Abonneer Log in

Armen: in de hoek waar de klappen vallen

VERLIEZERS VAN HET REGERINGSBELEID

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 8

De verschillende regeringen in ons land zouden ons allemaal ‘een steentje laten bijdragen’ in de besparingen om ons er nadien de ‘vruchten van te laten plukken’. Glijmiddel voor die vaak drastische besparingen waren de ‘sociale correcties’. Helaas zijn de besparingen bittere realiteit, zeker voor mensen in armoede, maar blijft het wachten op echte sociale correcties en de vruchten van het beleid.

VERLIEZERS VAN HET REGERINGSBELEID

Armen: in de hoek waar de klappen vallen
Frederic Vanhauwaert
Jongeren: gestraft door ideologische keuzes
Jaro Verberck
Vrouwen: dupe van de pensioenhervorming
Celien Vanmoerkerke
Zieken: de stok werkt niet
Evelyne Hens
Ambtenaren: gemakkelijke prooi voor besparingsdrift
Dirk Van Melkebeke

De berekeningen van Decenniumdoelen 2017, een samenwerkingsverband tussen arbeiders-, welzijns- en armoedeorganisaties zoals het Netwerk tegen Armoede, zijn duidelijk en worden door niemand betwist. Gemiddeld betaalt de onderste 20%-inkomens zo’n 44 euro per maand meer als gevolg van het regeringsbeleid. Onder meer de energieprijs stijgt dit jaar explosief. Gemiddeld zal een gezin met vier personen in 2016 zo’n 350 euro extra moeten ophoesten om de energiefactuur te betalen. Dat komt heus niet alleen door de ondertussen roemruchte Turteltaks van de Vlaamse regering. Ook de federale regering verhoogde de btw van 6 naar 21% en voerde een vennootschapsbelasting in voor de intercommunales. Het maakt dat de energiefactuur uitgroeit tot een financiële strop voor gezinnen die het al moeilijk hebben.

De besparingen snijden voor veel groepen nog dieper in het budget dan die gemiddelde 44 euro per maand. Er was de weigering van de Vlaamse regering om de indexering van de huurprijzen, ook die in de sociale huur, tegen te houden terwijl lage lonen en uitkeringen, inclusief de kinderbijslag en het belastingkrediet voor kinderen ten laste, wél de indexsprong ondergingen. Tegelijk werd bespaard op budgetten voor de bouw van nieuwe sociale woningen. Daardoor blijft de inhaalbeweging, die zich al jaren opdringt en die door de vorige regeringen steeds opnieuw werd aangekondigd maar niet wilde vlotten, ook nu dode letter. Zowel de federale als de Vlaamse regering zorgden dan weer voor hogere kosten op het vlak van mobiliteit. Ze trokken de accijnzen op diesel op (mensen in armoede die nog een auto hebben rijden tweedehands en dus minder zuinig). Ze legden besparingen op bij De Lijn, waardoor bustickets duurder werden. Ook bij de NMBS wordt nagedacht over een prijsverhoging van de treintickets.

In de gezondheidszorg waren er de besparingen op de dienstverlening van de mutualiteiten, de verhoging van het remgeld bij de specialist en de verhoging van de zorgpremie. De Vlaamse regering maakte ook de kinderopvang duurder en het - verhoogde - sociale tarief minder toegankelijk door mensen te verplichten via het OCMW te gaan. Ook de maximumfactuur in het basisonderwijs verhoogde en er werd bespaard op de werkingskosten in scholen en CLB’s. Op de arbeidsmarkt is er de aangepaste beschikbaarheid voor werkzoekenden. Bovendien werd bij de taxshift de kans gemist om extra lastenverlagingen in te bouwen gericht op kansengroepen. De doelgroepkortingen voor langdurig werklozen tussen 26 en 55 jaar blijven uit. De toekomst van het Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap (PWA) en artikel 60 (het wetsartikel dat OCMW’s de mogelijkheid geeft om cliënten aan het werk te zetten tot zij voldoende rechten opgebouwd hebben voor een werkloosheidsuitkering) is nog bijzonder onzeker. Wel schafte men wep+ af, om het te vervangen door de nieuwe werkervaringstrajecten: zij worden nu uitkeringsgerechtigde werklozen in opleiding, in plaats van werknemers die sociale rechten opbouwen. De verplichting vervalt voor dienstenchequebedrijven om een minimum aan kansengroepen tewerk te stellen, het gesco-statuut werd ‘geregulariseerd’ (lees: men kan het geld ook aan andere profielen besteden), er is de aangekondigde hogere flexibiliteit bij interim en deeltijdse arbeid (uurroosters die 24 uur van tevoren kunnen wijzigen), enzovoort.

