Log in

De precarisering van de creatieve middenklasse

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 41 tot 46

Dat het neoliberalisme zowel gemeenschappen als vakbonden wantrouwt, is ondertussen een welgekend feit. De provocerende uitspraak van Margeret Thatcher dat er 'niet zoiets bestaat als een samenleving' liep in de jaren 1980 alvast in de pas met het ondermijnen van arbeidersbewegingen en vakbonden. Terwijl in het Verenigd Koninkrijk de strijd werd aangegaan met de mijnwerkersvakbonden, brak in de Verenigde Staten president Ronald Reagan de staking van de verkeersleidersbond PATCO (Harvey, 2005: 25). Of het nu gaat om arbeiders- of middenklassenorganisaties (zoals PATCO), het zogenaamde neoliberalisme heeft het bijzonder moeilijk met alle vormen van collectieve zelforganisatie.

REPRESSIEF LIBERALISME

De historische gebeurtenissen demonstreren een erg selectieve omgang met het begrip 'liberalisme' of 'vrijheid'. Terwijl voor neoliberale politici vrijheid wel de markt, het individu en de ondernemer toekomt, geldt het tegendeel voor collectieve associaties en publieke instituties. Daarvan moet de vrijheid juist aan banden worden gelegd. Socioloog Loïc Wacquant voegt daar nog een klassenonderscheid aan toe: 'The neoliberal state turns out to be quite different in actuality: while it embraces laissez-faire at the top, releasing restraints on capital and expanding the life chances of the holders of economic and cultural capital, it is anything but laissez-faire at the bottom. Indeed, when it comes to handling the social turbulence generated by deregulation and to impressing the discipline of precarious labor, the new Leviathan reveals itself to be fiercely interventionist, bossy and pricey. The soft touch of libertarian proclivities favouring the upper class gives way to the hard edge of authoritarian oversight, as it endeavors to direct, nay dictate, the behaviour of the lower class' (Wacquant, 2009: 308)

Autoritair moralisme, law-and-order maar ook de agressieve politieoptredens en vollopende gevangenissen zijn volgens Wacquant niet zomaar negatieve bijwerkingen van de ideologie van een vrije markt. Ze vormen de substantiële kern voor het welslagen van het neoliberale project. Geen goede vrijemarktwerking zonder een autoritaire staat, zo concluderen zowel socioloog Wacquant (2009) als sociaal geograaf David Harvey (2005). Neoliberale politiek en theorie lijken het moeilijk te hebben met democratische regimes. Het succes van China bewijst alvast dat je geen democratisch regime nodig hebt om een kapitalistische politiek te voeren en een 'vrije' markt te stimuleren. De notie 'neoliberalisme' dekt dan ook niet echt de lading. De ideologie verdedigt immers niet zomaar 'nieuwe vrijheid'. Zowel voor collectieven als voor lagere klassen betekent het regime daarentegen juist een regressie van vrijheid. Vandaar dat de notie 'repressief liberalisme' een betere keuze zou zijn om de januskop van de huidig zegevierende politiek te duiden (Gielen, 2015a).

NEOMANAGEMENT

Neoliberalisme weegt inderdaad met twee maten en gewichten, zoals Wacquant aangeeft. Het ontwierp daartoe een relatief autoritaire politiek richting collectieven en lagere sociale klassen. Hoewel die analyse wellicht steekhoudt, kan daar nog een andere aan worden toegevoegd: terwijl op politiek niveau alsmaar meer een zichtbaar autoritaire politiek ontwikkelt, zou je met Michel Foucault (1991) kunnen stellen dat er zich op het vlak van bestuur of overheidsadministratie een veel subtielere autoritaire huishouding ontwikkelde. Deze richt zich niet zozeer op collectieve (vakbond)acties en de onderklasse van een samenleving, maar wel op de goedwillende en 'hardwerkende' middenklasse. Niet alleen in fabrieken, maar evengoed op het terrein van universiteiten, scholen, openbare omroepen, cultuurorganisaties, ziekenhuizen, tot en met de eigen overheidsadministratie wordt de riem aangevierd.

