Log in

Is België wel zo’n paradijs van inkomensgelijkheid?

De inkomensongelijkheid binnen landen is in heel de wereld toegenomen. Heel de wereld? Nee, een klein land blijft moedig weerstand bieden aan de ongelijkheidsgolf die iedereen lijkt te overspoelen. Welkom in België, waar de inkomensongelijkheid laag is, het overheidsbeslag hoog, en de buiken rond zijn. Maar is dit wel zo? Een blik op de voorbije 30 jaar leert alleszins dat de hogere inkomens meer zijn gestegen dan de lagere inkomens.

België, land van verborgen kloven

Is België wel zo’n paradijs van inkomensgelijkheid?
Wim Van Lancker
Onze vermogens­verdeling? Alles kan beter
Sarah Kuypers
Koude woningen, koude overheid
Jill Coene
Ongelijk gezond en wel
Annick De Donder en Jan De Maeseneer
’t Is nog niet in de sacoche
Sofie De Graeve
Inclusief digitaal is het nieuwe normaal
Ilse Mariën
De strijd om mobiliteit is een strijd om gelijkheid
Dirk Lauwers en Thomas Vanoutrive
Laat de sociale mix in scholen niet los
Mieke Van Houtte
Meer voorschoolse voorzieningen, minder ongelijkheid?
Michel Vandenbroeck

Op het eerste zicht wordt het rooskleurige beeld van België als paradijs van inkomensgelijkheid bevestigd door de cijfers. In de voorbije tien jaar is de Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte maatstaf om ongelijkheid te meten, voor ons land stabiel gebleven op 0.26. In het gezelschap van de Scandinavische landen, Tsjechië, Slovakije en Slovenië behoren we daarmee tot de best presterende landen ter wereld.1 Bovendien herverdelen we veel om dat doel te bereiken: samen met Finland en Ierland wordt de inkomensongelijkheid in ons land met bijna de helft verminderd door de belastingen en uitkeringen. In een tijd waar velen zich het hoofd buigen over strategieën om de stijgende ongelijkheden tegen te gaan, lijkt het vanzelfsprekend om van een Belgisch succesverhaal te spreken. Maar is dat succes wel zo eenduidig?

Ongelijkheid gemeten door middel van de Gini-coëfficiënt is een specifieke manier om naar de verdeling van de inkomens te kijken. Die wordt samengevat in één cijfer en het is niet altijd mogelijk om veranderingen bij de laagste inkomens en topinkomens door deze maatstaf accuraat te vatten. Bovendien gaan de publiek beschikbare data maar tien jaar terug waardoor we ons blind staren op een relatief korte tijdsspanne. Er kan echter ook door een andere bril naar de inkomensverdeling worden gekeken. Thomas Piketty, bijvoorbeeld, focust op basis van fiscale statistieken op de topinkomens. Wie in armoede geïnteresseerd is, zal meer geneigd zijn om naar de verdeling van de inkomens aan de onderkant te kijken. Inderdaad, België wordt gekenmerkt door zowel een grote, stabiele middenklasse als door een relatief hoog armoederisico. Verhult de Gini-coëfficiënt deze trends? Kon België ook in het verleden weerstaan aan de ongelijkheidsgolf?

In deze bijdrage wil ik het blikveld verruimen door de volledige verdeling van de Belgische inkomens in ogenschouw te nemen over de voorbije dertig jaar. Deze bijkomende stukjes van de inkomenspuzzel dragen bij aan een beter begrip van de inkomensongelijkheid over de tijd heen, en vooral van waar en wie het inkomen zag toenemen.

DERTIG JAAR INKOMENSONGELIJKHEID IN VOGELVLUCHT

In de voorbije dertig jaar zijn we als land behoorlijk wat rijker geworden. Sinds 1985 is het Bruto Binnenlands Product (bbp) per hoofd van de bevolking toegenomen met 57%. Maar hoe vertaalt die toegenomen rijkdom zich in de levensstandaard van gezinnen? En welke gezinnen profiteren het meest?

Om dat in beeld te brengen toon ik in Figuur 1 een zogenaamde 'groei incidentie curve' (GIC) van de Belgische inkomens tussen 1985 en 2013. Dergelijke curves tonen de reële groei van de inkomens in een bepaalde periode over de ganse inkomensverdeling en laten toe in detail te bekijken welke inkomensgroepen in de samenleving de sterkste toename van het inkomen hebben gekend.

