Abonneer Log in

Iedereen bleef kijken vanuit het eigen hokje

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 4 tot 11

DE OMGEVING BEPAALT MEE DE EVOLUTIE VAN DE IDEEËN

Onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog kende België een periode van snelle heropbouw en sociale vooruitgang, maar vanaf de energiecrisis van 1973 begon die te sputteren.

Eind de jaren 1970 begint het neoliberalisme internationaal en in België duidelijk aan belang te winnen. De politieke instabiliteit van eind de jaren 1970 zal die neoliberale doorbraak bespoedigen. De afbouw van de industriële sector als werkgever en de besparingsdrift op de overheidsuitgaven van 1981 tot 1988 vormen daar de kernlijn van. Desondanks blijft er een grote werkloosheid, haalt de economische groei nooit meer de cijfers van de jaren 1960 en 1970, doet de invoering van de micro-elektronica en de informatica repetitieve jobs van laaggeschoolden langzaam verdwijnen en stuiken de oude industriële bedrijven en sectoren in elkaar.

De maatschappij krijgt verhalen als ‘niet jij, maar de overheid leeft boven haar stand’ en ‘eigen volk eerst’.

Een aantal roomsrode coalities vanaf 1988 tot begin jaren 1990 zal deze neoliberale opmars doen stoppen, maar niet terugdringen. Die geest geeft op 24 november 1991 het Vlaams Blok electoraal een boost. De kloof tussen burger en politiek, criminaliteit, illegaliteit, samenlevingsproblemen, … het zijn begrippen die succes kennen. Verworven rechten, overlegdemocratie en andere dergelijke thema’s slaan minder aan. Guy Verhofstadt zal daar, vanuit zijn oogpunt, met zijn Burgermanifesten handig op inspelen.

De ontzuiling die in de jaren 1970 doorgang vindt, leidt tot minder gebonden kiezers. De band tussen de organisaties en de partij verzwakt ernstig, terwijl toch tot begin van de jaren 1990 middenveldorganisaties steeds meer aan belangeninvloed winnen in de sociaaleconomische structuren.

De traditionele breuklijnen kwamen steeds minder tot uiting (gelovigen versus vrijzinnigen, arbeid versus kapitaal, Vlamingen versus Walen).

Diverse maatschappelijke ontwikkelingen hebben de mensen een breder maatschappelijk inzicht gegeven en heeft twijfel over het eigen gelijk doen ontstaan. De meer open kranten, de ontsluiting van het platteland, de verstedelijking, de grotere mobiliteit, de hogere opleiding, de televisie, de contacten met anderen maakt onzekerheid algemeen. Het brengt vele (ook politiek) zoekenden.

Tegelijkertijd ziet men ons land decentraliseren en regionaliseren. Deze tendens doet zich ook voor in andere Europese landen, maar bij ons gaat dit vaak gepaard met a-politieke standpunten en inspelen op eigenbelang.

Kortom: het politieke landschap in Vlaanderen was ontegensprekelijk in volle beweging. Het grote eigen gelijk van eenieder van ons kwam geleidelijk steeds meer onder druk te staan. De politiek wist zich geen raad met de nieuwe breuklijnen in de maatschappij en in het politiek bestel. Meer welvaart in het algemeen bracht geen algemeen geluk. De mensen werden somberder, individualistischer en intoleranter.

Er was nood aan een nieuw samenhorigheidsgevoel in de samenleving rond een radicaaldemocratisch project. Hierop inspelend streefden Maurits Coppieters (topfiguur uit de Volksunie en boegbeeld van de derde en vierde wereld) en ikzelf (sp.a-er, toen Vlaams viceminister-president (1988-1995) en later voorzitter van het Vlaams Parlement (1995-2006)) daarom in eerste instantie naar een gemeenschappelijke pragmatische sokkel waarin verscheidenheid ons eenheid zou kunnen brengen in plaats van verdeeldheid.

ONTSTAANSGESCHIEDENIS VAN HET SIENJAAL

Het Sienjaal van Coppieters en mijzelf zag het levenslicht in 1996, op het einde van een eeuw waarbij oude en nieuwe ongelijkheden zich alsmaar duidelijker manifesteerden en op een ogenblik dat bleek dat oude remedies steeds moeilijker toepasbaar waren in een sterk gewijzigde samenleving.

Er was de opgang van rechts in België en elders. ‘Zwarte zondagen’ brachten een schok. Er was steeds meer sprake van een nieuwe economische orde die zou leiden tot het ‘ontvetten van de staat’, tot de volledige ‘deregulering’, om zo te komen tot het neoliberale rijk van de geslaagde mens, zonder veel oog voor de kansarmen of zorgen om de derde wereld.

