Abonneer Log in

Voor een progressief front van doeners

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 31 tot 35

Het Sienjaal stierf twintig jaar geleden een stille dood omdat progressieve frontvorming nooit kan werken als ze top-down wordt bedacht. Bottom-up bewegingen kunnen vandaag wel zo’n breed progressief front van doeners in gang trekken dat surft op de grondstroom van nieuwe hoop. Samenwerken zit in het DNA van Groen, maar we kijken best rationeel en pragmatisch naar progressieve frontvorming: 1 + 1 blijkt soms meer, maar soms ook minder dan 2. Een echt doorbraakeffect als in Gent is helaas eerder uitzondering. Toch zullen we in 2017 ook in Antwerpen het gesprek voeren met sp.a om te zien of samenwerking richting gemeenteraadsverkiezingen aangewezen en mogelijk is.

HET SIENJAAL: 20 JAAR LATER

Iedereen bleef kijken vanuit het eigen hokje
Norbert De Batselier
Verschillen en complementariteit tussen groene en rode kiezers
Bart Meuleman, Koen Abts, Chris Gaasendam en Marc Swyngedouw
Partijleden en link(s)e samenwerking
Nicolas Bouteca, Carl Devos, Robin Devroe, Benjamin de Vet en Bram Wauters
Opnieuw voorlopers worden
John Crombez
Voor een progressief front van doeners
Meyrem Almaci
Een Borgerhout-scenario in heel Antwerpen
Peter Mertens
Werken aan coalitie van enthousiasten
Patrick Develtere
Samenwerken is de enige optie
Rudy De Leeuw
Het linkse speelveld is ruimer dan je denkt
Tom Garcia
Gescheiden slagen
Herman Lauwers en Jos Geysels

Ik groeide op in de jaren 1980. Uit die periode draag ik twee scherpe herinneringen mee die mijn latere engagement sterk tekenden: de kernramp in Tsjernobyl, die ervoor zorgde dat we onze groenten uit de tuin niet meer mochten opeten, en de opkomst van het Vlaams Blok. Hoe was het mogelijk dat de ontploffing van een fabriek duizenden kilometers verder zo’n ingrijpende impact kon hebben op het voedsel dat we in ons tuintje zorgvuldig teelden? Met Armand Pien die op televisie vertelde hoe belangrijk het was dat de wind de radioactiviteit niet onze richting uitdreef. Hoe kon het dat we die technologie bij ongevallen zo weinig onder controle hadden? Hetzelfde ongeloof ervoer ik bij de steeds stijgende opkomst van het Vlaams Blok. Hoe kon het toch dat mensen zonder met mij te praten hun oordeel al klaar hadden? Vanwaar toch die voortdurende nadruk op verschillen?

De jaren 1990 werden mijn jaren van adolescentie en van politieke ontwikkeling. Ze draaiden rond biodiversiteit en rond maatschappelijke diversiteit. Beide zaken overschrijden grenzen, beide vereisen de nodige zorg en omkadering. Dat was mijn ‘signaal’ om politiek actief te worden bij Agalev. Een partij van verbondenheid, zonder grenzen en zonder zuilen. Waarden die vandaag meer dan ooit actueel zijn, in deze hoogdagen van polarisering, en waarin ik nog elke dag meer mensen wil meenemen.

TOP-DOWN WERKT NIET

Weinig kende ik toen van de Belgische politieke traditie. Vanuit een Turks arbeidersgezin de politiek ingaan als militant was weinig gezien. Van progressieve frontvorming had ik toen nog nooit gehoord. Het is me pas in de politiek duidelijk geworden hoe dit monster van Loch Ness voor sommigen permanent onder de waterlijn aanwezig is. Daar kom ik meteen bij een eerste vaststelling: ten tijde van Het Sienjaal tot op vandaag is dit iets wat sterker leeft in de Wetstraat en aanpalende dan in de dorpsstraat. Twee beroepsgroepen lijken me altijd al het meest gepassioneerd hierdoor: politici en academici.

Om even scherp te zijn: in hoeverre reflecteert bijvoorbeeld het schrijverskorps van dit nummer de huidige maatschappelijke realiteit? En wat zegt dit over Het Sienjaal van 20 jaar geleden en de mate waarin het opgepikt werd en, vooral, door wie? Ik heb de eer in dit hele nummer de enige vrouw, en de enige met allochtone roots te zijn.

Progressieve frontvorming zal volgens mij nooit werken als ze top-down wordt bedacht en uitgewerkt. Dat is voor mij een van de grote lessen van Het Sienjaal geweest. Overleg en debatten onder politici, aangevuld met - overigens heel interessante - analyses door academici, zijn niet de hefboom om een brede progressieve politieke beweging in gang te trekken.

Bottom-up bewegingen zijn dat wel. Voor mij is het enige geslaagde voorbeeld van progressieve frontvorming in ons land van de voorbije decennia Hart boven Hard. Vanuit een ruim gedeelde ambitie onder verenigingen en burgers betekende dit een herpolitisering van het al dan niet georganiseerde middenveld. Met duidelijk politieke motieven, standpunten en actiemiddelen, maar niet partijpolitiek. Pluralistisch, niet aangestuurd of gedomineerd door één enkele politieke familie - ook al werden daar (zoals steeds) pogingen toe ondernomen vanuit extreem-links.

