Log in

Groene golf, rood tranendal?

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 9 (november), pagina 61 tot 67

Onze vorige bijdrage in dit magazine, 'Links in de gemeenten: een voorbeschouwing', die verscheen aan de vooravond van de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober had – althans voor de sp.a – veel weg van een 'kroniek van een aangekondigde dood'. Groen ging bij de meest recente verkiezingen verder op de ingeslagen weg, en slaagde erin om de positieve verkiezingsuitslagen van 2012 en 2014 verder te verzilveren op het lokale niveau.

Deze bijdrage gaat dieper in op de resultaten van de belangrijkste linkse spelers in de Vlaamse steden en gemeenten. In de eerste plaats staan we stil bij de participatie van de verschillende partijen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Vervolgens belichten we de resultaten van de partijen en blikken we vooruit op de verkiezingen van mei 2019. Tot slot formuleren we een aantal uitdagingen voor de linkerzijde.

DEELNAME

Figuur 1 geeft de evolutie weer van de deelname van socialistische, groene en extreemlinkse lijsten aan de gemeenteraadsverkiezingen tussen 1976 (de eerste gemeenteraadsverkiezingen anticiperend op de samenvoeging van gemeenten in 1977) en 2018. Onder extreemlinkse kiezers bedoelen we die stemmen die tussen 1976 en 2018 uitgebracht zijn op KPB, RAL-SAP, AMADA-PVDA en een aantal linkse eenheidslijsten.

Figuur 1 suggereert een verhoogde participatie van zowel sp.a, Groen als PVDA aan de gemeenteraadsverkiezingen. Hierbij horen evenwel drie kanttekeningen. In de eerste plaats kan de afname van het aantal roodgroene kartellijsten beschouwd worden als één van de belangrijkste verklaringen voor de groei van het aantal 'autonome' sp.a- en Groen-lijsten.

Daarnaast dient opgemerkt dat de socialisten in aanzienlijke mindere mate het sp.a-etiket gebruikten om naar de lokale kiezer te trekken. In 2018 bediende sp.a zich in 153 gemeenten van het nationaal nummer, tegenover 192 in 2012 en 208 en 2006. Slechts in 97 gemeenten boden de socialisten zich aan met enkel de naam sp.a (zonder toevoeging). In 2012 betrof het 139 gemeenten en in 2006 juist 100 (dit lage aantal had toen deels te maken met de creatie van sp.a-spirit kartellijsten in 51 gemeenten). Tot slot namen de socialisten in 74 gemeenten onder een lokale naam of in een plaatselijk kartel deel aan de stembusslag.

Voorts hadden socialistische partijafdelingen het aanzienlijk moeilijker om 'volledige' kandidatenlijsten op te stellen. In een vijfde van de gevallen lukte dit niet, tegenover 12,7% in 2012 en 7,2% in 2006. In de gemeenten waar sp.a uitsluitend met de nationale partijnaam opkwam, slaagde men daar zelfs in ruim een kwart van de gevallen niet in. Bij Groen kon een omgekeerde trend worden waargenomen. In 25,2% van de gemeenten waar Groen in 2018 aantrad, deed ze dit met onvolledige lijsten tegenover 35,4% in 2012 en 40,6% in 2006. Voor PVDA daalde dit aandeel van om en bij de 75% in 2012 en 2006 tot 64,7% in 2018 (we herinneren eraan dat het hier om beperkte absolute aantallen gaat). Deze cijfers sluiten aan bij eerder onderzoek, waaruit blijkt dat partijen als Groen en PVDA een positieve evolutie laten noteren wat het ledenaantal betreft. Bij sp.a kan daarentegen een dalende trend waargenomen worden.1

RESULTATEN

Figuur 2 vat de verkiezingsresultaten van de betrokken formaties samen. De weergeven percentages zijn berekend op het totaal aantal geldige stemmen in die gemeenten waar deze partijen lijsten indienden.

