Log in

Migrantenondernemers in België: een succesverhaal?

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 39

Sinds de aanvang van het millennium valt migrantenondernemerschap niet meer weg te denken uit het beleid rond migratie, integratie, ondernemen en de arbeidsmarkt. Migrantengroepen tonen steeds meer ondernemingszin, al geraakt de kloof met Belgen (nog) niet helemaal gedicht. De al dan niet positieve impact van ondernemen op socio-economische integratie en sociale mobiliteit hangt echter heel erg af van de afzonderlijke situatie. Toch zijn er hoopvolle signalen van oudere migrantengroepen die de etnische enclave achter zich hebben gelaten en zijn toegetreden tot de middenklasse.

WAAR GAAT GIJ HEEN, MIDDENKLASSE?

Wie is de middenklasse en wat denkt ze?
Koen Abts, Bart Meuleman en Marc Swyngedouw
De valse stabiliteit van de middenklasse in België
Matthias Somers
Magere middenklasse, magere democratie
Lars Vande Keybus
Migrantenondernemers in België: een succesverhaal?
Kevin Van Hove
De precarisering van de creatieve middenklasse
Pascal Gielen
De middenklasse, een vormeloze verzamelterm
Maarten Hermans
Het populisme van een middenklassenrevolutionair
Jean-Marie De Baene
De electorale strijd om de middenklasse
Marc Hooghe
Zonder geëngageerde middenklasse geen ecologische transitie
Dirk Holemans

Sinds de vroege jaren 1980 worden in vele ontwikkelde economieën kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandige arbeid beschouwd als een panacee om competitiviteit, economische groei, werkgelegenheid, innovatie en flexibiliteit te stimuleren (Kloosterman, 2003:167). Op de Europese Raad van maart 2000 beslisten de staats- en regeringsleiders van de toenmalige EU15 om de prestaties van de EU te verbeteren op het gebied van werkgelegenheid, economische hervorming en sociale cohesie, in een poging om zo beter gepositioneerd te staan in een postindustriële economie. Het aanmoedigen van ondernemen werd een kerndoelstelling van de EU.

In de marge valt op dat, terwijl het toenemende ondernemende gedrag van migrantengroepen al jaren zichtbaar was, er sindsdien op Europees niveau geleidelijk aan een grotere aandacht werd geschonken aan het bevorderen van migrantenondernemerschap. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het 'Entrepreneurship 2020 Action Plan', gepresenteerd door de Europese Commissie in 2013, dat om 'meer ondernemers voor Europa te creëren' drie actiezuilen formuleerde, waaronder 'rolmodellen en uitreiken naar specifieke groepen, met name vrouwen, senioren, werklozen en migranten'. Migranten in het bijzonder werden beschouwd als 'een belangrijke pool van potentiële ondernemers'. Uitreiken naar specifieke groepen moet hierbij voornamelijk als een middel beschouwd worden om de bovenvermelde kerndoelstelling te behalen.

Ondernemen blijkt in Europa namelijk een minder populaire carrièrekeuze te zijn. Zo'n 37% van de Europese bevolking geeft de voorkeur aan zelfstandige arbeid, in vergelijking met 51% van de Amerikaanse en 56% van de Chinese bevolking (EC, 2013a:4). Bovendien maakte de financiële crisis van 2008-9 het minder aantrekkelijk om een eigen zaak op te starten in de EU. Pas in 2012 werd het aantal ondernemingen van in 2008 geëvenaard (EC DG Growth, 2016:9). Tegelijkertijd werd de stelling aangenomen dat, in vergelijking met autochtonen, migranten meer geneigd zijn een zaak op te starten en als dusdanig op substantiële wijze kunnen bijdragen aan groei en werkcreatie (EC, 2012a; 2015). In 2011 werd ook een referentie naar ondernemen toegevoegd aan de 'Common Basic Principle 3' van de European Agenda on the Integration of Third-Country Nationals. Ondernemen kan ook een haalbare route bieden voor de economische incorporatie en dus integratie van immigranten en hun kinderen (EC, 2015a; EC, 2015c; European Economic and Social Committee (EESC), 2012:16).

Op Vlaamse niveau kon aanvankelijk een gelijkaardige tendens worden waargenomen. Zo selecteerde het Vlaanderen in Actie Pact 20201, opgesteld in 2009, drie doelgroepen op gebied van werkzaamheid en ondernemen: vrouwen, 50-plussers en personen van non-EU origine. In het bestuursakkoord van de regering Bourgeois (2014) werden migranten echter niet vermeld als doelgroep inzake ondernemings- of arbeidsmarktbeleid. Wel bleven ze een doelgroep van Syntra, het Vlaamse Agentschap voor Ondernemingsvorming. Het huidige Vlaamse integratie- en inburgeringsbeleid toont een duidelijke voorkeur voor inclusief beleid waarbij specifieke acties die afwijken van het algemeen beleid enkel genomen worden 'indien noodzakelijk'.