DE VIERDE BREUKLIJN

Progressieve frontvorming omvat voor mij 2 dimensies: ideologisch en strategisch. Ik sta eerst stil bij het ideologische.

In een interessant opiniestuk in De Morgen had Ferdi De Ville het op 2 augustus (‘De strijd om de breuklijn’) over 3 breuklijnen die vandaag politiek en samenleving doorkruisen: de open versus gesloten samenleving (cfr The Economist), de 99% versus 1% (cfr Occupy) en volk versus elite (cfr populisten als Trump en Wilders). Ik wil daar graag een vierde breuklijn aan toevoegen: zij die vinden dat de zorg voor het milieu en de aarde een noodzakelijke conditie is om een samenleving te bouwen waarin het voor de mens goed leven is, versus zij die dit verwerpen. Zij die denken dat het mogelijk én nodig is om ecologie en economie te verzoenen versus zij die economie boven ecologie stellen.

Mijn persoonlijke positie en engagement op deze vier breuklijnen is glashelder en voor mij is dit ook de positie die een progressief front moet innemen: open, aan de kant van de 99%, met een gezonde reflex om geen establishment te worden en met noodzakelijke zorg voor het milieu. Het is uiteraard ook de positionering van mijn partij Groen, vandaar dat ik me er helemaal thuis voel. Ook de positie van Hart boven Hard hierop is helder.

Ik ging en ga er tot nader order van uit dat ook de sociaaldemocratie en sp.a zich op deze breuklijnen op dezelfde plaats bevindt. De voorbije decennia heb ik echter tot mijn verwondering en teleurstelling gezien hoe de positionering op deze breuklijnen van sociaaldemocratische collega’s in ons land en daarbuiten niet altijd zo helder was. Ik verwijs naar het plan van Diederik Samsom om vluchtelingen terug te sturen naar Turkije, de kritische houding van SPD in Duitsland tegenover het ‘Wir schaffen das’ van Angela Merkel, en de recente verklaringen van John Crombez over het veiligheids- en integratiebeleid: staat de sociaaldemocratie nog steeds voor een open samenleving?

Twintig jaar geleden sprak Het Sienjaal over de dwingende opgave om ethiek en politiek beter te verzoenen. Ik begrijp de strategie achter de sterke aanwezigheid van sociaaldemocratische bestuurders in banken, intercommunales, aan de top van overheidsadministraties: vanuit een oprechte en eerbare doelstelling om het algemeen belang de juiste richting uit te sturen (lees: een progressieve) en het systeem van binnenuit te beïnvloeden. Helaas is dit niet in alle gevallen gelukt en heeft het soms het beeld vertroebeld of men wel in alle dossiers de belangen van de 99% verdedigde.

Consequent positie innemen op deze vier breuklijnen is voor mij de basis van eender welke progressieve frontvorming. Want als je duidelijk aan de kant van de 99% wil staan op de herverdelingsbreuklijn, moet je ook klare wijn schenken qua verwevenheid met het zogenaamde establishment. En hoe kan je de belangen van de 99% verdedigen en tegelijk voor een gesloten samenleving zijn, als je weet dat in gesloten samenlevingen enkel de 1% vrijheid heeft om voor haar kapitaal en zichzelf toch de grenzen open te wrikken?

1+1 IS SOMS MEER EN SOMS MINDER DAN 2

Progressieve frontvorming is uiteraard ook een strategische kwestie. Vaak is dat het ultieme argument in discussies hierover: we zullen de grootste worden, of zelfs: we halen de absolute meerderheid. En dus worden we de leider van de regering, het bestuur. Politiek gaat ook over macht, dus is het logisch dat dit argument zwaar weegt, ook bij mij. Toch kan het me niet helemaal overtuigen, omdat al te vaak gebleken is dat het niet de wonderformule is die sommigen er willen van maken.

Ik kijk hier rationeel en pragmatisch tegenaan, vanuit een analyse van feiten uit het verleden en onderbouwde projecties voor de toekomst. Altijd vertrekkende vanuit de inhoud natuurlijk: als mijn partij een coalitie of kartel aangaat, dan is de eerste vraag of we inhoudelijk overeenstemming kunnen bereiken, niet of we het eens zijn over de verdeling van de postjes.

Zo leert een rationele analyse van de verkiezingsresultaten bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 dat de meest succesvolle formule toen de lijsten waren die zowel in 2006 als in 2012 apart als Groen-lijst opkwamen: 53 groepen wonnen stemmen ten opzichte van 2006, 14 verloren er, twee bleven gelijk. In de gemeenten waar we zowel in 2006 als in 2012 in kartel opkwamen (meestal in kartel met sp.a), waren de resultaten slechter. De meeste kartels verloren stemmen ten opzichte van 2006. Van de 34 kartels die in (ongeveer) dezelfde formule opkwamen als in 2006, behaalden er slechts 5 meer stemmen. Ook voor het eerst in kartel opkomen, bleek niet per se tot grote doorbraken te leiden: op 13 plaatsen leidde dit tot zetelwinst, op 14 andere was het status quo, en in 2 gevallen ging een zetel verloren. 17 groepen probeerden door in kartel te gaan een eerste zetel te behalen: 7 slaagden daar effectief in, bij 10 lukte het niet.

