Log in

Vitamines voor een duurzaam socialisme

Reflecties over de sp.a

ALS IK NAAR DE SP.A KIJK, ZIE IK…

Als ik naar de sp.a kijk, zie ik vooral verwarring, gebrek aan zelfvertrouwen en gebrek aan empathie, basiskwaliteiten om politiek te bedrijven.
Ik behoor niet tot de partijleden die vooral jonge boegbeelden verantwoordelijk of aansprakelijk willen stellen voor de recente verkiezingsuitslagen. Slechte resultaten zijn een collectieve verantwoordelijkheid, het gevolg van een zwakke partij waar te veel gekakeld werd en te weinig geluisterd. De bereidheid om te luisteren naar collega’s die vroeger ook kameraden werden genoemd, en vooral het luisteren naar traditionele en potentiële kiezers is de basis van elke sterke politieke formatie. Het is misschien nuttig om in de opstelling van de ploegen, de keuze van de kandidaten en de selectie van de mandatarissen meer aandacht te hebben voor diversiteit. Niet alleen met gender, etnische of religieuze origine of restant van zuil moet worden rekening gehouden. Ook generatieverschillen zijn een rijke bron van diversiteit die niet enkel als een bron van conflict moet worden opgevoerd. Het partijbestuur moet in zijn samenstelling zoveel mogelijk geledingen en gevoeligheden van de leden vertegenwoordigen. Goede leden van het partijbestuur omschrijf ik als mensen met een (zo duidelijk mogelijke) mening, die deze mening ook vrij kunnen ventileren. Het partijbestuur heeft duidelijkheid nodig. You’re in or you’re out. Er formeel uitstappen terwijl je met elektronische middeltjes de voorzitter of haar omgeving blijft ‘stalken’, schept enkel verwarring.

Het socialisme is sinds enkele decennia steeds zachter en zoeter geworden. Het rood werd roze. Duitse en Engelse socialisten waren paarse ondernemers geworden. Italiaanse socialisten waren in schandalen verstikt. Franse socialisten maakten elkaar af of stapten zonder schroom in de Sarkozy-regering. Een grote socialist heeft ons ooit gezegd dat wij er moesten op letten geen ‘biefstuksocialisten’ te worden. Helaas zijn wij zonder het zelf te merken geëvolueerd naar ‘filet pur-socialisten’. Dit oppervlakkige gastro-socialisme met bijzonder veel liberale trekjes heeft als gevolg dat we de politieke en sociale realiteit niet meer willen of kunnen zien. Met zwanzende politici zijn wij onze geloofwaardigheid en cours de route kwijtgespeeld en hebben wij ons van tegenstander vergist. Ook het socialisme is besmet met het grootste politieke virus van deze tijd: het populistische opportunisme.

Zoals andere partijen hebben ook de socialisten geïnvesteerd in pijnmanagement en niet in effectieve ziektebestrijding. Het socialisme moest ‘gezellig’ zijn en daar is weinig plaats voor realiteit en waarheid. Wat wij hopelijk hebben geleerd, is dat ongeveerisme en populisme ons niet verder zullen helpen. Laten wij de communicatieadviezen en de campagnebeelden uit het recente verleden zo vlug mogelijk vergeten. Laten wij de communicatieadviseurs en de spindokters definitief bedanken om opnieuw met gepaste deemoed te investeren in een studiedienst, digne de ce nom. Wij hebben nog nooit zo veel kennis gehad, wij hebben nog nooit zo veel onderzocht en wij hebben nog nooit zo amateuristisch gewerkt.

HOE OPNIEUW ELECTORAAL AANTREKKELIJK WORDEN?

Deze vraag vind ik een beetje kort. Wij moeten de sp.a niet enkel electoraal aantrekkelijk maken. De partij moet opnieuw het vertrouwen winnen van de leden en indien mogelijk liefst ook van niet-leden. Wij moeten hier best onmiddellijk mee beginnen; niet wachten tot de volgende verkiezingen. Serieuze politieke partijen zijn ook zichtbaar in periodes die niet pre- of postelectoraal zijn. Toen hoofdredacteuren en partijbonzen nog in één persoon samenvielen werden wij op de hoogte gehouden van de mening van de partij (of van de zwaargewichten). Dat mis ik vandaag. Als de vraag te moeilijk is komt de beleidsvrouw of -man niet naar de studio.
Ik maak dus hierna enkele suggesties om de sp.a opnieuw aantrekkelijk te maken voor een zo breed (maar wel zo duidelijk) mogelijk electoraat. Ik ga deze suggesties in een bepaalde vorm gieten en noem ze daarom vier ‘VITAMINES voor een duurzaam socialisme’.