Sp.a verloor terrein in zeven van de tien gemeenten waar ze – al dan niet in kartelverband – naar de kiezer trok. De achteruitgang was het grootst in de provincies Antwerpen en Limburg (voorheen de provinciale sterkhouder voor sp.a).

In het beperkte aantal steden en gemeenten waar een roodgroene kartellijst was ingediend, schommelde de gemiddelde score rond deze van 2012. Zonder groene kartelpartner bereikte sp.a in 2018 met 14,5% een absoluut dieptepunt. Dit cijfer is daarenboven geflatteerd door de scores in die gemeenten waar sp.a zich onder een lokale naam of in een lokaal kartelverband aanbood. Gemiddeld bereikten ze daar 16,3% van het electoraat tegenover 13,3% in de gemeenten waar socialisten zich voorstelden onder de nationale naam (eventueel met een lokale toevoeging). Sterker, in diezelfde groep van gemeenten slaagde sp.a er in bijna 45% van de gevallen niet in om meer dan 10% van het electoraat achter zich te krijgen.

De groenen boekten in negen op de tien gemeenten vooruitgang en zitten de socialisten thans op de hielen. Ze tekenden in 2018 met 12,3% hun beste score ooit op bij de gemeenteraadsverkiezingen. Nooit voorheen slaagde de partij erin om de kaap van 10% te ronden. De vooruitgang van de partij was het sterkst in de provincies Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen.

PVDA nam in 37% van de gemeenten deel aan de stembusslag en klom daar van 4% (in 22 gemeenten in 2012) naar 5%.

De resultaten van de socialistische en groene partij zijn niet eenvoudigweg als communicerende vaten te beschouwen. Immers, in bijna een kwart van de gemeenten waar Groen vooruitgang boekt in vergelijking met 2012, gaat ook sp.a erop vooruit. Omgekeerd, in die (4) gemeenten waar Groen minder goed scoort dan in 2012, gaat ook sp.a achteruit ten opzichte van de vorige stembusgang.

SPREIDING NAAR VERSTEDELIJKINGSGRAAD

In onze vorige bijdrage in dit magazine schetsten we hoe de aanhang van sp.a en Groen doorheen de jaren varieerde met de verstedelijkingsgraad. In het bijzonder de verankering van sp.a in de centrum- en kleine steden sprong in het oog.2
Figuur 3 geeft de actuele verschillen weer voor sp.a, Groen en PVDA. De weergegeven cijfers voor de socialistische partij slaan zowel op die gemeenten waar ze alleen naar de kiezer (eventueel onder een lokale benaming) trok als deze waar dat in kartelverband met Groen gebeurde.3

Het meest opmerkelijke gegeven is de terugval van sp.a in de centrumsteden. Daar verloor de partij ruim 10% van haar electoraat om te landen op 17,6%. Hiermee speelde sp.a haar label van stadspartij kwijt. Sp.a verloor verder aanhang in elk type van gemeenten. Overigens, met 23,6% doet N-VA het in de steden thans beter dan sp.a.

In onze vorige bijdrage schreven we dat Groen veeleer een randstedelijk dan stedelijke profiel bezit. Ofschoon Groen nog altijd het best ingeplant is in de randgemeenten, boekte ze thans de grootste winst in de centrumsteden. Ze verwierf daar 14% van de kiezers. In 2012 diende de partij daar nog genoegen te nemen met 8,8% van het electoraat. Ook in de andere types van gemeenten gaat de groene partij erop vooruit. Ook PVDA behaalde de beste resultaten in de centrumsteden.

NATIONALE BETEKENIS?

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen omschreven verschillende commentaren deze als een algemene repetitie voor de diverse parlementsverkiezingen van mei 2019. Figuur 4 toont aan in welke mate de uitslagen van de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van de verkiezingen voor het Vlaams Parlement samenhangen.

