Abonneer Log in

Een pact met steden tegen armoede

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 10 (december), pagina 38 tot 42

Enkele Vlaamse steden ontwikkelen een sterk armoedebeleid. Dat verdient meer steun van de federale en regionale overheden, want het lokale niveau kan wel degelijk een verschil maken. Daarom pleit ik voor een pact waarbij steden en gemeenten niet alleen de verantwoordelijkheid maar ook de middelen krijgen om het sluitstuk te zijn van een beleid dat daadwerkelijk armoede wil aanpakken.

75 JAAR SOCIALE ZEKERHEID

Sociale zekerheid als compagnon de route
Bea Cantillon
1.500 euro pensioen is perfect betaalbaar
Anja Vanrobaeys
Baas over eigen DNA?
Rik Thys
Help, daar is de robot
Geert Janssens
Bijdragen naar draagkracht
Raf De Weerdt
Een pact met steden tegen armoede
Philippe De Coene
Investeren in de overheid loont
Luc Vanneste
Is er nog ruimte voor internationale solidariteit?
Bart Criel, Willem Van de Put en Kristof Decoster

Belangrijke stemmen in Vlaanderen, waaronder socioloog Koen Hermans, relativeren de rol van lokale besturen in deze materie: zonder ingrijpend beleid op regionaal, federaal en Europees vlak vermag de gemeente eigenlijk maar weinig. Een herverdelende kinderbijslag, hogere uitkeringen en minimumlonen, meer sociale woningen, maatregelen voor een verhoogde arbeidsmarktparticipatie en werkintensiteit, het zal van hogerhand moeten komen. Zonder ze in twijfel te trekken, wil ik wijzen op het risico van die stelling. Ze kan leiden tot lokale moedeloosheid, ja zelfs laksheid zoals we die ook ontmoeten bij de klimaatproblematiek: 'Daar kunnen wij hier ter plaatse toch niets aan doen, hé meneer, dat speelt zich toch allemaal boven onze hoofden af'.

De jaarlijkse publicatie van de armoede-index van Kind & Gezin, hoe waardevol en nuttig ook, houdt ook dat risico in. Voor alle duidelijkheid, ik heb het dan niet over de publicatie zelf, die terecht is uitgegroeid tot een event voor iedereen in Vlaanderen die met armoede begaan is. Wél over een hardnekkig verkeerde interpretatie ervan: een daling of een stijging van die index wordt al snel geïnterpreteerd als een succes of een falen van het lokale beleid terwijl het daar in wezen niets mee te maken heeft. De metingen zeggen immers weinig over het oorzakelijke verband tussen de inspanningen van een gemeente (of het gebrek daaraan) en de evolutie van het indexcijfer kansarmoede bij kinderen in die gemeente. Omdat gemeenten bijvoorbeeld weinig vat hebben op een aantal 'signalen' die gemeten worden, zoals de gezondheidstoestand in een gezin of het opleidingsniveau van de ouders. Of omdat de registratie een momentopname is en, zoals Kind & Gezin zegt, 'inspanningen of trajecten die in de concrete gezinnen worden opgezet, niet leiden tot een nieuwe beoordeling van de kansarmoede in dat gezin'.

Je zal dus maar een stad of een gemeente zijn die veel middelen investeert in zijn sociale voorzieningen en jaar na jaar een slechter cijfer gepubliceerd ziet: 'Al dat schoon geld meneer, dat brengt toch allemaal geen verbetering, hé?'

PRAKTIJK UIT KORTRIJK

Maar laat ons moedeloos noch laks worden. In april van dit jaar verscheen het boek Fundamenten. Sociale zekerheid in onzekere tijden van Matthias Somers en de progressieve denktank Minerva. Daarin stelt Koen Hermans in zijn bijdrage 'Lokaal sociaal beleid: hoge verwachtingen, realistische verwachtingen?' vast (p.318): 'Lokale besturen vullen niet alleen aan, ze kunnen ook heel creatief en innovatief uit de hoek komen, als initiatiefnemer maar vaak ook als partner' en 'het lokale niveau kan vast en zeker zijn rol spelen, maar tegelijkertijd wordt het beleid op die terreinen op een hoger beleidsniveau vormgegeven'.