1. Solidariteit

We noemen de wereld nu ‘globaal’. Zij is dat altijd geweest maar politici, economen en sociologen hebben dat pas laat als thema ontdekt. Het verband tussen het kappen van een bos in Brazilië en een hete zomer in België wordt stilaan duidelijk. Waarschijnlijk zullen we binnenkort begrijpen dat het pleidooi voor een onafhankelijk Vlaanderen misplaatst en idioot is. Onafhankelijkheid bestaat in een geglobaliseerde wereld niet meer. We zijn nog nooit zo afhankelijk geweest. Wij zijn afhankelijk van Arabieren, Fransen en Russen voor energie, van de food multinationals voor onze voeding, van armere landen om straks onze zorgindustrie te komen bemannen en bevrouwen. De kenmerken van deze globale wereld worden te dikwijls gebruikt om de oorzaak of oorsprong van een probleem heel ver van ons bed te situeren met de onmiddellijk aansluitende gedachte … ‘dus wij kunnen er in België, Vlaanderen of onze gemeente niks aan doen’. Solidariteit is het enige juiste antwoord op deze globalisering. Om beter globale problemen op te lossen moeten wij de oude Solidariteit opnieuw uit de kast halen. Dit begrip is geen erfgoed, geen museumstuk maar een zeer eenvoudige vitamine tegen zelfgenoegzaamheid en tunnelvisie. Solidariteit betekent afspraken maken om samen na te denken, samen tot conclusies te komen en samen gemaakte afspraken na te komen.

2. Beter omgaan met slecht nieuws

Wij (in het rijke België) leven in groot comfort. Wij kauwen niet meer en wij sjouwen amper nog. Beschaving betekent helaas ook: zoveel mogelijk doen om inspanningen te vermijden, zoveel mogelijk laten doen. Convenience of comfort is het doel geworden terwijl het altijd een middel was. Wat we ook steeds minder goed kunnen, wat steeds minder past in ons comfortmodel is omgaan met slecht nieuws. We hebben minder weerstand om pijn en verdriet te verdragen.
Dit geldt ook voor politici. Slecht nieuws wordt vermeden of uitgesteld omdat de boodschapper bang is om met de boodschap te worden geïdentificeerd. Als bedrijven sluiten en overheidssteun kan dit niet vermijden, zullen politici al het mogelijke doen om zolang mogelijk de waarheid te verzwijgen, de werkelijkheid te omzeilen. Het einde van Sabena is een historisch voorbeeld. Laffe, liegende politici, ook socialisten, die er niet in slagen de problemen te benoemen, de crisis te omschrijven. Misschien moeten wij hier leren van oncologen die dagelijks slecht nieuws moeten meedelen. Hun diagnose kan hoop bevatten maar dikwijls zal er alleen maar troost zijn.
In de komende decennia zullen politici nog heel wat pijnlijke of tragische situaties moeten begeleiden. Het economische zwaartepunt van de wereld wordt verplaatst naar de BRIC-landen. Als rijke consumenten spelen wij nu nog een rol maar als industriële producenten zullen wij ons moeten herbronnen. Aan politici zal dus regelmatig gevraagd worden om mensen voor te bereiden op moeilijke passages in hun privé- en publieke leven. Wij, Europeanen, Belgen, Vlamingen zullen gedurende enkele decennia armer worden. Wij zullen onze grote spaarpot moeten aanspreken en uiteindelijk leren gelukkig te zijn met minder. Dit is geen pessimistisch maar een realistisch perspectief. Laat ons crisismanagement en reputatiemanagement niet meer uitbesteden maar onze jonge politici leren om op een positieve manier de moeilijke boodschap te brengen. Leren omgaan met slecht nieuws wordt een van de belangrijkste vaardigheden voor al wie leiding zal geven. Het omgaan met snel veranderende omgevingsfactoren zal een grote souplesse vragen van onze geest. Niets is constant, behalve de verandering. Maar dit wisten we reeds geruime tijd.

