Abonneer Log in

De aarde kouder en de samenleving warmer

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 22 tot 26

'GROEN IS POEN'

Politiek heeft te maken met het verwerven van electorale macht, maar evenzeer met machtsvorming rond ideeën en het verwerven van een breed gedragen discours. Dat maakte Antonio Gramsci ons lang geleden al duidelijk. Wie de framing van de (uiterst) rechterzijde in de publieke ruimte volgt, kan alleen maar vaststellen dat ze er regelmatig in slaagt haar begrippen en vocabulaire een breed draagvlak te geven.

Sinds pure klimaatontkenning door de wetenschappelijke consensus nog moeilijk als een geloofwaardige opinie kan worden neergezet, trachten klimaatsceptici en 'eco-realisten' het zo urgente klimaatbeleid af te remmen met het argument dat het te duur zou zijn voor de 'gewone mensen'. Er mag geen 'ecoproletariaat' ontstaan. Dat is een wel heel cynische mededeling, want uitgesproken door politici die zich al vele jaren weinig of niets hebben aangetrokken van een structureel armoedebeleid. Mensen met de laagste inkomens worden als alibi gebruikt om een non-klimaatbeleid te verdedigen, terwijl men alle kansen laat liggen om hen een menswaardig inkomen en een energievriendelijke (sociale) woning te bezorgen. Vooral 'Groen is poen', en alle varianten op deze slogan, hoor je hoe langer hoe meer in het klimaatdebat. En deze boodschap vindt weerklank.

Een deel van de groene beweging reageert hier soms verkrampt op. Ze slaagt er onvoldoende in om duidelijk te maken dat milieu-en/of klimaatregelen inderdaad sociaal gunstige effecten hebben en dat de rekening niet betaald moet worden door de lagere inkomens. En een deel van de linkse beweging laat zich kortzichtig meeslepen in de framing van de (uiterst) rechterzijde die alles uit de kast haalt om het zo noodzakelijke klimaatbeleid in het koelvak te zetten.

In deze context kan het begrip 'klimaatrechtvaardigheid' een hulpmiddel zijn om de klimaatagenda te koppelen aan de ongelijkheidsproblematiek, tenminste als we vertrekken van een geactualiseerd en breder gelijkheidsbegrip. Ongelijkheid heeft niet alleen te maken met inkomensongelijkheid, maar ook met onderwijs, energievoorziening, huisvesting, gezondheidszorg en andere (collectieve) voorzieningen. Een geactualiseerd gelijkheidsbegrip beperkt zich dus niet tot de noodzakelijke verdeling van de taart, maar houdt ook rekening met de kwaliteit (en het gebrek daaraan) van die taart.

De discussie gaat dus niet alleen over de rechtvaardige distributie van de opbrengst van de productie, maar evenzeer over de manier waarop de productie tot stand komt en de goederen die geproduceerd worden. Minder ongelijkheid heeft betrekking op zowel de verdeling van de 'goods' als de verdeling van de 'bads', zoals milieuproblemen.

ECOLOGISCHE PROBLEMEN ZIJN VOORAL SOCIALE KWESTIES

Zo zal de klimaatopwarming vooral de meest kwetsbare landen en mensen treffen, terwijl net zij de kleinste voetafdruk hebben. Een geboorte in de VS veroorzaakt 86 keer meer CO₂-uitstoot dan in Nigeria en maar liefst 552 keer meer dan in Bangladesh. Maar als de temperatuur blijft stijgen, zullen regio's zoals de Sahara, de kustlijn van Oost-Afrika, Zuid-Azië en meeste kleine eilandstaten wel de grootste schade ondervinden. Afrika is de meest getroffen regio; het telt 15 van de 20 meest kwetsbare landen.

Een recent rapport van de Verenigde Naties (DS, 26/06/2019) wijst naar de 'verwoestende gevolgen' van de klimaatverandering waarbij slechts de rijken zullen kunnen ontsnappen aan 'oververhitting, honger en conflict' terwijl zo'n 120 miljoen mensen dreigen arm te worden. 'Zij zullen de dupe zijn'.

Onderzoek geeft een duidelijk beeld van de ongelijkheid in de bijdrage aan de klimaatopwarming. Volgens het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit Antwerpen 'is de uitstoot van broeikasgassen verbonden met huishoudconsumptie, uitgedrukt in ton CO₂-equivalent per persoon per jaar, gemiddeld ongeveer vier keer hoger in het rijkste deciel dan in het armste.' Het onderzoek besluit 'dat sociaal beleid en klimaatbeleid niet los van elkaar kunnen worden gezien indien men bekommerd is om een sociaal rechtvaardige transitie.'