Ter verduidelijking: Figuur 1 toont de totale procentuele toename van de netto beschikbare gezinsinkomens van Belgische gezinnen. Dat is het inkomen dat mensen te besteden hebben, dus nadat belastingen zijn afgetrokken en eventuele uitkeringen zijn bijgeteld. Over zo'n lange tijdsspanne is de samenstelling van de gezinnen sterk veranderd. Daarom worden de netto beschikbare inkomens gecorrigeerd ('equivalent gemaakt') om de inkomens van gezinnen van verschillende grootte onderling en over de tijd heen vergelijkbaar te maken. De inkomens worden uitgedrukt in reële termen, dat wil zeggen dat er rekening wordt gehouden met de stijging van de levensduurte. In Figuur 1 worden de Belgen ingedeeld in percentielen: elk percentiel komt overeen met 1% van de Belgen, gerangschikt van de laagste naar de hoogste inkomens. De gegevens zijn afkomstig uit twee representatieve steekproeven waarin de inkomens van de deelnemers uitgebreid bevraagd worden, met name inkomens uit werk, huurinkomsten, uitkeringen et cetera. De eerste steekproef is het Sociaal Economisch Panel (SEP) die voor het eerst werd uitgevoerd in 1985, de tweede steekproef is de European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC) survey waarvan ik hier de 2014 versie (met inkomensgegevens uit 2013) gebruik. Extreme waarden bij de hoogste en laagste inkomens werden gecorrigeerd, en Figuur 1 toont de resultaten van het 5e tot het 99e percentiel. Het is belangrijk op te merken dat vermogens (bijvoorbeeld bezit van vastgoed of aandelen) slecht worden geregistreerd in dit soort steekproeven. Het gaat dus om de besteedbare inkomens van mensen; de verdeling van de vermogens wordt besproken in het stuk van Sarah Kuypers in dit nummer.

FIGUUR 1. Groei incidentie curve van de netto beschikbare gezinsinkomens in België, 1985-2013 (Bron: Eigen berekeningen op SEP 1985 en EU-SILC 2014).

Wat leert Grafiek 1? Het springt onmiddellijk in het oog dat iedereen erop vooruit is gegaan in de voorbije dertig jaar. Gemiddeld gesproken groeiden de netto beschikbare gezinsinkomens met 47%, niet zo veel minder dan de groei van het bbp. De inkomensgroei was echter forser aan de top van de verdeling dan aan de onderkant. Terwijl de 10% armste Belgen het beschikbare gezinsinkomen met 20 tot 25% zagen toenemen, steeg het inkomen van de 10% rijksten met 52% en van de '1%' met 68%. De middengroepen zagen hun inkomen toenemen met ongeveer 45%. Bovendien is het verschil tussen de middengroepen en de hoogste inkomens veel minder groot dan het verschil tussen de laagste inkomens en de middenklasse. Het zijn vooral de laagste inkomens die achterop hinken in de Belgische welvaartsstaat.

ABSOLUUT OF RELATIEF?

Heel wat mensen zullen dit als bijzonder goed nieuws interpreteren. Het is immers een vaak gehoord argument dat het beleid moet focussen op de vooruitgang van de laagste inkomens, en zich niet noodzakelijk om de toename van de inkomens aan de top (en dus de relatieve ongelijkheid) moet bekommeren. Armoede, en niet ongelijkheid, is waar het om zou moeten draaien. Ik ben het daar niet mee eens.

Vergelijk het met een wielerwedstrijd waarin de laagste inkomens met platte banden aan de start komen. Ze gaan wel vooruit, maar hoe hard ze ook trappen, de anderen rijden alsmaar verder van ze weg. Dat is belangrijk. Niet alleen heeft psychologisch en sociologisch onderzoek al omstandig aangetoond hoe een toename van relatieve inkomensverschillen en verschillen in sociale status leidt tot mentale en fysieke gezondheidsproblemen,een toename van de relatieve inkomenskloof betekent ook een toename van verschillen in levensstandaard.

