende wereld, waarin de greep van natiestaten verzwakt, wordt plaats paradoxaal genoeg belangrijker (Swyngedouw, 2004). Wanneer mensen over grenzen heen meer met elkaar in contact of concurrentie staan, doet de eigenheid van plaatsen er veel meer toe om zich van anderen te onderscheiden. ‘Plaats’ maken wordt dan een belangrijk project (Massey, 1993). Niet in de netjes afgegrensde territoria van de natiestaat, maar ‘hier’, in de intimiteit en nabijheid die plaats als ruimtelijk register kenmerkt, ontstaan innovatieve oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. Dit is echter geen ‘onder de kerktoren’ strategie. Veel (stedelijke) plaatsen zijn bij uitstek relationeel geworden (Amin, 2004). Er verknopen zich allerlei relaties tussen onder meer de oude blanke arbeidersklasse, mensen met diverse migrantenachtergronden, nieuwe stedelijke middenklassers en autochtone generatiearmen. Allen brengen zij op concrete plaatsen elementen binnen die van elders, soms ver voorbij die plaats zelf, komen. Die groepen delen weinig, behalve de plaats waar ze samen wonen, werken, leren en ontspannen. Vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor die plaats kan men tot een nieuwe gemeenschappelijkheid en zo tot solidariteit komen. Plaats is laagdrempelig, omdat het uitgangspunt niet de zo moeilijk te bereiken gedeelde waarden en normen is, niet het zoeken naar gedeelde sociaaleconomische belangen tussen mensen met zeer verschillende sociaaleconomische posities, niet de onderlinge afhankelijkheid in een arbeidsmarkt die dualiseert en laaggeschoolden uitstoot.

Voorbeelden van hoe hier, vanuit nabijheid in plaats, nieuwe vormen van solidariteit stimuleert, vind je onder meer op een aantal superdiverse bedrijfsvloeren. Vanuit een pragmatiek dat het werk nu eenmaal gedaan moet worden en de werknemers daarin afhankelijk zijn van elkaar, ontwikkelt zich daar een lotsverbondenheid. We stelden dit onder meer vast in het internationale postbedrijf Spring Global Mail, waar ‘de post moet buiten’ de grond van de onderlinge praktijken van solidariteit mooi samenvat (Spijkers en Moris, 2014). Cruciaal voor solidariteit op een superdiverse werkvloer blijkt een fors antidiscriminatiebeleid te zijn, zoals blijkt uit onderzoek bij toeleverancier voor de automobielindustrie Tower Automotive (Debruyne, 2016). Samen verantwoordelijkheid nemen voor plaats, veronderstelt een positie van gelijkwaardigheid. Zogenaamde ‘autochtone claims’, waarbij iemand meer te zeggen heeft en zijn visie kan opleggen louter op basis van langere aanwezigheid op die plaats, moeten daarbij dikwijls opgeschort worden, wat niet evident is. Een ander voorbeeld komt uit de superdiverse school Mater Dei in Leuven. De school maakte een moeilijke periode door als gevolg van een snelle verarming en verkleuring van haar leerlingenpopulatie, maar probeerde daar de voorbije jaren onder meer vanuit een sterke betrokkenheid op en relaties met de wijk een nieuw schoolproject uit te puren (Schuermans en Debruyne, 2015). Nog een ander voorbeeld is het complementaire muntproject Torekes in de superdiverse achterstandswijk Rabot in Gent (Depraetere et al., 2014). De Torekes laten toe om de talenten van mensen die elders onvoldoende gewaardeerd worden, zoals werkzoekenden die bij VDAB de stempel ‘onactiveerbaar’ hebben, te mobiliseren voor nabijheids- en buurtdiensten. De complementaire munt breidt de lokale arbeidsverdeling zo uit dat nieuwe groepen erin opgenomen worden en vormt zo de basis voor een nieuwe wijkgebonden solidariteit. In elk van die voorbeelden is gedeelde plaats een laagdrempelige manier om in relaties van solidariteit met anderen te stappen.

Opvallend in zo goed als alle praktijken van solidariteit in het hier en nu die we onderzochten is de centrale ondersteunende rol van professionals en publieke ontmoetingsinfrastructuur. Die professionals en infrastructuur worden meestal, maar niet altijd, met publieke middelen betaald. We mogen niet kritiekloos zijn over de positie van professionals. Meestal gaat het om blanke middenklassers die onvermijdelijk handelen vanuit een geprivilegieerde positie. Dat kan bij gebrek aan reflectie ongelijke machtsverhoudingen bestendigen of prioriteiten van buiten af opleggen (Lawson & Elwood, 2013). Het is echter belangrijk om hun rol hier zichtbaar te maken, net omdat het gevaarlijke mythes over het spontane karakter van directe solidariteit onderuit haalt. De plaatsgebonden vormen van directe solidariteit zijn via de financiering van professionals en ontmoetingsinfrastructuur sterk verweven met de indirecte solidariteit van de verzorgingsstaat.

