Abonneer Log in

Het populisme van een middenklassenrevolutionair

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 52 tot 55

De middenklasse is in de eerste plaats een wetenschappelijk begrip. Al blijft het ook in de wetenschappelijke literatuur vaak een diffuus begrip. Een mogelijke invalshoek is de beschrijving en analyse van de middengroepen op de arbeidsmarkt. De focus ligt dan op de positie van de middengeschoolden. Onderzoek toont aan dat die groep bij ons al bij al vrij stabiel blijft, maar wel bedreigd wordt door de digitalisering. Vaak verrichten de middengeschoolden immers meer routineuze taken, zoals administratieve taken, die het voorwerp zijn van automatisering.

Maar de meest gangbare wetenschappelijke benadering van de middenklasse is gebaseerd op inkomensverdeling. We hebben het dan over de middeninkomens, over zij die rijk noch arm zijn. Al naargelang de definitie hebben we het over 50 tot 60% van de bevolking. Opnieuw is de vraagstelling vaak: wordt die groep in omvang bedreigd of gaat ze erop achteruit? De vaststelling over de Belgische situatie is opnieuw dat deze groep in omvang relatief stabiel is, maar dat hun relatieve inkomenspositie er licht op achteruit gaat. Internationaal onderzoek over inkomensongelijkheid komt eveneens tot de vaststelling dat de middengroepen in de westerse landen er op achteruit gaan; zoals blijkt uit de bijdrage van Lars Vande Keybus elders in dit nummer.

De analyse van inkomensgroepen is ongetwijfeld een nuttige oefening, waarbinnen het concept van de middenklasse zijn plaats heeft. Een fijnmazige analyse van de diverse inkomensgroepen laat een juistere kijk toe op de sociale positie en risico's van diverse bevolkingsgroepen. Het laat toe om een gerichter sociaal beleid op te zetten. Hoe kunnen we voorkomen dat wie net niet arm is toch in armoede terechtkomt? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat fiscale stimuli zoals een woonbonus of kinderbijslagen ervoor zorgen dat we niet enkel de beterverdieners een extra steuntje in de rug geven, maar ook de lagere inkomens bedienen? Hoe concipiëren we een vermogensbelasting die ervoor zorgt dat de rijken hun faire bijdrage betalen aan de samenleving, zonder dat de bezitter van een enigste, eigen woning of een kleine erfenis zich gepakt voelt?

De middenklasse is inmiddels ook uitgegroeid tot een politiek-ideologisch begrip. Het duikt steevast op in politieke commentaren. Het is een middel geworden om de maatschappelijke realiteit te duiden en beleid te ondersteunen. Wat opvalt is de brede politieke interesse voor de middenklasse, van links tot rechts van het politieke spectrum. Op zich niet verwonderlijk gezien het om een heel brede bevolkingsgroep gaat. Ter linkerzijde heeft de belangstelling onder meer te maken met de gewijzigde sociologische samenstelling van de beroepsbevolking, waarbinnen de groep van industriearbeiders in aantal is afgenomen. Zo liet Mohamed Ridouani, kersvers sp.a-burgemeester van Leuven, zich in een interview ontvallen dat sp.a de middenklasse te veel had verwaarloosd, wat mee aan de basis zou liggen van de globale achteruitgang van de partij bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. Maar ook de rechterzijde werpt zich op als vertegenwoordiger van de middenklasse. Joachim Pohlmann, woordvoerder van N-VA en columnist bij De Morgen, noemt zich bij herhaling een 'middenklassenrevolutionair'. In zijn columns neemt hij het op voor die belaagde groep, voor de hardwerkende Vlamingen die te veel belastingen betalen en die misbegrepen worden door de liberale progressievelingen.

EEN POPULISTISCHE OPVATTING

Meteen wordt duidelijk hoe rechts de middenklasse inbedt in zijn populistisch vertoog. Vooreerst wordt deze nieuwe klasse voorgesteld als een homogene groep. Een groep die zich onderscheidt van de onderlaag, de armen en van de bovenlaag, de rijken. Met als gemeenschappelijk klassenbelang dat ze haar inkomenspositie wil behouden, liefst nog hogerop wil en zeker niet van de maatschappelijke ladder wil tuimelen. Een klasse van hardwerkende Vlamingen die meer vrijheid wil, minder betutteling van overheidswege en haar eigen levensstijl en identiteit wil behouden. Dergelijke classificatie van de samenleving doet de waarheid geweld aan. Wie zich niet tevreden stelt met oppervlakkige indrukken en wat dieper graaft, zal snel ontwaren dat de middenklasse geen homogeen blok vormt maar uiteenvalt in verschillende deelklassen met een zeer uiteenlopende positie op vlak van inkomen, arbeidsmarktkansen, sociale risico's en maatschappelijke verwachtingen.

