Abonneer Log in

Kleine Leonie

KINDERARMOEDE: DE SCHANDVLEK

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 30 tot 32

Elk jaar in september, en vaak ook in februari of maart, veranderen in Vlaamse kleuterklassen de brooddoosjes van kleur en worden ze getooid met een andere Disney- of Studio 100-figuur. Een vierjarige die vandaag Nijntje of Kabouter Wesley op de brooddoos heeft, wordt door de andere vierjarigen vierkant een loser genoemd. Mijn nichtje is kleuterleidster. Ze houdt me op de hoogte van de snel wijzigende trends en hypes in kleuterland. Omdat ik niet graag Nonkel Zagevent ben, durf ik daar dan niet al te veel commentaar op te geven. Ik heb ook niet gereageerd toen ik het relaas hoorde over Leonie. Hoe komt dat toch? Waarom raakt kinderarmoede ons nauwelijks?

KINDERARMOEDE: DE SCHANDVLEK

Hoog tijd om aan de alarmbel te trekken
Frank Vandenbroucke, Julie Vinck en Anne-Catherine Guio
Kinderen van de recessie
Gaëlle Buysschaert
Bemoeder de moeder
Hendrik Cammu
Waarom een focus op kinderarmoede contraproductief kan zijn
Wim Van Lancker
De armoede van het kinderarmoedebeleid
Griet Roets, Tineke Schiettecat, Rudi Roose en Michel Vandenbroeck
Gaten in het brein
Peter Adriaenssens
Kleine Leonie
Erik Vlaminck

Leonie is een meisje (lange blonde haren en wit vel, jawel) dat wel het correcte brooddoosje bezit maar het alle dagen kruimelleeg mee naar school brengt. De kleuterjuf depanneert. De kleuterjuf bewaakt zorgvuldig dat de andere ukken het niet zien dat zij de kleine Leonie wat uit haar eigen correcte brooddoos toestopt. De kleuterjuf heeft ook al geprobeerd om een gesprek met de moeder aan te knopen maar dat lukt niet want de moeder vermijdt het om nog tot bij de schoolpoort te komen. De kleine Leonie wordt op de hoek van de straat, met rugzakje en blinkend blauwe ogen, uit de auto gezet. Een Audi, die auto. Armoe woekert overal. Armoe verbergt zich beschaamd want beschimpt achter alle soorten façades.

Ik heb niet gereageerd toen ik het verhaal van de kleine Leonie hoorde omdat het me raakte. Het ging me nog meer raken toen ik hoorde dat er, nu de herfstvakantie voorbij is, in de kleuterklas van tweeëntwintig al drie kindjes zitten die dagelijks met een kruimellege brooddoos arriveren. Naast Leonie zijn er twee anderen bij gekomen die elke middag gedepanneerd moeten worden: een Toby (die er nog niet helemaal uit is of hij later Romelu Lukaku of Sven Nys gaat worden) en een Vincent (die, hoewel hij de r niet kan uitspreken, over zichzelf vrolijk tegen volwassenen zegt dat hij ‘een huidskleur met een beperking heeft’ omdat hij weet dat hij dan de lachers op de hand heeft).

Het is bizar. Pas wanneer zo’n kleuterverhaal voldoende herkenning oproept - wanneer die kruimellege brooddoos in ons hoofd heel even onze eigen kleuterbrooddoos wordt -, gaan onze empathische vermogens aan het werk. Er ontstaat medelijden, er ontstaat een dit-kan-en-mag-niet-gevoel, en er groeien wat-kan-ik-hier-aan-doen-plannen. In alle andere gevallen laat kinderverdriet ons, laten we eerlijk zijn, eigenlijk Siberisch koud.

