Abonneer Log in

Vrouwen: dupe van de pensioenhervorming

VERLIEZERS VAN HET REGERINGSBELEID

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 13 tot 19

Minister van Pensioenen Daniel Bacquelaine is blind voor de realiteit van vrouwenpensioenen. Elke aankondiging opnieuw zijn vrouwen diegenen die een achteruitgang moeten incasseren. Laatst waren het de studiejaren van de ambtenaren waar het de (voornamelijk vrouwelijke) leerkrachten zijn die er op achteruit gaan. Daarvoor waren het de gelijkgestelde periodes en de minimumpensioenen. Dat Bacquelaine ongegeneerd het tegendeel verkondigt, is niet vreemd aan deze regering. In dit artikel vraag ik de nodige aandacht voor ons toekomstig pensioenstelsel en zeker de bijzondere aandacht die de vrouw hierin verdient. Want alle discriminaties die tijdens de loopbaan bestaan, worden versterkt in hun latere pensioenen. Daar kan het beleid niet onverschillig mee omgaan.

VERLIEZERS VAN HET REGERINGSBELEID

Armen: in de hoek waar de klappen vallen
Frederic Vanhauwaert
Jongeren: gestraft door ideologische keuzes
Jaro Verberck
Vrouwen: dupe van de pensioenhervorming
Celien Vanmoerkerke
Zieken: de stok werkt niet
Evelyne Hens
Ambtenaren: gemakkelijke prooi voor besparingsdrift
Dirk Van Melkebeke

Sinds 2009 is er in de pensioenreglementering strikt genomen geen onderscheid meer tussen vrouwen en mannen. Vanaf dat moment bereikte de wettelijke pensioenleeftijd van vrouwen deze van mannen: 65 jaar. De regering-Michel trok deze verder op tot 67 jaar vanaf 2030. Opnieuw werden mannen en vrouwen ‘gelijk’ behandeld. Net daar stelt zich echter het probleem. Het gelijk behandelen van een ongelijke situatie leidt in de feiten juist vaak tot grotere ongelijkheid.

Pensioenen zijn een quasi pure weerspiegeling van de situatie op de arbeidsmarkt. Elke discriminatie op de arbeidsmarkt wordt overgenomen, of zelfs versterkt, na pensionering. Dat komt door de berekeningsformule van het pensioen. Het pensioenbedrag wordt berekend in functie van het inkomen verdiend over de hele loopbaan. Ook het aantal loopbaanjaren heeft een belangrijke impact. Zowel voor lonen als voor loopbaanjaren is de situatie van vrouwen nadeliger dan die van mannen: ze dragen over het algemeen minder loopbaanjaren bij, ze kennen meer perioden van onderbreking in hun loopbaan, ze werken meer deeltijds en dus aan een lager loon, enzovoort.

De pensioenhervorming die Minister van PensioenenDaniel Bacquelaine (MR) voor ogen heeft, zal de nadelige pensioensituatie van vrouwen alleen nog maar versterken. Niet alleen worden leeftijden en voorwaarden strenger gemaakt; ook de beschermingsmaatregelen die voor vrouwen werden voorzien, liggen vandaag onder vuur.

DE LOONKLOOF: HET LOON ALS BASIS VOOR HET LATERE PENSIOEN

Het inkomen vormt de basis voor het latere pensioenbedrag. Dat is geen goeie zaak voor vrouwen, zeker als je weet dat de loonkloof aanhoudt en dat er binnen overmatig ‘vrouwelijke sectoren’ nog steeds gemiddeld lagere lonen worden uitbetaald. Vrouwen verdienen per uur 9% minder dan mannen.1 Dit verschil kan niet worden verklaard, zelfs wanneer men rekening houdt met objectiveerbare verschillen in opleidingsniveau, aantal werkuren, enzovoort. De loonkloof in jaarlonen blijft quasi constant net boven de 20%. Het hogere percentage verklaart zich doordat veel vrouwen deeltijds werken. En daarmee is de cirkel natuurlijk rond: het zijn vaker vrouwen die deeltijds werken, net omdat hun inkomen lager is en het verlies voor het gezin zo kleiner is. Het deeltijds werk van vrouwen is echter in de meeste gevallen geen vrije maar een opgelegde keuze. Omdat er geen voltijdse jobs voor handen zijn of omdat het om een gezinskeuze gaat met betrekking tot de verdeling van betaald en onbetaald werk.

