Abonneer Log in

De absurditeit van jeugdwerkloosheid

Brieven aan Di Rupo I

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 83 tot 86

Mevrouw de Minister van Werk,
Beste Monica De Coninck,

Er staat u een boeiende, maar moeilijke taak te wachten. Minister van Werk in tijden van crisis en werkloosheid. Er is ook heel wat werkloosheid bij jongeren. Zo’n 10,9% van de jongeren in ons land is niet aan de slag of volgt geen opleiding of training. Het gaat om maar liefst 6,3% in Vlaanderen, 16,3% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 14,6% in het Waals Gewest. Ik hoor mensen soms blazen dat die aantallen ‘wel meevallen’. Fel overroepen allemaal, die jeugdwerkloosheid. En die groep jongeren die na 6 maanden nog altijd geen baan heeft, is die niet verwaarloosbaar? Proberen ze wel hard genoeg, want er zijn toch zoveel openstaande vacatures? Voor mij staat vast dat elke werkzoekende jongere er 1 te veel is. Misschien moet we ‘moeilijke taak‘ maar vervangen door ‘uitdagende opdracht‘, want elke crisis is een kans om wat vanzelfsprekend lijkt in vraag te stellen. Hier onze mening, die van Animo jong links, de jongeren uit uw eigen beweging. Een mening van jonge stemmen, geen onderzoek van experten. Maar waar experten falen lijken meningen minstens evenwaardig.

In De Standaard van 3 december publiceerde Animo al een opiniestuk rond de hervorming van de zogenaamde ‘wachtuitkering’, die voortaan ‘inschakelingsuitkering’ zal heten. Jonge werkzoekenden zullen voortaan pas een klein vervangingskomen krijgen na een jaar in plaats van na negen maanden. Wij hebben zo onze bedenkingen bij wat als een ‘besparing‘ wordt afgeschilderd. Wat een besparing lijkt in cijfers zou wel eens een grote maatschappelijke kost kunnen zijn. En dus uiteindelijk ook in cijfers.

BEGELEIDING VANAF DAG 1?

Ter compensatie van de wachtuitkering van twaalf maanden komt de belofte van begeleiding vanaf dag één. Mooi, maar zeker een uitdaging. De begeleiding van jonge werkzoekenden vindt plaats op regionaal niveau. Neem het voorbeeld van de Brusselse gemeenten waar maar één begeleider per zeshonderd dossiers is. Daar sta je dan als coach van jonge werkzoekenden. Ongetwijfeld met goede bedoelingen, maar zeker niet met de capaciteit om problemen te verhelpen, om ervoor te zorgen dat kwetsbare jongeren niet uit de boot vallen. Het zou natuurlijk wel mooi zijn moest deze betere begeleiding van jonge werkzoekenden er ook echt komen. Indien op de juiste manier uitgevoerd, dus niet op een manier die de jongeren met de minste kansen ook nog eens het hardst afstraft. Betere begeleiding zou tenminste een structurele maatregel zijn.

STRUCTURELE PROBLEMEN

Helaas lijken er buiten dit streven naar een betere begeleiding geen andere structurele maatregelen te zijn om de tewerkstelling van jongeren te verbeteren. Want dat er structurele problemen zijn, lijkt wel duidelijk. Jongeren én een steeds stijgend aantal mensen van niet-Belgische origine (1 op 4 werklozen is niet-autochtoon) vinden maar geen job, terwijl er talloze vacatures zouden zijn. Volgens de woordvoerders van de sectoren die mensen te kort komen ligt het allemaal aan het onderwijs. Dat zou te weinig gericht zijn op de arbeidsmarkt. Volgens anderen ligt het dan weer aan de bedrijven, ziekenhuizen en onderwijsinstellingen die mensen te kort komen. Die zouden hun jobs niet aantrekkelijk genoeg maken. Anderen beweren dan weer dat jongeren zich gewoon te goed voelen om bepaalde jobs aan te nemen. Er wordt veel op de man geschoten, maar niet genoeg op het systeem.

Waarom niet in de eerste plaats investeren in tewerkstelling voor jongeren én een onderwijs dat jongeren uit alle kansengroepen op gelijke wijze weerbaar maakt om zich in de samenleving goed staande te houden? Laat het duidelijk zijn dat onderwijs voor ons niet mag draaien om winst. Ons huidige systeem reproduceert nu al heel wat ongelijkheid. Uit cijfers van de OESO blijkt dat België een van de landen is met de grootste ongelijkheid in het onderwijs. Ons onderwijs hervormen naar de eisen van de markten in plaats van naar het uitgangspunt van de gelijkwaardigheid van mensen zal die ongelijkheid alleen maar doen toenemen. In het onderwijs willen we meer ruimte voor ervaren en creëren. Meer praktijkervaring tijdens de opleiding kan volgens ons alleen maar een voordeel zijn. We willen minder zittenblijven en afstraffen. En tegelijk maatregelen tegen het watervalsysteem. Een verbetering van de status van de beroepsopleidingen. Zou iedereen eigenlijk niet gebaat zijn bij wat ‘praktische’ vakken? En net zoals in het onderwijs zij die ‘falen’ worden afgeschilderd als dom en lui, lijken ook in het latere leven ‘de werklozen’ dezelfde stigmatisering te ondergaan. Er is dan toch wel 1 zekerheid over ons onderwijs. Het leert ons denken in termen van winnaars en verliezers. Maar wie faalt er hier eigenlijk, de zittenblijvers en de werklozen of het onderwijs en de arbeidsmarkt? Het probleem heeft een systeem.