Zeer ingrijpend waren het inkomensverlies en het verlies aan recht op sociale bescherming voor een groot aantal mensen tout court. Er werd al geknabbeld aan de opbouw van pensioenrechten, maar ook op het recht op minimumpensioen. Daardoor is de verwachting dat meer mensen op pensioenleeftijd op termijn op de inkomensgarantie voor ouderen zullen moeten terugvallen, wat voor vele oudere koppels een verarming betekent (aangezien deze uitkering inkomensafhankelijk is en dus deels of helemaal kan wegvallen). Het is bovendien bang afwachten wat de federale regering hier nog in petto heeft. Er is sprake van extra ingrepen in gelijkgestelde periodes en extra gebruik van lagere forfaitaire bedragen tijdens die periodes waarop het pensioen wordt berekend (wat nu al werd doorgevoerd voor langdurig werklozen).

De druk op oudere werknemers en werkzoekenden wordt verder opgevoerd: door de verdere afbouw van het brug- en overlevingspensioen, door het optrekken van de pensioenleeftijd, door de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen, door het verlies aan inkomen (ook door het afschaffen van anciënniteitstoelage in de werkloosheid) en door de nog versterkte degressiviteit in de werkloosheidsuitkeringen. Daarbovenop richt men nu ook steeds meer de pijlen op wie ziek en arbeidsongeschikt is. Veel - vooral tevoren onregelmatig tewerkgestelde - invaliden en zieken leden inkomensverlies door het herberekenen van hun uitkering op de laatste twaalf maanden loon i.p.v. hun laatste maandloon. Daar kwam het nieuwe re-integratieplan bij voor wie ziek valt. En de financiële sanctie is terug van weggeweest, blijkt uit de laatste begrotingswijziging. Nochtans was die eerder afgevoerd onder druk van mutualiteiten, vakbonden én werkgevers. Er is sprake van 10% verlies op de uitkering voor arbeidsongeschikten die onvoldoende meewerken aan ‘re-integratie op de arbeidsmarkt’. Wie de ervaringen van mensen bij adviserende en RIZIV-geneesheren wat volgt, weet dat hier een collectieve verarming van een hele kwetsbare groep dreigt.

Eerder waren er al de vele duizenden jongeren - maar bijvoorbeeld ook veel dertigers, vaak alleenstaande vrouwen met een gezin ten laste, die te onregelmatig of deeltijds hadden gewerkt sinds ze van school af waren om een volwaardige werkloosheidsuitkering te bekomen - die hun recht op inschakelingsuitkering zagen geschrapt. 1 op 5 van deze mensen werd intussen ‘opgevist’ door de OCMW’s. Van de andere 4 op 5 heeft iedereen het raden naar waar ze gebleven zijn. Zijn ze aan de slag in precaire jobs? Keerden ze noodgedwongen terug naar hun ouders? Trokken ze in bij kennissen (en verarmden die bijgevolg)? Vielen ze zonder inkomen? Niemand die het weet. Vervelend neveneffect ook: gezien deze jongeren niet meer uitkeringsgerechtigd werkloos zijn, passeren ze ook nog nauwelijks bij de VDAB.

Veel minder in het nieuws was het inkomensverlies voor deeltijds werkenden met aanvullende rechten in de werkloosheidsuitkering, de zogenoemde inkomensgarantie-uitkering. Een eerste ‘kleine’ besparing kostte sommige mensen in die situatie - in de praktijk vooral vrouwen, waaronder veel alleenstaande moeders - soms tot meer dan 200 euro verlies per maand. Intussen werd beslist om de controle op de ‘beschikbaarheid’ van deze mensen op te voeren. Ze moeten veel actiever op zoek naar bijkomende deeltijdse jobs, zo niet verliezen ze hun aanvullende uitkering. Dat is cynisch, aangezien het overgrote deel van de mensen die hier op moeten terugvallen net veroordeeld zijn tot deeltijds werk wegens onregelmatige uren en dus niet combineerbaar met ander werk, wegens gezondheidsproblemen, wegens leeftijd of wegens simpelweg zo gewenst door de werkgever. Deze heeft immers liever veel deeltijdse, flexibel inzetbare werknemers dan voltijdse volwaardige banen. Het is nu vooral te hopen dat de federale regering haar voornemen om in 2018 de inkomensgarantie-uitkering ronduit te halveren niet waarmaakt. Ook hier betreft het een grote en zeer kwetsbare groep die nu al in armoede leeft, of er op een zuchtje van staat.