De ‘gezinskeuze’ vertaalt zich in een bijzonder ongelijk verdeelde factuur voor het persoonlijke inkomen van vrouwen na hun pensionering. Dat is een dikwijls onbekende consequentie van ‘keuzes’ uit het verleden. Door de pensioenberekening zorgt een deeltijds inkomen (behoudens enkele uitzonderingen2) namelijk voor een gedeeltelijk pensioenbedrag. Dit is een omvangrijk probleem, aangezien de massale intrede van de vrouw op de arbeidsmarkt voornamelijk een deeltijdse intrede was. In 1983 werkte 20% van de loontrekkende vrouw deeltijds, terwijl dit in 2013 bijna 45% was.3 De helft van de vrouwen die deeltijds werkt, zegt dat ze dit doet wegens zorgnoden voor kind of familielid. Mochten er toegankelijke, betaalbare en kwaliteitsvolle opvangvoorzieningen zijn, zou een groot deel van hen wel voltijds aan de slag kunnen.

Naast de ongelijke verdeling van zorg en arbeidstijd spelen nog andere factoren een rol in het verklaren van de loonkloof. Een eerste is het glazen plafond. Vrouwen maken minder snel promotie. Hoewel vrouwen 48% van de werkenden uitmaken, maken ze slechts 35% van de leidinggevenden uit.4

Ook de sector waarin je als vrouw terechtkomt, is bepalend. Er is zelfs een dubbel negatief effect. Enerzijds liggen de lonen in sectoren waar voornamelijk vrouwen werken gevoelig lager dan typisch mannelijke sectoren. Anderzijds is de loonkloof in sectoren waar zowel mannen als vrouwen werken groter.5

Het probleem voor vrouw en pensioen begint zelfs al eerder, in het onderwijs. Tijdens hun studies kiezen vrouwen immers vaker dan mannen voor ‘zachte’ richtingen die leiden naar de minder lucratieve sociaal-culturele sector, de zorg of het onderwijs. Volgens de cijfers van Vlaams Zorgambassadeur Lon Holtzer (2015) is bij de Vlaamse verpleegkundigen in 2014 nog steeds 86% vrouw en in de Vlaamse gezinszorg maken vrouwen 97% uit van het personeel. Mannen zijn dan weer oververtegenwoordigd in de goed betalende technologie- en industriesectoren.6

Er zijn dus verschillende oorzaken waarom vrouwen door hun gemiddeld lagere lonen tijdens de loopbaan een lager pensioenbedrag opbouwen. Deze lopen natuurlijk ook door elkaar. Echter, één ding is zeker: door het belang van het loon in de pensioenberekening wordt de discriminatie op de arbeidsmarkt doorgetrokken en is er sprake van pensioendiscriminatie voor vrouwen. Dit is op zich een erg onrechtvaardige situatie. De arbeidsmarktrealiteit, de gezinskeuzes en de verschillende maatschappelijke (economische) appreciatie voor vrouwelijke en mannelijke sectoren, beroepen en opleidingen zouden zich niet mogen vertalen in een verschillende waardering van de pensioenen. Zeker omdat veel van die keuzes tijdens de loopbaan opgelegd of genomen worden zonder goede kennis over de gevolgen op latere leeftijd.

DE LOOPBAAN: COMPLEET VERSCHILLEND VOOR MAN EN VROUW

De gemiddelde loopbaan van een vrouw bedraagt vandaag 36,6 jaar. Bij mannen is dat 42,2 jaar.7 Bovendien is een groot deel van de vrouwenloopbaan samengesteld uit gelijkgestelde periodes. Die periodes van inactiviteit, die toch meetellen voor het pensioen, liggen vandaag onder vuur. Nochtans bestaat 50% van de loopbaan van arbeidsters uit gelijkgestelde periodes. Bij arbeiders is dat 39%.8

Waar een beleid gericht op gendergelijkheid in pensioenen zich zou moeten richten op het wegwerken van de hierboven genoemde bestaande discriminaties, versterken de voorziene hervormingsmaatregelen het probleem nog. De ‘invraagstelling van de gelijkgestelde periodes’, wat vandaag gebeurt, is hierbij een belangrijk element. Concreet betekent het dat de nu al lagere pensioenbedragen van vrouwen nog verder zullen dalen.

