Log in

Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Een sociaalwetenschappelijk debat waaraan de afgelopen jaren disproportioneel veel inkt is gewijd, is de zogenaamde ‘E Pluribus Unum’-these. In het wetenschappelijk artikel met de gelijknamige titel stelt Harvard-professor Robert Putnam (2007) dat diversiteit een negatieve invloed heeft op het sociaal kapitaal. Op basis van uitgebreid onderzoek op Amerikaanse buurten stelt Putnam vrij kordaat (2007, p. 151): ‘Diversity, at least in the short run, seems to bring out the turtle in all of us.’ Wanneer we geconfronteerd worden met diversiteit lijken we terug te plooien op onszelf - zelfs vertrouwen in de in-group moet eraan geloven. Maar klopt dit wel? Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit? Komt bij diversiteit de schildpad in ons allen naar boven?

VRAGEN OVER SOLIDARITEIT

Hoe genereus zijn we voor migranten en vluchtelingen?
Toon (Antoon) Vandevelde
Betekent meer diversiteit minder sociabiliteit?
Tim Reeskens
Wie verdient de steun van onze welvaartsstaat?
Tijs Laenen
Hoe geraken we voorbij de valse paradox tussen van onderuit en van bovenaf?
Stijn Oosterlynck
Hoe communiceren over solidariteit?
Eric Goubin
Hoe krijgen we meer solidariteit tussen generaties
Danielle Zwarthoed

Als Putnam spreekt, dan luistert de wereld. Een grapje van zijn hand is dat een test om professor te worden aan Harvard University bestaat uit namedropping. Zijn telefoonboek behelst een rist politici die hij voorziet van beleidsadvies. Indertijd kregen voormalig Brits Prime Minister Gordon Brown en toenmalig Nederlands Minister van Integratie Wouter Bos Putnam over de vloer met de waarschuwing dat diversiteit en sociaal kapitaal moeilijk samengaan. Het gewicht van de Amerikaanse resultaten op dit beleidsadvies is uit verhouding in vergelijking met nationale experten op dit thema die probeerden om een eerder genuanceerd verhaal te vertellen rond de ‘E Pluribus Unum’-these.

De doelstelling van deze bijdrage is het hele debat rond diversiteit en sociaal kapitaal tot zijn correcte proporties te herleiden door bestaande kanttekeningen op het ‘E Pluribus Unum’-onderzoek een platform te bieden. Maar voor we dieper ingaan op dit onderzoek is het van belang om kort stil te staan bij het concept ‘sociaal kapitaal’.

VERENIGINGEN, DE LEERSCHOOL VOOR EEN GOEDE DEMOCRATIE?

Het concept ‘sociaal kapitaal’ gaat terug op de sociologie van ongelijkheid. Pierre Bourdieu (1986) stelde dat net als economische en culturele vormen van kapitaal, ook netwerken waarde hebben en op die manier ongelijkheden bestendigen. De populariteit van dit concept kende echter een vlucht toen Putnam in 1993 zijn decennialang onderzoek naar de democratische performantie van Italiaanse regio’s publiceerde. Door de Italiaanse decentraliseringspolitiek had in de jaren 1970 elke regio dezelfde bevoegdheden gekregen; toch bleek dat sommige regio’s - vooral deze in het noorden - hun bevoegdheden hadden omgezet in een goed werkende en responsieve overheid. Putnam (1993) stelde dat van alle mogelijke factoren ‘sociaal kapitaal’ verantwoordelijk geacht moet worden voor deze positieve omslag in het noorden. Deze regio’s bulken van een sterk verenigingsleven. En die verenigingen zouden haar leden, op hun beurt, skills aanleren die nodig zijn voor een gezonde democratie, zoals bijvoorbeeld afspraken maken, praten met politici, enzovoort.

Een van die skills die voortkomt uit dit verenigingsleven is vertrouwen - niet enkel in de mensen die je kent, maar ook in mensen die verschillend van je zijn. Dit sociaal vertrouwen heeft een prominente plek gekregen in de sociaal kapitaal-literatuur. Eric Uslaner (2002) noemt het zelfs de ‘kippensoep van de samenleving’: het zorgt voor positieve effecten, maar je weet niet goed hoe het werkt. Nu is dat voor sociale wetenschappers een uitspraak die de nodige jeuk opwekt. Maar ook of het verenigingsleven vertrouwen opwekt, is niet onproblematisch. Recent onderzoek toont namelijk aan dat het juist mensen met een democratische ingesteldheid zijn die lid worden van verenigingen, terwijl het socialiserende effect van verenigingen minimaal is (van Ingen & Bekkers, 2015). Niet dat dit afbreuk doet aan het belang van het verenigingsleven, maar het nuanceert natuurlijk wel in grote mate het belang dat sociaal kapitaal voor een democratie heeft.