In de terminologie van Brubaker (1992) kan dit een beleid van 'intransitive assimilation' genoemd worden omdat het een zekere graad van gelijkenis nastreeft. Het wordt niet zozeer verwezenlijkt door de overheid maar eerder door de personen in kwestie zelf. Tegelijkertijd valt ook op dat het behoud van de culturele integriteit van non-dominante groepen in de samenleving geleidelijk aan op minder publieke steun kon rekenen. Hoewel duidelijk gegrond in de neoliberale golf van de jaren 1980, situeert het migrantenondernemerschap zich vandaag de dag op het kruispunt van twee verschillende ideologieën. Voor de aanhangers van de vrije markt betekent het een expliciete bevestiging van oplossingen aan de aanbodzijde en de rol van de markt als een fair mechanisme voor sociale toewijzingen en onderlijnt het het belang van individuen die actief hun eigen toekomst vormgeven. Voor sociaaldemocraten daarentegen impliceert het een actieve overheid die specifieke achtergestelde groepen helpt bij het vinden van hun weg in de samenleving (Kloosterman, 2003:167).

Hoe dan ook, het enthousiasme rond migrantenondernemerschap dient enigszins getemperd te worden: hoewel de stelling dat migranten meer geneigd zijn een zaak op te starten algemeen juist is, is dit niet het geval in België. Ten eerste is in ons land het verschil tussen het aandeel migrantenondernemers en autochtone ondernemers (in hun respectievelijke actieve beroepsbevolkingsgroep) beperkt en ligt het aandeel autochtone ondernemers zelfs iets hoger (cf. infra). Ten tweede ligt de overlevingsratio van migrantenondernemingen lager dan die van autochtone ondernemers (Desiderio and Mestres-Domenech, 2011:146; Masurel et al., 2002:5), wat uiteraard van essentieel belang is met het oog op onder andere socio-economische integratie.

MIGRANTENONDERNEMERSCHAP IN CIJFERS

In België bedraagt het aandeel van zelfstandigen in het totaal aantal personen met een job (4,5 miljoen personen) zo'n 14% (664.000 personen) (FPS economy, 2016). Het aandeel van zelfstandigen in de bevolking tussen 15 en 64 jaar oud is 8,9%, wat beneden het EU-gemiddelde van 10,8% ligt. In vergelijking met de buurlanden is dit aandeel kleiner dan in Nederland (12,4%), maar groter dan in Duitsland (8,1%) en Frankrijk (7,5%). In Vlaanderen is het aandeel 9,9% (studiedienst Vlaamse Regering, 2015:141). Het aandeel van niet-Belgische werkgevers en helpers binnen het totale aantal werkgevers en helpers in België is 10,2% (103,630 personen), terwijl het aandeel niet-Belgen in de totale bevolking 11,2% bedraagt (Van den Broucke et al., 2015:80). Berekeningen op basis van data van de Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2015 en RSVZ (Van den Broucke et al., 2015:80) en RSVZ (2015b:1), tonen aan dat het aandeel van zelfstandigen/ helpers in de totale Belgische bevolking (9,1%) hoger ligt dan het aantal zelfstandigen/ helpers in de totale niet-Belgische bevolking (8,2%). Desalniettemin kende het aantal niet-Belgische werkgevers en helpers een sterke stijging sinds 2010, van 88.459 in 2010 tot 103.630 in december 2014 (+17,15%). Terwijl in diezelfde periode de groei in absolute cijfers groter was onder Belgen (48.146, in vergelijking met 15.171 niet-Belgen), was de groei in percentage groter bij de groep niet-Belgen (17,5% in vergelijking met 5,6% bij Belgen).

Een kijk op de geografische spreiding van niet-Belgische werkgevers en/of helpers in de Belgische regio's toont aan dat 40,71% van de niet-Belgische zelfstandigen en/of helpers in Vlaanderen wonen, 39,51% in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en 19,78% in Wallonië (RSVZ, 2015b:3). Wanneer vergeleken met het relatieve aandeel van het aantal niet-Belgen in deze respectievelijke regio's2 kan men besluiten dat niet-Belgen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een sterkere neiging hebben om zelfstandig/helper te worden dan niet-Belgen in Vlaanderen. Zowel in absolute en relatieve cijfers tonen niet-Belgen in Wallonië duidelijk de minste neiging om zelfstandig/helper te worden. In vergelijking met 2010 is Vlaanderen wel de regio waar het aandeel van niet-Belgische werkgevers/helpers in het totale aantal werkgevers/helpers het minst is toegenomen.

