Abonneer Log in

Op welke plekken kan je best oud worden?

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 7 (september), pagina 69 tot 75

De plek waar mensen ouder worden heeft invloed op hun levenskwaliteit, maar vandaag geeft iets meer dan 65% van de ouderen aan 'matig' tot 'hoog' kwetsbaar te zijn op het vlak van omgeving. Welke initiatieven kunnen gemeentebesturen nemen?

WONEN

Van wooncrisis naar woonzekerheid
Elisabeth Geenen
De impact van lokaal woonbeleid
Henk Van Hootegem en Thibault Morel
Op welke plekken kan je best oud worden?
Pascal De Decker, Emma Volckaert, Elise Schillebeeckx, Brecht Vandekerckhove en Celine Wellens

Vlaanderen vergrijst en verzilvert. Tot ongeveer 2030 gaat het voornamelijk om een toename van jonge ouderen, daarna staat de stijging vooral op het conto van 80-plussers. Het Federaal Planbureau (2015) raamt dat het aantal 80-plussers meer dan zal verdubbelen: van 360.997 in 2014 naar zo'n 800.000 in 2030. Ook het aantal 100-jarigen zal fors toenemen. En met hen de zorgbehoefte.

Het maatschappelijke en politieke vergrijzingsdebat spitst zich toe op de betaalbaarheid van de pensioenen en de uit de pan swingende kostprijs van de gezondheidszorg. Het is alsof ouder worden geen andere facetten van het (samen)leven beïnvloedt. Zelden komt bijvoorbeeld de manier waarop mensen wonen, noch de plaats waar ze wonen, aan bod. Zo hebben de beleidsnota's en -brieven van de huidige ministers verantwoordelijk voor Ruimtelijke Ordening en Wonen bitter weinig te vertellen over de gevolgen van de vergrijzing voor hun métier. En we kunnen alleen maar vaststellen dat ook de 'visie'tekst Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen er weinig aandacht aan besteedt. Het woord 'ouderen' komt welgeteld eenmaal voor (p. 35) en dan nog in een betekenisloze opsomming.1 Dit is niet anders in het net voor de zomer goedgekeurde Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Strategische visie.2

Het is – en we parafraseren hier de Amerikaanse gerontoloog Stephan M. Golant3 – alsof de woningen, gebouwen, buurten en gemeenschappen waarin ouderen leven en de gebouwde, sociale en politieke omgeving, weinig uitmaken voor de manier waarop ze leven en van hun leven genieten. Een stelling die wordt bijgetreden door Krout & Hash4 die stelt dat de meeste discussies over vergrijzing het fenomeen behandelen alsof het zich in een geografisch vacuüm voordoet. Maar de mensen worden ouder op een bepaalde plek en die plek heeft invloed op hun levenskwaliteit; bijvoorbeeld omdat niet alle voorzieningen – bakkers en beenhouwers, maar ook alternatieve woon(zorg)vormen – overal aanwezig (kunnen) zijn. Gegeven de specifieke ruimtelijke (wan)ordening van Vlaanderen met zijn verspreiding van mensen en functies, lijkt enige aandacht dan ook op zijn plaats. Deze vraagstelling is vooral pertinent buiten de steden omdat daar minder tot geen voorzieningen zijn.

MIJN WERELD IS GEKROMPEN TOT MIJN HUIS

Zo rond de leeftijd van 60 jaar bouwen vele mensen hun professionele loopbaan af, met als gevolg dat meer tijd en activiteiten in en om de woning en in de buurt plaatsvinden. De actieradius neemt af. Het verschilt van mens tot mens, maar de onmiddellijke woonomgeving wordt hoe dan ook belangrijker naarmate iemand ouder wordt. Of zoals schrijver Aster Berkhof het op zijn 95e verwoordde: 'Mijn wereld is gekrompen tot mijn huis, mijn tuin, mijn straat. De rest is herinnering die me niet kwelt.' (DS, 10/11/2015)

Wonen wordt bovendien belangrijker wanneer er een chronisch gezondheidsprobleem is; fysiek, mentaal of een combinatie van beide. Afgezien van een ziekenhuisbezoek of consultatie bij de specialist, komt de zorg bij veel thuiswonende ouderen dan rechtstreeks de woning binnen: via thuisverpleging, thuiszorg en huisbezoeken van de huisarts.

Woningen zijn voor veel ouderen dus de plek waar ze leven, eten, zich ontspannen én verzorgd worden. Toch zijn de meeste woningen daar niet op voorzien. Ze zijn ontworpen door vitale architecten voor vitale, jonge gezinnen, waarbij zelden aandacht wordt besteed aan het moment dat het bereiken van de kruidenier een probleem kan worden, laat staan naar het toilet gaan of douchen.

