Abonneer Log in

Socialdemokraterne: Gucci-Helle

STATE OF THE LEFT

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 86 tot 90

In 1993 trad in Denemarken onder leiding van Poul Nyrup Rasmussen (Socialdemokraterne, SD) een coalitie aan van sociaaldemocraten, sociaal-liberalen en twee kleine centrumpartijen. Dit was de eerste linkse coalitie in Europa die een agenda nastreefde die wij later als Derde Weg, ‘Neue Mitte’ of Paars leerden kennen. In 2011 trad in Denemarken opnieuw een regering aan geleid door sociaaldemocraten. Gaat deze linkse regering van Helle Thorning-Schmidt opnieuw een gidsrol spelen in Europa? Bieden de sociaaldemocraten in deze regering een nieuwe linkse en electoraal succesvolle agenda voor de toekomst? En biedt de samenwerking in deze regering tussen sociaaldemocraten, sociaal-liberalen en twee radicaal-linkse partijen een model voor sociaaldemocraten elders die samenwerking overwegen met partijen ter linkerzijde?

STATE OF THE LEFT

PvdA: een partij met gebroken benen
Joop van den Berg
PS: à qui la faute?
Frederik Dhondt
SPD: gevangen in de meerderheid
Michael Miebach
Socialdemokraterne: Gucci-Helle
Gijs Schumacher
PSOE: twee uitdagers, drie dilemma's
Juan Rodriguez Teruel

Op beide vragen is het antwoord een duidelijke neen. De Deense sociaaldemocraten kwamen met veel geluk in de regering. Ze hadden daarbij veel te danken aan het electorale succes van de sociaal-liberalen (Radikale Venstre). In de aanloop naar de verkiezingen die op z’n laatst half september 2015 zullen plaatsvinden, krabbelen de sociaaldemocraten in de peilingen stilaan recht. Maar een nieuwe termijn voor Helle Thorning-Schmidt wordt moeilijk. Dit komt mede doordat verdere samenwerking over links onwaarschijnlijk lijkt. In de volgende secties zal ik [1] (gegeven de peilingen en de strubbelingen tussen partijen) aangeven wat de mogelijkheden zijn voor de sociaaldemocraten bij de komende verkiezingen. En ik zal [2] duiden met wat voor agenda de sociaaldemocraten ten strijde trekken en waarom dat weinig hoop biedt voor electoraal succes. Ten slotte [3] bespreek ik de worstelingen met de identiteit die de Deense sociaaldemocraten en zusterpartijen ondervinden.

ELECTORALE VOORUITZICHTEN EN COALITIEMOGELIJKHEDEN

De verkiezingen van 2011 hadden geen week later moeten plaatsvinden, althans voor de sociaaldemocraten. Een week na de verkiezing haalde de rechtse coalitie de linkse coalitie immers in in de peilingen. Geen wittebroodsweken dus voor de kersverse regering. Te meer de Deense sociaaldemocraten een zetel verloren in de verkiezingen. Het was te danken aan de ruime winst van de sociaal-liberalen dat een coalitie tussen de sociaaldemocraten, de sociaal-liberalen en de Socialistische Volkspartij, met parlementaire ondersteuning van de Eenheidslijst (ook Rood-Groenen genoemd) numeriek mogelijk was. Het was de eerste keer dat een regering geleid door sociaaldemocraten zo expliciet door partijen ter linkerzijde gesteund werd. De Socialistische Volkspartij trad voor het eerst toe tot de regering. En we mogen stellen dat het voorlopig voor het laatst is. De partij kon zich maar moeilijk vinden in de regering-Thorning-Schmidt die programmatisch een sterk sociaal-liberaal karakter had. Al snel moest de partijleider Villy Søvndal plaatsmaken en aftreden als minister van Buitenlandse Zaken. De peilingen voorspelden (nog steeds trouwens) een electoraal pak rammel voor de Socialistische Volkspartij. Het was wachten op de juiste crisis om eruit te stappen - dat gebeurde in januari 2014. De parlementaire ondersteuning van de Eenheidslijst verliep nog stroever. Al in de zomer van 2012 trok die partij haar steun voor de regering in. Het huidige rompkabinet van sociaaldemocraten en sociaal-liberalen is dus een minderheidskabinet, dat vaak steunt zoek bij de liberalen.