Dat lijkt me een goede samenvatting die ik graag illustreer met de praktijk uit Kortrijk. In het Armoedeplan 2014-2019 van de stad werden niet minder dan 185 acties en opdrachten opgelijst. Zes jaar later zien we dat 147 ervan geheel of gedeeltelijk werden gerealiseerd. We vernoemen er enkele: de versterking van het activeringsbeleid, de uitbouw van de sociale dienst van het OCMW, de komst van een volksrestaurant mét opleidingsproject, de groei in betaalbare kinderopvang, het inzetten van brugfiguren in het basisonderwijs, de start van een Deelfabriek, de invoering van het Kortrijks Menswaardig Inkomen als aanvulling op het leefloon, het Huurgarantiefonds om financieel minder sterke inwoners te steunen op de huurmarkt, het glossy magazine Sien voor en met mensen in armoede en de digitale applicatie Sien Online als unieke digitale rechtenverkenner, de forse uitbouw van de nachtopvang met extra begeleiding, de realisatie van nieuwe crisiswoningen, de professionalisering van de voedselherverdeling (Food Act), de oprichting van de intergemeentelijke samenwerking W13 met intussen 14 gemeenten en het CAW, het eerste buddyproject in Vlaanderen voor vluchtelingen, de sterke groei van gezonde en goedkope maaltijden in onze centra en aan huis, de uitbouw van een sterk professioneel team Budget- en Schuldhulpverlening.

Het zal duidelijk zijn dat veel extra mensen en middelen werden ingezet om armoede te bestrijden. Laat mij bij enkele initiatieven stilstaan om vervolgens een oproep te doen voor versterkte samenwerking tussen de beleidsniveaus in dit land via een pact tegen armoede en voor sociale vooruitgang.

HET KEUKENTAFELMODEL

In een aantal steden in Vlaanderen worden sedert enkele jaren brugfiguren ingezet om, zoals de naam doet vermoeden, de brug te leggen tussen mensen in nood en de lokaal georganiseerde hulpverlening. Zo ook in Kortrijk: brugfiguren in basisscholen, in kinderopvang, in sociaal-artistieke projecten, bij sociale kruideniers of bij mensen met een migratieachtergrond. De brugfiguren, gefinancierd door het lokale bestuur, zijn er waar mensen in armoede komen. Ze helpen die mensen en komen aan huis om oplossingen te bespreken en samen met de maatschappelijk werkers naar vooruitgang te zoeken. De zogenaamde outreachende aanpak, hier intussen het Keukentafelmodel genoemd.

In 2015 startten we in enkele basisscholen met de hoogste nood, geselecteerd op basis van de SES-criteria (sociaaleconomische status van de gezinnen). Het ging dan om scholen met veel kinderen waarvan de moeder geen diploma secundair onderwijs heeft, van wie de thuistaal niet het Nederlands is of die een studietoelage ontvangen. Vandaag zijn brugfiguren al actief in meer dan 30 basisscholen want ook andere scholen dringen aan op deze bemiddeling. De cijfers na vijf jaar werking zijn dan ook veelzeggend. Er werden 3.270 unieke kinderen bereikt uit niet minder dan 1.250 gezinnen, of een derde van alle gezinnen met kinderen in het basisonderwijs. In vijf jaar werden 12.000 hulpvragen behandeld, meestal van financiële aard. Opvallend is dat 7 op de 10 gezinnen niet eerder gekend waren bij het lokale bestuur en dat meer dan 60% van de hulpvragen kwam van gezinnen met een inkomen uit arbeid!

Het leert ons dat slimme OCMW's niet alleen inkantelen in het lokale bestuur, zoals decretaal opgelegd, maar vooral ook uitkantelen in de samenleving waardoor ze hun bereik substantieel verhogen. Uit de eerste ervaringen mogen we stellen dat we terechtkomen bij mensen die niet eerder de weg vonden naar het lokale bestuur en dat armoede, schulden of deprivatie vroeger dan anders wordt opgespoord. Brugfiguren en maatschappelijk werkers werken flankerend maar leggen ook de basis voor een structurele aanpak, in de mate dat de detectie leidt tot alomvattende aanpak van gezinsproblemen.