We beschikken blijkbaar over een goedwerkend mechanisme om de ellende en de problemen van allerhande mensen die we niet kennen, en die we niet willen kennen, naar een afgedekte uithoek van ons denken te bannen. Het kost ons weinig moeite om perfect tevreden te zijn met de aankoop van een jas of tas waarvan we toch meer dan kunnen vermoeden dat er kindervingers aan gewerkt hebben. We rijden in lange rijen de IKEA-parking op terwijl we heel goed weten dat we niet willen weten dat aan nogal wat producten van dat Zweedse bedrijfje onder andere intense kinderpijn kleeft. (Ik streel zachtjes over de laptop waarop ik dit artikel typ en ik probeer me de doffe vermoeidheid te verbeelden van een van de jonge Aziaten die er onderbetaald en met grote zorgen onderdeeltjes in monteerde.)

Wellicht ontwikkelde de mens uit pure overlevingsnood het vermogen om de problemen van een ander weg te denken. Het zou inderdaad geen ‘leven’ zijn, mochten we permanent alle lasten van de wereld met ons meedragen. Het mag niemand verweten worden dat hij of zij ondanks alle wereldleed bij momenten gelukkig is. Maar als welstellende burgers mogen en moeten we het onszelf wel kwalijk nemen dat we ook collectief - in beleid, bestuur en organisatie - ziende blind blijven voor perfide uitwassen van een economisch bestel dat, indien het niet gecorrigeerd wordt, per definitie voor ‘hebbers’ en ‘niet-hebbers’ zorgt.

Er zijn weinig domeinen te bedenken waarover zo veel cijfer- en onderzoeksmateriaal bestaat als over de armoede en de kinderarmoede in ons eigen landje van belofte. Jaar na jaar wordt in jaarboeken en op colloquia aangetoond dat de armoede groeit en dat de ongelijkheid vergroot. Elke nieuwe regering stelt monumentale en ronkende beleidsverklaringen voor vol beloftes om de armoedeproblematiek met de wortel uit te roeien. En iedereen weet vooraf dat het loze beloftes zijn, holle woorden waar de minister in kwestie nooit op afgerekend zal worden.

Want we hebben ons mechanisme om dat waarmee we niet geconfronteerd willen worden opzij te schuiven. En ergens hebben we ook het halsstarrige geloof dat armoede met schuld beladen is. Het adagium dat wie arm is het zelf heeft gezocht, zit diep ingebakken in ons collectieve denken. Alle anders zeggende onderzoeksresultaten ten spijt. (Vraag aan honderd jongetjes en meisjes van tien jaar oud wat ze later willen worden en er zal er niet één bij zijn die zegt bedelaar te willen worden. Toch blijft de fabel van de bedelaars ‘die niks anders willen’ intact.)

Enfin, wellicht preek ik hier voor eigen kerk. Maar wat belet ons dan om politici onder druk te zetten om echt werk te maken van armoedebeleid? Om leeflonen op het niveau van bestaansminima te brengen? Om basale mensenrechten zoals het recht op wonen en eten onder alle omstandigheden te garanderen? Om gezondheidszorg toegankelijk te houden, ook voor wie geen ‘kleefbriefjes van de ziekenkas’ kan bemachtigen?

Onze samenleving schiet zichzelf in de voet door geen maatregelen tegen armoede te nemen. Voor wie alleen en/of vooral in centen en opbrengsten denkt, moet duidelijk zijn dat de kosten voor gezondheidszorg, veiligheid, werkloosheid, hulpverlening, enzovoort, enzovoort door een effectief armoedebeleid op termijn gereduceerd worden. Tel uit, uw winst. Voor wie het probleem vanuit ethiek en/of medelijden benadert, moet duidelijk zijn dat niets doen misdadig is.

En toch willen we het allemaal niet geweten hebben. Eigenlijk zijn we onmensen.

Ik ben benieuwd hoe gelukkig de kleine Leonie, de kleine Toby, de kleine Vincent en alle andere kinderen met kruimellege brooddozen later zullen worden. En op welke manier ze ons dan duidelijk zullen maken dat we niet gedaan hebben wat we moesten doen.

Erik Vlaminck
Roman- en theaterauteur en Nonkel Zagevent

armoede - kinderarmoede - armoedebestrijding

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 30 tot 32