Ook gezien de peilingen is een hernieuwde samenwerking over links na de verkiezingen onwaarschijnlijk. De kiezer lijkt de recalcitrante houding van de Eenheidslijst te belonen. De partij staat al tijden op dikke winst. Daarentegen lijkt de kiezer de Socialistische Volkspartij haar avontuur in de regering nog niet vergeven te hebben. De partij spartelt om het hoofd boven water te houden. Qua strijd om plek één in de verkiezingen liggen de sociaaldemocraten momenteel dichtbij de liberalen en de Deense Volkspartij. Daarmee lijkt een rechtse coalitie veel aannemelijker. Ook deze keer zal de Deense Volkspartij waarschijnlijk alleen een regering willen ondersteunen en niet zelf ministers leveren. De ambities om een ‘normale’ regeringspartij te worden, worden getemperd door de ervaringen van de Noorse, radicaal-rechtse Vooruitgangspartij, die het sinds haar toetreden tot de regering in 2013 erg moeilijk heeft. Een alternatief voor een rechtse coalitie is een coalitie tussen sociaaldemocraten en liberalen, zoals bijvoorbeeld in Nederland het geval is, of zelfs een coalitie tussen sociaaldemocraten en de Volkspartij. Beide coalities lijken erg onwaarschijnlijk, maar het balletje kan soms snel rollen wanneer andere opties uitgesloten zijn.

DE (NON-)AGENDA VAN LINKS

Qua economische agenda spelen de drie grote Deense partijen een gek, ruimtelijk spelletje met elkaar. In de periode voor de huidige regering etaleerden de liberalen zich als de beste vriend van de verzorgingsstaat. Dit deden zij om sociaaldemocratische kiezers aan te trekken. De regering Thorning-Schmidt probeerde met allerlei liberale maatregelen juist weer kiezers van de liberalen af te pakken. Zo zijn de traditionele rollen haast omgedraaid. Ondertussen heeft ook de Deense Volkspartij een sterk positief verzorgingsstaatimago. Zij zien zichzelf als de verdedigers van de bestaande verzorgingsstaat. Als er bezuinigd moet worden, dan alleen op de toegang van immigranten tot de verzorgingsstaat. Met andere woorden: sociaaldemocraten, liberalen en in mindere mate de Deense Volkspartij verschillen niet zo gek veel van elkaar wat betreft de economische agenda. Het is dan ook niet geheel verrassend dat zich op de flanken partijen ontwikkelen die beter voldoen aan de traditionele economisch links-rechts verdeling. Zo doet de eerdergenoemde Eenheidslijst het goed op links, en kregen de liberalen enige jaren geleden met de Liberale Alliantie een concurrent om de rechtseconomische kiezersgunst.

Ook op culturele issues - zoals de EU of immigratie - zijn de sociaaldemocraten weinig onderscheidend. Tuurlijk zijn ze een stuk progressiever dan de Deense Volkspartij. Maar er zijn veel partijen die dan weer beduidend progressiever zijn dan de sociaaldemocraten. Ook op dit thema innoveert het Deense partijsysteem rustig door. Het is waarschijnlijk dat weer een nieuwe partij intrede zal doen in het Deense parlement: Het Alternatief - opgericht door een sociaal-liberale dissident - is de zoveelste links-progressieve partij die een stukje van de electorale cake tot zich zal nemen.

Samenvattend. De Deense Socialdemokraterne zijn weinig onderscheidend, een klacht die elders ook over sociaaldemocraten wordt geuit. Je mag dan wel de eerste of tweede partij zijn qua zetelaantal, coalitiedynamieken middelen de verschillen tussen coalitiepartners uit. Of erger nog. De Deense sociaal-liberalen zeggen wel eens: ‘of we regeren of we zitten in de regering’. Wat zij daarmee willen zeggen, is dat in Denemarken zo vaak de steun van de oppositie nodig is dat die oppositie vaak meer invloed op het beleid lijkt te hebben dan de regering zelf. De sociaaldemocraten moeten steeds weer de steun van de sociaal-liberalen en de liberalen zoeken. Het middelpunt van het parlement is niet links. Je mag dan wel een linkse regering hebben, maar die is niet in staat om een linkse agenda uit te voeren.

