Log in

Hoe we koploper in voorschoolse voorzieningen worden

Voor topkinderopvang en -kleuterschool dienen twee voorwaarden vervuld te zijn: ze moeten toegankelijk zijn voor iedereen en van goede kwaliteit. Vlaanderen behoort tot de Europese top wat dat eerste betreft, het aantal bereikte kinderen. We schetsen tien stappen om ook op alle andere vlakken uit het peloton te komen en tot de koplopers van Europa te behoren.

MAKE ONDERWIJS GREAT AGAIN

Voorbij de progressieve verwarring
Dirk Van Damme
Hoe we koploper in voorschoolse voorzieningen worden
Michel Vandenbroeck, Brecht Peleman en Katrien Van Laere
Lessen uit Finland
Kris Van den Branden
Mijn school op ’t Kiel
Angelique Corné
Jaouad is wat men noemt ‘laagopgeleid’
Bert Roos
Stop de versnippering in het hoger onderwijs
Jan Van Hee

Recent bracht de Europese Commissie een bijzonder boeiend document uit met 22 indicatoren voor de kwaliteit van kinderopvang en kleuterschool.1 Het is gebaseerd op een uitgebreide studie van de wetenschappelijke literatuur over wat er écht toe doet in de voorschoolse leeftijd en op een consultatie met vele stakeholders. We raden de lectuur ervan ten stelligste aan voor iedereen die straks betrokken is bij het opstellen van een beleidsplan voor de kinderopvang of voor het kleuteronderwijs. Op vele punten is Vlaanderen koploper; onder meer voor het grote aantal kinderen dat bereikt wordt. Maar op een aantal punten is er ruimte voor verbetering. Wij lichten er tien stappen uit die van Vlaanderen een Europese topregio voor de voorschoolse voorzieningen zullen maken.

1. Een doordachte programmatie voor de kinderopvang

De toegang tot kwalitatieve kinderopvang is niet voor iedereen gelijk. De meest kansrijke groepen maken zowat dubbel zo veel gebruik van kinderopvang als de meest kansarme groepen. Daardoor vloeit het gemeenschapsgeld dat we in kinderopvang investeren proportioneel meer toe aan de meest gegoede gezinnen. Eén van de belangrijke redenen waarom dit zo is, is de geografische ongelijkheid van gesubsidieerde plaatsen, waar ouders volgens inkomen betalen. Bij de programmering (het bepalen waar de nieuwe plaatsen komen), kunnen meer sociale indicatoren in rekening gebracht worden, zodat de scheve situatie kan worden rechtgetrokken. Dat geldt zowel voor het bepalen welke gemeenten prioritair zijn, als voor het bepalen in welke wijken van de centrumsteden de grootste noden zijn. Het spreekt vanzelf dat we niet kunnen volstaan met het uitbreiden van bestaande plaatsen, want dan komen er steeds meer plaatsen bij waar er al veel zijn. Het zal dus ook moeten gaan over het bouwen van nieuwe voorzieningen. Daarom is het beter de programmering ineens voor een hele legislatuur de toen, dan van jaar tot jaar. Zo kunnen steden en gemeenten ook voorfinancieren en sneller plaatsen maken waar de nood het hoogst is.

2. Een kantelpunt in de professionalisering van het personeel voor jonge kinderen

Eén van de zwakste schakels in de Vlaamse kinderopvang is de menselijke schakel. Opvoeden is mensenwerk en in Europese vergelijkingen over de kwalificaties voor het personeel van de kinderopvang bengelt Vlaanderen achterop (zie www.seepro.eu). Het is nochtans een heel essentieel onderdeel van de kwaliteit. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat maar liefst 8 van de 22 indicatoren van de Europese Commissie gaan over het personeel. Nog steeds heel wat mensen die met de kinderen werken hebben amper een kwalificatie. En heel wat werkgevers zeggen dat de standaardopleiding (zevende jaar kinderzorg) hen niet de werknemers levert die kunnen wat zij, de samenleving en de ouders verwachten. Enkele jaren geleden zetten we een stap vooruit met de oprichting van een Bachelor 'Pedagogie van het Jonge Kind', maar we vinden ze amper terug op de werkvloer bij de kinderen. Ook voor de kinderbegeleiders en toezichtpersoneel die in de kleuterschool werken, geldt dat zij (de onzichtbare assistenten of de Assepoesters van de voorschoolse opvoeding) erg ondergewaardeerd zijn. Kortom, wat bijsleutelen of morrelen in de marge zal wellicht niet volstaan. Een grondig overleg tussen overheid, werkgevers en werknemers zou moeten leiden tot een fundamenteel andere aanpak, een game change, in lijn met de indicatoren: ondersteuning voor beginnende professionals, investeren in leiderschap, basisopleidingen, en supervisie op de werkvloer.