Figuur 2 toont de toename van de inkomens voor de volledige inkomensverdeling in de voorbije 30 jaar in absolute waarde. Uitgedrukt in prijzen van 2013 hebben de laagste inkomensgroepen in de voorbije 30 jaar hun netto equivalent beschikbaar jaarinkomen met ongeveer €1.500 zien toenemen, de 5% rijksten met meer dan €15.000. Een relatieve ongelijke groei weerspiegelt zich dus in een sterke toename van de verschillen in levensstandaard. Als de laagste inkomens de toename in de levensstandaard van de midden- en hogere inkomensgroepen - en de daarbij horende veranderingen in consumptiepatronen en toegang tot diensten - niet (meer) kunnen volgen, wordt het voor hen moeilijker om een middenklasse bestaan te ambiëren. Relatieve inkomensverschillen die te groot worden remmen de sociale mobiliteit.

FIGUUR 2. Absolute toename van de netto beschikbare gezinsinkomens in België (in 2013), 1985-2013 (Bron: Eigen berekeningen op SEP 1985 en EU-SILC 2014).

Kortom, wat gebeurt aan de onderkant van de inkomensverdeling staat niet los van wat gebeurt in het midden en aan de top. Heel simpel: hoe groter het deel van de economische groei dat naar het midden en de top vloeit, hoe minder er beschikbaar is voor de laagste inkomens. Wie om de absolute levensstandaard van de armen bekommerd is, zal onvermijdelijk ook oog moeten hebben voor de verdeling van de inkomens.

REGIONALE VERSCHILLEN

Net zoals in veel andere landen wordt België gekenmerkt door belangrijke intraregionale verschillen. De groei van het bbp per hoofd van de bevolking was bijvoorbeeld sterker in Vlaanderen dan in Wallonië. In hoeverre verklaren deze regionale verschillen de ongelijke groei van de inkomens in de voorbije dertig jaar? De fiscaliteit en de sociale zekerheid zijn de belangrijkste beleidsinstrumenten die de verdeling van de inkomens beïnvloeden. Zij bevinden zich op het federale beleidsniveau en werken dus op dezelfde manier voor alle regio's in het land. Gegeven de verschillen in economische ontwikkeling en groei zou het echter kunnen dat een herverdelingsbeleid dat succesvol is in het ene gebied minder goed werkt voor het andere.

Figuur 3 toont de verdeling van de inkomensgroei in de periode 1985-2013 voor België, Wallonië en Vlaanderen. Voor Brussel zijn de gegevens niet betrouwbaar. Hoewel het groeipatroon in beide regio's grosso modo gelijkaardig verloopt, was de groei van de inkomens zowel sterker als gelijker in Vlaanderen dan in Wallonië. In Vlaanderen gingen de armsten er met 30% op vooruit, de ruime middenklasse zag het inkomen met 50 à 60% toenemen, en dat is evenveel als de groei aan de top. In Wallonië was de toename voor de armsten met 15 à 20% meer bescheiden, ging de middenklasse erop vooruit met 30 à 40%, en werd de ongelijkheid vooral groter aan de top. Het gevolg van deze ongelijke groei van de inkomens is dat de ongelijkheid tussen Vlaanderen en Wallonië groter is geworden over de tijd heen.

FIGUUR 3 Groei incidentiecurves van de netto beschikbare gezinsinkomens in België, Vlaanderen en Wallonië, 1985-2013 (Bron: Eigen berekeningen op SEP 1985 en EU-SILC 2014).

VERSCHILLENDE BRONNEN EN PERIODES IN OGENSCHOUW

Bij het analyseren van inkomensgroei en -verdeling is het belangrijk voldoende oog te hebben voor de kwaliteit van de data. Om tijdsreeksen samen te stellen over een periode van dertig jaar maak ik immers gebruik van verschillende steekproeven, waarbij de meting van de inkomens en de tijdsperiode die ze bestrijken verschillen. Dat klinkt technisch en saai, maar het is niet onbelangrijk. Als de verschillende inkomensbronnen niet goed vergelijkbaar zijn, dan kan dat immers de resultaten vertekenen. Bovendien is dertig jaar erg lang, en verhult zo'n breedbeeldperspectief misschien wel belangrijke evoluties binnen bepaalde kortere periodes.

Om die reden toon ik in Figuur 4 de inkomensgroei voor België opgesplitst naar de steekproeven: SEP voor de periode 1985 tot 1997 en EU-SILC voor de periode 2003-2013. Belangrijk is dat de steekproef SEP maar vier keer werd uitgevoerd (in 1985, 1988, 1993 en 1997) terwijl EU-SILC jaarlijks werd uitgevoerd, en dat de periode die gevat wordt ook verschilt tussen de twee steekproeven. Om toch een zinvolle vergelijking te kunnen maken tussen steekproeven en jaren, toon ik daarom de gemiddelde groei op jaarbasis in plaats van de totale procentuele groei. Omdat de economische crisis in België toesloeg in 2008 maak ik voor de EU-SILC periode nog een verder onderscheid tussen de periode 2003-2007 en de periode 2007-2013.