We stelden toen reeds vast in onze gemeenschappelijke inleidingstekst: ‘Mogen we nog zoeken naar een mens- en wereldbeeld van absolute verbondenheid, die boven zuilensplitsingen en zuilenbelangen stijgt? Mogen nog die vragen vanuit een mens- en wereldbeeld waar gelijkheid, rechtvaardigheid, solidariteit, verantwoordelijkheid, vrijheid in het kader van samen-ik-zijn e.d. centraal staan? Of hechten politieke partijen meer belang aan reclame dan aan politiek?’

Met dit project wilden we anticiperen op de maatschappelijke breuklijnen en een aantal problemen aanpakken die op onze maatschappij afkwamen. Zo wilden we de stuurbaarheid van de samenleving nagaan en antwoorden formuleren op de vraag welke rol de overheid te vervullen heeft. Het besef was er dat in bepaalde domeinen de rol van de overheid zou moeten verminderen, terwijl in andere gebieden, zoals op milieuvlak, de impact van de overheid sterk zou moeten worden opgevoerd. We wilden de maakbaarheid van de samenleving afwegen in verhouding tot de rol van het maatschappelijk midden. En ten slotte wilden we de essentiële waarden van morgen en vandaag concreet omschrijven, in het besef dat verschillende zinvolle waarden op gespannen voet kunnen staan met elkaar en dat er dus behoefte zou zijn aan afweging en aan het maken van keuzes.

Voorwaarde was dat elke progressief zijn conservatieve reflexen overboord gooide en men wou vrijdenken.

GEEN HERUITGAVE VAN VROEGERE FRONTVORMINGEN

We wilden bovendien afrekenen met het wantrouwen dat loyale samenwerking in een volledig nieuwe context in de weg staat, met de eigen organisatiebelangen. Uiteraard hadden we begrip voor de aarzelingen, de vraagtekens en de onzekerheden, vooral met in het achterhoofd de vroegere pogingen die een brede frontvorming op het oog hadden, zoals de ‘Doorbraak’-operatie die Karel Van Miert in 1979 binnen de SP had gelanceerd of, nog vroeger, de oproep van Leo Collard in 1961. Coppieters en ik realiseerden ons dat dat een erfenis was die er nu eenmaal was en die de openheid van de aangezochte partners niet ten goede zou komen.

We stelden vast dat heel wat zogenaamde voorstanders van een progressieve krachtenbundeling onmiddellijk een ronduit afwijzende houding aannamen ten aanzien van ons project en ons politiek engagement.

Coppieters en ikzelf beoogden een nieuwe invulling van de politiek. Wij gingen ervan uit dat zowel de traditionele als de nieuwe bewegingen niet meer bij machte waren om oplossingen aan te reiken voor de belangrijkste maatschappelijke vraagstukken van vandaag en morgen. Zij zouden beiden moeten veranderen, elkaar moeten bevruchten om zo dialectisch haast tot een nieuwe synthese te komen.

DE GROEI VAN HET PROJECT

De fundamenten voor ons radicaaldemocratisch project werden gelegd op een 11 juliviering in Sint-Niklaas in 1993, waar Coppieters gastspreker was. ‘De Vlaamse beweging is een sociale beweging’, zei hij toen. ‘Kijk naar Daens, kijk naar Emile Moyson en hoe dat allemaal in dezelfde lijn ligt.’ Coppieters noemde zichzelf een nieuwe patriot van Vlaanderen in het federale België. Tijdens die toespraak stelde hij dat na het Sint-Michielsakkoord de staatsstructuren enkel nog wat verfijningen behoefden, maar dat hij tevreden was met wat bereikt werd. Hij pleitte ervoor dat de sociale zekerheid solidair zou blijven met de minderen, ook met de Walen, en dat Vlaanderen moest opkomen tegen fanatisme, enggeestigheid en racisme. Vlaanderen moest volgens hem de verworven autonomie inhoudelijk invullen en fundamentele keuzes maken.

De opties die Coppieters formuleerde, klonken ondubbelzinnig progressief. Freddy Willockx zag opmerkelijke parallellen tussen het discours van Coppieters en mijn 1 meitoespraak van het jaar voordien. Op 1 mei 1992 verkondigde ik dat we naar vormen van samenwerking moesten zoeken om onze maatschappij te moderniseren in ecologische en sociale zin, met veel oog ook voor het culturele element en binnen een zich duurzaam internationaal ontwikkelende economie. Voor mij was het inhoudelijk gezamenlijk bepleiten van actiepunten de enige mogelijke natuurlijke en ook enige zindelijke manier om tot politieke vernieuwing te komen. Willockx bezorgde mij de tekst van Coppieters en zag een unieke kans in een tandem Coppieters-De Batselier: Coppieters, vanuit Vlaams-nationale hoek, met zijn levenslange ijver voor de derde en vierde wereld; ikzelf, vanuit de gestructureerde politieke linkerzijde, met mijn uitgesproken bekommernis voor de kwaliteit van het samenleven en de toekomst van Vlaanderen binnen een Belgisch en Europees geheel.