Ik wil me graag aansluiten bij dat besluit. De aarde kouder en de samenleving warmer maken, lijkt mij een mooi beeld om deze klimaatrechtvaardigheid te illustreren. Wel in het besef dat we maar één aarde hebben, geen twee of drie. Als we de wereld willen delen, moeten we ze leefbaar houden en van ons gemeenschappelijk huis geen stortplaats van maken. Anders valt er niets meer te delen. Zoals Thé Lau zong: 'Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.' Wie de wereld rechtvaardig wil delen, kan er niet onderuit dat de herverdeling zich afspeelt binnen ecologische grenzen. Als iedereen op de wereld het productiemodel en consumptiepatroon van de rijkere westerling overneemt dan hebben we verschillende aardes nodig.

Dat betekent, om een concreet voorbeeld te nemen, dat vanuit dit breed gelijkheidsbegrip de eis dat iedereen toegang moet hebben tot betaalbare en kwaliteitsvolle mobiliteit niet langer kunnen vertalen in de promotie van de individuele automobiliteit.

Dat betekent dat we de terechte vraag om 'in het groen' te wonen niet langer omzetten in een ruimtelijk ordening(sbeleid) met op een lint getrokken alleenstaande woningen die inzake mobiliteit twee keer meer kosten dan woningen in de stadskern (DS, 28/12/2019).

Dat betekent dat we beseffen dat het verlagen van de btw op elektriciteit, ook al klinkt het sociaal, vanuit energiezuinigheidsoptiek geen goed idee is.

Een sociaal-rechtvaardige transitie veronderstelt dus ook de omkering van klassieke denkbeelden over (her)verdeling. En daar heeft een deel van de linkerzijde nog altijd problemen mee. Het doel is dus niet om iedereen op hetzelfde consumptiepatroon te brengen als de rijkere bovenlaag, wel om iedereen een kwaliteitsvol leven te garanderen. In de woorden van Sacha Dierickx, medewerker van Denktank Minerva: 'We moeten gaan van kwantitatieve groei naar een levenskwaliteit'.

NIETS DOEN KOST OOK VEEL POEN

Om die sprong te maken zullen er serieuze financiële middelen moeten worden gemobiliseerd. Om de CO₂-reductiedoelstellingen te halen zal er volgens de Sociaal Economische Raad voor Vlaanderen (SERV) een extra investering van 6 à 13 miljard nodig zijn. In haar laatste jaarverslag verwijst de Nationale Bank (NBB) naar de berekeningen van het IPCC. Zij ramen, met een opwarming van 1,5°, de jaarlijkse investeringsbehoeften om het wereldwijd energiesysteem tussen 2016 en 2035 aan te passen op ongeveer 2,5% van het mondiaal bruto binnenlands product. Er zijn genoeg redenen om ervoor te zorgen dat de kostenverdeling tussen overheden, economie en bevolking op een rechtvaardige wijze verloopt.

Het NBB-rapport voegt er echter ook aan toe dat 'niets doen niet alleen zware uitdagingen zou inhouden in verband met de biodiversiteit, de consequenties voor de veiligheid van de bevolking en de effecten van belangrijke klimaat gerelateerde gebeurtenissen; het zou ook veel kosten.'

Niets doen kost ook veel poen. En raad eens wie dan het kind van de rekening is? Daarover horen we klimaatsceptici die zich zo'n zorgen maken over de gewone man veel minder.

Bovendien speelt het Mattheüs-effect reeds nu volop mee. Neem bijvoorbeeld mobiliteit, waarbij de financiële kost (miljarden euro's) van de salariswagens mee wordt betaald door mensen die geen salariswagen hebben en mee opdraaien voor de andere kosten (vervuiling, filevorming en ruimtebeslag).

Zowel in het boek Klimaat en rechtvaardigheid (Minerva, 2019) als in het artikel Een klimaattaxshift is niet asociaal (Kris Bachus, SamPol, december 2019) worden hefbomen en criteria voorgesteld om deze transitie te concretiseren. Ze sporen ons aan goed na te denken over wat de meest efficiënte en effectieve aanpak is (bijvoorbeeld centraal of decentraal). Ze doen ons beseffen dat collectieve en/of universele maatregelen beter zijn dan individuele, dat het heroriënteren van bestaande instrumenten zoals de (auto)fiscaliteit in functie van ecologische doelstellingen reële perspectieven biedt, dat een globale structurele aanpak te verkiezen is boven geïsoleerde regelingen, en dat zowel onmiddellijk compenserende (cf. LEZ-dossier) als parallel lopende flankerende (algemeen sociaal beleid, armoedebestrijding) maatregelen noodzakelijk zijn.