Figuur 4 toont duidelijke verschillen tussen de drie beschouwde periodes. In de periode tussen 1985 en 1997 groeiden de gezinsinkomens gemiddeld met 1,5% per jaar, net zoals in de periode tussen 2003 en 2007. Opvallend genoeg lijkt de verdeling van de inkomensgroei in de eerste helft van de jaren 2000 het spiegelbeeld van wat gebeurde in de jaren 1980 en 1990. Toen groeiden de gezinsinkomens van de hoogste inkomens ongeveer dubbel zo snel als de laagste inkomens (2% versus 1%). In de pre-crisisjaren 2003 tot 2007 gingen de laagste inkomensgroepen er het meest op vooruit (met uitzondering van de top 1%). Tijdens de crisisjaren en nadien zijn het weer de middengroepen die er het meest op vooruit gaan (met een jaarlijkse groei van ongeveer 0,8%), terwijl de groei stagneerde bij de laagste en de hoogste inkomens. Onder de oppervlakte van dertig jaar inkomensgroei schuilen dus verschillende en soms tegengestelde dynamieken.

FIGUUR 4 Groei incidentiecurves van de netto beschikbare gezinsinkomens in België naar tijdsperiode (Bron: Eigen berekeningen op SEP 1985 en 1997, en EU-SILC 2004, 2008 en 2014).

DE ROL VAN HET BELEID

Groei incidentie curves geven ons een vollediger beeld van de veranderingen in de inkomensverdeling maar bieden daarom nog geen verklaring voor die veranderingen. Vooreerst spelen er zogenaamde compositie-effecten: de samenleving vandaag verschilt van de samenleving in 1985, en de samenstelling van de inkomensgroepen is veranderd. Er zijn bijvoorbeeld onmiskenbaar meer laaggeschoolden, meer alleenstaande ouders en meer migrantengezinnen aan de onderkant van de inkomensverdeling te vinden.

Het sociaal beleid en veranderingen op de arbeidsmarkt spelen echter ook een belangrijke rol. We weten dat de inkomens van de laagste inkomensgroepen voornamelijk bestaan uit inkomsten die niet uit arbeid voortkomen, terwijl voor de midden en hogere inkomensgroepen het omgekeerde geldt. Enerzijds zal een toename van de tewerkstelling (waar de voorbije decennia door beleidsmakers sterk op is ingezet) een belangrijke factor zijn in de groei van de beschikbare inkomens. Anderzijds zullen veranderingen in de generositeit en de voorwaarden van sociale uitkeringen het zwaarst doorwegen bij de laagste inkomens, de groep die geen of weinig inkomens uit arbeid verwerft.

Figuur 5 toont de verandering van het aandeel personen dat een inkomen uit arbeid (in loondienst of zelfstandige arbeid) verwerft voor de volledige inkomensverdeling in de voorbije dertig jaar. De Belgische bevolking wordt ingedeeld op dezelfde manier als in de grafieken hierboven, maar deze grafiek toont de toename van het aandeel mensen tussen 24 en 64 jaar met een arbeidsinkomen ten opzichte van het totaal aantal 25 tot 64-jarigen in de groep. Figuur 5 toont zoals verwacht dat er meer mensen een inkomen uit arbeid verwerven aan de top van de inkomensverdeling dan aan de bodem. Belangrijk is echter dat de sterke toename van de tewerkstelling in de voorbije dertig jaar geconcentreerd was in het midden en aan de top van de verdeling, terwijl het aantal personen met een arbeidsinkomen bij de laagste inkomensgroepen niet is toegenomen. Dat strookt met eerdere studies die een polarisatie van de jobgroei aantoonden: de groei van de tewerkstelling is niet ten goede gekomen aan de gezinnen waar het minst wordt gewerkt.2