3. Eén cao met menswaardige arbeidsomstandigheden

Nauw verbonden met het voorgaande, zijn de moeilijk aanvaardbare werkomstandigheden in een groot deel van de kinderopvangsector (voor de technici: de gezinsopvang en de groepsopvang gesubsidieerd op Trap 0, Trap 1 en Trap 2B). Zij werken niet volgens de gangbare cao (22/12/2014), maar volgens een 'voorlopige' bijzondere cao, aan niet veel meer dan het minimumloon en met zeer beperkte anciënniteitstoename. Het was de bedoeling om die statuten stilaan aan te passen en te convergeren zodat iedereen op relatief korte termijn aan de iets 'normalere' cao-voorwaarden van subsidietrap 2A zou werken. Maar er worden nog steeds nieuwe plaatsen op 2B gecreëerd, met de onaanvaardbare cao, zodat het dweilen met de kraan open lijkt. Het gevolg is dat nu zowat tweederde van de arbeidskrachten in de kinderopvang aan moeilijk aanvaardbare voorwaarden werkt. Ook kinderdagverblijven van trap 2A hebben het steeds moeilijker om hun personeel adequaat te vergoeden. De tijd dat kinderopvang wat kindjes bijhouden was, ligt echt achter ons. Het is niet langer aanvaardbaar dat wie met de jongste (en volgens velen belangrijkste) leeftijd werkt, het minst betaald wordt.

4. Een conceptueel model van zorg en leren voor 0 tot 6

Vlaanderen scoort bijzonder goed door zijn uitgewerkte visie en monitoring. Die bestond al lang in de kleuterschool en door het MeMoQ-project op initiatief van Kind en Gezin, is dat nu ook het geval voor de kinderopvang.2 Daaruit leren we dat er relatief goed gezorgd wordt voor de kinderen in de Vlaamse kinderopvang. Het welbevinden is matig tot goed, en dat is ook waar voor de emotionele ondersteuning. De betrokkenheid van kinderen (de mate waarin ze geconcentreerd bezig zijn) en de educatieve ondersteuning scoren gemiddeld echter nog zwak. Dat betekent dat we wel goed zijn in zorg, maar minder goed in het stimuleren van de ontwikkeling (Vandenbroeck et al., 2016). Omgekeerd toont recent onderzoek over de instappers in de kleuterschool ons dat de kleuterschool een concept van leren hanteert dat te weinig oog heeft voor zorg. Het gevolg daarvan is dan weer dat niet alleen het welbevinden van sommige kleuters erg laag ligt, maar ook dat er op vlak van het feitelijke leren minder gerealiseerd wordt dan we van de kleuterschool zouden mogen verwachten (Van Laere et al., 2012; 2017, 2018; Peleman et al., 2019). Dat is nog iets meer het geval voor de kinderen die niet het Nederlands als moedertaal hebben, terwijl we maatschappelijk net op dat vlak zo veel van die kleuterschool verwachten. Er bestaat al een goed werkende interdepartementale ambtelijke werkgroep transitie. Die werking zou een versnelling hoger kunnen worden geschakeld om met onderwijs en kinderopvang, en samen met experts en stakeholders te werken aan één conceptueel pedagogisch model voor kinderen in de voorschoolse leeftijd, waarin het concept 'educare' (zorgen is leren en leren is zorgen bij deze jonge kinderen) centraal staat. Zo'n model zou meteen ook de functie van de kinderbegeleiders in de kleuterschool kunnen opwaarderen. Dat hoeft niet te betekenen dat kinderopvang en kleuterschool onder één dak komen of integreren, maar wel dat ze van elkaar leren en beiden het beste uit twee werelden kunnen halen (Moss, 2013).

5. Tien pilootprojecten en één lerend netwerk voor warme transities

Tegelijk moeten we beseffen dat het samenwerken tussen zo uiteenlopende culturen als de kinderopvang en het onderwijs, met een heel verschillende geschiedenis, niet makkelijk is. Het uitwerken van een coherent pedagogisch concept en een handleiding voor warme overgangen en waarin zorg en leren op elkaar zijn afgestemd, gebeurt dus best in nauw overleg met de praktijk. Reële ervaringen van praktijkwerkers in nauwe samenwerking met onderzoekers zijn doorgaans een betere garantie voor duurzaamheid en gedragenheid van concepten. Daarom pleiten we voor het opzetten van een aantal proeftuinen, of pilootprojecten waarin men onder begeleiding kan experimenteren met wat 'educare' in de praktijk betekent op verschillende leeftijden, hoe men daar ouders bij kan betrekken en wat dit voor de opleidingen kan betekenen. Die ervaringen worden best in een Lerend Netwerk samengebracht, waaruit dan aanbevelingen kunnen worden gedestilleerd. Die methode heeft in de afgelopen jaren goede resultaten opgeleverd, bijvoorbeeld op vlak van kleuterparticipatie en bestrijding van kinderarmoede (zie bijvoorbeeld De Mets, et al., 2019).