Die verschillende groepen als een homogeen blok neerzetten is een kenmerk van populisme. De middenklasse verschijnt dan als het één-en-ondeelbaar volk dat zich afzet tegen de elite van renteniers en profiteurs. Rechts-populisten zullen vooral de tegenstelling met de onderlaag beklemtonen. De middenklasse wordt in die optiek gefnuikt door het overmatig overheidsbeslag en een hangmat-sociale zekerheid. Wat de weg vrijmaakt voor liberaal-conservatief beleid: de overheid afslanken, sociale zekerheid enkel voor wie het echt nodig heeft, saneren om de middenklasse minder te belasten, het geld teruggeven aan diegenen die het verdienen. Het naar voor schuiven van de middenklasse heeft bovendien als bedoeld of onbedoeld effect dat andere klassenbegrippen naar de achtergrond verdwijnen. Het neemt de plaats in van een alternatieve structurering van de samenleving, niet in het minst van arbeid en kapitaal. Dat komt conservatieven goed uit. Het onderstreept hun historische gelijk dat dergelijke klassentegenstelling passé is, als ze al enige relevantie zou hebben gehad. Het is nu de middenklasse, de burgerij, die (opnieuw) aan zet is.

EEN PROGRESSIEVE OPVATTING

Een progressieve opvatting van middenklasse moet in de eerste plaats afstand nemen van de valse homogeniteit van die groep. Een inkomensklasse die op zijn minst uiteen valt in een lagere, een centrale en een hogere middeninkomensklasse. Waarbij de lagere veel meer kans maakt om af te zakken naar de armoede dan dat ze kans maakt op sociale promotie. Wat de noodzaak onderlijnt van een beleidsaanpak die oog heeft voor die diversiteit en er alles moet aan doen om de opwaartse mobiliteit van die zwakkere groepen in ere te herstellen. Een beleid dat voorrang geeft aan de bestrijding van sociale risico's, investeert in bijscholing, kinderopvang, basismobiliteit en dergelijke, veeleer dan aan het verlenen van fiscale snoepjes aan beterverdieners. Een beleid dat verbindend werkt naar de lagere inkomensgroepen in plaats van een harde aanpak van armen, werklozen en mensen met een leefloon. Een beleid dat gericht is op de versterking van de sociale welvaartsstaat, net omdat dat in het belang is van iedereen.

Een progressieve opstelling ten aanzien van de inkomensongelijkheid tussen de sociale lagen van de samenleving kijkt evenzeer in de richting van de toplaag van de inkomenspiramide. Rechts-conservatieven hebben er een handje van weg om elke vorm van belasting van topinkomens of grote vermogens onmiddellijk af te doen als een aanval op de middenklasse, ook al wordt die daar helemaal niet door gevat. Voor progressieven moet de progressieve belasting in ere worden hersteld en uitgebreid naar alle vormen van inkomen. Geen dual income tax, met haar progressieve aanslag voor inkomen uit arbeid en haar flat tax voor kapitaalinkomsten, maar oplopend voor alle inkomens. Een euro is tenslotte een euro.

Een progressieve visie op middenklasse, ten slotte, moet het begrip ontdoen van zijn verhullende gedaante. Je hoeft geen marxist te zijn om in te zien dat de overgrote meerderheid binnen die middenklasse werkende mensen zijn, en in hoofdzaak loontrekkenden. En die net daardoor meer gemeen hebben met de onderste inkomensgroepen dan dat er verschillen zijn. Ook al zijn die er ongetwijfeld: van werknemers in de call centra en in de schoonmaak tot in de petrochemie, van werknemers met een flexibel contract of in de platformeconomie tot statutaire ambtenaren. Maar de economische transities en het rechtse beleid van de afgelopen jaren maken duidelijk hoe de zekerheden van vandaag lang niet verzekerd zijn morgen.

EN DE GELE HESJES DAN?

Maar bewijzen 'de gele hesjes' dan niet het tegenovergestelde? Zijn ze niet het levende bewijs van de opstand van de middenklasse, zoals de 'middenklassenrevolutionair' Joachim Pohlmann beweert? En dus het bewijs van een klasse met gedeelde belangen en een eigen klassenbewustzijn?

Neen, ze zijn het bewijs van een breed ongenoegen bij de werkende bevolking die het niet langer pikt dat zij de rekening moet betalen van een beleid van twee maten en twee gewichten. Een beleid dat vermogens en grote bedrijven ontziet, maar wel de lagere inkomensgroepen treft. Zowel in Frankrijk als bij ons. Wat de regering en denktanks ook mogen beweren, de koopkracht is er voor die groepen niet op vooruit gegaan. De prijzen van basisproducten zijn sterk gestegen. De voordelen van de taxshift worden teruggenomen door hogere accijnzen en BTW, waarbij de mensen die het van een uitkering moeten hebben enkel de lasten kregen, niet de lusten. De lonen lopen al jaren achter op de productiviteit en de groei, terwijl deze regering de werknemers nog eens trakteerde op een indexsprong en de lonen matigt via een loonwet die de onderhandelingen in een carcan stak.

Het zijn dus heus niet alleen de middeninkomens die het gelag betalen, maar – als ik me nog eens dat begrip mag veroorloven – de ganse werknemersklasse. Al klopt het dat het deze keer niet de georganiseerde werknemersbeweging was die aan de basis lag van het verzet van de gele hesjes, dat van onderuit kwam. Maar dat is nog lang geen bewijs van een opstand van een vrijgevochten middenklasse.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 1 (januari), pagina 52 tot 55