Dat de groei van de inkomens bij de middengroepen zo gelijkmatig verloopt heeft ook te maken met de beperkte loonongelijkheid in België.3 De loonongelijkheid wordt bij ons getemperd door een systeem van collectieve sociale onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers, de zogenaamde sociale partners, over lonen en arbeidsverhoudingen. Veelal gelden de gemaakte afspraken, bijvoorbeeld over minimumlonen en loonstijgingen, voor alle sectoren. Hoewel lonen volgens de economische theorie een weerspiegeling van de productiviteit zijn, zorgt collectief sociaal overleg ervoor dat in laagproductieve sectoren toch hogere lonen worden betaald. Dat toont dat welvaartsstaten niet per se machteloos staan ten opzichte van de trends die de ongelijkheid dreigen te vergroten. Dat beleid kent wel een neveneffect: een arbeidsmarkt waar weinig plaats is voor laagbetaalde jobs. Laat dat nu het soort jobs zijn waar de mensen die aan de onderkant van de inkomensladder vertoeven voor in aanmerking komen. Dat is de keerzijde van de medaille: de loonongelijkheid blijft beperkt, maar de toegang tot de arbeidsmarkt voor de laaggeschoolde en andere kwetsbare profielen wordt bemoeilijkt.

FIGUUR 5. Aandeel van de werkenden op actieve leeftijd naar inkomenspositie in België, 1985-2013 (Bron: Eigen berekeningen op SEP 1985 en EU-SILC 2014).

Die laagste inkomensgroepen moeten het dan voornamelijk zien te rooien met uitkeringen. Die uitkeringen hebben echter de stijging van de algemene welvaart niet gevolgd. Beleidsveranderingen in de jaren 1990 werden gekenmerkt door saneringen, met onder meer de ontkoppeling van de sociale uitkeringen van de welvaartsstijging. Dat spoort inderdaad met de observatie dat de groei van de inkomens vooral in de jaren 1980 en 1990 ongelijk was. Hoewel er in de jaren 2000 een inhaalbeweging kwam en de uitgaven progressiever werden was dat niet voldoende om de kloof terug kleiner te maken, ondanks de fors gestegen sociale uitgaven. Wie vandaag van een uitkering moet rondkomen, is een stuk slechter af dan dertig jaar geleden.4In een recente analyse over de sociale uitgaven drukt de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ons land nogmaals met de neus op de feiten: die sociale uitgaven komen meer dan in andere landen ten goede aan de middenklasse.5 En zo is de cirkel rond.

CONCLUSIE

België is en blijft een land met een lage ongelijkheid zoals gemeten door de Gini-coëfficiënt, maar de analyse in dit stuk toont dat een langetermijnperspectief noodzakelijk is om veranderingen in de inkomensverdeling bloot te kunnen leggen.

In de voorbije dertig jaar is de groei van de inkomens iedereen ten goede gekomen, maar de hogere inkomens meer dan de lagere inkomens. De ongelijkheid nam vooral in de jaren 1990 toe, om te stabiliseren vanaf het midden van de jaren 2000. Toen kwam de welvaartsgroei meer ten goede aan de laagste inkomensgroepen, maar dat progressieve patroon werd door de crisis weer doorbroken. Over de hele periode beschouwd is vooral de middenklasse consistent overeind gebleven. Bovendien zien we dat de tewerkstellingsgroei voornamelijk ten goede is gekomen aan de midden en hogere inkomensgroepen, dat de uitkeringen de welvaartsstijging niet hebben gevolgd, en dat de sociale uitgaven meer dan in andere landen de middengroepen ten goede komen.

België is geen eiland van gelijkheid in een ongelijke wereld maar de Belgische welvaartsstaat heeft zeker in de voorbije tien jaar wel stand kunnen houden. Het zijn echter vooral de laagste inkomens die achterblijven op de rest. De uitdaging voor de komende dertig jaar wordt dan ook om de sociale uitgaven en het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat die laagste inkomensgroepen de kloof weer kunnen dichten.

Voetnoten

  1. Zie bijvoorbeeld de data en analyses beschikbaar op de website van de OESO: http://www.oecd.org/social/inequality.htm.
  2. Vandenbroucke, F. & Corluy, V. (2015). 'Huishoudens zonder werk in België'. Leuvense Economische Standpunten 2015/149.
  3. Bodart, V., Dejemeppe, M., Van der Linden, B. 'The labor market in Belgium, 2000–2016'. IZA World of Labor 2018: 428
  4. Cantillon, B. (2016). 'De staat van de welvaartsstaat'. Acco: Leuven.
  5. OECD (2016). Social Expenditure Update. http://www.oecd.org/els/soc/OECD2016-Social-Expenditure-Update.pdf.

Samenleving & Politiek, Jaargang 25, 2018, nr. 4 (april), pagina 26 tot 34