DE TANENDE GEMEENSCHAPSZIN IN DE VERENIGDE STATEN

Juist omdat dit verenigingsleven en dit vertrouwen zo belangrijk zijn voor een goedwerkende overheid heeft Putnam (2000) een klepper van formaat geschreven hoe het nu eigenlijk gesteld is met dat sociaal kapitaal in Amerika. Zijn boodschap was ronduit alarmerend. Sinds de jaren 1950-1960 zijn de Amerikanen stelselmatig minder gaan participeren en is ook het sociaal vertrouwen gedaald. De titel Bowling Alone komt dan ook niet uit de lucht gegrepen: terwijl bowlen vroeger een sociale activiteit was, zijn mensen steeds meer op zichzelf gaan bowlen.

De oorzaken voor dit dalend sociaal kapitaal zoekt Putnam in een aantal sociale veranderingen. Een belangrijke factor is de opkomst van de massamedia. De televisie is elke huiskamer binnengeslopen en strijdt om de schaarse tijd die mensen kunnen besteden aan sociale participatie. Bovendien zou massamedia negatieve psychologische invloeden hebben en een mean world effect voortbrengen. Het hoeft weinig betoog dat verschillende sociale wetenschappers op deze bevinding zijn gesprongen en genuanceerd. Iets overtuigender is dan weer de vaststelling dat sociaal kapitaal lijdt onder generationele vervanging. De generatie die net na de Tweede Wereldoorlog opgegroeid is, heeft gemeenschapszin ontwikkeld om Amerika - en de wereld - te heropbouwen. De generatie die opgroeide in het schandalentijdperk (Vietnamoorlog, Watergate) zag weinig heil in gemeenschapsgevoel. Ook Vlaams onderzoek laat trouwens zien dat er een vergrijzing plaatsheeft in het verenigingsleven. Gemiddeld genomen blijft participatie op peil, maar worden leeftijdsverschillen wel groter (Hooghe & Quintelier, 2007).

Andermaal werd ook Bowling Alone (2000), naast de resem terechte lofzangen, bedolven onder de nodige kritiek. Enkele scherpe geesten stelden namelijk vast dat in heel zijn beschrijving van de Amerikaanse gemeenschap veel te weinig belang werd geschonken aan de raciale samenstelling van het land. Rodney Hero (2003) was een van de meest actieve stemmen in dit debat. Hij stelde dat sociaal kapitaal actief ingezet kan worden om de positie van raciale minderheden, i.c. de zwarte gemeenschap, te verzwakken. Filosofe Barbara Arneill (2006) gaat door op hetzelfde elan: juist vanaf de periode dat zwarten meer burgerrechten kregen, is er een daling in het sociaal kapitaal vast te stellen. Kortom, van verschillende kanten kreeg Putnam weerwerk om iets te doen met diversiteit.

UIT VELEN EEN

En zo geschiedde. Sinds hij langs verschillende hoeken werd wakker geschud om iets te doen rond diversiteit, heeft Putnam een horde assistenten aan het werk gezet om zijn Social Capital Community Benchmark Survey uit te turven en zo de relatie tussen de raciale samenstelling van Amerikaanse buurten en het sociaal kapitaal in die buurten vast te stellen. Pas in 2007 zag hij de kans om de bevindingen naar buiten te brengen. Het jaar daarvoor kreeg hij namelijk de Johan Skytte Prize in Political Science, het equivalent van de Nobelprijs voor politieke wetenschappen, voor zijn sociaal kapitaal onderzoek. Hij heeft, naar eigen zeggen, zolang gewacht met de publicatie van ‘E Pluribus Unum’ om zowel de cijfers juist te hebben, alsook de juiste toon voor zijn artikel te vinden.

Want, zo stelt Putnam (2007): diversiteit is niet noodzakelijk een slecht verhaal. Hij geeft een resem voorbeelden die aantonen dat immigratie positief heeft bijgedragen aan de Amerikaanse samenleving. Een klassiek voorbeeld is een blik op de lijst van Nobelprijswinnaars verbonden aan Amerikaanse universiteiten, en vast te stellen hoeveel er van buitenlandse origine zijn. Maar ook op industrieel niveau leidt diversiteit tot meer creativiteit (cfr. de idiosyncratische verwijzing naar Steve Jobs bij het begin van de vluchtelingenstroom uit Syrië). Die positieve effecten op de lange termijn zouden zich evenmin beperken tot het gastland; Putnam verwijst naar de zgn. ‘remittances’ - het feit dat immigranten een deel van hun opgebouwde kapitaal naar het gastland terugsturen, is ook een positief effect dat globale ongelijkheid tegengaat.