Kijken we naar hoe de gelijkgestelde periodes precies verdeeld zijn, zien we de impact van het beperken van gelijkgestelde periodes.9 Voor mannen zijn de gelijkgestelde periodes hoofdzakelijk te wijten aan werkloosheid en brugpensioen. Bij vrouwen gaat het vooral over gelijkgestelde periodes voor werkloosheid.

Door de expertencommissie, onder leiding van Frank Vandenbroucke, werd onderzoek gedaan naar andere periodes in een loopbaan (vanaf 16 tot 65 jaar) die geen betaald werk zijn noch meetellen als gelijkgestelde periodes.10 Het kan dan gaan om studiejaren, periodes waarin (onbetaalde) zorg wordt verstrekt of andere periodes van inactiviteit. Deze categorie vertegenwoordigt 40% van een loopbaan bij vrouwen, tegenover slechts 1% bij mannen.

Ten slotte keek men naar het soort gelijkstelling op het einde van de loopbaan. Wat blijkt? Van de vrouwen die inactief zijn op het einde van de loopbaan is 50% werkloos, 20% ziek of invalide (ZIV) en 21% op brugpensioen; slechts 6% heeft een gelijkstelling voor landingsbanen of tijdskrediet. Bij mannen gaat het voor 28% over werkloosheid, voor 19% over ZIV en voor 48% over brugpensioen.

De regering-Michel wil periodes van werkloosheid (en brugpensioen) liever niet, of slechts beperkt, laten meetellen voor de pensioenberekening en de toegang tot het vervroegd pensioen. Bovenstaande cijfers tonen nochtans duidelijk aan dat deze periodes op het einde van de loopbaan uitermate belangrijk zijn. Een beperking ervan heeft een grote negatieve impact op het pensioenniveau.

Een beleid dat echt op gelijkheid inzet, investeert (zolang er geen gelijkheid bestaat op de arbeidsmarkt) juist meer in gelijkgestelde periodes. We stellen namelijk vast dat de arbeidsmarktsituatie van vrouwen niet binnen het kostwinnermodel valt. Dat kostwinnermodel is nochtans de basis van het huidige pensioensysteem.

Conclusie? De loonkloof en de verschillen in het loopbaanverloop leiden tot grote verschillen in het pensioenbedrag van mannen en vrouwen. Het gemiddelde pensioenbedrag van vrouwen bedraagt 710 euro; mannen ontvangen gemiddeld 950 euro.11 Dat is dus een pensioenkloof van 25%. Houden we rekening met het gezinspensioen12, dat voor 99,5% aan mannen wordt toegekend, dan vergroot de pensioenkloof tot meer dan 30%.

VORIGE PENSIOENHERVORMINGEN HADDEN OOG VOOR REALITEIT

Bij de pensioenhervorming van 1997 werd de pensioenleeftijd voor de vrouwen opgetrokken van 60 naar 65 jaar en werd de loopbaanvoorwaarde om met vervroegd pensioen te kunnen gaan, opgetrokken van 20 naar 35 jaar. Deze maatregelen, die tot ‘een mildering van de uitgaven’13 dienden, gingen gepaard met belangrijke beschermingsmaatregelen die er voor zorgden dat vrouwen werden beschermd:

  • De invoering van een ‘minimumrecht per loopbaanjaar’. Dit om de feitelijke ongelijkheden op arbeidsrechtelijk vlak tussen mannen en vrouwen zo weinig mogelijk te laten doorwerken in het pensioenrecht. Dit minimumrecht zorgt ervoor dat voor de jaren met een laag inkomen er in de pensioenberekening toch minstens rekening werd gehouden met het minimumloon. Dit minimumrecht geldt vanaf 15 jaar 1/3de arbeids- of gelijkgestelde periode.
  • De versoepeling van de toegang tot het minimumstelsel. Een loopbaanjaar (om te voldoen aan de toegangsvoorwaarde tot het vervroegd pensioen) telt mee zodra er 1/3de tewerkstelling is.
  • Het toekennen van bonusjaren voor diverse vormen van arbeidsherverdeling.

In 2006 werd vastgesteld dat de ongelijkheid in de pensioenen nog steeds sterk aanwezig was. Er werden voor vrouwen verbeteringen bekomen. Om vooral aan de nieuwe korte en atypische loopbanen tegemoet te komen, werden meer bepaald twee maatregelen ingevoerd:

  • Het minimumrecht, dat in 1997 werd ingevoerd, had een achterstand opgelopen ten opzichte van het minimumloon en werd in één beweging verhoogd met 17%, tot op het niveau van het minimumloon.
  • Er werd een minimumpensioen ingevoerd voor deeltijds werkenden. Tot dan moest je 30 jaar 2/3de tewerkstelling of gelijkstelling hebben om recht te hebben op een minimumpensioen.