Burgers van andere EU landen hebben duidelijk een grotere neiging om werkgever/helper te worden dan mensen van met een nationaliteit van een niet-EU land.3 Meer nog, de tien grootste groepen van niet-Belgische zelfstandigen en helpers bezitten een EU-nationaliteit. Binnen deze groep zijn de grootste nationaliteitsgroepen Roemenen (17,4%), Nederlanders (15,5%), Fransen (11,4%), Italianen (10,2%) en Polen (8,0%). Binnen de groep niet-EU-nationaliteiten vormen de grootste groepen de Marokkanen (2,32%) en de Turken (2,18%) (RSVZ, 2015b:1). Ze vormen respectievelijk de 11e en 12e grootste niet-Belgische groep zelfstandigen/helpers. Een vergelijking van deze aandelen met de aandelen van deze buitenlandse nationaliteitsgroepen in de totale buitenlandse bevolking in België (Federal Public Service Economy, 2015:15) toont aan dat Roemenen, Polen en Nederlanders de grootste neiging hebben om zelfstandig/helper te worden. Bij de niet-EU-nationaliteiten blijken Turken een veel grotere neiging te hebben om zelfstandig/helper te worden dan Marokkanen.

MIGRANTENONDERNEMERSCHAP EN SOCIO-ECONOMISCHE INTEGRATIE

Gezien de enorme verschillen op het vlak van persoonlijke karakteristieken, marktcondities en beleid toont de impact van ondernemen op socio-economische integratie gemengde resultaten. Socio-economische integratie wordt doorgaans gemeten door te kijken naar het loons- en inkomensniveau. Samen met de vergelijking van de overlevingsratio en de rendabiliteit van migrantenzaken met autochtone zaken, kan een vergelijking van het inkomensniveau een meer algemene beoordeling leveren van ondernemingssucces. De toegankelijkheid van data met betrekking tot het inkomensniveau van ondernemers is echter problematisch. Ook toont de beschikbare literatuur, die vaak de vorm aanneemt van case studies, aan dat de bijdrage van ondernemen tot de socio-economische integratie van migranten verre van evident is. Hieronder stellen we de resultaten van enkele onderzoeken voor.

Begin de jaren 2000 wezen Lambrecht et al. (2002:9) erop dat migrantenondernemers in Vlaanderen de toekomst over het algemeen positief bekeken. Hoopgevend was ook dat de meeste ondernemers in ondernemen werden getrokken door aspiraties met betrekking tot financiën, sociale vooruitgang en verlangen om de eigen baas te zijn in plaats van erin geduwd door bijvoorbeeld werkloosheid of discriminatie. De reden om een zaak op te richten in een specifieke sector hing af van de markt en met name goede financiële perspectieven en een grote vraag naar producten en diensten. Ondanks een sterke nichevorming in handels-, hotel- en cateringzaken, hadden de meeste migrantenondernemers evenveel autochtone als allochtone klanten en mikten ze op beide klantengroepen. In tegenstelling tot de perceptie van de etnische niche in de Vlaamse media en een groot aantal Vlamingen, vonden Lambrecht et al. (2002:18) dat migrantenondernemers steeds meer tekenen vertoonden van een middle minority en economische assimilatie.

Verhaeghe et al. (2012) maakten een studie van oude en nieuwe migranten in Gent. De sociologische concepten die ze hanteerden, met name etnisch netwerk, etnische enclave en etnische mozaïek, hebben elk een socio-economische link. Terwijl een etnisch netwerk te klein is om van een duidelijk socio-economisch profiel te kunnen spreken, wordt een etnische enclave gezien als een socio-economisch achtergestelde groep. Etnische clusters daarentegen worden gezien als een socio-economisch welgestelde groep en een etnische mozaïek als een groep met onderlinge socio-economische verschillen. De vraag of migrantenondernemers er socio-economisch op zijn vooruitgegaan kan dus ook worden omgevormd naar de vraag of migrantengroepen de socio-economische kenmerken vertonen van etnische netwerken, etnische enclaves, etnische clusters of etnische mozaïeken. In hun studie stellen Verhaeghe et al. (2012: 12-24) dat de oude migrantengroepen in Gent – dat wil zeggen de Turken, de Marokkanen en de Algerijnen – geleidelijk de overgang hebben gemaakt van een etnische enclave naar een etnische mozaïek, waarbij de etnische economie bijvoorbeeld niet meer exclusief gericht is op de eigen etnische groep. Voor de nieuwe migrantengroepen zoals de Polen, Bulgaren en Slovaken is het vooralsnog te vroeg om een beeld te krijgen van hun socio-economisch profiel.