Neoliberale politiek leidde hier alvast, volgens socioloog Luc Boltanski en econoom Eve Chiapello (2006), tot het invoeren van een neomanagement dat de taak op zich nam om grondige herorganisaties door te voeren. Als deze instellingen – vaak restanten van de welvaartsstaat – al niet volledig werden geprivatiseerd, werd hun werking wel grondig herzien en in grote mate uitbesteed. Terwijl vaste contracten zoveel mogelijk werden vervangen door tijdelijke arbeidsovereenkomsten werden verschillende taken aan private ondernemingen en freelancers gedelegeerd. De laatste groep groeide sinds 2004 in Europa met 43% (UNIZO, 2015). Tegelijk werd een centraal georganiseerde hiërarchische controle binnen dergelijke instellingen vervangen door intelligent management waarbij werk op hoogst individueel niveau wordt gestimuleerd en gecontroleerd via coaching, monitoring, evaluatie- en beoordelingsgesprekken. De kwaliteitsbewaking van de organisatie werd dan weer gedecentraliseerd en waar kon geprivatiseerd door audits, accreditaties, coaching en monitoring uit handen te geven aan allerhande particuliere onderzoeks- en consultancybureautjes. Vooral in Nederland kan je zo een wildgroei vastellen, in Vlaanderen loopt het nog zo een vaart niet maar is duidelijk een 'inhaalbeweging' aan de gang. Omdat dergelijk bureaus tegenwoordig in een sterke onderlinge competitie op de vrije markt opereren, neigen ze ernaar om controles zo rigide mogelijk op te voeren. Een goed uitgevoerde audit of accreditatie moet de doorgelichte school, ziekenhuis of museum straks immers nieuwe subsidies garanderen of er een betrouwbare marktpositie voor etaleren. Hoewel er misschien minder regels zijn – neoliberalisering gaat nu eenmaal prat op deregulering – worden deze echter in een onderlinge competitiestrijd steeds nauwgezetter nagekeken en vaker gecontroleerd. Dit leidt op de werkvloer tot toenemend legitimatie- en papierwerk, met inefficiëntie als gevolg. Punt is dat de zogenaamde deregulering de belofte van het neoliberalisme op meer vrijheid niet waarmaakt. Minder regels worden immers gecompenseerd door een nauwgezette opvolging en opgedreven formele controle van de resterende regels. Dat resulteert in wat Michael Power (1994) ooit de 'auditmaatschappij' noemde. Ook op institutioneel niveau geldt dus veeleer een repressief liberalisme dan wel een liberale vrijheid.

PRECARISERING VAN DE MIDDENKLASSE

Deze subtiele autoritaire aanpak richt zich zoals aangegeven veeleer tot de middenklasse. Daarmee leidt een repressief liberaal beleid en neomanagement minstens op vier vlakken richting zogenaamde 'precarisering': op economisch, sociaal, mentaal en politiek niveau.

Een. Op economisch vlak zien we, zeker in creatieve sectoren, een toenemende competitie waardoor veelal freelancers vaak onder de prijs of voor een louter symbolische vergoeding opdrachten aannemen. Bovendien worden alsmaar meer leningen aangegaan, temeer omdat de afbouw van de welvaartsstaat ook andere voorzieningen degradeert, zoals gratis of goedkoop onderwijs en studiebeurzen, waardoor pas afgestudeerden bij regelmaat al met een af te lossen krediet aan hun eerste werkopdracht beginnen (Graeber, 2011). Freelancers nemen bovendien grote financiële risico's, en stellen zich tevreden met een goedkope ziekteverzekering terwijl ze hun pensioensparen liefst zo lang mogelijk uitstellen. Daarmee hypothekeren ze dus ook hun economische situatie in de toekomst.

Twee. Toenemende flexibilisering en hoge mobiliteit eisen hun tol op het sociale en private domein. Zoals Richard Sennett in The Corrosion of Character (1998) omschrijft, worden freelancers en projectarbeiders vaak gedwongen om veelvuldig te reizen en bij regelmaat te verhuizen. Daardoor hebben projectarbeiders minder tijd om zich voor diepgaande vriendschapsrelaties of familie te engageren. Hoewel het aantal vrienden op Facebook en andere sociale media misschien wel groeit, weet men soms nog moeilijk wie in nood te bellen of om bij een verhuis te helpen. Ook professionele netwerkrelaties kunnen sterk toenemen terwijl de kwaliteit van die relaties depriveert. De onderlinge individuele competitie tussen freelancers en teamwerkers bemoeilijkt met name het opbouwen van vertrouwensrelaties.