Het onderzoeksproject D-SCOPE5 heeft het in die context over 'omgevingskwetsbaarheid'. Iets meer dan 65% van de ouderen geeft aan 'matig' tot 'hoog' kwetsbaar te zijn op het vlak van omgeving (in dit geval gedefinieerd als woning en directe woonomgeving). Als we weten dat net iets minder ouderen (60%) zichzelf zien als fysiek kwetsbaar – voorlopig nog de meest gekende en erkende vorm van kwetsbaarheid bij ouderen –, valt het omgevingsaspect zeker niet te verwaarlozen.

Op welke plek kan je dan best oud worden? De eerder geciteerde Stephan M. Golant (2015) wijdde er een boek aan. Hij komt tot de conclusie dat de volgende vier basiscondities moeten zijn ingelost voor men kan spreken van 'ageing in the right place':

  1. De ouderen leven in een woning die aangepast is of kan worden (bijvoorbeeld aanbrengen handgrepen, verbetering verlichting, verbeteren toegang, toegankelijke toiletten en badkamer);
  2. De ouderen hebben op zijn minst één toegewijd familielid om hen, indien nodig, de klok rond bij te staan; deze persoon woont bij de oudere in of leeft in de buurt;
  3. De ouderen wonen op plaatsen waar (betaalbare) thuis- en gemeenschapszorg voorhanden is;
  4. De ouderen kunnen terecht in leeftijds- of gezondheidsvriendelijke gebouwen, buurten en gemeenschappen die hun oudere bewoners een diversiteit aan infrastructuren en diensten bieden.

HOE ZIT HET IN VLAANDEREN?

Kunnen ouderen in Vlaanderen, zoals Golant voorschrijft, rekenen op een aangepaste woning en woonomgeving, waar bovendien voldoende mensen (informele hulp) en voorzieningen aanwezig zijn? Eigen onderzoek6, en dat van anderen7, toont aan dat dat voor een groot deel van de ouderen niet het geval is.

Met betrekking tot de woning stellen De Witte en collega's8 vast dat slechts een op vijf ouderen in een aangepaste woning woont.9 Daarnaast woont zo'n 40% in onaangepaste woonomgevingen, wat betekent dat bepaalde basisvoorzieningen ontbreken. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat de ouderen die wij interviewden – onder andere omdat onze ruimtelijke wanorde een goed uitgebouwd openbaar vervoer onmogelijk maakt – fervente autogebruikers zijn. Ook de ouderen die tijdens het interview nauwelijks de koffiekan konden opheffen, bleken nog frequent met de auto te rijden.

Zich te voet of met de fiets verplaatsen in de onmiddellijke omgeving is evenmin een evidentie. Ons openbaar terrein is nog te vaak een door auto's gedomineerde gebruiksruimte waar het niet aangenaam vertoeven is. Het ligt bezaaid met obstakels waar het met wandelstok, rollator, rolstoel of scooter nauwelijks doorkomen is. Voetpaden, als die er al zijn, liggen er te vaak krakkemikkig bij, er staat een bushokje in de weg, of er staan auto's geparkeerd.

Met betrekking tot diverse facetten van de zorg dringen even pregnante conclusies zich op. Het Vlaams Welzijnsbeleid doet een beroep op de 'zorgcirkels' van de Wereldgezondheidsorganisatie.10 De kern van de zorgcirkel wordt gevormd door 'zelfzorg'. De cirkel daarrond is voorbehouden voor de mantelzorger(s). Klinkt mooi, maar een derde van de ouderen kan niet op een mantelzorger rekenen omdat ze alleen wonen. Bovendien neemt mantelzorg af. Door de verhoging van de pensioenleeftijd kan de mantelzorg nog meer onder druk komen te staan. Het zijn vandaag immers vaak de kinderen, in vele gevallen zelf jonggepensioneerden, die zorgtaken zoals boodschappen op zich nemen. Als ze tenminste in de buurt wonen.

Is het buurtnetwerk een potentiële zorgverstrekker? Niet echt. Er is opnieuw de vaststelling dat vrijwilligerswerk afneemt.11 Bovendien brengt een onderzoek van de Koning Boudewijnstichting aan het licht dat op de vraag 'Bestaat er in de buurt waar u woont een netwerk waarin de bewoners mekaar vrijwillig kunnen ondersteunen?' 90% van de 60-plussers 'neen' antwoordt. We hebben ook zelf vastgesteld dat de burenrelaties op het Vlaamse platteland niet erg diepgaand zijn. Een goedemorgen, een praatje over de haag, en een brood meebrengen of de planten water geven. Maar niemand die de vuile was bij de buren afgeeft.