Zo is het plan ontstaan om met Coppieters aan een nieuwe synthese te werken. Op 14 oktober 1993, na de première in het NTG van Hugo Claus’ Onder de torens, vroeg Willockx Coppieters op de man af of hij mee een Vlaams progressief project wilde uittekenen. Coppieters aanvaardde. Tussen Maurits en mijzelf klikte het wonderwel. We zagen elkaar privé zeer regelmatig.

Eind 1994 suggereerde ik Coppieters om een zo ruim mogelijke groep progressieve academici uit diverse universiteiten uit te nodigen om samen het debat inhoudelijk aan te vatten. Vanuit dat uitgangspunt hebben wij een veertigtal mensen uit universiteiten en studiediensten, die zich bezighielden met maatschappelijke vernieuwing, over een ontwerptekst laten discussiëren. Vooraleer we het debat in de buitenwereld zouden opstarten, wilden we de zaken immers eerst intern in alle rust bespreken. We wilden méér basis leveren dan enkele goede slogans.

Het resultaat daarvan vond zijn neerslag in het boek Het Sienjaal dat op 16 mei 1996 werd voorgesteld. De ruimte voor verdere politieke vertaling hebben we bewust niet volledig ingevuld. Het Sienjaal was geen zak hapklare brokken. Het was daarentegen de bedoeling het debat op gang te trekken. We vertrokken vanuit het idee dat van mening verschillen niet wilde zeggen dat je niet met elkaar rond de tafel kon gaan zitten om te praten. Het niet eens zijn, betekende niet dat er geen handen gereikt konden worden.

Onze eerste zorg was een project voor te stellen dat geloofwaardig was, niet alleen door de boodschappers, maar vooral door de ernst en diepgang van de analyse. Dat verklaarde uiteraard de lange voorbereidingstijd die aan de voorstelling van ons project voorafging. Het Sienjaal was aanvankelijk gepland als een pamflet van zo’n tachtig pagina’s. De eerste teksten bleven echter, door de sterke inhoudelijke discussies in Waasmunster en het knappe werk van professor Koen Raes, aangroeien tot een boek van ruim tweehonderd pagina’s. Er zouden diverse uitgaven komen van het boek, dat dus zeker succesvol was.

WANTROUWEN EN (GEWILD) VERKEERDE PERCEPTIE

Op 21 januari 1995, aan de vooravond van de eerste rechtstreekse verkiezing van het Vlaams Parlement, schetste Coppieters tijdens een Sampol-lezing in Gent de contouren van hoe hij een mogelijke politieke verkaveling zag. Op het SP-congres van 9 en 10 december 1995 dat plaatsvond in Blankenberge, verwoordde ik op mijn beurt dat de eerste fase van ons project het denkwerk rond enkele hoofdlijnen betrof en dat Het Sienjaal een gefaseerd heroriënterend maatschappelijk project was, waarin iedere groep afzonderlijk met behoud van identiteit zich kon terugvinden. Ik heb daarbij nooit de fusie van verschillende politieke partijen gevraagd. Ik zag de noodzaak van maatschappelijke projecten over de verschillende partijen heen. Diverse van mijn 11 julitoespraken beklemtoonden die politieke noodzaak van diverse invalshoeken. Men wreef Maurits en mij echter de betrachting aan een kleurloze eenheidsworst te creëren. Het tegendeel was waar.
Maurits en ik merkten echter snel dat een aantal argumenten die aangevoerd werden om ‘nee’ te zeggen veeleer uitvluchten waren. Onze publieke verklaringen in Gent en op het SP-congres werden niet correct geïnterpreteerd. Ik heb toen heel duidelijk, zelfs letterlijk, gesteld dat wij geen eenheidsworst wilden; ook ging het niet om een verruimingsoperatie binnen de SP, wij wilden net een maatschappelijk debat en samenwerking in concrete acties. Het Sienjaal-project was immers geen oproep tot een debat over de SP, de groenen, de Volksunie of anderen. Nee, Het Sienjaal riep op tot een debat over Het Sienjaal zelf, zonder verborgen agenda. Het was een leidraad in onze zoektocht naar een breed draagvlak voor ons radicaaldemocratisch project met een open einde.

