Log in

Als kleuren vervagen

Reflecties over de sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 34 tot 38

‘We hebben redelijk standgehouden tegen de tsunami van Bart De Wever’. Dat was de dominante commentaar van de meeste linkse woordvoerders op de verkiezingsavond van 13 juni 2010. Het had nog erger kunnen zijn, zag ik enkelen denken. De Morgen journalist Walter Pauli noemde deze commentaren ‘de ballade van de verliezers’. Hij heeft gelijk. De linkerzijde behaalde een historisch lage score. Groen! behaalde een kleine 7%, sp.a een dikke 14%. Samen nog geen 22%. In 2004 was dat 27% en in 1999 meer dan 30%. Met amper 18 volksvertegenwoordigers in de Kamer zit links niet in een zetel, maar op de achterste banken. Bart De Wever zal hen daar voortdurend aan herinneren.

REFLECTIES OVER DE SP.A

Van utopieën speerpunten maken
Marc Bontemps
Zichzelf terugvinden: dicht bij de wetten, dicht bij de mensen
Manu Claeys
Een rigoureuze keuze voor de stad
Tom Cochez
Klare rode wijn schenken
Caroline Copers
Pappenheimersocialisme
Joël De Ceulaer
Duurzame bruggen slaan naar sociale bewegingen
Ann Demeulemeester
De ondraaglijke vaagheid van de partij
Sonja Eggerickx
Als kleuren vervagen
Jos Geysels
De legitimiteit van herverdeling
Marc Hooghe
Basisingrediënten voor een modern socialisme
Chris Reniers
Sociaaldemocratische uitdagingen voor de toekomst
Marc Swyngedouw
Onder- en bovengrenzen en hoe erover te spreken
Jean Paul Van Bendegem
Vitamines voor een duurzaam socialisme
Dorian Van der Brempt
Politiek is meer dan beleid
Liesbeth Van Impe

DE SOCIAALDEMOCRATIE IS MOE

Voor de sociaaldemocratie waren de laatste verkiezingen de derde nederlaag op rij: 16% procent in 2007, nog minder in 2009 en nu een percentage waarop eufemistisch het woord ‘stabilisering’ wordt geplakt. Standhouden. Schuilen tegen de ‘verrechtsing van Vlaanderen’. Dat lijkt de houding van de linkerzijde de laatste jaren. ‘Links zit in de hoek omdat minstens het gevoel bestaat dat links op achtervolgen, op reageren aangewezen is. Links is defensief, moet uitverdedigen, heeft niet de leiding in het maatschappelijk debat.’ Dat schreven Carl Devos en Rudi Vander Vennet in het boek Rood zonder roest. Naar een sociaaldemocratie voor de 21e eeuw, dat in 2009 verscheen. Een jaar eerder formuleerde PvdA’er René Cuperus, medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, het zo: ‘Voor zover links in het defensief zit, komt dat doordat links noch de aanjager is (maar een halfslachtige meeloper), noch de reactie daartegen representeert (dat is de nationale, populistische, xenofobe reflex). Dus links is noch actie, noch reactie. En dat is een zwakke positie’. Kortom, hoeveel stabiliteit kan een mens (blijven) verdragen?

Nochtans was de sociaaldemocratie in de jaren 1980 en 1990, zeker electoraal, vrij succesvol. Nadat ze na de Tweede Wereldoorlog grotendeels de politieke agenda bepaalde, en mede aan de basis lag van de ontwikkeling van de welvaartsstaat, leek ze na de Reagan- en Thatcher-periode een tweede adem te vinden met de Derde Weg-doctrine die een flexibel framework bood voor een ‘moderne’ sociaaldemocratische politiek. Die Neue Mitte noemde SPD-leider Gerhard Schröder het en hij keek ook naar het politieke midden. ‘De welvaartsstaat’ van weleer werd vervangen door de ‘actieve welvaartsstaat’, een ideologische mengeling van liberale en socialistische denkbeelden. Het voor sommigen voorbijgestreefde gelijkheidsbeginsel moest plaats maken voor het beter klinkende ‘gelijke kansendiscours’. De meeste sociaaldemocratische partijen ontdeden zich van voorbijgestreefde (zuil)structuren, trokken nieuwe kiezers en leden aan en communiceerden vlot met de buitenwereld. Heel vlot. Ook in Vlaanderen.
Het verlies (toen al) van kiezers aan de rechterkant werd gecompenseerd door het open- gooien van de partij via kartel- en andere samenwerkingsformules, maar leverde anderzijds toch een vervaging op van het eigen gedachtegoed tot een amalgaam van ‘socialisten, sociaaldemocraten en andere progressieven’. Een koepelpartij zonder overkoepelend verhaal. Er ruiste veel in het struikgewas maar politiek-ideologisch werd het gat in de haag alsmaar groter.