Als de informele zorg niet voorhanden of uitgeput is, is er de formele zorg. Ook die is niet zonder problemen. De formele zorg zit verspreid over een hele resem aanbieders, waardoor de trajecten van verschillende zorgkundigen en verpleegkundigen die tot verschillende aanbieders behoren, elkaar doorkruisen. In de wetenschap dat de nood zal toenemen, is de vaststelling dat thuiszorg- en thuisverpleegkundigen een knelpuntberoep zijn minstens even problematisch. In mensentaal: er zijn gewoon niet genoeg zorgkundigen om de diverse taken naar behoren te beoefenen. Daardoor gaat het efficiëntie-denken primeren boven de intermenselijke relaties. Komt daarbij dat de zorg in het buitengebied extra arbeidsintensief is. Simpelweg omdat er grotere afstanden moeten worden afgelegd tussen de ouderen en er daardoor meer tijd nodig is per patiënt.

Blijft nog over: de residentiële zorg die hoofdzakelijk wordt belichaamd door de woonzorgcentra (rusthuizen) en assistentiewoningen. Geen van beiden is populair. Woonzorgcentra/rusthuizen roepen het beeld op van 'wachtkamers van de dood'.12 Daar willen ouderen absoluut niet heen. Bovendien evolueren woonzorgcentra meer naar plaatsen waar alleen nog zwaar zorgbehoevenden verblijven. En assistentiewoningen? Valide bejaarden vinden dit gewoon dure appartementen.

WAARHEEN?

Aangepast wonen in compacte, goed uitgeruste en degelijk ontworpen omgevingen draagt bij tot 'ageing well in place'.13 Dat om twee redenen. Eén. Dergelijke omgevingen bieden het ruimtelijke kader voor ouderen om actief te zijn. Zo kunnen ze worden verleid om zowel fysiek als sociaal 'uit hun kot' te komen, wat ook de gezondheid ten goede komt. Twee. Wanneer ouderen dichter bijeen wonen, kan de noodzakelijke zorg efficiënter zijn en is er meer tijd en middelen om zorg te bieden.

Een beleid dat afstapt van een preoccupatie met ageing in place en aangepast wonen in meer compacte omgevingen promoot, genereert ook winsten op andere domeinen. In de eerste plaats draagt het bij tot een betere ruimtelijke ordening. Als ouderen verhuizen komen gezinswoningen vrij. Dit werkt ruimtebesparend14, aangezien er geen bijkomende gezinswoningen moeten worden gebouwd. In de tweede plaats heeft het heeft effecten op de automobiliteit. We rekenden uit dat de totale Vlaamse thuisverpleging dagelijks een kleine 15 keer rond de evenaar rijdt.15

WAT TE DOEN?

Alles bijeen genomen, moeten we concluderen dat ageing in place wel een nobele gedachte is, maar één die in de praktijk voor velen niet zal werken. Daarom lijkt het ons zinvoller om te focussen op alternatieven die ouderen ertoe aanzetten op tijd te verhuizen naar een aangepaste woonvorm. Zonder daarom meteen een groot plan te ontvouwen, kan de Vlaamse overheid – maar ook, en vooral, gemeentebesturen –, naast sensibiliseren en informeren, al heel wat concrete initiatieven nemen:

  1. Een eenvoudige maatregel betreft het invoeren van een algemene verordening die bepaalt dat alle nieuwbouwappartementen, en wat ons betreft alle nieuwbouwwoningen, leeftijdsvriendelijk zijn. We hebben deze kans overigens al deels aan ons laten voorbijgaan. Waren de vele tienduizenden appartementen die de afgelopen jaren zijn gebouwd, aangepast geweest, dan had al een grote groep ouderen in toegankelijke appartementen kunnen wonen. Bovendien zou, gezien appartementen verhoudingsgewijs meer centraal gelegen zijn, er al een impact zijn geweest op het aantal door de thuiszorg verreden kilometers.
  2. Het lijkt ons zeer belangrijk dat wordt ingezet op alternatieve woonvormen, op varianten van co-housing. Vandaag ontbreekt de tussenvorm tussen de gezinswoning en de residentiële voorzieningen. Co-housing-varianten brengen mensen bijeen. Daardoor kunnen ze een buffer zijn tegen eenzaamheid en het aantal thuiszorgkilometers verminderen.
  3. De (her)inrichting van de openbare ruimte moet gebeuren vanuit het perspectief van minder mobiele mensen. Dat houdt in: zo weinig mogelijk gladde en oneffen materialen en obstakels, een grote 'leesbaarheid' van de ruimte zodat ouderen met geheugenproblemen hun weg terug vinden, en voldoende aangename rustpunten.