De officiële voorstelling van de oproep rond Het Sienjaal vond plaats op 30 mei 1996 in de foyer van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (Brussel), in aanwezigheid van de vier nationale jongerenvoorzitters van SP, CVP, Agalev en VU, de partijvoorzitters van VU en SP, de Agalev-partijsecretaris, de Vlaamse ABVV-voorzitter en de ACW-secretaris. Ook tal van andere Agalev- en SP-prominenten waren aanwezig. De verwachtingen waren hooggespannen.

VEEL DISCUSSIE

Er kwamen veel reacties. Op zich was het al positief dat het project discussie uitlokte. Maar er waren al negatieve reacties vanaf 1994, toen van het boek nog geen letter op papier stond. Er was met andere woorden sprake van vooringenomenheid.

Er waren terechte kritieken, maar toch vooral veel politieke onwil bij tegenstrevers en medestanders. Zelfs bij SP, groenen en VU, bij ABVV en ACW wou men praten, maar echt erin geloven om naar iets totaal anders te gaan deed niemand. Iedereen dacht nog steeds van zichzelf het alleen aan te kunnen, het beste antwoord te hebben.

Toch was het positief dat in die periode veel werd gediscussieerd over Het Sienjaal. Met de zaak Dutroux passeerde echter deels het momentum. De aandacht voor economie, ecologie, cultuur en democratie verschoof naar justitie en politie.

In Het Sienjaal beschreven we reeds ook al de komst van deze schokkende toestanden. Men had behoefte aan blitse voorstellen (al of niet uitgevoerd). Voor structurele oplossingen op lange termijn was geen oog. Eens te meer zou in politiek de korte termijn het halen. De politiek werd de speelbal van de actualiteit. De vierde macht schoof steeds sterker naar voor.

Ja, er kwamen nog progressieve werkgroepen die voort discussieerden. De themata sociaal Europa, fiscaliteit en middenveld werden uitgediept. Een D-dag voor democratie werd nog georganiseerd. De teksten werden ook concreet meegenomen in regeerverklaringen. Partijen inspireerden zich er deels op. De sp.a hield zijn beste congres: het Toekomstcongres van 1998. Het Sienjaal werd er uitgediept, verbreed en geconcretiseerd. Ik heb nooit zoveel enthousiast applaus gekregen. Er was hard aan gewerkt en iedereen van de basis was mee. Het Sienjaal was verder, omvattender en concreter ingevuld. De top deed met dit momentum echter niets, ook al klopte ik op het partijbureau nog op tafel. Men dacht het allemaal alleen te kunnen. Een ziekte die elke progressieve organisatie telkens opnieuw aantast. Intellectueel was er dus wel wat resultaat. Naar actievorm, naar structuren, naar attitude onder progressieven werd echter slechts tijdelijk winst geboekt. Behalve dat een aantal discussianten elkaar beter hadden leren kennen over de partij- en organisatiegrenzen heen, elkaar meer respecteerden en sommigen haast vrienden werden.

IEDER BLEEF VANUIT HET EIGEN HOKJE KIJKEN

De teksten van Het Sienjaal vandaag herlezen, geeft een verrassend gevoel. We hadden vele tendensen reeds in 1994-1996 zien aankomen: de globalisering, de fragmentering van de samenleving, de verikking, de steeds grotere ongelijkheid, de niet goede werking van de overheid, justitie en veiligheid (zelfs dus voor de zaak Dutroux), de roep naar diverse identiteiten, de steeds grotere kloof met de derde wereld, de overdonderende dominante rol van de economie op alle maatschappelijke aspecten, de wijzigende rol van de overheid, de grote noodzaak om waarden opnieuw centraal te stellen, daarbij ook politici die meer luisteren en zich contractueel ertoe verbinden iets te doen (ecologisch, sociaal, cultuur), Vlaams en Europees zijn zou een must worden, enzovoort, enzovoort.

Er zijn er met die periode ook sterke verschillen. Het rechts gedachtegoed is nu overal de gewone toonaangever. Progressieven geven weinig thuis voor nieuwe ideeën en oplossingen op de problemen. De economische, financiële en monetaire situatie ziet er anders uit. De migratie wordt, zeker op lange termijn, een zekerheid. De geopolitieke toestand is verwarrend. Het Europees verhaal heeft deuken gekregen. Enzovoort.

Is Het Sienjaal te vroeg gekomen? Of was het gewoon onwil? Liever de zekere macht in een straatje, dan invloed in het dorp, laat staan in een gewest, een natie, Europa? Feit is dat ieder vanuit het eigen hokje bleef kijken.