6. Herijken van de ACR in de kinderopvang

Kwantiteit en kwaliteit van kinderopvang hebben een gespannen verhouding tot elkaar. Je kan een euro maar één keer uitgeven. En als je met hetzelfde bedrag meer plaatsen wil creëren dan riskeer je dat dit ten koste van de kwaliteit gaat. Hoe meer kinderen je per volwassene toelaat (ACR = Adult Child Ratio of aantal kinderen per volwassene), hoe meer plaatsen je met hetzelfde budget kan realiseren. Maar is het allemaal wel oké voor de kinderen? En voor het personeel dat de handen meer dan vol heeft? De norm in Vlaanderen (acht kinderen per volwassene) is hoger dan in welk ander land ook. En ook uniek is dat we dezelfde norm hanteren voor gezinsopvang dan voor groepsopvang. We weten uit het MeMoQ-onderzoek (Vandenbroeck et al., 2016) dat dit geen goed idee is. Vanaf 4 of 5 kinderen voor een volwassene daalt de kwaliteit, en dat is zeker het geval voor de baby's.

7. Herijken van de ACR in de kleuterschool

Ook in de kleuterschool hebben we – in vergelijking met vele andere landen – een erg hoog aantal kinderen per volwassene. Zeker in de instapklassen van de kleuterschool, waar de 2,5 à 3-jarigen apart zitten, leidt dat vaak tot heel erg moeilijke situaties, zowel voor de kinderen als voor de kleuterleraren en de kinderbegeleiders. Het blijft verwonderlijk (en er kan geen enkel wetenschappelijk argument voor aangedragen worden) dat een driejarige minder gesubsidieerd wordt dan een zesjarige. Willen we van de kleuterschool echt een springplank maken om elk kind toe te laten maximaal zijn of haar talenten te ontwikkelen en tegelijk verschillen in achtergrond te compenseren, dan zullen we iets moeten doen aan het grote aantal kinderen per kleuterleraar en aan de structuur van de instapklas.

8. Een norm voor leidinggeven in de kinderopvang

Vreemd genoeg kennen we in de kinderopvang wél een norm voor het aantal kinderen per volwassene (al zouden we die best herbekijken), maar niet voor de leiding. Toch is er heel wat onderzoek dat toont dat de leidinggevende en coachende capaciteit een doorslaggevende rol speelt voor de kwaliteit (Peleman et al., 2018; Urban et al., 2011). Het gevolg van dit gebrek aan normering is dat dit een grote rol begint te spelen bij capaciteitsuitbreidingen. Het wordt steeds populairder om bij uitbreidingen openbare aanbestedingen te doen en dan de plaatsen te gunnen aan de goedkoopste speler op de markt. Gezien er geen normen over de leiding bestaan, gaan uitbreidingen steeds vaker naar organisaties die daarop beknibbelen, soms onder het label 'zelforganiserende teams'. Dat is een zorgwekkende situatie. Kortom: er bestaat niet zoiets als goedkope kinderopvang. Er is namelijk altijd iemand die de prijs betaalt: het kind, het personeel of de ouders. Vaak zijn het echter alle drie.

9. Een pedagogiek van de diversiteit

Dat superdiversiteit er is en blijft, hoeft geen betoog meer. Toch staan we nog niet heel ver in het denken en uitwerken van een pedagogiek voor de diversiteit. Dat komt omdat we het debat daarover al te vaak in slogans voeren: slogans van wij versus zij. Slogans ook van Nederlands leren of thuistaal respecteren. Van integreren of identiteitsontwikkeling. Van leren of zorg. Van gelijke kansen of excelleren. Daar komen we niet erg mee vooruit en daar zijn kinderen, ouders, personeel en samenleving ook niet echt mee gediend. Toch hebben we heel wat wetenschappelijk onderzoek dat ons houvast kan bieden. En dat onderzoek zegt telkens weer: het is niet of/of. Het is niet zo dat kinderen minder goed Nederlands leren als we hun thuistaal een plek geven (integendeel). Het is niet zo dat kinderen zich minder goed integreren als we hun thuisculturen respecteren (integendeel). Het is niet zo dat we kinderen hun talenten maximaal laten ontwikkelen als we hen allemaal over dezelfde kam scheren (integendeel). Het is niet zo dat kleuters minder leren als we meer zorgen (integendeel). Laat ons het debat rationeel en genuanceerd voeren. Laat ons zoeken naar een visie en een praktijk, gebaseerd op empirie eerder dan ideologie.