3. Durven investeren in cultuurpolitiek

Sinds Mitterand is er geen Europees land meer met een duidelijke cultuurpolitiek. De materiële zorgen bleken zo groot dat de cultuurbudgetten niet stegen, niet bij ons, niet in het buitenland. Dit is geen beslissing, dit is niet het gevolg van onderzoek of studie. Dit gebeurde gewoon omdat de culturele sector de minste weerstand biedt als hij aangevallen wordt of miskend. Politiek werd je in het verleden nooit gestraft als je met een begroting de culturele sector raakte. De positieve uitzonderingen, de politici die de cultuurbegroting deden zwellen, werden hier ook niet voor beloond. Het vraagt dus een bepaald idealisme of een zekere overtuiging om te geloven dat op lange termijn een stevige cultuurpolitiek de kwaliteit van het leven van alle mensen positief kan beïnvloeden.
Toch wil ik pleiten om binnen de sp.a meer aandacht te hebben voor cultuur en cultuurpolitiek. Blijven mogelijkheden geven aan scheppende en uitvoerende kunstenaars om kunst te maken en aan een zo groot mogelijk publiek om deel te nemen aan dit proces, is de beste vitamine tegen het cynisme.
De technologische en chemische geneeskunde doen ons steeds langer leven. Titanium knieën en heupen, pacemakers en bypasses, vitaminen en antibiotica zullen maken dat wij straks allemaal honderd jaar worden. Als wij in al die verbouwde en ‘geprepareerde’ lichamen geen goed gevulde harde schijf installeren die herinneringen aan schoonheid en wijsheid heeft opgeslagen, dan zullen wij zeer vervelende krasse knarren worden. Kunst is essentieel, cultuur is existentieel. ‘Gezonde lichamen’ zijn leeg als er geen ‘gezonde geest’ in woont. Die gezonde geest is het geheugen, een heerlijke inventaris van ontroerende momenten, ontmoetingen en herinneringen.
Ik stel ook voor om van cultuurpolitiek een stedelijke materie te maken. Steden zullen de belangrijkste politieke actoren zijn van de 21ste eeuw. Natiestaten kenden hun laatste bloei in de 20ste eeuw. Steden en stedelijke mandatarissen zullen het best geïnformeerd en hopelijk ook het best uitgerust zijn om een menselijke omgeving vorm te geven.
Steden zullen clusters vormen om internationaal te opereren daar waar mogelijk. Door informatica zijn kleinere communities ontstaan die een paar duizend mensen verbinden met dezelfde interesses of activiteiten. Zo zullen ook interstedelijke cultuurnetwerken ontstaan en zullen culturele relaties tussen steden een belangrijke humus zijn voor economische, sociale en politieke relaties. Cultuur zal in de toekomst geen gevolg meer zijn van een economische relatie maar de oorsprong ervan.

4. De mensen niet onderschatten

De VRT heeft haar kijkers en luisteraars te lang onderschat. Dit is het gevolg van de commercialisering van de publieke omroepen. Hetzelfde fenomeen deed zich voor in Nederland. Het waren marketeers die bepaalden wat het publiek kon begrijpen. Zij spraken met mekaar af dat het niveau van de kijker en de luisteraar zich tussen 12 en 14 jaar moest bevinden en de (meeste) programma’s moesten worden aangepast aan dit begripsvermogen, en dan zou het ‘marktaandeel’ maximaal zijn. Deze gruwelredenering werd toegepast. Nog nooit heeft één onderzoek of studie dit onderbouwd. Het resultaat kennen we.
Hetzelfde gebeurde helaas in de politiek. Televisiedebatten werden Verkiezingsshows. Een soort choreografie waarin televisiemakers bepaalden hoeveel tijd er nodig was om iets uit te leggen. Bij de bepaling van deze tijdeenheid werd geen rekening gehouden met de complexiteit van de te geven verklaring, maar met de zogezegde aandachtsboog die bij de kijker maximaal aanwezig was.

Ik zou geen namen noemen maar toch één. De manier waarop Rudy Kennes als vakbondsman met de mensen van General Motors communiceerde was voorbeeldig. Hij is erin geslaagd om een complexe materie op een begrijpelijke manier uit te leggen. Deze vaardigheid moeten wij ontwikkelen. Beter en duidelijker leren communiceren met de basis.
Wij leven vandaag in steden waarin vele nieuwe Belgen met ons samenwonen. Aan deze mensen moeten wij veel uitleggen. Wij moeten de tijd nemen om hen uit te leggen hoe wij leven en wij moeten ook de tijd nemen om naar hun verhaal te luisteren. Misschien moeten wij in de steden op publieke plaatsen het gesprek bevorderen tussen allochtoon en autochtoon. Dat gesprek dat spontaan aan de schoolpoort of langs de lijn bij de voetbaltraining van zoonlief plaatsvindt, misschien moet dat gestimuleerd worden op alle plaatsen waar wensen samenkomen.

Dorian Van der Brempt
Directeur van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 55 tot 56 en 65 tot 67