In een doctoraatstudie over Turkse ondernemers in Gent die ikzelf uitvoerde, en waartoe onder andere 43 Turkse zelfstandigen werden geïnterviewd, werd deze stelling bevestigd. Dat blijkt uit de grote inkomensverschillen tussen Turkse ondernemers onderling. Het mediaan maandelijks netto-inkomen (1.500-1.800 euro) lag op zijn minst lichtjes boven het mediaan maandelijkse netto-inkomen per belastbare persoon in Gent, wat een positieve vaststelling is met betrekking tot de socio-economische integratie in de stedelijke maatschappij. Het is best mogelijk dat dit voor een stuk te danken is aan het relatief lage bevolkingsaantal van de stad Gent, vermits Bernard (2008) aantoonde dat immigranten sneller assimileren naar het inkomensniveau van autochtonen in kleinere steden. Als we hun socio-economische integratie analyseren op het niveau van de buurt oogt de situatie nog gunstiger omdat de buurten waarin Turkse ondernemers actief waren ook buurten waren met een lager netto maandelijks inkomen per capita. De studie van de Turkse ondernemers in Gent toonde ook aan dat succesvolle ondernemers als katalysator kunnen functioneren om een etnische groep te doen evolueren naar een etnische mozaïek. Tot slot bleek dat hoewel de beslissing om ondernemer te worden tot weinig of geen materiële sociale mobiliteit had gezorgd in vergelijking met de vorige professionele status er wel een perceptie van opwaartse sociale mobiliteit was in de hoofden van Turkse ondernemers.

Wat voor autochtone ondernemers telt, geldt voor migrantenondernemers dus evenzeer. Ondernemen is risico nemen en dit draait lang niet altijd uit zoals gehoopt. Desalniettemin draagt succesvol ondernemerschap er personen uit de lagere klasse toe bij om zichzelf en volgende generaties toegang te verlenen tot de middenklasse; een uitdaging waar zowel oude als nieuwe migrantengroepen vandaag nog steeds voor staan.

Voetnoten

  1. Het vijfde hoofdstuk in het Pact 2020 stelt dat Vlaanderen tegen 2020 over een sterke ondernemingscultuur moet beschikken zodat het bij de top 5 van Europese regio's kan behoren. Ondernemen bij vrouwen, ouderen en migranten dient te stijgen tot een niveau dat in evenredigheid is met hun aanwezigheid in de maatschappij (Vlaanderen in Actie, 2016).

  2. Vlaanderen huisvest 40,1% van alle niet-Belgen, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 31,8% en Wallonië 28,1% (studiedienst Vlaamse Regering, 2015:80).

  3. Burgers van niet-EU-landen maken 16,90% uit van de niet-Belgische zelfstandigen en helpers (17,519), terwijl ze 34,4% vertegenwoordigen van de niet-Belgische bevolking in België (RSVZ, 2015b:1; Van den Broucke et al., 2015:87).

Bronnen

Vlaanderen in Actie. (2016). 'Vlaanderen in Actie Pact 2020'.https://www.vlaanderen.be/nl/vlaamse-regering/visie-2050.
Kloosterman, R.C. (2003). 'Creating opportunities. Policies aimed at increasing openings for immigrant entrepreneurs in the Netherlands'. Entrepreneurship and Regional Development, 15(2): pp. 167-181.
Lambrecht, H., Verhoeven H. and Martens A. (2002). 'Allochtone ondernemers of ondernemende allochtonen? Ondernemers! Een kwantitatief en kwalitatief verkennend onderzoek naar allochtone ondernemers in Vlaanderen'. Departement Sociologie Katholieke Universiteit Leuven.
Marchand, K. and Siegel, M. (2014). 'World Migration Report 2015: Immigrant entrepreneurship in Cities', International organization for Migration.
Verhaeghe, P-P., Van Der Bracht, K. and Van De Putte, B. (2012). 'Migrant zkt toekomst. Gent op een keerpunt tussen oude en nieuwe migratie'. Leuven: Garant.
Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. (2015a). 'Statistieken aangeslotenen: trends 2014'. http://www.rsvz.be/sites/rsvz.be/files/publication/statistieken_aangeslotenen_trends_2014_0.pdf.
Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. (2015b). Statistieken niet-Belgen: evoluties en tendensen. https://www.rsvz.be/sites/rsvz.be/files/publication/statistieken_nietBelgen_trends_2014_0.pdf.
Studiedienst Vlaamse Regering. (2015). 'Vlaamse regionale indicatoren 2015'.
Van den Broucke, S., Noppe, J., Stuyck, K., Buyscchaert, F., Doyen, G. and Wets, J. (2015). 'Vlaamse migratie- en integratiemonitor 2015'. Steunpunt Inburgering en Integratie, Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving HIVA KUL, Studiedienst van de Vlaamse Regering, Agentschap Binnenlands Bestuur.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 34 tot 39