Hoewel we vandaag nog steeds geen gelijkheid vaststellen in de loopbaan en de inkomens van mannen en vrouwen, houdt de aangekondigde hervorming van Minister Bacquelaine hier geen rekening mee. Erger nog, ze haalt de beschermingsmaatregelen in de minimumpensioenen onderuit:

  1. De verbeteringen van de minimumpensioenen moeten voor Bacquelaine vooral gaan naar mensen met 45 jaar loopbaan. Echter, 75% van de vrouwen die vandaag op pensioen gaat, voldoet niet aan die voorwaarde. Nog veel meer vrouwen die nu al met pensioen zijn, voldoen daar evenmin aan.
  2. Een nieuw minimumpensioen zou worden ingevoerd waar je na 20 jaar effectieve tewerkstelling toegang tot krijgt. Men wil dus geen rekening meer houden met gelijkgestelde periodes. Bovendien geldt het bedrag van het minimumpensioen van 1.145,8 euro slechts als je 45 jaar loopbaan hebt. Met dit voorstel krijg je dus 509 euro per maand na 20 jaar werken.14
    3. Het minimumpensioen zou enkel nog in dagen berekend worden. Voor elke effectieve dag krijg je dus een bepaald bedrag. De huidige beschermingsmechanismes, zoals het hierboven uitgelegde minimumrecht per loopbaanjaar voor korte en atypische loopbanen, worden hierdoor onderuit gehaald.

Een voorbeeld. In het huidige stelsel telt 1 jaar mee als 1 als je 285 dagen aantoont binnen dat jaar. Dat wordt dan beschouwd als zijnde een voltijds jaar van 312 dagen. In het nieuwe stelsel zal iemand die vandaag 45 jaar 2/3de gewerkt heeft, en dus vandaag het volledig minimumpensioen van 1.124 euro heeft, in de toekomst nog slechts 935 euro (1124/312\*285) hebben.

Al deze maatregelen worden door de regering-Michel mooi verpakt onder de noemer ‘meer pensioen voor wie werkt’. In de feiten betekent het een afbraak van de solidariteitsmaatregelen in ons pensioenstelsel ten koste van de sociaal zwakkeren.

HET HUIDIG PENSIOENBELEID STRAFT VROUWEN DRIEDUBBEL

Samengevat wil Daniel Bacquelaine de band versterken tussen werk en pensioen. Op basis van de hierboven uiteengezette geplande hervormingen is het duidelijk dat dit geen enkelvoudig, maar een drievoudig sociaal bloedbad voor vrouwen betekent:

  1. De beperking van de gelijkgestelde periodes, die vandaag een belangrijk onderdeel vormen van vrouwenloopbanen (die sowieso al korter zijn).
  2. De uitholling van het minimumpensioen, die vooral de beschermingen voor deeltijds werkenden en dus de solidariteit onderuit haalt.
  3. De focus voor de toekomstige verbeteringen van de pensioenen bovenop de index op het minimumpensioen met een volledige loopbaan, terwijl we weten dat slechts 25% van de vrouwen een volledige loopbaan heeft.

Bovendien werd de pensioenleeftijd voor vrouwen en mannen naar 67 jaar opgetrokken, terwijl de levensverwachting in goede gezondheid voor vrouwen 63,7 jaar bedraagt.15 Dat gemiddelde toont aan dat het niet alleen om werknemers(sters) actief in enkele zware beroepen gaat, die het omwille van gezondheidsredenen moeilijk zullen hebben tot de nieuwe pensioenleeftijd te blijven werken, maar om een grote groep van werkende vrouwen (en mannen). Tot nu toe werd geen enkele beschermingsmaatregel voor vrouwen, noch voor andere (kwetsbare) werknemersgroepen, voorzien of concreet gemaakt. Integendeel. De landingsbanen werden verstrengd, de pensioenbonus werd afgeschaft en de voorwaarden om op vervroegd pensioen te gaan werden zodanig verstrengd dat deze uitgangspoort voor vrouwen niet meer gebruikt kan worden: 63 jaar na 42 jaar loopbaan. De gemiddelde loopbaan van een vrouw vandaag is 36 jaar. Deze beslissingen duiden op de afwezigheid van respect voor de vrouw. Of toch minstens op een gebrek aan begrip en realiteitszin over de huidige arbeidsmarktsituatie van heel wat vrouwen.

