Log in

De electorale strijd om de middenklasse

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 52 tot 55

Binnen Europa heb je statistieken over van alles en nog wat. Onlangs was ik met de studenten een hele hoop cijfers over Europese landen aan het doorploegen. Aan de ene kant weten we voor elk land hoeveel immigranten er zijn, hoeveel mensen niet de nationaliteit hebben en hoeveel asielzoekers er worden opgevangen. Aan de ander kant zijn er cijfers over werkloosheid, criminaliteit, vertrouwen, politieke participatie, levenskwaliteit, welbevinden, levensverwachting, enzovoort. Als je die berg cijfermateriaal doorneemt, is de enig mogelijke conclusie dat er geen enkel verband is tussen migratie en levenskwaliteit, hoe je dat ook definieert. In het seminarie was de vertwijfelde vraag dan ook: hoe komt het dan toch dat immigratie zo'n grote politieke invloed heeft? Waarop één van de studenten opmerkte: 'OK, misschien heeft immigratie nu geen impact maar later, als er nog veel meer zullen zijn, misschien zou er dan wel een negatief effect kunnen zijn.'

Ik vond dat een geniaal antwoord. Het vat de essentie samen van het preventief racisme: 'laten we alvast tegen migranten zijn, nog voordat er problemen zijn'. We zijn vaak geneigd op basis van rationele argumenten naar de werkelijkheid te kijken, maar zeker als het over diversiteit gaat lijken dat soort argumenten weinig indruk te maken. De angst voor diversiteit vinden we ook in de meest afgelegen Vlaamse dorpen waar in de verste verte nog nooit een immigrant is opgemerkt. Dat maakt van immigratie zo'n potentieel belangrijk politiek thema: los van de werkelijkheid zijn er grote groepen kiezers die zich eventueel bedreigd kunnen voelen door een toenemende diversiteit. Zoals we bij het Brexit-referendum in het Verenigd Koninkrijk hebben gezien: kiezers zijn zelfs bereid een flink stuk van hun welvaart op te geven, als ze maar het gevoel krijgen dat ze hun samenleving kunnen afschermen van immigratie.

De regering-Michel viel in december over de ondertekening van een VN-tekst over gereguleerde migratie. Dat was op zich een verrassing: over het pact is jarenlang onderhandeld tot het een typisch wollige VN-tekst werd waar niemand nog bezwaar kan tegen maken. De goede score van het Vlaams Belang bij de gemeenteraadsverkiezingen van 14 oktober 2018 heeft daar anders over beslist. Een relatief onschadelijke afsprakennota was meteen een reden om de regering te laten vallen. De omstandigheden waarin de regering-Michel is geëindigd, doen vermoeden dat migratie zal worden uitgespeeld als hét thema voor de verkiezingscampagne van mei 2019. Dat hoeft echter niet noodzakelijk zo te zijn. In 1991 viel de regering-Martens VIII over het thema van de wapenleveringen, en daarna werd er met geen woord meer gerept over dit gevoelige thema. Het VN-pact over migratie is nu goed en wel goedgekeurd, en zal in de praktijk geen enkel gevolg hebben voor ons land. Op het eerste gezicht zijn er weinig concrete beleidsvoorstellen die je dan nog zou kunnen uitspelen tijdens de komende verkiezingscampagne.

GEVOEL VAN BEDREIGING

Als we kijken naar de voorbije verkiezingscampagnes in ander Europese landen, dan is er misschien wel één voorspelling die kan worden gemaakt: het zal geen positieve strijd worden. De tijd dat politieke partijen wervende nieuwe toekomstprojecten hadden, lijkt nu ver achter ons te liggen. Verdere economische groei en Europese integratie, een vlekkeloze overgang naar een meer ecologische samenleving, meer gelijkheid – er is geen enkele partij die nog dergelijke positieve beloftes wil of kan maken. De maatschappelijke discussie is louter negatief geworden: er is een sterk gevoel van bedreiging en de politiek beperkt zich tot de rol om die bedreiging zo veel mogelijk af te wenden. De middenklasse is bijna per definitie het meest gevoelig voor dat gevoel van bedreiging. Als zowel hun inkomen, als hun maatschappelijke status zich op een middenpositie bevinden, dan wil dat automatisch zeggen dat ze ook relatief kwetsbaar zijn. De verworven positie wordt immers als bijzonder kwetsbaar gezien, en het komt er op aan die bedreigingen te bezweren. De bedreiging kan van alle kanten komen: de stabiliteit van het pensioensysteem, de sterkere volatiliteit op de arbeidsmarkt, de kwaliteit van het onderwijs, hogere prijzen voor energie, … Telkens zien we dat mensen reageren op een vermeende bedreiging van hun levenswijze en hun levensstandaard. De belangrijkste rol van politici lijkt er tegenwoordig in te bestaan dat gevoel van bedreiging enigszins te bezweren. Daarbij lijkt het echter enigszins willekeurig welke bedreiging men juist centraal wil stellen: zowel het culturele element als het economische element zijn denkbaar, en zoals zo vaak lijkt het er op dat Vlaanderen en Franstalig België daarbij andere keuzes zullen maken.

