Log in

Onder- en bovengrenzen en hoe erover te spreken

Reflecties over de sp.a

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 51 tot 54

ALS IK NAAR DE SP.A KIJK, ZIE IK…

Als ik naar de sp.a kijk, zie ik een partij die het moeilijk heeft. Aangezien ik geen politicoloog ben, noch econoom of socioloog, kan ik mij veroorloven om voorbij te gaan aan de talloze al of niet bruikbare, laat staan interessante analyses die de media weten aan te bieden, doorgaans los van enig verlangen of diepe vraag bij de lezer zelf. Mag ik dan ook een eigenzinnige verklaring aanreiken? Dat we zijn terechtgekomen in een hyperindividuele maatschappij lijkt mij zo duidelijk dat sociologisch-psychologisch onderzoek dit alleen maar zal kunnen bevestigen. De reeds vermelde media, televisie voorop, ondertussen gevolgd door Facebook en Twitter, zijn op zich hiervan de mooiste bevestiging: een ware personencultus die zich moet laten vertalen in geldelijke termen als enige, ernstig te nemen standaard tot in het absurde waarbij een rockster als een ware (s/S)uperman op zijn ééntje de wereldproblemen zal oplossen. Probeer dan maar in alle eenvoud een sociaal, op de gemeenschap gericht discours te voeren. Je bent spontaan geneigd te denken, vergeet het maar, een hopeloze zaak! Hoe zou je ooit kunnen spreken over een lawine als je verplicht wordt je te beperken tot het vermelden, loven en verheerlijken van een paar uitzonderlijke sneeuwvlokken? Het wordt nog erger als ook de idee ingang vindt dat voor iedereen alle mogelijkheden openliggen, de zogenaamde American Dream. Zodra je daarmee wordt geconfronteerd, wordt onvermijdelijk alles wat met het sociale te maken heeft een last, en dus storend en negatief. Hoe kan je daartegen ingaan? Het lijkt nog erger dan tegen een kind zeggen dat Sinterklaas niet bestaat omdat je weet dat in dit geval de geschenken niet zullen blijven komen? Dus, als ik de formule mag gebruiken, wat te doen?

HOE OPNIEUW ELECTORAAL AANTREKKELIJK WORDEN?

Welke paden moet een socialistische partij bewandelen om electoraal terug aantrekkelijk te worden? De opdracht die een socialistische partij heeft waar te maken, is, denk ik, vrij eenvoudig te formuleren: tegen het individualistische en ieder-voor-zich discours ingaan en opnieuw een gemeenschaps- en samenlevingsdiscours promoten. Een cynicus zou zeggen, meer hoeft dat niet te zijn. Hoe die opdracht te vertalen in concrete projecten is uiteraard de uitdaging en wat volgt zijn slechts twee aandachtspunten, maar die wel naar mijn idee essentieel zijn.