Tegelijk ontstaat er extra spanning op de lokale organisatie: meer mensen bereiken betekent meer dossiers en dus onvermijdelijk meer werklast voor maatschappelijk werkers en de bestaande sociale dienst. OCMW's die outreachend werken en actief armoede en ongelijkheid willen detecteren, bezorgen zichzelf naast die extra werklast (nog los van de toenemende complexiteit van dossiers) ook extra financiële druk: de kost van de brugfiguren, de terechte vraag naar extra maatschappelijk werkers, de kost van bijkomende financiële hulpverlening via nieuwe leefloondossiers, bijkomende steun en tegemoetkomingen. We maken het onszelf niet meteen gemakkelijker, het lijkt wel op enig masochisme.

LOKAAL PIONIEREN

Ander voorbeeld van een lokale praktijk. Onlangs pleitte de immobiliënsector ervoor om meteen het inkomen van kandidaat-huurders te mogen kennen. Veel verhuurders passen immers de 1/3de regel toe waarbij men ervan uitgaat dat een huurder maar een derde van zijn inkomen kan besteden aan huur. Dat sluit de reeds krappe huurmarkt nog meer af voor mensen die het met een bescheiden inkomen, vaak ook uit arbeid, moeten doen. Probeer maar eens als alleenstaande ouder met twee tienerkinderen en een loon van pakweg 2.000 euro een degelijke woning te huren onder de 700 euro.

Om de 1/3de regel te ontwijken, startten we in 2018 met een lokaal Huurgarantiefonds. Tussen verhuurder, huurder en het lokale bestuur wordt een overeenkomst gemaakt waarbij het lokale bestuur garant staat voor de overname van maximaal 6 maanden huur mocht de huurder in gebreke blijven. Verhuurders zijn dan weer gehouden om een marktconforme huurprijs te vragen voor een in goede staat verkerende woning. Een jaar na de start werden in Kortrijk reeds 38 huurcontracten afgesloten, dit voor woningen met een huurprijs tussen de 400 en de 700 euro, en nog geen enkele keer diende het fonds aangesproken te worden. 38 keer konden huishoudens ondanks een volgens de markt te beperkt inkomen toch een behoorlijke woning huren. Dit lokaal initiatief waarbij we het vertrouwen organiseren tussen lokale mensen remedieert tijdelijk – maar inderdaad niet structureel – een gebrek aan betaalbare of sociale huurwoningen.

Ook op het vlak van inkomenszekerheid vervullen sommige OCMW's op creatieve wijze een extra rol. Sensu stricto behoort het leefloon niet tot de sociale zekerheid, wel tot de bijstand. Maar Frank Vandenbroucke toonde eerder al aan hoe de verhouding tussen het aantal bijstandsgerechtigden en het aantal werklozen in de voorbije decennia grondig gewijzigd is. In 1980 was de verhouding tussen bijstandsgerechtigden en uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW) ongeveer 1 op 14; in 2016 de verhouding bijna 1 op 4 (en men mag aannemen dat dit intussen al 1 op 4 is). Vandenbroucke geeft daarmee aan hoe belangrijk de gemeenten geworden zijn voor de groep mensen die niet gepensioneerd is, niet (erkend als) ziek of invalide, maar toch leeft van een uitkering.1

Het leefloon is overigens vaak een draaideur van en gelukkig ook naar sociale zekerheid: mensen die niet langer aanspraak kunnen maken op een werkloosheidsuitkering, hebben de reddingsboei van een leefloon en via activeringstrajecten zorgen OCMW's er samen met hun cliënten voor dat er weer uitzicht is op een betaalde baan, desgevallend een werkloosheidsuitkering.