Traditioneel doet de socialistische partij het beter bij de gemeenteraads- dan bij de provincieraadsverkiezingen. Deze bevinding sluit aan bij eerder onderzoek dat aantoonde dat de gemeenteraadsverkiezingen in Vlaanderen sterk hun lokale eigenheid – ondanks alles – behouden en dat het stemgedrag in belangrijke mate verklaard wordt door lokale elementen.4
Deze vaststelling illustreert dat kiezers in staat zijn om de verschillende beleidsniveaus en verkiezingen te onderscheiden, wat vanuit democratisch oogpunt zonder twijfel toe te juichen valt.

Een vergelijking tussen 2012 en 2018 maakt duidelijk dat sp.a ook op het provinciaal niveau terrein verliest. Bij de groenen liggen de scores van beide verkiezingen zowel in 2012 als in 2018 dicht bij elkaar. Net als bij de gemeenteraadsverkiezingen gaan de groenen er op het provinciale niveau op vooruit.

Tot slot toont Figuur 4 aan dat de provincieraadsverkiezingen in 2012 – in het bijzonder voor sp.a – een aanzienlijk hogere voorspellende kracht bevatten ten aanzien van de verkiezingen van het Vlaams Parlement in 2014 dan de gemeenteraadsverkiezingen.

UITDAGINGEN

De hierboven beschreven resultaten brengen een aantal belangrijke uitdagingen met zich mee, zowel voor Groen als voor sp.a.

Een eerste belangrijke vaststelling betreft de verdere erosie van de lokale inplanting van sp.a. Meest voor de hand liggend komt dit tot uiting in het behaalde resultaat van de partij. Met 14,5% van de stemmen zet de partij haar minst goede verkiezingsresultaat neer in de Vlaamse gemeenten sinds de fusiegolf van 1977. Bovendien opteren socialistisch geïnspireerde lijsten er in steeds meer gemeenten voor om onder een andere naam en een ander lijstnummer deel te nemen aan de verkiezingen. Dit is in de eerste plaats nefast voor de zichtbaarheid van de partij. De vaststelling dat deze lokale lijsten in algemene termen een beter resultaat neerzetten dan de lijsten die onder het nationale lijstnummer naar de kiezer trokken, moet bovendien een belangrijk teken aan de wand zijn voor de partijleiding: op het lokale erf is sp.a geen sterk merk.

Het feit dat de partij het steeds moeilijker krijgt om voldoende waardevolle kandidaten te vinden in de gemeenten, vormt een derde symptoom. Sp.a is zeker niet de enige partij die met deze problematiek geconfronteerd wordt in België. Op de linkerflank zijn de socialisten echter wel de uitzondering: zowel Groen als PVDA slaagt er steeds vaker in om met een volledige lijst naar de kiezer te trekken. In combinatie met het groeiende gebruik en de toenemende impact van de voorkeurstem, brengt dit met zich mee dat sp.a met een belangrijke handicap aan de start staat ten opzichte van andere linkse partijen. Een onvolledige lijst kan immers een sterke negatieve impact hebben op het stemmenpercentage van de partij.

De vraag rijst hoe de partij deze trend kan keren. De afnemende relevantie van lokale partijafdelingen en het afnemende ledenaantal van politieke partijen, is geen evolutie die uitsluitend sp.a treft, maar ook (in het bijzonder) de andere traditionele partijfamilies.5
De vraag naar alternatieven dringt zich op. De partij heeft nood aan een visie en ontwikkeling die aansluit bij en inspeelt op de huidige realiteit van een volatiel en ontzuild kiezerskorps. Het kan immers bezwaarlijk toeval genoemd worden dat partijen als Groen en N-VA, die vanwege hun ontstaan en eigenheid minder kwetsbaar zijn voor evoluties die gepaard gaan met de ontzuilingstendens, een positieve evolutie laten noteren wat het ledenaantal betreft en een goed resultaat neerzetten bij de laatste verkiezingen.6