Soms is 1+1 dus duidelijk meer dan 2. In kartel hebben we met Groen al echt mooie successen geboekt en als grootste partij aan zet gekomen, zoals in Gent, Mechelen, Sint-Niklaas of Hasselt. Onze gezamenlijke lijsten met Ecolo boekten al heel wat straffe resultaten in Brussel. Soms is 1+1 echter ook minder dan 2. Een echt doorbraakeffect als in Gent is helaas eerder uitzondering . Dat leidt bij mij tot enige nuchterheid, niks meer.

SAMENWERKEN ZIT IN ONS DNA

Ondanks alle nuances die ik hierboven heb geschetst, blijft Groen altijd samenwerking opzoeken. Samenwerken zit in het DNA van onze partij, we zijn ooit ontstaan uit de samenwerking tussen verenigingen en groepen. Als enige taalgrensoverschrijdende fractie in het federale parlement, hoeft niemand ons te overtuigen van de meerwaarde van eendrachtig optreden. Geen enkele andere partij trekt in zoveel gemeenten in kartel naar de kiezer. Vertrekkend vanuit de eigen sterkte, sluiten we bondgenootschappen waar dit effectief een meerwaarde oplevert. Zo kondigden we nu al aan dat we in Antwerpen in 2017 het gesprek zullen voeren met sp.a om te zien of samenwerking richting gemeenteraadsverkiezingen aangewezen en mogelijk is.

De samenstelling van die bondgenootschappen neemt soms wel, soms niet de vorm aan van het front dat Het Sienjaal voor ogen had. In Gent maken niet de christelijke arbeidersbeweging maar de liberalen deel uit van de progressieve coalitie. In Mechelen besturen we progressief zonder sp.a. En het gros van de progressieve Vlaamsgezinden - die andere groep die De Batselier en Coppieters graag deel zagen uitmaken van het front - zijn intussen uitgezwermd over sp.a, Open Vld en ook bij Groen zijn ze vertegenwoordigd, onder meer door de integratie van SLP.

EEN GRONDSTROOM VAN NIEUWE HOOP

Zoals ik recent lanceerde op het Zomerweekend van mijn partij, wil ik in deze fundamentele tijden graag samenwerken met al wie nieuwe hoop deelt. Hoop zoals Václav Havel ze zag: ‘Hoop is ergens voor werken omdat het goed is, niet alleen omdat het kans van slagen heeft. Hoop is niet hetzelfde als optimisme, evenmin de overtuiging dat iets goed zal aflopen. Wel de zekerheid dat iets zinvol is afgezien van de afloop, het resultaat.’

En zo kom ik weer bij waar ik begonnen was: het idee dat progressieve frontvorming noodzakelijk bottom-up gestalte krijgt. Ons land zoals ik het ken, is het land van 150.000 gemotiveerde leerkrachten die het beste van zichzelf geven om onze jongens en meisjes op te leiden tot gelukkige burgers, al moeten ze daarvoor zelfs uit eigen zak schoolgerief voor betalen. Van verplegers in rusthuizen die er het beste willen van maken, ook al is de werkdruk te hoog en de onderbezetting chronisch. Van vele jeugdbewegingen en leiders die belangeloos een stuk van hun vakantie opofferen om tienduizenden kinderen de tijd van hun leven te bezorgen. Van vele duizenden mensen die vluchtelingen helpen met hun tijd of geld, ook al proberen de verantwoordelijke politici ze zover mogelijk van hier te houden. Van jonge innoverende ondernemers die zoeken naar wegen om engagement en economie met elkaar te verzoenen. Van ouders die alles voor hun gezin doen en familieleden die voor elkaar zorgen als ze ziek of hulpbehoevend zijn.

Al deze mensen - ik noem ze de ‘doeners’ - vormen een grondstroom van nieuwe hoop die lak heeft aan gebekvecht en opbod onder politici. Zij vragen oplossingen, geen Twitter-rellen. Want zij hebben zelf ook oplossingen, daar werken ze dagelijks aan. Zij vragen om gehoord te worden en om versterking van waar zij aan werken, van hun oplossingen en overtuigingen. Versterking vanuit de politiek, vanuit de overheid ook, en een bundeling van krachten. We moeten zijn waar deze mensen zijn, we moeten naar hun verhalen en oplossingen luisteren en ermee aan de slag gaan. Dat is het progressieve front dat ik wil smeden. Helder op de vier breuklijnen en schouder aan schouder met al wie pessimisme verwerpt en wil verbinden.

Meyrem Almaci
Voorzitster Groen

Het Sienjaal - progressieve frontvorming - Groen

Samenleving & Politiek, Jaargang 23, 2016, nr. 7 (september), pagina 31 tot 35