ALLEMAAL NAAR HET OCMW

In het regeerakkoord staat ook de volgende passage over de ‘strengere toelatingsvoorwaarden voor wachtuitkeringen’:
De personen in de beroepsinschakelingstijd zullen maar een inschakelingsuitkering kunnen genieten indien ze aantonen dat ze zich actief inzetten om een baan te vinden of actief aan een ‘individueel inschakelingstraject’ meewerken. […] Vanaf 2012 wordt het behoud van de inschakelingsuitkering gekoppeld aan de individuele inspanningen om een baan te vinden, en daartoe (1) zal deze actieve inspanning regelmatig geëvalueerd worden (2) en zullen, in geval van negatieve evaluatie, de uitkeringen voor een periode van 6 maanden opgeschort worden en (3) zullen ze pas na een positieve evaluatie kunnen worden hervat.

Uiteraard willen we dat iedereen een degelijke job heeft, en dat er zoveel mogelijk mensen aan de slag zijn om onze sociale zekerheid te financieren, maar is een maatregel als de bovenstaande de juiste methode? Zijn het niet net de zwakste jongeren die door deze evaluaties en strengere voorwaarden worden getroffen? Een evaluatiestructuur die tot uitsluiting kan leiden, riskeert werkzoekenden van jongs af aan naar de sociale bijstand en het OCMW te drijven. Veel zal afhangen van de uitwerking van de plannen. Wanneer sociale besparingen vooral de zwakste jongeren treffen, die zonder investeringen in onderwijs en inspanningen van de werkgevers ook geen werk zullen vinden onder druk van toegenomen sancties, lijkt de hervorming van de wachtuitkeringen nogal onvolkomen. En als het economisch slecht gaat en slechter dreigt te gaan, dan zullen meer sancties en controles zeker niet helpen om jongeren aan de slag te krijgen. Dan is er gewoon een tekort aan degelijke jobs.

Zonder bijkomende investeringen die jonge werkzoekenden een reëel perspectief op tewerkstelling biedt, zal deze hervorming haar doel voorbijschieten. Dan blijken de maatregelen slechts een weinig lucratieve besparingsingreep op de rug van zwaksten, waarbij kansarme werkzoekenden op nog jongere leeftijd perspectiefloos in de armen van de sociale bijstand worden gedreven en afhankelijk worden gemaakt van hun vaak onvermogende familie. Want hier gaat het ook om, om afhankelijkheid, een verlies van waardigheid, jongeren die thuis moeten blijven wonen. Als ze dat geluk al hebben. Het hoge aantal gerechtigden in regio´s met grote jongerenwerkloosheid zoals Wallonië en Brussel, lijkt een aanwijzing voor de nefaste gevolgen die een eenzijdig sanctiebeleid kan hebben.

Laat ons dus niet vergeten vooral te investeren in effectieve tewerkstellingskansen voor jongeren, zodat de prikkels van de wachtuitkeringshervorming effectief jongeren aan degelijke banen helpen. Keer op keer worden jongeren afgewezen wegens ‘te weinig ervaring’. Of je kunt aan de slag, maar dan als on(der)betaalde stagiair, met een dagcontract of in een ander onzeker statuut. En de meest kwetsbare jongeren vallen steeds opnieuw uit de boot. Wij willen aan de slag, geef ons dus een echte kans om ervaring op te bouwen met volwaardige arbeidsrechten.

HET VERHAAL ACHTER DE CIJFERS

Werkloosheid is inderdaad niet de enige bedreiging voor jongeren. Veel jongeren die op zoek zijn naar een eerste echte baan belanden in allerlei schimmige statuten: zoals zogenaamde halftijdse jobs die je voltijds aan het werk houden, onzekere tijdelijke contracten of onbetaalde en onderbetaalde stages buiten de opleiding. Deze laatste statuten zijn bijzonder onrechtvaardig. Ze staan immers enkel open voor zij die het zich kunnen veroorloven en vervangen maar al te vaak echte jobs die jongeren wél perspectieven en volwaardige contracten bieden. Voor elke werkloze jongere is er ook het verhaal van de tallozen die onder hun niveau werken, aan een karig loon, met onmogelijke uren. Zij komen niet voor in de statistieken van de jeugdwerkloosheid, maar hun verhaal schuilt wel degelijk achter de cijfertjes.

Een job hebben: essentieel. Maar het moet wel gaan om een job die je een waardig bestaan garandeert. Uit cijfers van Eurostat blijkt dat 19 miljoen in de EU werkt en toch arm is. Dat zoveel mensen met een job amper rond komen wil heel wat zeggen. Het toont onder andere aan dat de arbeidsvoorwaarden (onder andere de lonen) slechter worden en dat het bestaande sociaal vangnet er eveneens op achteruit gaat. Deze Europese tendens, en zeker het befaamde Duitse model van sociale afbraak en slechte baantjes die mensen moeten aaneenrijgen om toch nog rond te komen, is een voorbeeld om zeker niet te volgen. Werk moet leefbaar zijn. In het begin van de 19de eeuw had de Britse sociaal hervormer Robert Owen het over ‘Eight hours labour, Eight hours recreation, Eight hours rest’ als recht. Waar onbetaalde overuren de norm zijn, wanneer mensen kleine baantjes moeten combineren om de rekeningen te kunnen betalen, is dit citaat nog altijd een streven.

Jeugdwerkloosheid. Eigenlijk is het iets compleet absurd. Een complete verspilling van talent, energie, enthousiasme. Kortom, heel wat gemiste kansen. Wij zijn jong en klaar voor de toekomst. Maar is de toekomst wel klaar voor ons?

Met vriendelijke groet,

Maite Morren
Voorzitter Animo jong links

regeerakkoord - werk

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 83 tot 86