10. Moeilijke problemen los je zelden alleen op

We kunnen het niet hebben over kinderen en opvoeding, en zwijgen over armoede. In de afgelopen 10 jaar is het percentage kinderen in een kansarm gezin verdubbeld van 7 naar 14%. Dat is echt niet aanvaardbaar. Maar tegelijk volstaat het niet om daar ronkende verklaringen over af te leggen. Kinderopvang en kleuterschool kunnen dat probleem niet oplossen. Maar ze kunnen wel bijdragen tot de oplossing. Dat doen ze door minstens niet zelf een deel van het probleem te zijn. De bovenstaande negen punten zijn daarbij belangrijk. Maar er is meer. Als je een dergelijk 'wicked issue' of lastig probleem wil aanpakken, moet je met velen zijn. Dat betekent samenwerking en afspraken over sectoren heen. Kinderopvang en kleuterschool en huisvesting en OCMW onder meer. Het naar elkaar doorverwijzen (zoals nu bijvoorbeeld gebeurt wanneer een gezin een uitzonderlijk laag tarief nodig heeft voor de kinderopvang) werkt contraproductief. Te veel mensen die het nodig hebben, maken geen gebruik van hun rechten (op een verminderd tarief, op sociale huur, op verhoogde kinderbijslag bij een kind met een beperking, enzovoort). Voor elke sociale maatregel, ook in kinderopvang en kleuterschool, dienen we na te gaan hoe rechten automatisch toegekend kunnen worden. En samenwerking over materiële en immateriële sectoren heen zou eerder de regel dan de uitzondering moeten zijn. Een mooi begin zou kunnen zijn dat elke dienst als slogan hanteert: op geen enkele vraag antwoorden we met 'dat is niet voor mij'.

Voetnoten

1 Het volledige document is hier te vinden: https://publications.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/825252b4-3ec6-11e8-b5fe-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-69668493.
2 Zie https://www.kindengezin.be/kinderopvang/sector-babys-en-peuters/pedagogische-aanpak/memoq-algemeen/.

Referenties

De Mets, J.; Peleman, B.; Seghers, M.; Vervaet, V. & Van Laere, K. (2018). 'Warm, welkom en wederkerig. Naar een goede ouder-schoolsamen- werking. Inspiratieboek voor kleuteronderwijs'. Gent: Steunpunt Diversiteit en Leren – VBJK.
European Commission. (2018). 'Monitoring the Quality of Early Childhood Education and Care – Complementing the 2014 ECEC Quality Framework proposal with indicators. Recommendations from ECEC experts'. Brussels: European Commission. Directorate-General for Education, Youth, Sport and Culture.
Moss, P. (2013). 'The relationship between early childhood and compulsory education: a properly political question'. In P. Moss (Ed.), Early Childhood and Compulsory Education: Reconceptualising the relationship. London: Routledge.
Urban, M., Vandenbroeck, M., Lazzari, A., Peeters, J., & Van Laere, K. (2011). 'Competence requirements for early childhood education and care'. London - Ghent: UEL - UGent.
Peleman, B., Vandenbroeck, M., & Van Avermaet, P. (2019). 'De overgang naar de kleuterschool voor kinderen uit gezinnen in armoede'. Gent: Vakgroep Sociaal Werk en Sociale Pedagogiek – Steunpunt Diversiteit en leren, UGent.
Vandenbroeck, M., Laevers, F., Hulpia, H., Daems, M., Declercq, B., Janssen, J., & Van Cleynenbreugel, C. (2016). 'MeMoQ Deelrapport 14. Samenvatting van de nulmeting'. Brussel – Gent – Leuven: Kind en Gezin – UGent – KU Leuven.
Van Laere, K., Peeters, J., & Vandenbroeck, M. (2012). 'The education and care divide: the role of the early childhood workforce in 15 European countries'. European Journal of Education, 47(4), pp. 527-541.
Van Laere, K., & Vandenbroeck, M. (2017). 'Early learning in preschool: meaningful and inclusive for all? Exploring perspectives of migrant parents and staff'. European Early Childhood Education Research Journal, 25(2), pp. 243-257.
Van Laere, K., & Vandenbroeck, M. (2018). 'The (in)convenience of care in preschool education: examining staff views on educare'. Early Years, 38(1), pp. 4-18.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 5 (mei), pagina 17 tot 22