ECONOMIE BELANGRIJKER DAN AGENDA

Hoewel ‘onderscheidend zijn’ vaak geïdentificeerd wordt als de diagnose voor de matige electorale prestaties van sociaaldemocratische partijen, is het maar zeer de vraag of dat zo is. De Amerikaanse politicoloog Gabriel Lenz volgt in zijn boek Follow the Leader? (2012) kiezers in meerdere surveys over tijd. Zijn bevinding is dat kiezers partijen volgen en niet andersom. Kortom, het recept van electoraal succes zit hem niet in de juiste posities innemen over allerlei issues. Kiezers maken, aldus Lenz, gebruik van veel eenvoudigere signalen over partijen en hun kwaliteiten. Zo speelt de economie een belangrijke rol in hun overwegingen. Omdat kleine landen zoals Denemarken nu eenmaal erg afhankelijk zijn van de wereldeconomie, kunnen regeringen soms bar weinig doen om hun lot te verbeteren. Dit kan in je voordeel werken of in je nadeel. De sociaaldemocraten kwamen in Denemarken aan de macht omdat het economisch slecht ging en zij het enige alternatief waren. Tegelijkertijd zullen ze nu waarschijnlijk gaan verliezen omdat het nog steeds economisch matig gaat in Denemarken.

Van de constateringen van Gabriel Lenz word je niet bepaald vrolijk. Kennelijk gaat het in de democratie niet om issues, maar om prestaties waar partijen soms weinig invloed op hebben.
Overigens zijn er nog ergere signalen waar kiezers op reageren: volgens het zogeheten ‘bandwagon effect’ wordt de kans groter dat kiezers op een partij gaan stemmen als zij informatie ontvangen over hoe goed deze partij het doet in de peilingen. Wat links kan leren uit deze constateringen is dat de oorzaak van electoraal verlies niet per se ligt bij een onduidelijke agenda. Tegelijkertijd moet men ook beseffen dat electorale winst niet per se betekent dat je de juiste agenda hebt gevonden. Met andere woorden: als je de verkiezingen wint, denk dan niet dat je weet wat de burger wil. Zo stemmen mensen nu eenmaal niet. Het geruststellende hieraan is dat het wellicht de permanente staat van existentiële onzekerheid van sociaaldemocratische partijen overal in Europa opheft. Het ligt niet aan je agenda, ‘it’s the economy’. De Deense sociaaldemocraten lijken dit te begrijpen. Ze benadrukken voortdurend de positieve kantjes van een traag opkrabbelende economie.

GUCCI-HELLE

Aansluitend op discussies over de agenda van de partij staat in bijna alle sociaaldemocratische partijen doorheen Europa de partijleider quasi permanent ter discussie. Het is vaak hetzelfde liedje: is hij of zij wel sociaaldemocratisch genoeg? In Denemarken is dit niet anders. Helle Thorning-Schmidt wordt vaak Gucci-Helle genoemd. Kennelijk is haar wat chique en dure kledingstijl te rechts. De Denen zijn hier misschien wel wat extreem in. De de facto leider van de Eenheidslijst Johanne Schmidt-Nielsen werd ooit bekritiseerd voor het dragen van make-up.

Hoewel Gucci-Helle bekend staat als iemand die goed campagne voert, heeft zij in alle verkiezingen waarbij ze partijleider was zetels verloren (hierbij tel ik lokale en regionale verkiezingen mee!). Zouden de sociaaldemocraten beter af zijn met een partijleider die wat meer het aura van een arbeider heeft? Ik weet het niet. Ik denk het niet. Sociaaldemocratische partijen zijn - overal in Europa - geen arbeiderspartijen meer, eerder ambtenarenpartijen. Deze partijen vinden het wel nodig om met regelmaat de illusie van de arbeiderspartij hoog te houden. Dan doet de partijleider zijn stropdas af, stroopt de mouwen op en vertelt trots over de arbeidersroots van zijn ouders. Wat dat betreft is Helle Thorning-Schmidt een stuk stoerder. Zij deelde eens een publiek van havenarbeiders mee ‘ik ben niet zoals jullie’. Op bezoek bij een militaire missie in Libië droeg zij met haar camouflagepak stiletto hakken en een Gucci-tas. Ze is in ieder geval zichzelf.

TER CONCLUSIE

De Deense sociaaldemocraten worstelen, net als andere sociaaldemocraten in Europa, met hun identiteit: qua programma maar ook letterlijk qua uiterlijk. Het feit dat zij - in tegenstelling tot hun zusterpartijen - de belangrijkste regeringspartij zijn, doet weinig af aan die existentiële onzekerheid. Daarmee zijn zij ook geen gidspartij voor andere linkse partijen. Ten laatste in september 2015 zijn er verkiezingen in Denemarken. De kans bestaat dat de Deense Socialdemokraterne deze stembusgang winnen en in een wat rustiger vaarwater komen. Het biedt wellicht de mogelijkheid om een wat duidelijkere identiteit te bouwen. Waarschijnlijker is het dat nieuw succes de noodzaak tot hervorming onderdrukt en de worsteling met de eigen identiteit verlengd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 5 (mei), pagina 86 tot 90