Deze pensioenhervorming gaat in tegen alle beschermende maatregelen die vroeger zijn ingevoerd ten voordele van de vrouwen en hun atypische en kortere loopbanen. Elke studie is het eens over het feit dat de loopbanen van vrouwen niet in de buurt komen van die van mannen en dat dat ook niet gauw zal gebeuren. Bovendien is het, door de flexibilisering van de arbeidsmarkt, voor veel mannen vandaag ook niet meer mogelijk om volledige voltijdse loopbanen te presteren.16 Tegen al deze vaststellingen in, wil de regering nu het pensioenbedrag en het minimumpensioen meer linken aan effectieve prestaties. Terwijl eigenlijk juist het omgekeerde zou moeten gebeuren. Het resultaat zal zich aftekenen in een financiële verarming van de grote groep vrouwen en mannen die geen 45 jaar voltijds kunnen werken.

EEN ALTERNATIEF IS MOGELIJK

Het behoud van de gelijkgestelde periodes is een must. Van werknemers een loopbaan eisen van 45 jaar gaat gepaard met een erkenning dat niet iedereen voortdurend voltijds kan werken in die 45 jaar. Het is net het doel van de sociale zekerheid om in de gevallen dat het niet lukt toch die bescherming te geven. De gelijkgestelde periodes waren een compensatie voor het optrekken van de pensioenleeftijd voor vrouwen. Minister Bacquelaine draait het nu om. Hij focust voornamelijk op de verzekeringsfunctie, ten koste van de vrouwen.

We pleiten voor lagere loopbaanvoorwaarden voor de toegang tot het vervroegd pensioen, rekening houdend met de gemiddeld kortere loopbanen van vrouwen. Bovendien is een versterking van de minimumpensioenen een must. De korte loopbanen van vrouwen zorgen ervoor dat hun (minimum) pensioenen ook laag zijn. Het versterken van de wettelijke pensioenen en het voorzien van bijkomende middelen om dat te doen, is het enige juiste in een sociale welvaartsstaat die garant staat voor herverdeling en bescherming. Ten slotte moet er bij elke hervorming met een genderbril naar de impact gekeken worden. Vrouwen verdienen bijzondere aandacht. De gevolgen zijn simpelweg te groot.

Celien Vanmoerkerke
Studiedienst ABVV, Sociaal departement

Noten
1/ Loonkloofrapport 2015, p. 5.
2/ Sommige periodes van deeltijds werk worden voor de pensioenberekening als voltijds werk in aanmerking genomen. Het gaat om deeltijds met behoud van rechten. Werknemers met inkomensgarantie-uitkering (IGU) krijgen onbeperkte gelijkstelling. Is er geen IGU dan is de gelijkstelling beperkt tot 1.560 dagen.
3/ Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013), Statbel.
4/ Loonkloofrapport, 2015.
5/ ADS, Enquête naar de Structuur en de Verdeling van de Lonen (2012).
6/ Persdossier, equal pay day 2016.
7/ Planbureau, september 2015.
8/ Rijksdienst voor Pensioenen.
9/ Expertenrapport bijlage 2.1, p. 21.
10/ Expertenrapport bijlage 2.1, p. 22.
11/ RVP, jaarlijkse statistiek voor de rechthebbende, 2015, p. 11. Het gaat hier om het pensioen als alleenstaande, dus op basis van eigen rechten: vervangingsratio 60% tegenover 75% in geval van een gezinspensioen.
12/ Dat is het pensioen dat toegekend wordt wanneer één van de gehuwde partners geen eigen beroepsinkomen heeft gehad. Er wordt dan 75% van het verdiende inkomen van de kostwinner toegekend voor beiden i.p.v. 60% voor het inkomen van elke partner in het andere geval.
13/ Planbureau, Planning paper 82, De pensioenhervorming, een nieuwe generatie en een nieuw contract, p. 12, november 1997.
14/ De berekening: 1.145,8 euro x 20/45 = 509 euro.
15/ Federaal Planbureau, Eerste publicatie van 64 aanvullende indicatoren naast het bbp, p. 92.
16/ Gender gap in pensions in the EU, Research note to the Latvian presidency, p. 31.

vrouwen - pensioenhervorming - Bacquelaine Daniel

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 13 tot 19