In vele Europese landen kwamen sociaaldemocraten in de regering. Tussen 1997 en 2002 was links aan de macht in twaalf landen van de Europese Unie. Ze voerden echter vooral een (centrum)rechts economisch beleid. Ze maakten geen trendbreuk. Ze volgden de trend.
Dat is wat de onlangs overleden Britse historicus Tony Judt in zijn Het land is moe verontrust: ‘Ons onvermogen betreft het discours. Wanneer we ons de afgelopen dertig jaar afvroegen of we een beleid, voorstel of initiatief ondersteunden, beperkten we ons tot een kosten-batenanalyse, waarmee we terugvielen op economie in de smalste zin van het woord.’ De sociaaldemocraten werden teruggedrongen tot het sociaal accent van de mainstream politiek waarin het economisch liberalisme de agenda en het denken bepaalde. Flitsende communicatie met dé burger werd belangrijker dan de communicatie over idealen en beginselen. ‘De manifesten van Wouter Bos deden vooral denken aan een reclamefolder voor het zuivelschap’, schreef een teleurgestelde Bart Tromp in 2005 in Vrij Nederland.

Ondertussen bleven de traditionele sociaaldemocratische kiezers andere oorden opzoeken. Ze schoven op naar rechts en populistisch-rechts en/of naar linksere partijen, zoals in Nederland en Duitsland. De sociaaldemocratie is moe.

Toch moet ze op naar een nieuw verhaal, een mobiliserend perspectief en nieuwe kiezers. Dat is niet zo makkelijk. De Derde Weg is dood maar een nieuw weg is nog niet gevonden. Dat bleek in 2008 toen de financiële crisis uitbrak en het marktfundamentalisme een ideologische dreun kreeg. Ofschoon velen dachten dat de linkerzijde hiermee haar gelijk zou halen en electoraal zou scoren, kwamen ze bedrogen uit. De sociaaldemocratie slaagde er in vele landen niet in zich te presenteren als een (redelijk) alternatief. Veel slachtoffers van de crisis verkozen om voor andere (ook rechtse) partijen te stemmen. Helemaal verwonderlijk was dat niet. Gedurende vele jaren had de sociaaldemocratie de discussie over de economie aan anderen overgelaten en vele traditionele kiezers wel ‘geactiveerd’ maar niet geënthousiasmeerd met een begeesterend project.

WAT NU?

Essentieel voor een herleving van de sociaaldemocratie lijkt mij het benadrukken van ‘het sociaal vraagstuk’ waar Tony Judt het over heeft en dat door Bea Cantillon omschreven wordt als de ‘nood aan een vernieuwde herverdelende beleidsagenda’. Nu de ‘geen gezeik, iedereen rijk’-mantra haar glans heeft verloren, moet links de strijd tegen armoede, ongelijkheid en uitsluiting vooraan op de politieke agenda zetten én zonder schroom positie kiezen. Dat is in het recente verleden ooit anders geweest. Ik denk dan aan de afwijzing (op 1 mei 2005!) van de Algemene Sociale Bijdrage waar de arbeidersbewegingen voor pleitten, aan de bescheiden standpunten over de (vermogens)belasting,…
Uiteraard betekent deze koerswijziging niet dat de linkerzijde haar heil moet zoeken in een miserabilistisch discours of in een nostalgische terugkeer naar de volkshuizen. De meeste bestaan niet meer of zijn verkocht. Zoals veel vakantiehuizen van de arbeidersbeweging. Het klassieke verenigingsleven dat de mensen aan elkaar bond en hen tegelijkertijd verbond met dé partij is verdwenen of van gedaante veranderd. Het volk zit nu in andere huizen. De draden van de oude samenleving zijn, zoals Luc Huyse schreef, vervangen door de kabel van de televisie en internet. Dat vereist inderdaad een andere aanpak. Met nostalgie schrijf je geen scenario’s voor de toekomst. Maar dat betekent niet dat het (traditionele) middenveld, waar nog honderdduizenden actief zijn, als een conservatieve categorie aan de kant moet worden geschoven of dé eigen trefwoorden zoals emancipatie, solidariteit en vrijheid als voorbijgestreefd moeten worden beschouwd. Integendeel.

Leven in tijden van globalisering betekent leven in een risicomaatschappij, met veel onzekerheden, twijfels en onbehagen. Het sociale vraagstuk wordt daarom best benaderd vanuit een breed welvaartsbegrip dat zich niet beperkt tot de enge sociaaleconomische indicatoren maar zich verbreedt met de ecologische en technologische uitdagingen. Wie zijn immers de grootste slachtoffers van de opwarming van de aarde, van de schaarste van energie? Het gaat dus niet alleen over de verdeling van de ‘goods’, maar evenzeer over de verdeling van de ‘bads’. Niet alleen over de verdeling van de rijkdommen, maar ook over de verdeling van de risico’s zoals milieuvervuiling en veiligheid.