En toch, zo alarmeert Putnam, is diversiteit op de korte termijn geen gemakkelijk verhaal. De theorieën die hij naar voren schoof voordat hij zijn onderzoek begon, waren om te beginnen de welbekende contact- en conflicttheorie. Volgens de contacttheorie zorgen diverse buurten voor meer contact met minderheden, wat tolerantie met hen in de hand zou moeten werken (maar zoals Thomas Pettigrew (1998) opmerkt, leidt contact enkel maar tot positieve gevoelens onder bepaalde voorwaarden). Volgens de conflicttheorie zou diversiteit (in combinatie met beperkte hulpbronnen, zoals bijvoorbeeld werkloosheid) leiden tot negatieve sentimenten tegenover minderheden. Daarnaast introduceert Putnam (2007) ook de ‘constrict theory’. Kort gezegd biedt het een aanvulling op de conflicttheorie: diversiteit zou niet enkel leiden tot minder vertrouwen in de out-group, maar ook tot minder vertrouwen in de in-group.

Het is juist deze theorie die Putnam (2007) ook bevestigd ziet in zijn data. In de meest diverse buurten hebben inwoners niet enkel minder vertrouwen in de out-group, maar ook minder vertrouwen in de in-group. Dit is absoluut geen gemakkelijk verhaal, maar Putnam pleit evenmin voor de gemakkelijke oplossing. De idee van Republikeinse politicus Pat Buchanan om de grenzen te sluiten om de immigranten de mogelijkheid te geven om ten volle te integreren, alsook autochtonen de kans te geven om te wennen aan immigranten, wordt meteen afgewimpeld door Putnam. Als alternatief stelt hij (2007) voor dat op de middellange termijn initiatieven moeten worden genomen om identiteit te ‘deconstrueren’. Wanneer we onze groepsidentiteit zo invullen dat deze openstaat voor ‘de ander’, dan wordt het samenleven met anderen peanuts.

CORRECTE LEZING NODIG

Met die boodschap trok Putnam de wereld rond om uit te leggen dat diversiteit de sociale solidariteit ondermijnt, maar dat er tevens mogelijkheden zijn om van diversiteit een positief verhaal te maken. Ondanks de positieve draai was het kwaad geschied. Verschillende opiniemakers wezen naar Putnams bevindingen om het failliet van de multiculturele samenleving af te kondigen. Desondanks hadden ook deze opiniemakers en een resem onderzoekers het empirische materiaal dat Putnam presenteerde, mogen onderwerpen aan een correcte lezing.

Om te beginnen stelt Putnam (2007, pp. 150-151) zelf vast dat diversiteit niet op alle indicatoren van sociaal kapitaal vat heeft. Diversiteit heeft geen vat op verschillende vormen van participaties in verenigingen, en heeft zelfs een positief effect op politieke participatie; vooral indicatoren van sociaal vertrouwen zijn onderhevig aan diversiteit. Dat is niet abnormaal, aangezien diversiteit eerder zal inspelen op attitudes dan op gedrag.

En toch. Ook bij die attitudes is een correcte lezing van Putnams werk op zijn plaats. Om niet al te veel terug te vallen in technische termen, maar om de lezer van zijn werk toch mee te nemen in zijn wetenschappelijke onderbouwing, toont Putnam (2007, p. 152) de resultaten van een volledige regressieanalyse. Wie dan goed oplet, zal vaststellen dat armoede in de wijk dubbel zo hard inhakt op diversiteit (aangezien het gestandaardiseerde effect dubbel zo groot is). Het is jammer dat er geen correct gewicht wordt gegeven aan de uitkomsten van deze analyses.

REPLICATIE NA REPLICATIE

De bevinding dat diversiteit het gemeenschapsleven uitholt gaf bovendien aanzet tot een stroom aan replicatiestudies, waarvan twee belangrijke studies gepubliceerd in het afgelopen jaar misschien wel het orgelpunt van deze onderzoekstraditie vormen.

Om te beginnen verschijnt eerstdaags in het toonaangevende American Journal of Sociology een artikel van de hand van Maria Abascal en Delia Baldassari die het Social Capital Community Benchmark Survey aan een grondige toets hebben onderworpen. Je kan je afvragen waarom het acht jaar heeft geduurd voordat iemand Putnams data heeft geheranalyseerd. Het is onderhand vrij bekend dat sociale wetenschappers nogal graag op hun data zitten; met een prestigieus survey als dat van Putnam is dat op zich niet anders. Nu, de bevindingen zijn best wel onthutsend, aangezien de onderzoekers vaststellen dat de negatieve relatie tussen diversiteit en sociaal kapitaal wordt veroorzaakt door het feit dat in diverse buurten juist meer minderheden wonen die op zichzelf al minder vertrouwen hebben.

