Abonneer Log in

De kloof tussen de praktijk en de voornemens dichten

HALFWEG BOURGEOIS I

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 99 tot 101

Geachte minister van Omgeving,
Beste Joke Schauvliege,

Sta me toe u alvast een schitterend en productief 2017 toe te wensen. Ik wil u ook van harte feliciteren met de goedkeuring van uw nieuwe beleidsplan en de fameuze ‘betonstop’, hoewel de term misschien niet gelukkig is gekozen. Het zal zeker en vast geen gemakkelijk politiek parcours geweest zijn, want de goedkeuring van dit plan liep al vele jaren vertraging op. Ik hoop dat u in 2017 iedereen kan overtuigen van de kwaliteit van het plan. Nieuwe ruimtelijke plannen maken is een helse politieke klus. Helaas leert de geschiedenis dat plannen uitvoeren nog veel moeilijker is, zeker wanneer u daarbij de bouwmogelijkheden wil inperken. Ruimtelijk planning lijdt immers bij voorbaat aan wat Garreth Hardin the tragedy of the commons heeft genoemd. Hoewel iedereen wel te vinden is voor meer open ruimte, wil haast niemand uit vrije wil daarvoor zijn eigen bouwmogelijkheden inperken.

Reeds in 1962 werd een eerste poging ondernomen om een eerste betonstop in te voeren. De eerste stedenbouwwet voerde daarvoor een systeem van bestemmingsplannen in, waarbij vooral het gewestplan en de bijzondere plannen van aanleg in de praktijk werden gebruikt. De gewestplannen hadden als doel de woongebieden af te bakenen zodat de open ruimte zou worden gespaard van verdere verkavelingen en bebouwing. Maar in de uitvoering liep het soms goed mis. Gemeenten en grondeigenaars hadden al snel door dat de gewestplanning een enorme impact hadden op de vastgoedwaarde van gronden. Woongebieden zijn al gauw tien keer meer waard dan bijvoorbeeld de landbouwgebieden. Bij de afbakening van de woongebieden was er een grote druk om de woongebieden een ruime jas toe te kennen. Zo ruim, dat we vandaag nog minstens toekomen tot 2030. Bovendien waren de gewestplannen erg onrechtvaardig. Sommige eigenaars werden slapend schatrijk, anderen wisten de kanalen van het politieke dienstbetoon en lobbywerk goed te bespelen in hun voordeel, terwijl nog anderen de waarde van hun eigendom in rook zagen opgaan en ‘zonevreemd’ werden. Gedupeerde eigenaars, maar wellicht evengoed handige speculanten, voerden de druk op om allerhande uitzonderingsmaatregelen in te voeren die de bouwmogelijkheden nog deden toenemen.Uit de jaren 1980 dateert bijvoorbeeld de fameuze opvulregel die toeliet een nieuwe woning te bouwen tussen twee bestaande woningen buiten de afgebakende woongebieden. Deze regel heeft de beruchte Vlaamse lintbebouwing nog verder doen toenemen. Het volk leerde daarbij dat de combinatie van speculatie en persistent lobbywerk loont, omdat het beleid vanuit electorale overwegingen uiteindelijk toch zwicht.

Een tweede poging kwam er pas eind de jaren 1990. Toen keurde de Vlaamse regering het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen goed. De principes in dat plan waren helder en eenvoudig: bijkomende bebouwing zou vooral in de steden en dorpen komen, en daarbuiten zou er een stop van bouwmogelijkheden komen. De Vlaamse overheid besloot daarom de woonuitbreidingsgebieden in het buitengebied niet verder aan te snijden. Uitzonderingsmaatregelen zoals de opvulregel werden consequent afgeschaft. Tegelijk werd de woonkwaliteit van de steden verbeterd. Ook werd er strenger opgetreden tegen bouwovertredingen, waarbij enkele afbraakvonnissen effectief werden uitgevoerd. De Vlaamse administratie werd fors uitgebouwd en een nieuw decreet ontwikkelde tal van nieuwe instrumenten die tot een duurzamer ruimtelijk beleid moesten leiden. Maar het ging gauw terug mis. Gemeenten beschouwden de bouwstop in het buitengebied als een buitenissige bemoeienis van bureaucratische planologen uit Brussel, net als het strengere handhavings- en vergunningenbeleid. Zonevreemde eigenaars en bedrijven kwamen in opstand tegen de verstrengde regelgeving. De bouwsector klaagde over het gebrek aan bouwgronden en de economische sector over het tekort aan bedrijventerreinen. Ruimtelijke planning werd niet bepaald een populair beleidsdomein. De minister-president noemde de planologen in de pers zelfs openlijk dictators.