TO LEZ OR NOT TO LEZ?

Vanuit deze context is het belangrijk de discussie over actuele dossiers, zoals de invoering van lage-emissiezones (LEZ) in Vlaamse steden, niet te voeren met de vocabulaire en de simplistische frames van de rechterzijde. Uiteraard kunnen er vragen worden gesteld over de doelmatigheid en doeltreffendheid van LEZ en moeten de financiële gevolgen voor de lage inkomensgroepen in rekening gebracht worden, maar de maatregel zomaar afwijzen als een 'asociale jackpot' of afvoeren omdat 'alleen de auto-industrie beter wordt van de LEZ' (Anneleen Kennis in DS, 19/02/2020) zijn kortzichtig en onverstandig.

Uit onderzoek van Transport and Environment (september 2019) in 250 Europese steden; blijkt dat de invoering van LEZ wel degelijk heeft geleid tot een significante vermindering van de luchtvervuiling die globaal gezien de levensverwachting met 1 jaar doet dalen, vele duizenden doden veroorzaakt en vooral 'wijken en gebieden met de laagste inkomens, met een NO2-uitstoot die 50% hoger ligt dan in rijkere gebieden, treft'. Roet en fijnstof horen niet thuis in het lichaam van mensen, en zeker niet in dichtbevolkte stadskernen. Een LEZ invoeren heeft dus sociaal gunstige gevolgen, zeker als het gaat om de volksgezondheid. En dat is geen bijkomstigheid voor wie de ongelijkheid inzake gezondheid wil bestrijden.

Daarenboven houden we best rekening met het feit dat in de grote Vlaamse steden ongeveer een op drie geen auto heeft, dat de laagste inkomens (volgens de huishoudenquête van 2018 en de mobiliteitssurvey van 2017) veel minder over een wagen beschikken (een halve auto in gezinnen tot 1.500 euro per maand) en zich vooral verplaatsen binnen een afstand van 10 kilometer. Ook dat zijn feiten die te weinig in het debat aan bod komen.

Dat alles is geen aanleiding om sociaal-kritische bedenkingen op milieu- of klimaatmaatregelen naar de prullenmand te verwijzen. Sommige gezinnen of mensen die afhankelijk zijn van automobiliteit en het zich niet kunnen veroorloven om een 'propere' auto aan te schaffen, vinden het echt niet fair dat iemand met een nieuwe Range Rover of een elektrische Tesla wel in de LEZ mag rijden.

Juist daarom is het belangrijk bij elke milieu- en klimaatmaatregel een globale armoede- of inkomenstoets te voorzien waarbij ofwel betaalbare alternatieven worden voorzien ofwel kostencompensaties worden uitgewerkt voor de laagste inkomens. Anders zien zij minder de (reële) baten en des te meer de (financiële) kosten.

KOMEN TOT EEN SOCIAAL-ECOLOGISCH PACT

De klimaattransitie is geen boekhoudkundige operatie van kosten en baten, wel een sociaal proces tot een fundamentele verbouwing van economie en samenleving waarbij zoveel mogelijk bevolkingsgroepen moeten worden betrokken. Om de draagkracht van de aarde te bewaren, hebben we een breed maatschappelijk draagvlak nodig. En dus ook de steun van de mensen die de kleinste voetafdruk hebben.

Uiteraard zullen er tussen milieu- en sociale bewegingen en tussen de verschillende progressieve partijen discussies blijven bestaan over de aanpak van de transitie. Daar is niks mis mee. Integendeel. Deze discussies kunnen, tenzij ze vervellen tot een louter (partij)politiek opbod en/of de vermenigvuldiging van clichés en goedkope argumenten, een waardevolle sokkel vormen om betere voorstellen uit te werken of minstens tot een akkoord te komen over de hoofdlijnen van een sociaal-ecologisch pact dat ook voor de meest kwetsbaren een meer positieve horizon biedt dan het business-as-usual scenario van de klimaatsceptici.

De aarde dus kouder en de samenleving warmer. In de samenhang van beide doelstellingen toont zich de klimaatrechtvaardigheid. En het lijkt mij wel een frame om de publieke ruimte te bezetten en hierrond beweging te maken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 27, 2020, nr. 3 (maart), pagina 22 tot 26