DE CAMPAGNE IN VLAANDEREN

De kans dat economische thema's de overhand zullen halen in de verkiezingscampagne van de Vlaamse partijen lijkt eerder klein, en daar zijn verschillende redenen voor.

Om te beginnen is het werkloosheidsniveau relatief laag, en er is geen aanwijzing dat de werkloosheid de komende tijd opnieuw zal stijgen. De scenario's voorspellen nu eerder een krapte op de arbeidsmarkt. De regeringspartijen zouden kunnen proberen die pluim op hun hoed te steken, maar er zijn weinig aanwijzingen dat ze dat zullen doen. Bij de christendemocraten is de rol van Kris Peeters uitgespeeld, en ook voor de liberalen is het moeilijk de verdienste te claimen voor de dalende werkloosheid. Een tweede reden is dat een goed debat uiteraard voor- en tegenstanders nodig heeft. Om het eerder cru te stellen: de (voormalige) regeringspartijen hebben gewoon geen goede sparring partner als het gaat over sociale en economische thema's. Sp.a weegt onvoldoende op het maatschappelijk debat. Men zegt wel eens dat een oppositiekuur goed is voor een politieke partij, omdat ze daardoor opnieuw vinniger en strijdbaarder wordt. Eerlijk gezegd valt daar bij sp.a voorlopig weinig van te merken. De partij ontwikkelt niet echt een alternatief discours als het gaat over zaken als werkloosheid, pensioenen en ziekteverzekering. Tijdens de volgende regeerperiode zal het onvermijdelijk ook gaan over het verder activeren van werklozen, onder meer door het beperken van uitkeringen in de tijd. Aan Vlaamse kant horen we echter bijzonder weinig tegenstemmen tegen een dergelijk voorstel. Voor de rechtse partijen impliceert dit echter dat het niet echt verleidelijk is een dergelijk thema centraal te stellen in een verkiezingscampagne: als er niemand tegen je voorstel is gekant, dan laat het thema je ook niet toe je sterk te profileren. De strategische zwakte van sp.a zorgt er meteen ook voor dat de rechtse partijen behoorlijk lui kunnen blijven wat betreft de sociaaleconomische problemen.

Diversiteit is wat dat betreft strategisch een dankbaarder thema. Opnieuw: de realiteit doet er wat dat betreft niet toe. Alleen al de lage werkloosheidscijfers tonen aan dat jobs van de middenklasse helemaal niet bedreigd worden door immigratie. Het tegendeel is waar: bedrijven stellen investeringen uit omdat ze weten dat ze onvoldoende arbeidskrachten zullen vinden voor een nieuw project. Maar het gevoel van bedreiging blijft: de leden van de middenklasse maken zich zorgen over de kwaliteit van het onderwijs van hun kinderen, over de kost van de sociale zekerheid, en over het handhaven van een seculiere samenleving. Bovendien zijn er strategisch enkel voordelen aan het uitspelen van het migratiethema. Voor het sociale luik is er eigenlijk geen onderscheid tussen de drie voormalige regeringspartijen: CD&V, Open VLD en N-VA kunnen alle drie claimen dat ze mee verantwoordelijk zijn voor het economisch beleid van de regering-Michel, en dus ook voor de positieve effecten die dat beleid heeft gehad. Geen van de drie kan zich daarop onderscheiden. Als het gaat over migratie, daarentegen, hebben ze wel elk een duidelijk profiel, waarbij N-VA staat voor een heel streng beleid, terwijl de overige twee regeringspartijen daarin wat menselijker willen optreden. Het thema laat bovendien toe stelling te nemen tegen Groen, dat zonder meer de belangrijkste oppositiepartij is geworden. Het migratiethema wordt dus eigenlijk op een schoteltje aangeboden aan de campagneverantwoordelijken van de politieke partijen.