Sinds de jaren 1980 en 1990 werd de politiek verzocht haar maakbaarheidgedachten op te geven, vooral als het over de economie ging. Ze liet haar actieradius inkrimpen en haar keuzemogelijkheden beperken. Vele sociaaleconomische thema’s werden juridisch-technisch geherformuleerd of geculturaliseerd. De economie werd een gegeven in plaats van een probleemstelling, natuurkunde in plaats van menswetenschap. Economische vraagstukken werden niet gepolitiseerd maar geneutraliseerd.
It’s the economy stupid’, zei Bill Clinton. Een deel van de linkerzijde was dom genoeg om de discussie hierover aan de markt over te laten. Monika Sie Dhian Ho, directeur van de Nederlandse Wiardi Beckman Stichting, drukte het in Samenleving en politiek zo uit: ‘Ons vooruitgangsbegrip is gekaapt door de neoliberalen. We zijn ze gaan napraten. Dus vooruitgang is geworden ‘economische groei’, vooruitgang is geworden ‘iedereen doctorandus’. Hiermee doelt ze op het laten samenvallen van ‘voortgang’ met ‘vooruitgang’, over het verwarren van menselijke rijkdom met het opstapelen van goederen. Wie van een ander welvaartsbegrip vertrekt kan niet anders dan pleiten voor een heroveren van het terrein dat de politiek aan de economie is verloren. Dat betekent niet een verstaatsing van bedrijven of het benoemen van politieke vrienden maar wel het herdefiniëren en democratiseren van economische processen en het vrijwaren van publieke goederen. Links moet zich bezighouden met de economie en investeren in de opbouw van dossiers en kennis. Het voorstel van Carl Devos om een linkse (economische) denktank op te richten verdient alle steun. Of laat de linkerzijde de meningsvorming over de economie over aan de rechterzijde die daarover (nog altijd) een quasimonopolie heeft in onze media.

Een levende democratie heeft partijen nodig die een visie formuleren, keuzes voor de toekomst aanbieden en het maatschappelijk debat politiseren. Een democratie leeft van het meningsverschil. Als er geen fundamentele verschillen zijn tussen democratische partijen wordt de publieke ruime door anderen bezet.
Progressieve partijen mogen best partijdig zijn, de politieke strijd aangaan, beweging maken. Partijen zijn er immers niet alleen om via machtsvorming een programma te realiseren maar ook om burgers te mobiliseren voor hun ideeën en alternatieven. Ze zijn geen fotokopie van wat het electoraat denkt (‘wij zeggen wat jij denkt’), ze zijn ook dragers van meningen en gedachten (‘wat denk jij over wat wij zeggen’). Die worden best ook uitgedragen en niet in de kast gestopt. Ook als het over netelige kwesties en moeilijke onderwerpen gaat. De macht van een mobiliserend verhaal is de voorwaarde voor een eventuele electorale overwinning. ‘Opinion leading’ is een vorm van ‘policy making’. Dat besefte Antonio Gramsci bijna een eeuw geleden. Wie de hegemonie wil doorbreken, moet een ander verhaal ontwikkelen. Wie de samenleving wil veranderen, moet eerst zorgen voor de transformatie van de civiele maatschappij.

Makkelijk is dat niet, want ook een vernieuwde sociaaldemocratie zal haar systeemkritiek moeten verbinden met de leefwereld van mensen. Precies in die wereld van ervaringen, beelden en verhalen pakten moderne ontwikkelingen - globalisering, multiculturalisering, individualisering, verrijking - het hardst uit en vormden daar bij verschillende lagen van de bevolking de bron voor een groeiend wantrouwen en een afkeer van de publieke zaak. Het zal er dus op aan komen de beginselen te laten sporen met de belangen van kiezers. Populair te zijn zonder populistisch te worden.

TOT SLOT

Een linkerzijde zonder een sterke sociaaldemocratie biedt een weinig progressieve horizon. Maar ze moet de pluriformiteit binnen de linkerzijde erkennen. Groenen, sociaaldemocraten en oud-links hebben inderdaad gezamenlijke programmapunten. Maar de verschillen inzake politieke cultuur, inhoudelijke positionering en kiespubliek blijven significant. Groen! en sp.a zijn electoraal voor een deel communicerende vaten, maar als je de recente kiesresultaten analyseert vooral lekkende vaten. ‘Links zit in een krimpende markt’, schreef Marc Heughebaert in Samenleving en politiek. Terecht. Groen! zit niet in dezelfde politiek-ideologische malaise als de sociaaldemocratie, maar ook zij slaagt er in Vlaanderen niet in de maatschappelijke vergroening om te zetten in een belangrijke electorale winst.
Verscheidenheid en diversiteit binnen de linkerzijde hoeft gezamenlijke machtsvorming niet te verhinderen. Nu de soms energieopslorpende karteldiscussies achter de rug zijn, krijgen ze een unieke kans om beter samen te werken rond concrete standpunten. Ook dat zal niet gemakkelijk zijn, zeker wanneer de ene partij in een regering zit en de andere in de oppositie. Maar ook dat hoeft gezamenlijke posities niet uit te sluiten.

The socialism of the West today is so modest that it can’t be called either revolutionary or reformist; it has become conventional’. Dat schreef de Amerikaanse politicoloog Michael Walzer onlangs. Bescheidenheid siert de mens, maar voor een partij is het geen optie.

Jos Geysels
Ex Groen!-politicus en Minister van Staat

sp.a - ideologie - socialisme - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 34 tot 38