Drie. Op mentaal vlak stoten we dan weer op toenemende stress, burn-outs en depressies. De combinatie van de aangegeven economische onzekerheid en sociale deprivatie leidt er toe dat steeds meer creatieve ondernemers op zoek gaan naar psychologische bijstand en allerhande therapeutische begeleiding. Het aangegeven neomanagement en papierwerk leidt ook creatievelingen en kenniswerkers in dienstverband richting therapie. In de auditsamenleving moeten werknemers zich immers steeds meer bezighouden met een legitimeringsbureaucratie waardoor ze zich alsmaar minder op hun eigenlijke takenpakket (waarvoor ze opgeleid werden) kunnen concentreren. Een dergelijke deprofessionalisering draineert omgekeerd evenredig de beroepsvoldoening.

Vier. Tot slot blijken freelancers ook bijzonder slecht politiek vertegenwoordigd te zijn. Om opdrachten te krijgen blijft hun ideologische voorkeur best achterwege. Zeker bij kunstenaars en creatieve arbeiders rust een relatief taboe op vakbonden.

PRECARIAAT IS GEEN PROLETARIAAT

De aangegeven veelvoudige precarisering leidt in het algemeen tot een toenemend gevoel van onzekerheid. De freelancer is nooit zeker van een volgende opdracht, weet niet of ze haar concurrenten nog in vertrouwen kan nemen en kan steeds minder rekenen op structurele solidariteit die ooit door de welvaartsstaat werd gegarandeerd. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met een slecht verzekerde projectarbeider die ziek valt? De freelancer en artistiek ondernemer zijn persoonlijk verantwoordelijk voor hun ziekteverzekering en pensioenopbouw, terwijl snijdende competitie binnen de creatieve industrie en evenementen business freelancers nog meer in het isolement duwen. Werken in de culturele en creatieve industrie lijkt daarmee vaak als een gevecht van een tegen allen, of beter van allen alleen tegen allen alleen.

Remedies tegen deze toenemende precarisering lijken op het eerste gezicht bij collectivisering te liggen. Net zoals Karl Marx pleitte voor de (internationale) organisatie van het proletariaat waarvoor een Klasse-an-sich naar een Klasse-für-sich moest ombuigen (Marx, 1847), zou een oplossing voor de huidige creatieve klasse in de realisatie van zo een collectief klassenbewustzijn kunnen liggen. Maar zijn de politieke, sociale en economische condities van het proletariaat wel vergelijkbaar met die van het huidige precariaat? En liggen er daarmee ook verglijkbare oplossingen voor de hand, zoals bijvoorbeeld de uitbouw van een goede sociale zekerheid, stevige solidariteitsstructuren en het verenigen in vakbonden?

Tussen het huidige precariaat en het vroegere proletariaat kunnen we alvast een aantal grondige verschillen aanwijzen waardoor ook gelijkaardige oplossingen voor de verbetering van hun maatschappelijke positie twijfelachtig zijn.

Op de eerste plaats is er het verschil in afkomst en scholing. Terwijl het proletariaat ten tijde van Marx of de arbeidersklasse ten tijde van Pierre Bourdieu (1984) bestond uit laag- of niet geschoolden met ouders die zelf aan de onderkant van de samenleving bengelden, komt het huidige precariaat veeleer uit de middenklasse en heeft een goed diploma op zak. Daarmee is ook gezegd dat deze creatieve klasse in principe wel alle nodige kennis en wetenschap bezit om zich bewust te zijn van haar eigen situatie en om hier dus ook collectieve actie voor te ondernemen. Ze heeft, met andere woorden, alle papieren op zak om met gemak een Klasse-für-sich te worden en tot politieke actie over te gaan. Toch lijkt het precariaat hier vandaag nauwelijks in te slagen. Collectieve acties rukken bijvoorbeeld wel bij regelmaat op, maar houden niet echt lang stand.

Bovendien bouwt dit precariaat nauwelijks aan een collectieve ruggengraat die het proletariaat ooit wel met de oprichting en institutionalisering van vakbonden wist te realiseren. De onderlinge verdeeldheid van de huidige creatieve klasse lijkt daarvoor te groot. Reden daarvoor is niet alleen het gesignaleerde hyperindividualisme binnen een hoogst concurrentiële markt van wantrouwen. Ook de aangehaalde verschillende domeinen van precarisering maakt het moeilijk om tot solidariteit en collectieve standpunten te komen. Een cultureel ondernemer kan bijvoorbeeld wel sociaal en/of mentaal totaal gedepriveerd zijn, maar het wel economisch bijzonder goed doen. En dit terwijl een ander misschien al jaren op de armoedegrens leeft, maar zich nog steeds mentaal gezond en creatief dynamisch voelt. De verlangens en eisen van beide precairen zullen zich alvast met enige moeite verzoenen.