Je zou dan denken, er is altijd nog… het OCMW. We weten al jaren dat ook dit ‘laagste vangnet’ vol gaten zit. Grove ramingen van de KUL - immers, het gaat over mensen die we logischerwijs niet weten zitten - spreken van 50 tot zelfs 70% mogelijke rechthebbenden op het recht op maatschappelijke integratie (leefloon) of dienstverlening (equivalent leefloon of andere steun) die dit recht niet uitoefenen. Door onwetendheid, door schaamte, maar ook door weigeringen en door een steeds grotere voorwaardelijkheid. Die ‘non take up’ dreigt binnenkort nóg groter te worden nu elke leefloner verplicht wordt een geïndividualiseerd project maatschappelijke integratie te tekenen. Een contract dus met extra voorwaarden, waaronder mogelijk ook een afdwingbare - dus in de feiten verplichte - gemeenschapsdienst waarvan iedereen weet dat die niet werkt, mensen weghoudt van de echte arbeidsmarkt en jobvernietigend werkt.

IS HET DAN AL KOMMER EN KWEL?

Een aantal pogingen tot ‘sociale correctie’ of beperken van de schade zijn er wel degelijk, maar het blijft toch vooral rijden met de handrem op. De federale regering die de derde betalersregeling bij huisartsen verplicht, maar nog niet veralgemeent of uitbreidt naar andere zorgverleners in de eerste lijn. De Vlaamse regering die het verlies van de gratis m³ water compenseert, maar niet voor iedereen die dat nodig heeft. Die bouwt aan een eigen sociale bescherming, maar voorlopig te weinig mensen met een beperking kan voorzien van een - te laag - basisondersteuningsbudget en de wachtlijsten in de gehandicaptenzorg niet voluit aanpakt. Of die, zoals recentelijk beslist, wel het gevreesde bloedbad in de kinderbijslag vermijdt en een aantal gezinnen in armoede wel degelijk vooruithelpt - inzonderheid de werkende armen en kleinere gezinnen, gezinnen met jonge kinderen ook - maar globaal de kans mist om écht in te zetten op het bestrijden van kinderarmoede. Een aantal zeer kwetsbare gezinnen verliest inkomen en een deel van hun rechten wordt voorwaardelijk.

Ook op dé sociale correctie waar heel armoedebestrijdend België op hoopt - de belofte van de federale regering om de laagste uitkeringen (al dan niet in aanvulling op lage lonen uit deeltijdse of interimarbeid) op te trekken tot de Europese armoedegrens - is het vooralsnog wachten. Na de indexsprong, die een eerste verhoging van de uitkeringen vanuit de welvaartsenveloppe uitvlakte, volgde nog een verhoging vanuit de welvaartsenveloppe en - recent - als ‘sociale correctie’ op de taxshift ook een eenzijdige verhoging van de leeflonen en de minimumuitkering voor langdurig zieken die onregelmatig gewerkt hebben met 2%.

Om u een idee te geven: een alleenstaande leefloner zit vandaag na al die ‘verhogingen’ nog altijd op een maandelijks bedrag van 850 euro. Als je bovendien weet dat die laatste operatie 25 miljoen euro kostte en als je dit afzet tegen de vele miljarden die binnen de taxshift hetzij werden bespaard bij de zwaksten, hetzij werden verschoven richting de vermogenden en werkgevers, dan wordt het wel erg zuur.

Na twee jaar regering-Michel en -Bourgeois blijft de conclusie toch vooral dat de meest kwetsbare mensen in ons land in de hoek zitten waar de klappen vallen. We hopen dat men binnenkort echt gaat bijsturen. Bijvoorbeeld door bij de komende begrotingsbesprekingen voor 2017 eindelijk eens echt de centen op tafel te leggen voor armoedebestrijding. Gaat men eindelijk voor uitkeringen die de Europese armoedegrens halen en gaan we voor een inhaaloperatie in de sociale huur? Als onze beleidsmakers willen, kunnen ze. Het is nog niet te laat!

Frederic Vanhauwaert
*Coördinator Netwerk tegen Armoede *

armoede - Michel I - Bourgeois I - ideologie

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 8