We zien dit onder meer in de rol die het beleid rond Evenredige Arbeidsdeelname (EAD), door de huidige regering ten onrechte afgevoerd, speelt in het realiseren en omkaderen van de samenwerking op de superdiverse werkvloer. We zien het in de essentiële rol van opbouwwerkers in het ondersteunen en op gang houden van het complementaire muntproject de Torekes in Gent of de solidaire woonprojecten Solidair Wonen in Sint-Niklaas (Verstraete et al., 2015). We zien het in de rol van geëngageerde leerkrachten, directieleden en buurtwerkers in en rond de superdiverse school Mater Dei in Leuven (zie eerder) en van de participatie- en buurtwerkers die aan gemeenschapsvorming werken in de Genkse wijk Sledderlo (Verstraete et al., 2016). Er zijn zeker ook voorbeelden van initiatieven die al dan niet bewust zonder overheidssteun werken (bijvoorbeeld om hun autonomie te bewaren of om een eigen benadering uit te werken). Ook dan zijn er echter altijd wel sporen van overheidsondersteuning, bijvoorbeeld het gebruik maken van de expertise van publiek gefinancierde universiteiten of medewerkers gefinancierd met arbeidsstatuten voor langdurig werklozen zoals artikel 60. Directe en indirecte solidariteit blijken dus in realiteit zeer sterk verweven te zijn.

CONCLUDEREND

Solidariteit is een druk bezette term, die sterk geassocieerd wordt met de nationale verzorgingsstaat. In het licht van een reeks hedendaagse uitdagingen is het echter nodig om ons begrip van solidariteit open te houden en te herijken. In deze bijdrage deed ik dit vanuit een focus op de relatie tussen directe en indirecte vormen van solidariteit. In tegenstelling tot de eerder conservatieve positie dat structurele en indirecte mechanismen van solidariteit directe en spontane vormen van solidariteit ondermijnen, argumenteerde ik dat beiden complementair zijn.
Ik toonde die complementariteit op twee manieren aan. Eerst verkende ik kort het wetenschappelijke onderzoek hierover. Dat onderzoek geeft duidelijk aan dat de indirecte vormen van solidariteit die nationale en andere overheden organiseren helemaal niet de vrijwillige daden van solidariteit tussen mensen ondermijnt, maar het tegenovergestelde eerder waar is. Directe vormen van solidariteit gedijen net goed als er geïnvesteerd wordt in publieke ontmoetingsinfrastructuur, professionals en andere omkadering die het zelf-organiserende vermogen van wijken stimuleert. Daarna ontwikkelde ik op basis van interdisciplinair denkwerk en onderzoek een nieuw kader voor solidariteit. Ik legde uit dat een ander tijdsruimtelijk kader voor solidariteit nodig is, niet om de solidariteit die historisch gegroeide nationale instituties organiseren te vervangen, maar als complementair voor die plaatsen en groepen waar de ontwikkeling van solidariteit vandaag moeilijker loopt. Dat alternatieve tijdsruimtelijk kader focust op praktijken van solidariteit die ontstaan vanuit het opnemen van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de plaats waar men woont, werkt, leert of ontspant. Ook in die praktijken van solidariteit valt de centrale ondersteunende rol van professionals en publieke ontmoetingsinfrastructuur op.

Stijn Oosterlynck
Hoofddocent Stadssociologie Centrum OASeS, Universiteit Antwerpen

Noten
1/ De auteur van dit artikel coördineert het onderzoeksproject DieGem, waar verder nog de volgende promotoren aan meewerken: Joke Vandenabeele, Maarten Loopmans, Pascal De Decker en Frank Moulaert van de KU Leuven, Griet Verschelden van Hogeschool Gent en Sami Zemni van de UGent.
2/ Het pedagogische luik van de argumentatie laten we in dit artikel buiten beschouwing omwille van redenen van plaats. De lezer die geïnteresseerd is in de diverse leerprocessen die tot nieuwe vormen van solidariteit leiden, kan onder meer hier terecht: Depraetere, A. and Vandenabeele (2013) ‘Education and the concern for community’, DieGem working paper http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/bib/00321435\_2.pdf.