Immigratie en diversiteit zijn thema's die blijkbaar gemakkelijk en op een bijzonder emotionele wijze polariseren. Daardoor zijn het onderwerpen die zich gemakkelijk lenen tot felle verkiezingscampagnes. Na de campagne volgt echter de fase van de regeringsvorming en dan moeten de partijen juist de omgekeerde dynamiek inzetten, door met potentiële coalitiepartners op zoek te gaan naar gemeenschappelijke thema's. Daarin zit juist het gevaar van een al te polariserende stijl: het levert misschien wel meer media-aandacht op, en dus meer stemmen, maar het kan er ook voor zorgen dat niemand nog in een regering met je wil stappen. Een mooi voorbeeld daarvan levert Theo Francken. Als men enkel de vraag stelt naar de meest populaire politicus in het Vlaams Gewest, dan scoort hij altijd bijzonder goed. Als je echter ook de vraag stelt naar de politicus aan wie men de grootste hekel heeft, dan staat hij net zo goed op nummer één. Dat betekent dat de andere partijen hem gewoon niets zullen gunnen, zeker niet de belangrijkste functie binnen de Belgische politiek. Het is belangrijk niet al te veel vijanden te maken, en dat is niet direct iets wat je verwerft door op een ongecontroleerde wijze je meest directe emoties te uiten op Twitter. Theo Francken vervult daardoor perfect de rol van 'nuttige idioot' voor zijn partij. Zijn bruuske communicatiestijl zorgt ervoor dat hij kiezers kan aantrekken die zeer bezorgd zijn over de toenemende diversiteit van de samenleving. Diezelfde stijl zorgt er meteen voor dat hij nooit zal kunnen uitgroeien tot een echt staatsman, die in staat is de diverse coalitiepartners samen te houden. Dat is meteen een onderscheid met zijn partijvoorzitter: als we naar de coalitievorming in Antwerpen kijken, is Bart De Wever blijkbaar wel in staat zijn vroegere fatwa's achter zich te laten.

Het grote voordeel van migratie als thema is bovendien dat het zorgt voor een heel duidelijke breuklijn. Oppositiepartij Groen is altijd wel bereid om net het tegenovergestelde standpunt te vertolken als N-VA. Op dat terrein krijg je dus een bijzonder heldere tegenstelling, en de culturele breuklijn lijkt dan ook belangrijker te worden dan de vroegere breuklijnen. Voor een stuk toont dat ook wel de inhoudelijke zwakte aan van Groen als linkse oppositiepartij: ondanks alle beloftes van de voorbije decennia, blinkt de partij nog steeds niet uit als het gaat over inhoudelijke discussies over ongelijkheid, pensioenen, werkloosheid en sociale zekerheid.

DE CAMPAGNE IN FRANSTALIG BELGIË

Terwijl de Vlaamse middenklasse zich misschien het meest bedreigd voelt door een toenemende diversiteit, is dat in veel mindere mate het geval in Franstalig België. Het kan niet genoeg herhaald worden: als we peilen naar racisme, dan is er geen enkel onderscheid tussen de twee taalgroepen. De Franstalige Belgen zijn even racistisch als de Vlamingen; die cijfers liggen bijzonder dicht bij elkaar. Wallonië wordt echter een unicum binnen Europa, doordat er geen enkele politieke partij is die dat thema wil uitbuiten. In zekere zin is dat verwonderlijk: als het gaat over samenlevingsproblemen in Molenbeek, dan zijn het vooral de Franstaligen die daarvan het slachtoffer zijn. Het aantal Nederlandstalige inwoners van Molenbeek is immers beperkt. Bovendien weten we dat onze Franstalige landgenoten bijzonder gevoelig zijn voor wat er leeft in Frankrijk, zoals onlangs bleek uit het voorbeeld van de 'gilets jaunes'. De beweging was een reactie op heel specifieke maatregelen van president Macron. Desondanks vonden heel wat Franstalige Belgen het blijkbaar nodig het Franse voorbeeld te volgen, met als gevolg de recente rellen in Brussel. Hoewel er daaromtrent reeds heel wat onderzoek bestaat, is er geen overtuigend antwoord op de vraag waarom er geen succesvolle racistische partij bestaat aan Franstalige zijde. In Wallonië belooft het daardoor een goede 'ouderwetse' sociaaleconomische campagne te worden. PS moet zich voldoende links positioneren om er voor te zorgen dat PTB niet te veel stemmen haalt. Zelfs MR kan als argument aanhalen dat ze de meest rechtse voorstellen van haar voormalige coalitiepartners heeft kunnen tegenhouden. Bovendien zien we dat er wel voldoende stof tot debat is, omdat de Franstalige groenen van Ecolo wel een duidelijk socio-economisch profiel en een sterke expertise hebben ontwikkeld.

Zonder in een kristallen bol te willen kijken: de middenklasse voelt zich duidelijk bedreigd, en dat belooft een centraal thema te worden voor de komende verkiezingscampagne. Als we het puur objectief bekijken, dan zijn de bedreigingen identiek aan beide kanten van de taalgrens. Het strategisch spel van de politieke partijen zorgt echter voor een heel andere dynamiek – om het heel simpel samen te vatten: aan Franstalige kant is er gewoon geen equivalent van het Vlaams Belang. De campagnes zullen dus verschillend zijn. De grote uitdaging wordt het samenstellen van een levenskrachtige coalitie na 26 mei.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 52 tot 55