TOT SLOT

Eric van der Burg, in een vorig leven Wethouder Ouderen en Zorg in Amsterdam, maakt alvast een gelijkaardige shift. De liberaal was ooit een fervent voorstander van de vermaatschappelijking van de zorg. Eerder dit jaar veranderde hij van mening, die hij neerschreef in De Volkskrant (16/06/2018). Omdat de helft van de thuiswonende ouderen geen netwerk heeft waarop ze beroep kunnen doen, omdat er een tekort is aan verpleegkundig personeel, omdat er een probleem van toenemende vereenzaming is. Van der Burg stelt nu dat er weer verzorgingshuizen nodig zijn. Ze lossen in zijn ogen een aantal problemen direct op: het vermindert de kans op eenzaamheid en door de permanente aanwezigheid van verzorgenden zal hun kwetsbaarheid beter opgevolgd worden. En het maakt voor de verpleeg- en zorgkundigen het reizen van woning naar woning overbodig. Bij de terugkeer naar het verzorgingshuis denkt hij daarbij niet aan het 'tehuis' oude stijl, maar aan aangepast 'huizen'. Want wonen moet primeren op de zorg.

Voetnoten

  1. Departement Ruimte Vlaanderen (2017). 'Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen'. https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/witboek-beleidsplan-ruimte-vlaanderen.
  2. Departement Omgeving (2018). 'Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Strategische visie'. https://www.ruimtevlaanderen.be/Portals/108/BRV_StrategischeVisie_VR20181307DOC.pdf.
  3. Golant, S.M. (2015). 'Ageing in the right place'.Baltimore/London: Health Professions Press.
  4. Krout, J.A. & K.M. Hash (2015). What is rural? Introduction to aging in rural areas. In Hash, K.M., Jurkowski, E.T. & J.A. Krout (eds) 'Aging in rural areas'. New York: Springer: pp. 3-22.
  5. D-SCOPE staat voor: Detection, Support and Care for older people– Prevention and Empowerment. In het D-SCOPE-project wordtonderzoek gedaan naar detectie van kwetsbaarheid, alsook de toeleiding naar gepaste hulp (www.d-scope.be).
  6. Vandekerckhove, B., De Luyck, N., Volckaert, E., De Witte, N. & P. De Decker, P. (2015). 'Ook de aangespoelden blijven. Woon- en zorgperspectieven van pensioenmigranten aan de kust.' Antwerpen: Garant.; De Decker, P., Vandekerckhove, B., Volckaert, E., Wellens, C. & E. Schillebeeckx (2018). 'Ouder worden op het Vlaamse platteland. Over wonen, zorg en ruimtelijk ordenen in dunbevolkte gebieden'. Antwerpen: Garant.
  7. De Witte, N., Smetcoren, A.-S., De Donder, L., Dury, S., Buffel, T., Kardol, T. & D. Verté (2012). 'Een huis? Een thuis! Over ouderen en wonen'.Brugge: Vanden Broele; Smetcoren, A.S. (2015). 'I'm not leaving!?' Critical perspectives on 'ageing in place'.Doctoraat Pedagogische Wetenschappen, richting Agogische Wetenschappen, Brussel: VUB.
  8. De Witte, N., Smetcoren, A.-S., 'op.cit'.
  9. 40% van 60-plussers woont in zwaar onaangepaste woningen woont en nog eens 40% in matig onaangepaste woningen.
  10. Zie onder meer: Vandeurzen, J. (2016). 'Nabije zorg in een warm Vlaanderen. Vlaams mantelzorgplan 2016-2020'. http://jovandeurzen.be/sites/jvandeurzen/files/Vlaams%20Mantelzorgplan_0.pdf.
  11. Vanderleyden, L. & D. Moons (2015). 'Informele zorg in Vlaanderen in dalende lijn?! SVR-St@ts'. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering; Vanderleyden, L. & D. Moons (2016) Informele zorg in Vlaanderen opnieuw onderzocht. SVR-Webartikel 2015-4.
  12. Vandekerckhove, B., De Luyck, N., 'op.cit'.
  13. Smetcoren, A.S. (2015). 'op.cit'.
  14. Vlaamse Milieumaatschappij (2014). 'Megatrends: ingrijpend, maar ook ongrijpbaar? MIRA Toekomstverkenning'.www.milieurrapport.be.
  15. De Decker, P., Vandekerckhove, B., Volckaert, E., Wellens, C. & E. Schillebeeckx (2017). 'Thuisverpleging rijdt 15 keer per dag de wereld rond'. Knack.be, 07/11/2017.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 7 (september), pagina 69 tot 75