Bibliografie
- Amin, A. (2004). Regions unbound: towards a new politics of place. Geographiska Annaler B, 86(1), pp. 33-44.
- Anderson, B. (1991). Imagined communities. London: Verso.
- Bauman, Z. (2013). Solidarity: a word in search of flesh. New Eastern Europe(2).
- Brenner, N. (2004). New state spaces. Urban governance and the rescaling of statehood. Oxford: Oxford University Press.
- Brewer, K. B., Oh, H., & Sharma, S. (2014). ‘Crowding in’ or ‘crowding out’? An examination of the impact of the welfare state on generalized social trust. International Journal of Social Welfare, 23(1), 61-68. doi: 10.1111/ijsw.12019
- Bureau of European Policy Advisors. (2010). Empowering people, driving change. Social innovation in the European Union. Brussels: European Commission.
- Cameron, David (2011). Speech on the Big Society, Milton Keynes, 23 May 2011.
- Cantillon, B., & Van Mechelen, N. (2014). Poverty reduction and social security: cracks in a policy paradigm. CSB Working Paper, 13(4).
- Debruyne, P. (2016). Tower Automotive. DieGem case study,(forthcoming).
- Dehaene, J., Schuermans, N. en Verschelden, G. (2014). ChiroJeugd Vlaanderen. DieGem case study. http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/cases/rapportage\_chiro\_definitief.pdf.
- Depraetere, A., Oosterlynck, S., Vandenabeele, J. (2015) CollectActiv. DieGem case study, (forthcoming).
- Depraetere, A., Van Bouchaute, B., Vandenabeele, J. en Oosterlynck, S. (2014). Complementaire munt de Torekes in Rabot-Blaisantvest, Gent. DieGem case study, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/cases/torekesdef.pdf.
- Isin, E. F. (2001). Being political: genealogies of citizenship. Minneapolis: University of Minnesota Press.
- Kymlicka, W. (1995). Multicultural Citizenship: A Liberal Theory of Minority Rights. Oxford: Clarendon Press.
- Lawson, V., & Elwood, S. (2013). Encountering Poverty: Space, Class, and Poverty Politics. Antipode, 46(1): pp. 209–228.
- Massey, D. (1993). Power-geometry and a progressive sense of place. In J. Bird, B. Curtis, T. Putnam & L. Tickner (Eds.), Mapping the futures: local cultures, global change. London: Routledge.
- Mouffe, C. (2005). On the political. London: Routledge.
- Oosterlynck, S., & Cools, P. (2012). Lokale initiatieven als bouwstenen van sociale innovatie. In D. Dierckx, S. Oosterlynck, J. Coene & A. Van Haarlem (Eds.), Armoede en Sociale Uitsluiting Jaarboek 2012 (pp. 195-212). Leuven: Acco.
- Oosterlynck, S. en Van Bouchaute (2013). Social solidarities: the search for solidarity in sociology, DieGem Working Paper, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/bib/00321431\_1.pdf.
- Oosterlynck, S., Loopmans, M., Schuermans, N., Van den Abeele, J., & Zemni, S. (2015). Putting flesh to the bone: looking for solidarity in diversity, here and now, Ethnic and Racial Studies, (forthcoming), http://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/01419870.2015.1080380?journalCode=rers20
- Putnam, R. D. (2007). E Pluribus Unum: Diversity and Community in the Twenty-first Century, The 2006 Johan Skytte Prize Lecture. Scandinavian Political Studies, 30(2), 137-174.
- Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. (2013). Rondje voor de publieke zaak. Pleidooi voor de solidaire ervaring. Den Haag: Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling.
- Schuermans, N. en Debruyne, P. (2015) Mater Dei. DieGem case study report, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/cases/materdeidef.pdf.
- Schuermans, N., Spijkers, F. en Loopmans, N. (2013). Solidarity in human geography: responsibility, care, place and encounter. DieGem Working Paper, [http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/bib/00321437\_3.pdf](http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/bib/003214373.pdf).
_ - Silver, H. (1994). Social exclusion and social solidarity: Three paradigms. International Labour Review, 133(5/6), 531.
- Spijkers, F. en Moris, M. (2014). Spring Global Mail. DieGem case study report, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/cases/springdef.pdf.
- Steel, R., Dehaene, J., Van Steenberghe, T. en Verschelden, G. (2016) DieGem case study: Intergenerationele projecten, (forthcoming).
- Stjerno, S. (2004). Solidarity in Europe. Cambridge: Cambridge University Press.
- Swyngedouw, E. (2004). Globalisation or ‘glocalisation’? Networks, territories and rescaling. Cambridge Review of International Affairs, 17(1), pp.25-49.
- Szreter, S., & Ishkanian, A. (2012). Introduction: what is Big Society? Contemporary social policy in a historical and comparative perspective. In A. Ishkanian & S. Szreter (Eds.), The Big Society debate. A new agenda for social welfare? (pp. 1-24). Cheltenham: Edward Elgar.
- Tunstall, R., Lupton, R., Power, A., & Richardson, L. (2011). Building the Big Society. CASE Report(67), pp.1-44.
- Uitermark, J. (2014). Verlangen naar wikitopia. Rotterdam: Erasmus Universiteit Rotterdam.
- Verstraete, J., De Decker, P. en Oosterlynck, S. (2015) Solidair Wonen Sint-Niklaas. DieGem case study report, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/cases/solidair\_wonen.pdf.
- Verstraete, J., De Decker, P. en Oosterlynck, S. (2015) DieGem case study: Sledderlo, (forthcoming).
- Zemni, S. en Debruyne, P. (2013) Citizenship, community and social cohesion: A political science analysis, DieGem Working Paper, http://www.solidariteitdiversiteit.be/uploads/docs/bib/00321438\_4.pdf.

solidariteit - burgerinitiatieven - directe solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 27 tot 37