Een eerste suggestie is dat een samenlevingsdiscours gericht moet zijn op onder- en bovengrenzen. Wat de ondergrenzen betreft, ben ik nog altijd zeer gecharmeerd door het fameuze gedachte-experiment van John Rawls in zijn Theory of Justice met de zogenaamde sluier van onwetendheid. Gereduceerd tot de kern van de zaak is de kwestie deze. Stel dat je twee maatschappijen hebt waarbij in de ene maatschappij de posities van de mensen de hele waaier van daklozen en illegalen tot hyperrijke industriëlen bestrijken, terwijl in de andere maatschappij iedereen een gegarandeerd basisinkomen heeft, ongeacht de positie. Vraag: je kruipt vanavond in bed en morgen zal je wakker worden in één van die twee maatschappijen in een willekeurige positie. In welke van de twee zou je het liefst willen ontwaken? Zoals velen, zal ik ook met kracht kiezen voor de tweede maatschappij. Misschien is het wel evident dat een socialistische partij voor de zwakkeren in de samenleving opkomt maar de kwestie is vooral hoe het voorgesteld wordt. Het punt is niet dat zij die het ‘goed’ hebben, zij die het minder ‘goed’ hebben als het ware meesleuren en een deel van hun ‘welvaart’ laten overvloeien naar de minder ‘geslaagden’, want dan sta je maar één stap verwijderd van een idee dat voor een social(istisch)e kijk eigenlijk anathema zou moeten zijn, namelijk ‘naastenliefde’. (Bemerk alle aanhalingstekens in voorgaande zin, het waarom hiervan wordt bij de tweede suggestie duidelijk) Ik besef dat zo’n uitspraak de wenkbrauwen zal doen fronsen want is niet naastenliefde een fundamentele menselijke waarde? Ja, natuurlijk, maar de invulling is van belang. Als naastenliefde betekent dat, formeel voorgesteld, A en B welbepaalde maatschappelijke posities innemen, A rijker is dan B en af en toe A een klein stukje van zijn of haar rijkdom schenkt aan B zonder dat er enige discussie kan ontstaan rond die posities zelf, dan is naastenliefde niets meer dan het beetje olie dat een machine moet draaiende houden. Dat is te ver weg van een discussie over de blauwdruk van de machine zelf. Wat mij meteen brengt naar het andere uiteinde, de bovengrenzen. Het blijft mij verbazen dat er voor zovelen onder ons niet echt een probleem is met het feit dat er superfortuinen bestaan waarvan de bedragen ophouden nog veel betekenis te hebben. Ze houden op betekenis te hebben in twee richtingen. Niet alleen kan je je niet meer voorstellen wat iemand kan doen met zo’n bedragen ter beschikking - de maan kopen? De Zonnebloemen van Van Gogh kopen en overschilderen? De Mount Everest laten afgraven zodat je hem eindelijk kunt beklimmen met de auto? - maar het suggereert ook dat er activiteiten bestaan die zoveel kunnen opbrengen. Ik daag iedereen uit om mij een arbeidstheorie te laten zien die aantoont dat een beheerder van een bedrijf recht kan hebben op een bonus van zoveel miljoen euro. Wat moet die man of vrouw niet gedaan hebben om dat te verdienen? Vaak is het antwoord dat anderen nog grotere bonussen krijgen maar dat collectieve waanzin een reëel fenomeen is, wist ik al. Of dat ze anders hun levensstandaard niet kunnen ophouden, zoals het heet? Mijn antwoord daarop is dat het paleis in Versailles allang een monument is. Wordt het dan niet helemaal wansmakelijk als die ‘bovenlaag’ zich dan gaat bezondigen aan naastenliefde, zoals hierboven geschetst? Bill Gates, Warren Buffett en anderen brengen hun fortuinen samen om te (her)distribueren maar wel voor hun geliefkoosde projecten. Blijkbaar is rijk zijn een vrijgeleide om de maatschappij te beheren. Niet Big Brother, maar Big Dollar is watching. Willen ze toch zo genereus zijn, laat de maatschappij meebeslissen maar dan houdt het natuurlijk wel op belastingsvrije naastenliefde te zijn. Droom even mee. Neem een miljard euro van die superrijken, dat zullen ze met moeite voelen, herverdeel het gelijkmatig over, afgerond, vijf miljoen Vlamingen, dan krijgt iedereen, baby, kind en grijsaard, tweehonderd euro. Dat is niet niks. Deze rêverie over geld en rechtvaardige verdelingen brengt mij meteen naar mijn tweede aandachtspunt.

Een tweede suggestie heeft te maken met taalgebruik en, meer bepaald, de keuze van een conceptuele woordenschat. In alle eenvoud is de kwestie welke concepten we willen hanteren en gebruiken om bepaalde maatschappelijke processen te beschrijven. Waarom wil ik hier een punt van maken? Om de simpele reden dat, naar mijn idee, we aan het evolueren zijn naar een uniform vocabularium om de gehele maatschappij mee te beschrijven, dat quasi volledig op het economische denken is gestoeld. Dat betekent een dubbel gevaar. Een uniform discours is sowieso levensgevaarlijk omdat het sneller duidelijk maakt wie ervan afwijkt en dus krijg je vijanden overal met paranoia voor gevolg. Maar het effect van het economisch doordrenkt zijn van ons spreken is zo mogelijk nog groter. Aan de ene kant zal wat zich niet economisch laat uitdrukken, eenvoudigweg niet bestaan, maar, aan de andere kant, zullen daardoor processen, instellingen, organisaties die in se niet economisch van aard zijn, economisch worden.