De vaststelling dat dit effect veroorzaakt wordt door een compositie-effect, en niet door een context-effect, is van ontzettend groot belang. Bij een compositie-effect worden verschillen tussen buurten gedragen door de samenstelling van die buurten. Achtergestelde groepen hebben minder sociaal kapitaal om verschillende redenen. In een diverse buurt zijn er dus meer minderheden met minder sociaal kapitaal, wat opgeteld leidt tot gemiddeld lagere sociaal kapitaal op het buurtniveau. Bij een context-effect is het zo dat alle inwoners van een diverse buurt worden beïnvloed door diversiteit. Dat onderscheid kan gemakkelijk gemaakt worden door de juiste techniek toe te passen, m.n. multilevelanalyse. Vreemd genoeg meldt Putnam (2007, p. 153) in zijn artikel ook dat hij deze techniek heeft toegepast, en dat deze de empirische toets doorstaan heeft.

Een ander artikel is van de hand van Nederlandse collega’s Tom van der Meer en Jochem Tolsma (2014). Zij hebben meer dan 100 wetenschappelijke bijdragen naar het effect van diversiteit op sociaal kapitaal samengevat. Inderdaad, meer dan 100 artikelen hebben zich de afgelopen zeven jaar (tussen Putnams studie en de publicatie van dit review-artikel), vaak op andere data, gebogen over de ‘E Pluribus Unum’-these. Het belang van het onderzoek in contexten anders dan de Amerikaanse is niet abnormaal - we weten immers dat Amerika een bijzonder exceptioneel land is met een moeilijk verleden wat betreft diversiteit en ongelijkheid (een factor die op zichzelf een sterk negatief effect uitoefent op sociaal kapitaal). Juist door verschillende studies op andere locaties samen te brengen krijg je zicht op hoe universeel deze relatie is, en op welke dimensie van sociaal kapitaal juist het sterkst wordt aangetast.

De belangrijkste bevinding van deze meta-analyse is dat er veel kanttekeningen getrokken moeten worden rond het negatieve verhaal dat Putnam (2007) brengt over diversiteit en sociaal kapitaal. De onderzoekers stellen namelijk dat als er al een sociaal kapitaal-indicator universeel onderhevig is aan diversiteit dat dit ‘vertrouwen in de buurt’ is, en niet het bredere sociaal vertrouwen (‘vertrouwen in de ‘meeste’ mensen’). Alhoewel dat vertrouwen in de buurt een belangrijk item is, aangezien het de gezondheid van een buurt weergeeft, is het problematisch dat sociaal vertrouwen (cfr. ‘de kippensoep’) juist niet onderhevig is aan diversiteit. Het is dus niet zo dat het samenleven met mensen van een andere afkomst ervoor zorgt dat we het vertrouwen in de medemens verliezen.

Eigen onderzoek op Vlaamse data toonde dit effect trouwens evenmin aan (Reeskens & Hooghe, 2009), net zomin dat er op Europees niveau minder vertrouwen is in landen met meer immigranten (Hooghe et al., 2009). Het sterke effect van deprivatie, net zoals in de VS (Putnam, 2007), werd dan weer wel onderstreept.

CONCLUSIE

Als geen ander kan Robert Putnam een hele onderzoeksagenda lanceren. Andermaal heeft hij een hele meute sociale wetenschappers, uit alle windhoeken, aan het werk gezet om de relatie tussen diversiteit en sociaal kapitaal te ontrafelen. Weliswaar werd ook zijn eigen Amerikaanse data tegen het licht geworpen, werden enkele van zijn bevindingen toch minder problematisch ervaren dan hij zelf laat uitstralen.

Juist vanwege de korte lijntjes tussen Putnam en beleidsmakers zijn deze meest recente inzichten van bijzonder belang. Zij die het failliet van de multiculturele samenleving hebben afgekondigd op basis van dit onderzoek moeten een nieuw lesje in sociaalwetenschappelijk onderzoek krijgen. Er is zonder twijfel een samenhang tussen diversiteit en buurtmarginalisering, met oorzaken die het te ver zouden reiken om in dit kort exposé over uit te wijden. Maar gedegen sociologisch onderzoek stelt het juist in staat om de twee van elkaar te onderscheiden. Als het juist de economische achterstelling van een wijk is die mensen in hun schulp doet kruipen, dan moet de overheid hierop inspelen.