Onder druk van allerhande lobbygroepen werden de principes van het structuurplan Vlaanderen snel teruggeschroefd. Het ruimtelijk beleid kwam in de handen van meer liberale ministers, die naast bijkomende bedrijventerreinen vooral de deregulering en decentralisering van het beleid als agenda hadden. Daarbij werden de bouwmogelijkheden buiten de steden en dorpen systematisch weer opgedreven op maat van de lobbygroepen. De aansnijding van woonuitbreidingsgebieden, zonevreemde woningen en bedrijven kregen verregaande ontwikkelingsrechten, er kwamen tal van nieuwe bedrijventerreinen op de tekenplank, en een hele trits vrijstellingen van vergunningen. In 2009 werd er godbetert de afwerkingsregel ingevoerd als reïncarnatie van de opvulregel uit de jaren 1980. Tegelijk werden zeer veel bevoegdheden overgedragen naar de gemeenten, voor wie een bouwstop vaak het laatste van hun prioriteiten is. Integendeel, zolang de gemeentefinanciën afhankelijk zijn van het aantal gezinnen en bewoners, en lokale politici door hun bevolking vooral worden aangesproken om bouwmogelijkheden bij te creëren vanuit de vraag naar betaalbaar wonen is een bouwstop erg onwaarschijnlijk.

Het is in deze context dat u nu een derde betonstop afkondigt, zij het een erg voorzichtige. Toch ben ik enigszins verward over de kloof van de boodschap en de actuele praktijk van deregulering en decentralisering die het laissez-faire in de hand werken. In de afgelopen jaren heeft u ook niet echt overtuigd dat u die trend wil keren. Integendeel, een aantal beslissingen zoals het Uplace-dossier, de omstreden uitbreiding van Essers, de Oosterweelverbinding en de verbreding van de R0 ondersteunen niet echt de richting die u met de betonstop aanwijst. Uiteraard zijn deze dossiers erfenissen van vorige regeringen, maar een beetje meer ruggengraat had niet misstaan. Ook de regelgeving evolueert niet meteen naar een effectief instrumentarium dat de bijkomende inname van open ruimte een halt kan roepen. Het aantal uitzonderingsmaatregelen en afwijkingsmogelijkheden is veeleer toegenomen dan afgenomen. Het beleidsplan Ruimte bevat ook geen concrete strategie hoe die betonstop dan wel via regelgeving zal worden afgedwongen. Die hete aardappel wordt daarbij naar de toekomst verschoven.

Indien u werkelijk tegen 2040 uw betonstop wil invoeren, zal er een doortastend en slim instrumentarium moeten worden ontwikkeld waarbij geleerd wordt uit de mislukkingen van het verleden. Eigenaars en gemeenten zullen niet uit vrije wil het aantal bouwmogelijkheden beperken, omdat de financiële en electorale implicaties daarvan te nadelig zijn. Tegelijk zal een rigide systeem met een streng top-downbeleid ook niet werken. Zowel de gewestplanning als de structuurplanning tonen aan dat persistent lobbywerk en electorale berekening tot een systematisch uitholling van beleidsprincipes leidt. Wellicht ligt de oplossing in het veranderen van de waarde van de open ruimte voor particulieren, bedrijven en overheden. Zolang speculeren voor grondeigenaars loont, zullen particulieren druk op politici zetten om bouwmogelijkheden bij te creëren. Zolang bedrijventerreinen gesubsidieerd worden, zullen bedrijven er niet spaarzaam mee omspringen. Zolang gemeenten gefinancierd worden via inwoners en bedrijven, en ze nauwelijks of geen inkomsten krijgen uit open ruimte, zullen ze geen beleid voeren om die open ruimte te behouden.

We hopen dan ook van harte dat u de rest van uw legislatuur aangrijpt om de kloof tussen de actuele praktijk en de voornemens uit het beleidsplan te dichten.

Met vriendelijke groeten,

Tom Coppens
Hoofddocent, Faculteit Ontwerpwetenschappen, UAntwerpen

Brieven aan Bourgeois I - Vlaamse regering - ruimtelijke ordening

Samenleving & Politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 1 (januari), pagina 99 tot 101