Drie voorbeelden. Een maatschappij levert aan de leden ervan een aantal diensten. Postbedeling, telefonie en andere informatiekanalen, openbaar vervoer, energievoorziening, noem maar op, hoeven, wat mij betreft, geen winst te maken. Ik weet wel, het argument zal zijn dat concurrentie de zaak levendig houdt maar, als dat betekent dat ik om de haverklap moet veranderen van toestel x of y omdat anders de winstcijfers niet worden gehaald, dan is er iets fundamenteels mis. Wanneer zal het moment komen dat ook justitie winst moet maken? (Gevangenissen privatiseren, zoals in de VS wordt gedaan, is al een eerste belangrijke stap in die richting, want die gevangenissen moeten rendabel zijn) Ik wil zelfs zo ver gaan om ze niet als een bedrijf te beschouwen want, éénmaal je dat doet, kan je het economisch discours niet tegenhouden. Dit verklaart trouwens mijn gebruik van de aanhalingstekens in vorige sectie.
Een ander voorbeeld, dat mij persoonlijk zeer nauw aan het hart ligt, is het onderwijs op alle niveaus. De universiteit is mij het best bekend en ik huiver werkelijk wanneer ik de Newspeak hoor over hoe zo’n bedrijf - ditmaal geen aanhalingstekens - moet worden gerund. De student is een consument geworden die zich een opleiding, het product, aanschaft en verwacht hieruit een diploma te halen als return on investment. De universiteit investeert in de student en wil een rendement bereiken dat concurrentieel is met andere bedrijven, pardon, universiteiten. Terwijl, wat mij betreft, onderwijs als primaire opdracht heeft om van individuen sociale wezens te maken die als volwaardige leden van een maatschappij kunnen bijdragen tot een redelijk bestuur ervan zodat niemand er een probleem zal van maken waar hij of zij de volgende ochtend zal wakker worden.
Als derde en laatste voorbeeld wil ik het wetenschappelijk onderzoek vermelden. Hier is de situatie zo mogelijk nog erger omdat onderzoek een onmiskenbare economische component heeft. Iedereen hoopt natuurlijk dat een medische doorbraak uiteindelijk zal leiden tot een medicijn dat breed beschikbaar kan zijn voor iedereen, met andere woorden betaalbaar. Vandaag vertaalt zich dat in patenten, licenties en octrooien, dus, ja, hier is het economisch discours niet te vermijden. Maar dat geldt daarom niet voor het wetenschappelijk onderzoek zelf en dat is wat er nu aan het gebeuren is. Laat ik maar één aspect vermelden. Ook wetenschappelijk onderzoek wordt vandaag concurrentieel gedacht. Liefst van al willen we verscheidene wetenschappelijke teams, in die landen die het zich kunnen permitteren, op hetzelfde probleem laten werken om iedereen wakker te houden en ervoor te zorgen dat de eerste met alle winst gaat lopen. Hoe ik het ook bekijk, dit lijkt mij qua inefficiëntie moeilijk te kloppen. Laat juist wetenschappelijk onderzoek niet toe om tot een zinvolle werkverdeling te komen? En als er uitgerekend mensen zijn die geen concurrentie behoeven om wakker te blijven, dan zijn het wel wetenschappers. Die we trouwens broodnodig zullen hebben, de humane wetenschappers voorop, om in alle vrijheid de maatschappij te kunnen bestuderen en er de mechanismen van bloot te leggen zodat we kunnen komen tot het reeds een paar malen vermelde redelijke bestuur. Net zoals in de vorige sectie eindig ik dus weer op een rêverie.

TOT BESLUIT

Het bovenstaande mag misschien wat provocerend en hopelijk vernieuwend klinken, maar ik besef ook wel dat de uiteindelijke uitdaging blijft hoe dit nu ‘verkocht’ - daar is het economisch taalgebruik weer! - te krijgen via de bestaande media die, zoals heel lang geleden Marshall McLuhan in The medium is the message al heeft duidelijk gemaakt, zo bepalend zijn dat de inhoud de vorm zal moeten volgen. Ik heb hierop geen antwoord maar ik laat dit graag over aan communicatiewetenschappers, sociologen, politicologen en andere experten om met creatieve ideeën voor de dag te komen. Maar deze keer écht creatief.

Jean Paul Van Bendegem
Wetenschapsfilosoof VUB

sp.a - verkiezingen - ideologie - socialisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 17, 2010, nr. 8 (oktober), pagina 51 tot 54