En dan komen we op een andere bevinding die hierop voortbouwt. Ook in Europa hebben immigranten minder vertrouwen (Dinesen & Hooghe, 2010), deels ingegeven door hun eigen achtergestelde positie. Net zoals het ook te ver zou gaan om in dit essay een uitgebreid relaas te brengen over factoren die achterstelling in de hand werken, moeten deze toch wel gezocht worden bij zowel de immigrant, de context waarin deze zich bevindt, en de wisselwerking tussen die twee. Ook hier heeft de overheid een hele boodschap aan, juist omdat investeren in immigranten ook bijdraagt aan hun noodzakelijk vertrouwen.

Samengevat. Grote denkers als Putnam moeten worden gekoesterd. Ze lanceren grote ideeën die zich niet in het luchtledige bevinden, maar inspelen op maatschappelijke veranderingen die de westerse wereld ingrijpend hebben veranderd, en nog steeds koers geven. De westerse wereld zal ontegensprekelijk verder verkleuren. Maar in de lezing van deze grote verhalen wordt soms wel eens een loopje genomen met de interpretatie van onderzoeksresultaten, met het feit dat bepaalde fenomenen anders inwerken in andere contexten, en met hoe oorzaak en gevolg precies op elkaar inspelen. Juist het beladen onderzoek rond diversiteit en solidariteit toont aan hoe ook sociale wetenschappen continu in beweging zijn en voortschrijdende inzichten voortbrengen. Een van deze inzichten is dat de Europese schildpad in elk geval de Amerikaanse niet is. Tevens kruipt ze niet in haar schulp door de confrontatie met diversiteit, maar door economische marginalisering.

Tim Reeskens
Docent Sociologie, Tilburg University

Referenties
- Abascal, M., & Baldassarri, D. (2015). Love thy Neighbor? Ethnoracial Diversity and Trust Reexamined. American Journal of Sociology, 121(3), pp. 722-782.
- Arneil, B. (2006). Diverse Communities: The Problem with Social Capital. Cambridge: Cambridge University Press.
- Dinesen, P. T., & Hooghe, M. (2010). When in Rome, Do as the Romans Do: The Acculturation of Generalized Trust among Immigrants in Western Europe. International Migration Review, 44(3), pp. 697-727.
- Hero, R. (2003). Social Capital and Racial Inequality in America. Perspectives on Politics, 1(1), pp. 113-122.
- Hooghe, M., & Quintelier, E. (2007). Naar een vergrijzing van het verenigingsleven? Trends in de participatie aan het verenigingsleven in Vlaanderen, 1998-2006. In: J. Pickery (Ed.), Vlaanderen Gepeild 2007 (pp. 141-166). Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
- Hooghe, M., Reeskens, T., Stolle, D., & Trappers, A. (2009). Ethnic Diversity and Generalized Trust in Europe. A Cross-National Multilevel Study. Comparative Political Studies, 42(2), pp. 198-223.
- Pettigrew, T. F. (1998). Intergroup Contact Theory. Annual Review of Psychology, 49, pp. 65-85.
- Putnam, R. D. (1993). Making Democracy Work. Modern Traditions in Civic Italy. Princeton: Princeton University Press.
- Putnam, R. D. (2000). Bowling Alone. The Collapse and Revival of American Community Life. New York: Simon & Schuster.
- Putnam, R. D. (2007). E Pluribus Unum. Diversity and Community in the Twenty-First Century. Scandinavian Political Studies, 30(2), pp. 137-174.
- Reeskens, T., & Hooghe, M. (2009). Bemoeilijkt etnisch-culturele diversiteit het samenleven in Vlaanderen? Het effect van lokale diversiteit op sociaal kapitaal in Vlaamse gemeenten. In: L. Vanderleyden, M. Callens, & J. Noppe (Eds.). De Sociale Staat van Vlaanderen 2009 (pp. 427-461). Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.
- Uslaner, E. M. (2002). The Moral Foundations of Trust. Cambridge: Cambridge University Press.
- Van Ingen, E., & Bekkers, R. (2015). Generalized Trust Through Civic Engagement? Evidence from Five National Panel Studies. Political Psychology, 36(3), pp. 277-294.
- Van der Meer, T., & Tolsma, J. (2014). Ethnic Diversity and Its Effect on Social Cohesion. Annual Review of Sociology, 40, pp. 459-478.

solidariteit - migratie - welvaartsstaat

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 10 (december), pagina 13 tot 19