In enkele steden als Gent en Kortrijk is er, naast bijzondere steun, ook een systeem van aanvullend leefloon. Op basis van referentiebudgetten (wetenschappelijk vastgelegde uitgaven conform het gezinstype) en rekening houdend met inkomsten, tegemoetkomingen of het al dan niet beschikken over een sociale woning, wordt berekend wat een huishouden extra nodig heeft om menswaardig te kunnen leven; bij ons noemen we het dan ook het Kortrijks Menswaardig Inkomen of KMI. Die extra steun wordt toegekend aan wie meewerkt aan een of andere vorm van activering (op maat van de cliënt) en is dus niet onvoorwaardelijk, terwijl er ook een spanning wordt ingebouwd met het minimumloon.

Ook hier kunnen we alleen maar vaststellen dat het lokale besturen zijn die een gedeeltelijk antwoord geven op de jarenlange eis om leefloon en uitkeringen op de trekken tot een menswaardig niveau. Of zoals de eerder geciteerde Koen Hermans stelt: 'Opvallend is wel dat het OCMW vooral wordt beschouwd als een instantie die individuele hulpverlening biedt. Maar de afgelopen veertig jaar tonen een heel ander beeld, met name dat van een lokale publieke instantie die voortdurend nieuwe antwoorden formuleert op lokale sociale uitdagingen. Zo werkt het OCMW samen met de gemeente tekorten van de hogere overheden weg.'

VASTLEGGEN WAT WE VAN ELKAAR MOGEN VERWACHTEN

Die vaststellingen leiden tot een gerechtvaardigd pleidooi om steden en gemeenten – of samenwerkingsverbanden ervan – als een ernstige partner te beschouwen bij een beleid dat de ambitie heeft om toegenomen sociale onzekerheid aan te pakken. Het beeld wordt er immers niet rooskleuriger op: ook in het welstellende Vlaanderen zien we meer armoede en kinderarmoede, meer mensen uit de lagere middenklasse die in armoede verzeilen, meer mensen die aangewezen zijn op voedselhulp, meer mensen (ook jongeren en vrouwen met kinderen) die zoeken naar nachtopvang, meer mensen die aangewezen zijn op een leefloon en sedert enige tijd ook weer meer mensen die aankloppen omdat ze op de vlucht zijn voor oorlog, geweld of uitbuiting.

En dat terwijl het bakje van de gemeenten vanuit Brussel steeds voller wordt geladen met concepten als het eerder gelanceerde Geïntegreerd Breed Onthaal waar van OCMW's, Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW's) en ziekenfondsen wordt verwacht dat ze lokaal nieuwe samenwerkingsverbanden opzetten. Of met de lancering in het recente Vlaamse regeerakkoord van de Gezinscoach, waarvan op het moment dat we dit schrijven niet geweten is wie welke factuur zal betalen.

Steden en gemeenten hebben intussen aangetoond dat ze, alle verhoudingen in acht genomen, meer dan hun deel doen. Ze verdienen het dan ook om deel te zijn van een pact met de federale en regionale overheden waarbij elk bereid is ernstige engagementen te nemen op het vlak van onder meer huisvesting, onderwijs, inkomenszekerheid, gezondheidszorg en tewerkstelling. Waar men dus uitstippelt wat besturen van elkaar mogen verwachten. Waarbij men samen (over de grenzen van meerderheid en oppositie, zowel bovenlokaal als lokaal) ambitieuze maar realistische doelstellingen vastlegt in een legislatuur overschrijdend tijdskader en er afspraken worden gemaakt rond de instrumenten om die doelstellingen te realiseren. Voorwaar geen simpele opdracht. Maar zeggen we niet allemaal en voortdurend dat het ons menens is om armoede te bannen?

VOETNOTEN

  1. Uit: Frank Vandenbroucke, Chris Luigjes, Kim Lievens, 'Activering en bijstand na de staatshervorming: buitenlandse lessen, uitdagingen en kansen', in: Marjolijn De Wilde, Bea Cantillon, Maria De Bie, Frank Vandenbroucke (red.), '40 jaar OCMW en bijstand', Leuven: Acco, 2016, p. 185.

Samenleving & Politiek, Jaargang 26, 2019, nr. 10 (december), pagina 38 tot 42