De Spa, VU, Groenen , ACW en ABVV zaten nog een tijdlang aan tafel in werkgroepen en maakten themateksten. De nieuwe regering-Dehaene II (1995-1999) maakte daar een eind aan.

De SP maakte - in de geest van Het Sienjaal - nog keihard werk van het Toekomstcongres, maar na de verkiezingen van 1999 kwam een nieuwe partijvoorzitter en later een andere ploeg aan de macht. Perceptie werd onder Patrick Janssens het allerbelangrijkste. Alles moest nieuw en sexy. Zelfs al putte men rijkelijk uit de voorstellen van het Toekomstcongres, het mocht niet meer vernoemd. De ‘nieuwe aanpak’ bleek succesvol. Iedereen ging mee. Ik verwoordde nog eenmaal op het partijbureau mijn twijfels en zweeg dan. Ook electoraal, althans in 2003, werd de benadering electoraal erg beloond. Ik werd o.a. door Steve Sevaert nog regelmatig om advies gevraagd, maar het was niet echt meer mijn ding. Ik stopte als sp.a-mandataris in 2006 (ik kondigde dat intern reeds in 2004 aan) omdat ik mij niet meer op mijn plaats voelde bij een partij die elk idee enkel toetste aan het feit ‘of het wel goed lag bij de bevolking’. Dat was een totaal ander signaal...

Bij mijn missie op het ABVV-bureau lagen de kaarten erg divers. Voor sommige centrales was Het Sienjaal te Vlaams, te groen, te nieuw en voor anderen eindelijk Vlaams, groener en moderner.

Voor de Groenen was Het Sienjaal als een paringsdans van egels. Zij konden niet echt neen zeggen, maar rekenden zelf op een grote doorbraak en electorale groei. Zij wilden zeker hun verscheidenheid ten opzichte van de socialisten benadrukken.

Bij de VU was een deel van de fractie voor met inzonderheid Vic Anciaux en Herman Lauwers. Ook bij mijn toespraak bij de VU-Jongeren had ik veel succes. Maar het merendeel van de VU vond er geen splitsing van de sociale zekerheid in en dus verminderde het politiek gewicht.

Het ACW werkte vlot mee. Maar Theo Rombouts, toen de nummer één, zei me duidelijk: ‘Vriend Norbert, enkel als je meer dan 30% vertegenwoordigt, spreken we over nieuwe allianties en onze partijvoorkeur’.

20 JAAR LATER

Ieder bleef dus vanuit het eigen hokje kijken. Het maakt dat het tot op de dag vandaag steeds opnieuw steentjes in de vijver gooien is. Want de wereld is er niet op verbeterd. In onze contreien zijn we nog steeds in meerderheid welvarend, maar onze middenklasse komt steeds meer onder druk. Er is onrechtvaardigheid, ongelijkheid, fraude, kloof met de derde wereld, gebrek aan solidariteit, discriminatie, racisme, onveiligheid, kloof burger en politiek, onzekerheid, enzovoort. Het zijn nog steeds dezelfde maatschappelijke analysepunten. Sommigen zelfs nog sterker dan in 1996.

En progressief Vlaanderen? Het boert vandaag voort in verscheidenheid, zonder echt een nieuwe synthese van elkaars gedachtengoed, soms zelfs wat bang wegkijkend van de realiteit. Alleen staat het in vergelijking met twintig jaar geleden nog iets zwakker, is het nog iets diverser.

Tot wanneer? Zonder dat de nieuwe generatie het tenminste probeert, zal het niet lukken. Niets komt vanzelf. Alles is steeds herbeginnen. In naam van het onmogelijke heeft men al dikwijls het mogelijke niet gedaan. Leer uit het verleden. Laat progressieve standpunten opnieuw meer in de openbaarheid komen, maak de mensen wakker met problemen én oplossingen die zij als echt en terecht ervaren. Ga in tegenstroom met concrete gegevens over de reële situatie. Maak mensen bewust. Breng een tegenstroom op gang tegen de verikking. Voor het samen-ik zijn. Laat zien dat perceptie belangrijk is, maar niet steeds exact en dus niet lang de basis kan zijn van een doortastend en effectief beleid.

De Stichting Gerrit Kreveld, waar ik sinds kort voorzitter van ben, heeft als doel na te denken over een sociale democratie en zal elk volwaardig initiatief in die zin steunen.

Norbert De Batselier
Voorzitter Stichting Gerrit Kreveld

Het Sienjaal - progressieve frontvorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 4 tot 11