De strijd om de steden vormt een tweede uitdaging sinds de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. De socialistische partij, die het traditioneel erg goed deed in de Vlaamse centrumsteden, lijkt de stedelingen vandaag moeilijker te kunnen overtuigen. Ze strandde daar onder de 20% en droeg daardoor het marktleiderschap over aan N-VA. De scores opgetekend in Brugge, Mechelen en Oostende spreken boekdelen. Groen lijkt met een score van 14% daarentegen wel degelijk voet aan de grond te krijgen in de Vlaamse centrumsteden. Het is niet denkbeeldig dat de focus in het stedelijk beleid zich de jongste decennia minder op sociale vraagstukken richtte en des te meer op die omgevingsthema's (mobiliteit, fijn stof, stikstofdioxide) waar een partij als Groen electoraal meer vruchten van kan plukken dan een socialistische partij.

De meest recente gemeenteraadsverkiezingen stellen ook Groen voor een aantal uitdagingen. Logischerwijze vertaalt het sterke verkiezingsresultaat van de groene partij zich in een hogere participatie in de gemeentelijke bestuursmeerderheden. In regel worden meerderheidspartijen bij de daaropvolgende verkiezingen beloond voor hun bestuursdeelname (sp.a deed het overigens vanuit de oppositie minder slecht dan vanuit de meerderheid). Analyses voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 tonen evenwel aan dat Groen de enige uitzondering vormt op deze wetmatigheid. In de gemeenten waar Groen anno 2018 als meerderheidspartij naar de kiezer trok, scoorde zij over het algemeen minder goed dan in de gemeenten waar de partij tijdens de zittingsperiode 2013-2018 deel uitmaakte van de oppositie. Hoewel deze resultaten gebaseerd zijn op een beperkt aantal waarnemingen, zullen potentieel groene bestuurders dit gegeven allicht mee in overweging nemen bij de keuze om al dan niet in (lokale) bestuursmeerderheden te stappen.

Voetnoten

  1. B. Wauters (2017), 'Inleiding: partijleden in perspectief'. In B. Wauters (red). 'Wie is er nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen'. Leuven: Acco, pp. 9-22.
  2. J. Ackaert & S. Hennau (2018), 'Links in de gemeenten: een voorbeschouwing'. In: Samenleving & Politiek. 25, pp. 5-12.
  3. De verstedelijkingsgraad indiceren we aan de hand van: H. Van Der Haegen, M. Pattyn & C. Cardyn (1982), 'The Belgian Settlement Systems'. In: Acta Geografica Lovaniensa. 22, pp. 251-363. Voor de eenvoud hergroepeerden we de afhankelijke gemeenten, autonome gemeenten en hoofddorpen in een categorie. Voor deze bijdrage groeperen we de banlieue- en agglomeratiegemeenten onder de noemer 'randgemeenten'.
  4. S. Marien, M. Hooghe & R. Dassonneville (2013), 'Het belang van lokale argumenten en loyaliteiten: het verschil tussen federale en lokale stemvoorkeuren'. In R. Dassonneville, M. Hooghe, S. Marien & J-B. Pilet (red.). 'De lokale kiezer. Het kiesgedrag bij de Belgische gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012'. Brussel: ASP, pp. 67-91.
  5. A. André & S. Depauw (2013), 'De kracht van de lokale afdelingen'. In K. Deschouwer, T. Verthé & B. Rihoux (red.). 'Op zoek naar de kiezers. Lokale partijafdelingen en de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012'. Brussel: APS, pp. 27-47.
  6. B. Wauters (2017), 'Inleiding: partijleden in perspectief'. In B. Wauters (red). 'Wie is er nog van de partij? Crisis en toekomst van partijleden in Vlaanderen'. Leuven: Acco, pp. 9-22.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 9 (november), pagina 61 tot 67