Ten slotte is er nog een grondig verschil tussen een arbeiderklasse van werknemers die gemeenschappelijk tegenover werkgevers kan komen staan, en de huidige creatieve klasse die omwille van het heersende freelancestatuut tegelijk werkgever en werknemer is. Deze creatieve werkgever-werknemer kan dus niet zomaar een andere sociale klasse met de vinger wijzen. De reden van precarisering ligt immers ten dele bij de risico's die de creatieve ondernemer vandaag zelf neemt. Binnen de creatieve klasse ligt de oorzaak van precarisering dan ook ten dele bij wat politiek filosoof Isabell Lorey 'zelfprecarisering' noemt (2006).

Het verschil tussen proletariaat en precariaat, tussen arbeidersklasse en creatieve klasse suggereert dat eventuele oplossingen voor hun problematische maatschappelijke situatie niet zomaar dezelfde zijn. Misschien komt een mogelijke remedie – met name collectivisering (en onderlinge solidariteit) – wel nog overeen, alles doet vermoeden dat de weg daarnaartoe geheel anders zal verlopen. Uit eigen onderzoek blijkt dat naast de klassieke remedies – zoals een socialezekerheidsstelsel, vakbonden of, ruimer, de welvaartsstaat – er andere vormen van solidariteit en collectieve zelforganisatie worden gezocht (Gielen, 2018). De oprukkende aandacht voor het tegenwoordig ook wel modieuze 'commons' of in goed Nederlands 'het gemeen' en coöperatieven, getuigen van die zoektocht. Of die alternatieve organisatievormen ook de precarisering van de middenklasse en de afbouw van de welvaartsstaat zouden kunnen ondervangen, moet de toekomst uitwijzen.

Referenties

Butler, J. (2004), 'Precarious Life: The Powers of Mourning and Violence'. Verso: London & New York.
Boltanski, L. & Chiapello, E. (2006), 'The New Spirit of Capitalism'. Verso: London and New York.
Bourdieu, P. (1984), 'Distinction. A Social Critique of Taste'. Routledge: London & New York.
Foucault, Michel (1991), 'Governmentality', In: 'The Foucault Effect: Studies in Governmentality', ed. by Graham Bruchell et al. Chicago, pp. 87-104.
Graeber, D. (2011), 'Debt: The First 5,000 Years'. Melville House: New York.
Gielen, P. (2015a), 'Repressief liberalisme. Opstellen over creatieve arbeid, kunst en politiek'. Valiz: Amsterdam.
Gielen, P. (2015b), 'A Caravan of Freedom. Mobile Autonomy beyond 'Auto-Mobility', In: Dockx, N. & Gielen, P. (eds.), 'Mobile Autonomy. Excercises in Artists' Self-Organization'. Valiz: Amsterdam, pp. 63-84.
Gielen, P. (2018), 'Saveguarding Creativity. Institutional Insecurities of the Artistic Biotope in a Global Market Orientated Europe', In: Watanaby, Y., 'Handbook of Cultural Security'. Edward Elgar: Cheltenham.
Gramsci, A. (1971), 'Selections from the Prison Notebooks', (eds. Hoare, Q. & Nowelll-Smith, G.), Lawrence & Wishart: London.
Harvey, D. (2005), 'A Brief History of Neoliberalism'. Oxford University Press: New York.
Lorey, I. (2006), 'Governmentality and Self-Precarization. On the normalization of cultural producers', In: Transversal: http://eipcp.net/transversal/1106/lorey/en.
Lorey, I. (2015), 'State of Insecurity. Government of the Precarious'. Verso: London & New York.
Marx, K. 'Das Elend der Philosophie' (1846-1847), in MEW, deel 4, pp. 63-182.
Mouffe, C. (2005), 'On the Political'. Routledge: London & New York.
Power, M. (1994), 'The Audit Explosion'. Demos: London.
Sennett, R. (1998), 'The Corrosion of Character. The Personal Consequences of Work in the New Capitalism', W.W. Norton & Company: London.
Standing, Guy (2011), 'The Precariat'. Bloomsbury Academic: London.
UNIZO (2015), 'Freelancers Focus'. UNIZO: Brussel, http://www.unizo.be/system/files/downloads/andere/freelancerfocus2015dossier.pdf.
Virno, P. (2004), 'Grammar of the Multitude'.Semiotext(e): New York.
Wacquant, L. (2009), 'Punishing the Poor. The Neoliberal Government of Social Insecurity'. Duke University Press: Durham.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 41 tot 46